TOELICHTING
Algemeen
Met deze regeling wordt een extra impuls gegeven aan de investeringen in energiebesparing
in de huursector. De regeling draagt daardoor bij aan de realisering van het Nationaal
Energieakkoord voor duurzame groei (Brief aan de Tweede Kamer van 15 november 2013,
Kamerstukken II 2013/14, 30 196, nr. 223), resulterend in extra werkgelegenheid en energiezuinige woningen. Overeenkomstig
het Woonakkoord (zie onder meer de brieven aan de Tweede Kamer van 13 februari 2013,
Kamerstukken II 2012-2013, 32 847, nr. 42, en van 20 juni 2014, Kamerstukken II 2013/14, 30 196, nr. 249) stelt de minister met deze regeling 75 miljoen euro beschikbaar voor een revolverend
fonds voor energiebesparing, om een prikkel te geven aan verhuurders om tot investeringen
over te gaan. De rijksgelden moeten gepaard gaan met 225 miljoen euro private financiering.
Het fonds is juridisch vormgegeven als een subsidieregeling, op grond waarvan subsidie
wordt verstrekt in de vorm van laagrentende leningen aan verhuurders voor het uitvoeren
van renovaties met een zeer hoge energiebesparingsambitie. Het fonds is revolverend:
het geld komt uiteindelijk weer bij het Rijk terug doordat de leningen worden terugbetaald.
Overeenkomstig de motie van de Kamerleden Verhoeven en Visser1 komen de laagrentende leningen uit het fonds beschikbaar voor bestaande woningen
van corporaties en particuliere verhuurders onder en boven de liberalisatiegrens.
De private cofinanciering wordt buiten het fonds om door de verhuurder zelf geregeld.
Leningen voor investeringen in het ’DAEB-bezit’ (de woningen van woningcorporaties
onder de liberalisatiegrens) worden met een borg van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw
(WSW) verstrekt. Leningen voor investeringen in ’niet-DAEB-bezit’ van woningcorporaties
en leningen aan overige verhuurders hebben geen WSW borging. Beoogd wordt een rentevoordeel
te geven ten opzichte van de rente die voor geborgde onderscheidenlijk ongeborgde
leningen op de markt geldt. Voorts is het uitgangspunt uit de rente-inkomsten de uitvoeringskosten
te dekken en zal voor niet-geborgde leningen een opslag gelden om niet-terugbetaalde
leningen te compenseren.
De regeling biedt een steun in de rug voor projecten met een zeer hoge energiebesparingsambitie.
Er is voor gekozen om binnen de groep verhuurders het fonds specifiek te richten op
de koplopers in energiebesparing. Deze focus past goed bij de lange termijn ambities
van het Energieakkoord om te komen tot een gemiddeld label A in de gebouwenvoorraad
in 2030 en een energieneutrale gebouwde omgeving in 2015. Het beschikbare bedrag van
75 miljoen euro is in verhouding tot de investeringsopgave in de huursector klein
en past beter bij de kleine groep van koplopers. Het fonds heeft op deze manier een
duidelijk toegevoegde waarde op de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector
(STEP), die met ingang van 1 juli 2014 inwerking is getreden. De STEP moet verhuurders
in de sociale sector op een zo breed mogelijke schaal stimuleren om woningen met een
slecht energielabel te renoveren. Hiertoe worden energieprestatieverbeteringen tot
en met label A gesubsidieerd. Verhuurders die ver willen gaan in de renovatie kunnen
op grond van de onderhavige regeling bovenop de subsidie op basis van de STEP (een
subsidie in de vorm van) een lening krijgen.
De hoge energiebesparingsambitie wordt voor corporatiewoningen onder de liberalisatiegrens
geconcretiseerd in de eis dat bij de renovatieprojecten tenminste vier labelstappen
moeten worden gehaald en label A+ of hoger moet worden bereikt. Door in te zetten
op dergelijke projecten steunt het fonds bouwers en installateurs bij de innovatie
van hun producten en processen. Voor corporatiewoningen boven de liberalisatiegrens
en woningen van andere verhuurders geldt een minder strenge eis van ten minste drie
labelstappen en label A. Voor renovatie van deze woningen kunnen verhuurders immers
geen gebruik maken van door het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) geborgde financiering
en liggen de financieringskosten hoger.
Bij het type ingrijpende renovaties waar het fonds zich op richt, gaat energiebesparing
in de praktijk hand in hand met bredere woningverbetering. Voorbeelden zijn een nieuwe
gevel die sterk isoleert en tegelijkertijd kwaliteit aan de woning toevoegt, nieuwe
energiezuinige voorzieningen en bouwtechnische verbeteringen. De oude woning krijgt
op die manier een tweede leven en de energiebesparende maatregelen hebben lang effect.
De totale investeringen in zo’n project kunnen oplopen tot € 60.000 per woning. Het
fonds financiert dergelijke integrale renovaties, bijvoorbeeld de zogenaamde ‘nul
op de meter’ woningen.
Vanuit het fonds geeft de minister verhuurders een lening van maximaal € 15.000 per
woning (een kwart van € 60.000). De verhuurders kunnen zelf, op de voor hun gebruikelijke
wijze, de in het Woonakkoord afgesproken driekwart private financiering organiseren.
Om te zorgen voor een evenredige verdeling van de middelen onder de verhuurders en
om de risico’s in het fonds verantwoord in te kaderen, kent de regeling een plafond
voor woningcorporaties en een plafond voor andereverhuurders dan woningcorporaties.
Op basis van het woningbezit van de beide doelgroepen is van de beschikbare 75 miljoen
euro voor corporaties op 60 miljoen bepaald en voor de andere verhuurders dan de woningcorporaties
op 15 miljoen.
Samenhang met de STEP
Zoals hiervoor reeds is vermeld, vullen het fonds en de STEP elkaar aan. De STEP is
beschikbaar voor stappen tot en met label A. Voor woningcorporaties die voor hun DAEB-bezit
kiezen voor een hoger ambitieniveau, zoals nul op de meter, is ook het fonds beschikbaar.
Voor andere verhuurders dan woningcorporaties met woningen onder de liberalisatiegrens
is het hoogste ambitieniveau van de STEP voldoende om ook in aanmerking te komen voor
een lening uit het fonds. Wanneer aan de voorwaarden van beide regelingen wordt voldaan,
kunnen de subsidie en de laagrentende lening, binnen de grenzen van de Europeesrechtelijke
staatssteunkaders, in combinatie, dus ten behoeve van dezelfde renovaties, worden
gebruikt. Om de samenhang in de uitvoering van de regelingen te borgen en de kosten
laag te houden, is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland de uitvoerder van zowel
de STEP als het fonds.
Europeesrechtelijke aspecten
Artikel 5 van de Kaderwet overige BZK-subsidies bevat een algemene weigeringsgrond
voor gevallen waarin een subsidieverstrekking in strijd is met een internationale
verplichting. Te denken valt met name aan de verplichtingen die voortvloeien uit de
staatssteunbepalingen (artikel 107 tot en met 109) van het Verdrag betreffende de
werking van de Europese Unie. Op grond van deze bepalingen dient een steunmaatregel
bij de Europese Commissie te worden aangemeld, tenzij gebruik kan worden gemaakt van
een vrijstellingsbesluit of -verordening.
Bij een (subsidie in de vorm van een) lening is er sprake van staatssteun voor zover
rentekorting wordt verstrekt. Voor de goedkope leningen aan woningcorporaties wordt
in dit verband gebruik gemaakt van het DAEB-vrijstellingsbesluit; aan andere verhuurders
dan woningcorpoaties en aan woningcorporaties voor het niet DAEB-bezit wordt de subsidie
ingevolge artikel 6 verstrekt met toepassing van de algemene groepsvrijstellingsverordening
(AGVV). Hierna wordt nader ingegaan op het DAEB-vrijstellingsbesluit en de algemene
groepsvrijstellingsverordening.
DAEB-vrijstellingsbesluit
Ten aanzien van steun die aan woningcorporaties wordt verleend ten behoeve van hun
taak op het gebied van sociale huurwoningen geldt het DAEB-vrijstellingsbesluit. Ingevolge
artikel 2, onder d, van de Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang
toegelaten instellingen volkshuisvesting zijn woningcorporaties onder andere belast
met het in stand houden van en treffen van voorzieningen aan haar woongelegenheden.
Op grond van artikel 5, tweede lid, van het DAEB-vrijstellingsbesluit mag voor de uitvoering van deze taak in beginsel maximaal tien jaar compensatie
worden verleend, mits het compensatiebedrag niet hoger is dan nodig ter dekking van
de netto-kosten daarvan. Bij een aanzienlijke investering die in overeenstemming met
de algemeen aanvaardbare boekhoudkundige beginselen over een langere periode moet
worden afgeschreven (waarvan bij woningrenovaties sprake is), is compensatie voor
een langere periode toegestaan.
Algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV)
Op grond van de AGVV kan voor energiebesparende maatregelen subsidie worden verstrekt.
In dit verband wordt opgemerkt dat de grondslag voor de (subsidie in de vorm van een)
lening ingevolge de artikelen 2 en 3 de hele renovatie van de woningen omvat, dus
niet is beperkt tot de energiebesparende voorzieningen. De hoogte van de lening bedraagt
echter slechts maximaal een kwart van de totale kosten van de renovatie en wordt alleen
verstrekt wanneer voor de woningen ten minste drie labelstappen worden gemaakt en
energielabel A wordt gerealiseerd. De kosten die gemoeid zijn met de realisering van
een dergelijk label kunnen (in elk geval gedeeltelijk) worden gefinancierd door middel
van de lening van het fonds. De AGVV geldt voorts alleen voor activiteiten waartoe
de begunstigde onderneming niet onder marktvoorwaarden zou overgaan. De steun moet
een prikkel zijn om de activiteiten uit te voeren. Aan deze voorwaarde wordt voldaan,
nu er is gekozen voor een hoog ambitieniveau als vereiste voor het krijgen van de
lening. Zonder de lening wordt voor een lager ambitieniveau gekozen.
Bovendien gelden bij energiebesparende maatregelen maximumpercentages voor de steunintensiteit
van 30, 40 en 50%, afhankelijk van de grootte van de onderneming. Voor zover voor
dezelfde in aanmerking komende kosten steun is verleend die afkomstig is van andere
bronnen (in dit geval de STEP), dient deze te worden meegeteld om te bepalen of het
maximum steunpercentage en steunplafond niet wordt overschreden: voor zover dat wel
het geval is, wordt het subsidiebedrag ingevolge artikel 5 van de Kaderwet overige
BZK-subsidies en artikel 4, derde lid, van het Kaderbesluit BZK-subsidies (hierna:
Kaderbesluit) dienovereenkomstig verlaagd.
Administratieve lasten
Voor de regeling is extra inzet gedaan om de administratieve lasten zo laag mogelijk
te houden. Hoge transactiekosten kunnen leningen immers onaantrekkelijk maken. Tegelijkertijd
is het van belang dat de fondsbeheerder voldoende ruimte heeft om de kredietwaardigheid
van aanvragende partijen te beoordelen en misbruik van de regeling te voorkomen. Vanuit
deze uitgangspunten is het risicobeheerssysteem bij de uitvoerder van de regeling
ingericht. Het risicobeheerssysteem beperkt de benodigde handelingen en daarmee samenhangende
kosten voor de aanvrager daar waar dat mogelijk is. Bij aanvraag van een lening kan
gebruik gemaakt worden van een eenvoudig elektronisch formulier en meer gedetailleerde
informatie over woningen kan met behulp van een Excel-file worden ingediend. Achterliggende
informatie over het project zoals de projectbegroting en (financiële) informatie over
de aanvrager zoals een jaarrekening worden alleen opgevraagd indien de uitvoerder
van de regeling dit voor risicobeheersing nodig acht. Door de koppeling van de lening
aan het energielabel zijn de administratieve lasten voor verhuurders zo beperkt mogelijk
gehouden. De vereiste prestatie in de vorm van labelstappen in de EI en de controle
op die prestatie sluiten goed aan op de praktijk bij verhuurders. Het proces van aanvraag
en de daarvoor benodigde handelingen en informatie sluit grotendeels aan op de STEP.
Dit betekent dat aanvragers maar beperkt extra administratieve lasten hoeven te maken
als zij een aanvraag doen op grond van zowel de onderhavige regeling als de STEP.
Uitvoering en handhaving
De regeling is door middel van een HUF-toets beoordeeld. Dit betekent dat de (concept)regeling
is getoetst op Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid. Deze – interne
– toets is gedaan door juridische en financiële experts vanuit het ministerie.
Artikelsgewijs
Artikel 1
Het begrip verhuurder heeft betrekking op alle verhuurders: zowel de woningcorporaties als de particuliere
verhuurders, maar met uitzondering van natuurlijk personen die woningen verhuren.
Voorts moet de verhuurder tevens eigenaar zijn van de woning(en); de subsidie in de
vorm van een lening kan dus niet worden verstrekt aan bijvoorbeeld een makelaar die
in opdracht van de eigenaar verhuurt. Uiteraard is het wel mogelijk dat een woningbeheerder
die daartoe door de verhuurder gemachtigd is de aanvraag indient in naam van de verhuurder.
Ook voor woningen die tijdelijk niet zijn verhuurd, maar wel voor verhuur bestemd
zijn, kan subsidie in de vorm van een lening worden verstrekt.
Door de koppeling van het begrip woning aan dezelfde term in de Wet op de huurtoeslag vallen woonboten en chaletwoningen
buiten deze regeling. Uitgezonderd zijn voorts woningen die niet gebruikt mogen worden
voor permanente bewoning (recreatiewoningen) en onzelfstandige woonruimte (zoals kamers).
Voorzieningen aan dergelijke woningen komen niet voor subsidie in de vorm van een
lening op grond van deze regeling in aanmerking.
De energieklasse is de letter die vermeld staat op het energieprestatiecertificaat. De energieklasse is afhankelijk van de voor de woning berekende energie-index, dat
wil zeggen van het cijfer dat het energiegebruik aangeeft op basis van de hoeveelheid
energie die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften die verband houden
met een gestandaardiseerd gebruik van de woning. In het spraakgebruik (en in deze
toelichting) wordt in plaats van ’energieklasse’ meestal de term ’energielabel’ gebruikt,
hoewel die laatste term in de Regeling energieprestatie gebouwen omschreven is als
het energieprestatiecertificaat als bedoeld in het Besluit energieprestatie gebouwen. In de onderhavige regeling
wordt de term ’energielabel’ niet gebruikt, maar is gekozen voor de term energieprestatiecertificaat.
Artikelen 2 en 3
In deze artikelen is geregeld voor welke activiteiten de subsidie wordt verstrekt.
Subsidie kan worden verstrekt voor renovatieprojecten van woningen. De kosten van
de hele renovatie, niet alleen die van de energiebesparende voorzieningen, vormen
dus de subsidiegrondslag.
In plaats van de term ’renovatie’ is in de regeling sprake van ’het treffen van voorzieningen’.
Met deze terminologie is aangesloten bij die in artikel 2, onder d, van de Tijdelijke
regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting.
Met het treffen van voorzieningen moet uitdrukkelijk ook een substantiële verbetering
van de energieprestatie worden beoogd: een woningcorporatie is op grond van artikel
12 verplicht voor elke DAEB-woning ten minste label A+ en een energieverbetering van
minimaal vier labelstappen te realiseren en in de overige gevallen moet een subsidieontvanger
minimaal label A en drie labelstappen halen.
Er is pas sprake van een ’project’ wanneer een verhuurder minimaal vijf woningen gaat
renoveren. Het kan daarbij gaan om woningen die overigens geheel los van elkaar staan
en ook los van elkaar worden opgeknapt. Renovaties van minder dan vijf woningen worden
niet als ’project’ aangemerkt en vallen daarmee buiten het bereik van de onderhavige
regeling. Omgekeerd is het mogelijk een grootschalig renovatieproject, waarbij een
groot aantal woningen aangepakt wordt, ten behoeve van de aanvraag op grond van deze
regeling te splitsen in een aantal minder omvangrijke projecten, mits elk (deel)project
wel ten minste vijf woningen omvat.
Voor zover het gaat om corporatiewoningen, kunnen in een project hetzij uitsluitend
woningen zijn opgenomen die DAEB-bezit zijn (dus woningen onder de liberalisatiegrens),
hetzij uitsluitend niet-DAEB-woningen. De reden hiervoor is, dat voor subsidiëring
van niet-DAEB-woningen andere regels gelden dan voor de DAEB-woningen. Het verstrekken
van de (subsidie in de vorm van een) lening voor DAEB-woningen vindt, in tegenstelling
tot woningen boven de liberalisatiegrens, plaats met WSW-borg. Dit is geregeld in
artikel 9.
Een project van een particuliere verhuurder kan zowel woningen onder en als woningen
boven de liberalisatiegrens omvatten.
De subsidie wordt alleen verstrekt voor de renovatie van bestaande woningen, dus niet
voor nieuwbouwprojecten en evenmin voor sloop-nieuwbouw. De reden hiervoor is dat
voor nieuwbouwwoningen en vervangende nieuwbouw de met de onderhavige regeling beoogde
energieprestatie reeds verplicht is op grond van het Bouwbesluit 2012 en het niet
de bedoeling is om activiteiten te subsidiëren waarmee uitsluitend aan wettelijke
verplichtingen wordt voldaan.
Het tweede lid van zowel artikel 2 als artikel 3 bepaalt dat de subsidie wordt verstrekt
in de vorm van een lening met een looptijd van vijftien jaar. De lening moet dus na
vijftien jaar zijn terugbetaald. Enerzijds is de lening, ondanks het bestaan van een
terugbetalingsverplichting, aan te merken als een subsidie in de zin van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb). Artikel 4:21 van de Awb omschrijft het begrip ‘subsidie’
immers als een ‘aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt
met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor
aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten’. De subsidierelatie wordt beheerst
door het publiekrecht. Anderzijds moet de verhuurder in verband met de het karakter
van de subsidie ook een leningsovereenkomst sluiten met de Staat (zie de artikelen
9 en 10). De leningsovereenkomst wordt beheerst door het privaatrecht.
Artikel 2 betreft de subsidie/lening aan woningcorporaties, artikel 3 de subsidie/lening
aan andere verhuurders dan woningcorporaties. Omdat met de uitvoering van de regeling
voor particuliere verhuurders meer voorbereidingstijd gemoeid is, treedt de regeling
voor die verhuurders later (namelijk met ingang van 17 november) inwerking dan voor
de woningcorporaties (per 6 oktober 2014); in verband daarmee zijn om wetstechnische
redenen voor de onderscheiden doelgroepen aparte bepalingen opgenomen.
Artikel 4
Zoals reeds vermeld in het algemeen deel van deze toelichting wordt voor de onderhavige
regeling in totaal een bedrag van 75 miljoen euro beschikbaar gesteld. Van dit bedrag
is 60 miljoen euro beschikbaar voor de woningcorporaties en 15 miljoen voor de andere
verhuurders. De uitvoeringskosten moeten betaald worden uit de rente-inkomsten, maar
in eerste jaren zullen die inkomsten de uitvoeringskosten nog niet kunnen dekken.
Die kosten zullen in eerste instantie worden voorgeschoten uit het totale budget van
de regeling. Daarom zijn de onderscheiden subsidieplafonds vooralsnog niet op 60 en
15 miljoen euro vastgesteld, maar op € 58.240.000, onderscheidenlijk € 14.560.000.
Zodra de rente-inkomsten voldoende zijn, zullen de plafonds naar boven worden bijgesteld.
Het derde lid bepaalt dat de aanvraag wordt behandeld op basis van het moment van
binnenkomst. Artikel 9 van het Kaderbesluit stelt enkele regels bij het bepalen van
de volgorde. In dat artikel is in de eerste plaats bepaald dat de datum van binnenkomst
van de aanvraag die voldoet aan de wettelijke voorschriften geldt als de datum van
binnenkomst en dus niet de datum dat een aanvraag wordt ingediend die nog aanvulling
behoeft met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarmee
wordt voorkomen dat een aanvrager die snel een (pro forma) aanvraag indient die niet
aan alle wettelijke vereisten voldoet, voorgaat op een aanvrager die weliswaar meer
tijd nodig heeft, maar wel komt met een aanvraag die wel aan alle eisen voldoet. Voorts
is in artikel 9 van het Kaderbesluit bepaald dat de onderlinge rangschikking van aanvragen
die binnenkomen op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt, wordt vastgesteld
door middel van loting. Ten slotte is in het Kaderbesluit geregeld dat van het bereiken
van het subsidieplafond onverwijld mededeling wordt gedaan in de Staatscourant.
Als de aanvraag met betrekking tot een deel woningen die onderdeel uitmaken van een
project niet compleet is, wordt met de behandeling van de hele aanvraag gewacht tot
de aanvraag is aangevuld. Het is dus niet zo dat in een dergelijke situatie de aanvraag
met betrekking tot de overige woningen wel al in behandeling wordt genomen.
De rente-inkomsten en de aflossingsbedragen van de uitstaande leningen komen overigens
niet vanzelf weer beschikbaar voor deze regeling. Hetzelfde geldt voor budget dat
vrijvalt doordat verleende subsidie uiteindelijk op een lager bedrag of nihil wordt
vastgesteld. Voor het opnieuw beschikbaar stellen van de bedoelde bedragen zal de
regeling te zijner tijd opnieuw moeten worden geopend.
Artikel 5
Voor een renovatieproject kan tot een vierde van de totale kosten worden geleend,
met een maximum van € 15.000 maal het aantal woningen dat het project omvat. Dit betekent
dat de verhuurder ten minste driekwart van het investeringsbedrag zelf moet financieren.
Voor dat deel moet hij dus een andere (private) lening afsluiten of eigen vermogen
inzetten. Ook kan hij voor dat deel een beroep doen op de STEP. Op grond van het derde
lid is het namelijk mogelijk de subsidie in de vorm van een lening te combineren met
een subsidie op grond van de STEP, in die zin dat voor dezelfde energetische verbeteringen
zowel subsidie op grond van de STEP als een lening uit het fonds verkregen kan worden.
Hierbij wordt aangetekend dat op grond van de STEP in beginsel ook stapeling van andere
overheidssubsidies mogelijk is; indien een verhuurder voor een woning naast subsidie
op grond van de STEP echter een lening wenst op grond van de onderhavige regeling,
is stapeling van andere overheidssubsidies dan de STEP-subsidie niet toegestaan.
Er is geen maximum gesteld aan het aantal aanvragen dat een verhuurder kan doen, maar
aan een verhuurder kan op grond van deze regeling in totaal niet meer dan € 8.000.000
worden geleend. Hiermee wordt voorkomen dat het beschikbare budget door een klein
aantal (grote) verhuurders wordt opgesoupeerd.
In het vierde lid is geregeld dat op alle subsidies in de vorm van een lening, ongeacht
de hoogte ervan, de voorschriften voor subsidieverstrekking uit het zogenaamde ’arrangement
2’ van toepassing zijn. Dit arrangement is in beginsel bedoeld voor subsidies van
€ 25.000 tot € 125.000. Voor subsidies lager dan € 25.000 geldt het lichtste regiem
(arrangement 1) en voor subsidies vanaf € 125.000 het zwaarste arrangement 3. Bij
ministeriële regeling kan echter worden bepaald dat met een eenvoudiger (lastenarmer)
arrangement kan worden volstaan. De regels voor arrangement 2 staan in artikel 17
van het Kaderbesluit en houden onder meer in dat de subsidieontvanger standaard moet
aantonen dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn uitgevoerd. De verantwoording
geschiedt volgens deze regels over de uitgevoerde activiteiten of over een vooraf
bepaalde meetbare prestatie-eenheid. Voor de onderhavige subsidie in de vorm van een
lening moet de verhuurder aantonen dat de renovatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd en
dient het op grond van artikel 11, onder c, verplichte nieuwe energieprestatiecertificaat
als bewijs dat de energieverbetering is gehaald. Op basis van een risicoanalyse kan
de uitvoerder van de regeling besluiten om een controle ter plekke uit te voeren.
Er wordt geen bijkomende financiële verantwoording en geen controleverklaring opgevraagd.
In gevallen waarin duidelijk wordt dat de activiteiten niet geheel, niet tijdig dan
wel niet volgens subsidieverplichtingen uitgevoerd worden, is voorzien in een meldingsplicht
van de subsidieontvanger. Er mag een tussentijds voortgangsverslag worden gevraagd,
maar niet vaker dan één keer per periode van 12 maanden.
Artikel 6
In dit artikel is bepaald dat de subsidie in de vorm van een lening aan andere verhuurders
dan woningcorporaties en aan woningcorporaties voor projecten van niet DAEB-woningen
wordt verstrekt onder de werking van de AGVV. In het algemeen deel van de toelichting
(onder ’Europeesrechtelijke aspecten’) is hierop reeds ingegaan.
Artikel 7
Dit artikel bevat voorschriften met betrekking tot de subsidieaanvraag.
De indiening van aanvragen vindt digitaal plaats (eerste lid). Per aanvraag kan voor
slechts één project worden aangevraagd; een verhuurder kan wel meerdere aanvragen
indienen (tweede lid).
Op grond van het derde lid kan, wanneer een woning eenmaal is opgenomen in een project,
die woning niet meer in een ander project worden opgenomen. Met dit voorschrift wordt
voorkomen dat voor een woning meerdere keren subsidie wordt aangevraagd. Dus als de
subsidie op een lager bedrag wordt vastgesteld, bijvoorbeeld omdat de vereiste energieverbetering
voor een bepaalde woning niet is gerealiseerd, kan voor de renovatie van die woning
niet nog een keer subsidie worden aangevraagd. Ook als een aanvraag tot subsidieverlening
ten behoeve van een bepaald project wordt afgewezen, kunnen de woningen die deel uitmaakten
van dat project in beginsel niet meer in een ander project worden opgenomen waarvoor
subsidie wordt gevraagd. Verhuurders moeten daarom zorgvuldig zijn met hun aanvraag.
Het heeft weinig zin om op goed geluk een aanvraag in te dienen om er, met het oog
op het subsidieplafond, op tijd bij te zijn.
Het vierde lid regelt de bij de aanvraag te vermelden gegevens en te geven verklaringen.
Dit betreft ten eerste gegevens en verklaringen over de woningen die met de subsidie
in de vorm van een lening worden verbeterd, en gegevens van de eigenaar-verhuurder.
Welke gegevens en verklaringen moeten worden aangeleverd is deels afhankelijk van
het soort verhuurder en het soort woningen die gerenoveerd worden. Dit heeft te maken
met de verschillende regels voor staatssteun aan woningcorporaties voor wat betreft
hun DAEB-bezit enerzijds en anderzijds de staatssteunregels ten aanzien van het overige
bezit van de corporaties en de woningen van particuliere verhuurders. Zo moet ingevolge
onderdeel k met betrekking tot aanvragen van particuliere verhuurders en aanvragen
van corporaties die zien op renovatie van niet-DAEB woningen een verklaring worden
gegeven met betrekking tot de grootte van de onderneming (de verhuurder). Dit houdt
verband met het feit dat kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van de AGVV
meer staatssteun mogen ontvangen dan grote ondernemingen.
Ten tweede moet in de aanvraag worden vermeld hoeveel woningen van het project deel
uitmaken en hoeveel subsidie in de vorm van een lening wordt gevraagd.
Ten derde moet, om de verbetering van de energieprestatie te kunnen beoordelen, voor
de start van de renovatie een actueel energielabel van de woning beschikbaar zijn
en moet worden aangegeven welk label na de renovatie is beoogd. Ten aanzien van het
energielabel is in onderdeel b bepaald dat de opnamedatum niet ouder mag zijn dan
zes maanden. De opnamedatum staat vermeld op het certificaat en is niet per se gelijk
aan de datum van registratie (afmelding): de opnamedatum kan zelfs ver voor de registratiedatum
liggen. Voor alle duidelijkheid wordt er op gewezen dat er geen energieprestatiecertificaat
is, wanneer het label nog niet is geregistreerd (afgemeld). Opname van het label en
vermelding van de opnamedatum alleen volstaat dus niet: het label moet ook zijn afgemeld.
Het energielabel zelf behoeft overigens niet te worden meegezonden: vermelding van
de huidige energie-index die op het label is opgenomen volstaat. Na de renovatie zal
de energieprestatie opnieuw moeten worden vastgesteld door een onafhankelijke deskundige
die een nieuw energielabel afgeeft. Op basis hiervan kan worden vastgesteld of de
vereiste energetisch verbetering is behaald en de subsidie in de vorm van een lening
definitief kan worden vastgesteld.
De eis dat een energielabel beschikbaar moet zijn dat niet ouder mag zijn dan zes
maanden is bij wijze van overgangsmaatregel in het zevende lid enigszins versoepeld
voor situaties waarin een verhuurder vóór de inwerkingtreding van deze regeling al
een subsidieaanvraag heeft ingediend op grond van de STEP. In een dergelijk geval
mag de verhuurder hetzelfde energielabel gebruiken als bij de STEP-aanvraag. Ook voor
die aanvraag geldt dat een label van maximaal een half jaar oud beschikbaar moet zijn.
De STEP is op 1 juli in 2014 in werking getreden, dus is een voor die regeling gebruikt
label op zijn vroegst gedateerd op 1 januari 2014.
Voorts moet een opgave worden gedaan van het totale investeringsbedrag voor het project
en van het deel van de kosten dat betrekking heeft op de investeringen voor de energiebesparende
voorzieningen (vierde lid, onderdeel h). De bedragen moet komen uit een gespecificeerde
begroting, die niet met de aanvraag mee ingezonden hoeft te worden, maar die (uiteraard)
wel door RVO in het kader van de beoordeling van de subsidieaanvraag kan worden opgevraagd.
Verklaringen op grond van het vierde lid worden gegeven door het aanvinken van de
in de desbetreffende, in het elektronische aanvraagformulier opgenomen, verklaringen;
er hoeven dus geen verklaringen in papieren of gescande vorm te worden aangeleverd.
In het vijfde lid is uitdrukkelijk bepaald dat de andere verhuurder dan de woningcorporatie
naar aanleiding van zijn aanvraag bevraagd kan worden omtrent zijn financiële positie.
Een goed beeld van de aanvrager is noodzakelijk teneinde misbruik en het risico dat
een subsidieontvanger de lening niet terugbetaalt te voorkomen. Dit lid laat overigens
onverlet dat op grond van artikel 4:5 van de Awb zo nodig nog andere informatie kan
worden gevraagd. Bovendien kan bij een vermoeden van malafide het Bureau BIBOB gevraagd
worden de integriteit van de subsidieaanvrager te onderzoeken.
Op grond van het zesde lid kan een dekkingsplan worden opgevraagd. Dit kan nodig zijn
om te kunnen beoordelen of de renovatieplannen financieel haalbaar zijn en of andere
financiers vertrouwen hebben in de desbetreffende partij. Immers moet 75% van de investeringen
zonder de subsidie zijn gedekt.
Artikel 8
In dit artikel zijn in aanvulling op de algemene afwijzingsgronden van de artikelen
12 en 13 van het Kaderbesluit twee (aanvullende) afwijzingsgronden opgenomen. Ten
eerste wordt een subsidieaanvraag op grond van dit artikel ook afgewezen als er onvoldoende
vertrouwen bestaat dat het ontvangen leningsbedrag, inclusief de rente, tijdig zal
worden terugbetaald. In het kader hiervan zal ten aanzien van de aanvrager een kredietwaardigheidtoets
door uitvoerder van de regeling worden uitgevoerd.
Volledigheidshalve wordt hier nog vermeld dat de subsidie op grond van artikel 13
van het Kaderbesluit evenmin verleend wordt als er onvoldoende vertrouwen bestaat
dat de aanvrager de financiering van het deel van het investeringsplan waarvoor geen
lening ingevolge deze regeling verkregen kan worden niet rond krijgt. Het gaat om
driekwart deel van het totale investeringsplan (artikel 5, eerste lid).
Ten tweede zal de subsidie worden geweigerd als het gaat om een subsidiebedrag lager
dan € 75.000. De achtergrond van deze afwijzingsgrond is dat voorkomen moet worden
dat een grote hoeveelheid relatief kleine aanvragen wordt ingediend, waardoor de uitvoeringskosten
te hoog zouden worden.
Artikelen 9 en 10
De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een lening die uiteindelijk geheel moet
worden terugbetaald en waarover rente wordt berekend. De definitieve vaststelling
van de subsidie vindt plaats uiterlijk twee jaar na de datum waarop de subsidie is
verleend. De lening heeft echter een veel langere looptijd (vijftien jaar). Na vaststelling
van de subsidie is er geen grond meer om de naleving van betalingsverplichtingen op
basis van het bestuursrecht af te dwingen. Daarom moet direct na het besluit tot subsidieverlening
ook een privaatrechtelijke leningsovereenkomst worden gesloten.
Artikel 4:36 van de Awb maakt het sluiten van een zogenaamde uitvoeringsovereenkomst
mogelijk. In artikel 9 (voor DAEB-woningen) en artikel 10 (voor vrije sectorwoningen)
is in overeenstemming met artikel 4:33, onder a, van de Awb het sluiten van de leningsovereenkomst
(bij wijze van uitvoeringsovereenkoms)t als voorwaarde voor subsidieverlening opgenomen.
In deze overeenkomst wordt de financiële verhouding tussen de geldgever (de minister)
en de geldnemer (de subsidieontvanger) vastgelegd. In het tweede lid zijn de belangrijkste
punten van de overeenkomst opgenomen.
In de leningsovereenkomst zal onder meer worden vastgelegd dat de lening direct opeisbaar
is wanneer de subsidie in de vorm van een lening op nihil of op een lager bedrag wordt
vastgesteld (wat in elk geval aan de orde zal zijn als het de vereiste verbetering
van de energieprestatie niet wordt gehaald) of de subsidie in de vorm van een lening
wordt ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger wordt gewijzigd. De overeenkomst
laat overigens onverlet, dat onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten
binnen vijf jaar ook bestuursrechtelijk kunnen worden teruggevorderd op grond van
artikel 4:57 van de Awb.
In de leningsovereenkomst zal voorts het rentepercentage over de lening worden vastgelegd.
Zekerheid met betrekking tot het rentepercentage kan pas worden gegeven bij het sluiten
van de overeenkomst; eventueel door de RVO vooraf gecommuniceerde rentepercentages
zijn slechts indicatief van aard. De leningen ten behoeve van corporatiewoningen zullen,
voor zover zij onder de maximale huurgrens vallen, WSW geborgd worden. Die borging
zorgt ervoor dat een lagere rente kan worden berekend.
Artikel 11
De subsidie (lening) wordt verleend om woningen zodanig te renoveren dat een verbetering
van vier labelstappen worden gerealiseerd. Daarbij moet label A+ of hoger worden bereikt
(eerste lid). Voor woningen van andere verhuurders dan woningcorporaties en voor corporatiewoningen
boven de maximale huurgrens geldt op grond van het tweede lid de iets soepelere eis
van minimaal drie labelstappen en label A. De energetische verbetering moet op grond
van het derde lid bovendien binnen twee jaar, gerekend vanaf de datum van de subsidieverlening,
zijn gerealiseerd. De subsidie zal alleen dan definitief worden vastgesteld als binnen
deze termijn een nieuw energielabel is afgegeven, waaruit blijkt dat de vereiste energetische
verbeteringen ook werkelijk zijn gerealiseerd.
De toevoeging in het derde lid,dat het een energielabel moet betreffen ’zoals die
op de datum van afgifte ... luidt’, ziet op de situatie dat de labelsystematiek op
grond van de Regeling energieprestatie gebouwen tussentijds wijzigt. Het is niet uit
te sluiten dat op basis van een gewijzigde systematiek een label wordt berekend die
afwijkt van het label dat op grond van de oude systematiek zou worden vastgesteld.
Het kan dan voorkomen dat een verhuurder die een aanvraag heeft ingediend aan de hand
van een energielabel dat is vastgesteld onder de oude systematiek, niet het vereiste
label realiseert, hoewel hij renovaties heeft uitgevoerd waarmee hij dat op grond
van de oude systematiek wel zou hebben gehaald. In een dergelijke situatie wordt de
subsidie in de vorm van een lening op grond van artikel 15 op een lager bedrag of
mogelijk zelfs op nihil vastgesteld. Wanneer bekend wordt dat de labelsystematiek
zal wijzigen, zullen de verhuurders aan wie vóór de ingangsdatum van die wijziging
subsidie in de vorm van een lening is verleend hierover tijdig schriftelijk worden
geïnformeerd, zodat zij de geplande werkzaamheden zo nodig kunnen aanpassen.
Artikel 12
Is de subsidieontvanger een woningcorporatie die behalve voor woningen binnen de sociale
sector ook subsidie ontvangt voor vrije sector-woningen, dan moet hij kosten die met
de activiteiten waarvoor hij subsidie ontvangt verband houden gescheiden in de boekhouding
opnemen. Dit betreft een voorschrift dat voortvloeit uit artikel 5, negende lid, van
het DAEB-vrijstellingsbesluit. Dit betreft dus een verplichting die vanuit Europees
recht wordt opgelegd.
Artikel 13
Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat een woning waarvoor subsidie is verleend
wordt verkocht voordat de subsidie definitief is vastgesteld. Dit houdt verband met
het feit dat de subsidie de vorm heeft van een lening die moet worden terugbetaald
en dat bij overdracht van de woning onvoldoende zekerheid bestaat dat de activiteiten
waarvoor de subsidie is verleend zullen worden uitgevoerd. Voorkomen moet daarom worden
dat de subsidie wordt overgedragen aan een andere eigenaar. Wat er na de vaststelling
van de subsidie gebeurt is minder relevant, aangezien de renovatie dan reeds is uitgevoerd
en de verbetering van de energieprestatie is gehaald; de leningsovereenkomst met de
oorspronkelijke eigenaar/verhuurder blijft van kracht blijft en die eigenaar/verhuurder
zal ondanks de verkoop van de woning aan zijn betalingsverplichtingen moeten blijven
voldoen.
Geregeld is daarom dat de subsidie bij verkoop van een of meer woningen ten nadele
van de subsidieontvanger evenredig zal worden gewijzigd of zelfs in zijn geheel zal
worden ingetrokken als het project door de verkoop van een of meer woningen minder
dan vijf woningen omvat of de subsidie lager dan € 75.000 wordt.
Artikel 14
Op grond van artikel 22, vierde lid, van het Kaderbesluit moet de verhuurder binnen
dertien weken na het verricht zijn van de gesubsidieerde activiteiten een aanvraag
tot vaststelling van de subsidie indienen. Bij ministeriële regeling kan echter een
andere termijn worden bepaald. Dit is het geval voor zover het gaat om projecten van
woningen van woningcorporaties in de sociale sector. In het eerste lid van het onderhavige
artikel is bepaald dat de aanvraag tot subsidievaststelling niet eerder gedaan kan
worden dan 22 weken voor afloop van de termijn (van 24 maanden) waarbinnen de renovaties
klaar moeten zijn. Dit houdt verband met de borging van de lening door WSW. Het is
niet mogelijk om een WSW geborgde lening binnen een termijn van twee jaar op te eisen.
Aangezien subsidieverlening onlosmakelijk met de leningsovereenkomst verbonden is,
is het niet wenselijk dat de subsidievaststelling op een tijdstip plaatsvindt waarop
de lening nog niet opeisbaar is. De genoemde 22-weken termijn houdt verband met artikel
22, vijfde lid, van het Kaderbesluit, dat bepaalt dat een beschikking tot subsidievaststelling
binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag moet worden gegeven.
Zoals uiteengezet in de toelichting op artikel 5, zijn de voorschriften van arrangement
2 van toepassing op subsidie in de vorm van een lening op grond van de onderhavige
regeling. Bij dit arrangement hoort dat bij de aanvraag tot subsidievaststelling geen
controleverklaring hoeft te worden aangeleverd. Dit is in het tweede lid geregeld.
Artikel 15
De situatie kan zich voordoen dat een verhuurder voor de woningen van een project
aanvankelijk een hoger energielabel dan A+ ambieerde, maar uiteindelijk slechts label
A+ bereikt. In dat geval leidt het niet halen van het beoogde label niet automatisch
tot vermindering van de subsidie, maar de totale projectkosten kunnen bij minder labelstappen
wel lager zijn. In verband met de eis dat slechts een kwart van de projectkosten gesubsidieerd
mogen worden, moet daar bij de vaststelling van de subsidie rekening mee worden gehouden.
Daarom is in het eerste bepaald dat de subsidie nooit op een hoger bedrag kan worden
vastgesteld dan een vierde van de werkelijke investeringskosten. Daarnaast is in dit
artikel geregeld hoe de subsidie wordt vastgesteld wanneer niet voldaan is aan de
verplichtingen met betrekking tot de verbetering van de energieprestatie. De subsidie
zal in die gevallen naar rato van het aantal woningen waarvoor het vereiste label
wel is gehaald worden vastgesteld. Daarbij blijft de eis dat er voor ten minste vijf
woningen binnen een project wel aan de verplichtingen moet zijn voldaan; is dat niet
het geval, dan wordt de subsidie op nihil vastgesteld.
Het derde en vierde lid zien op de situatie waarin een of meer woningen zijn verkocht
en de subsidie in verband daarmee op grond van artikel 13, eerste lid, is gewijzigd.
Aparte regeling van de subsidievaststelling in deze situatie is nodig, omdat het aantal
woningen dat een project omvat niet verandert bij toepassing van artikel 13. Bij toepassing
van het derde en vierde lid, komt de ondergrens van vijf woningen en € 75.000 subsidie
eerder in beeld, waardoor de subsidie op nihil wordt vastgesteld; tussentijdse verkoop
van woningen is dus met name een risicofactor voor verhuurders die subsidie ontvangen
voor een kleinere project.
Als artikel 13 niet is toegepast, bijvoorbeeld wanneer kort voor de subsidievaststelling,
maar na de renovatie woningen zijn verkocht, geschiedt de vaststelling van de subsidie
volgens het eerste en tweede lid.
Artikel 16
Er is afgeweken van het systeem van vaste verandermomenten. Het streven dat de regeling
per 1 oktober 2014 in werking zou treden, maar dit bleek voor de uitvoerder van de
regeling net niet haalbaar. De regeling treedt daarom voor de woningcorporaties op
6 oktober 2014 in werking en voor de andere verhuurders dan woningcorporaties anderhalve
maand later. De achtergrond van dit verschil is dat uitvoering van de regeling voor
andere verhuurders dan woningcorporaties ingewikkelder is en meer voorbereidingstijd
vergt. De uitvoering van de regeling voor de woningcorporaties is eenvoudiger, omdat
de leningen aan hen WSW geborgd worden en daarom voorafgaand aan de subsidieverstrekking
geen uitgebreid onderzoek naar de kredietwaardigheid verricht hoeft te worden.
In artikel 6A van het Uniform Subsidiekader zijn bepalingen opgenomen inzake de beperking
van de duur van een subsidieregeling. Op grond hiervan dient de regeling te voorzien
in een datum waarop de regeling eindigt en deze datum dient te liggen vóór het tijdstip
waarop na de inwerkingtreding van de regeling vijf jaren zijn verlopen. Daarom is
in het derde lid bepaald dat de regeling op 1 oktober 2019 vervalt. De subsidie in
de vorm van een lening op grond van deze regeling is zogenoemd revolverend. Ervan
uitgaande dat het subsidieplafond wordt bereikt, zal aan het eind van de looptijd
van deze regeling ongeveer een derde deel van de verstrekte subsidiebedragen weer
zijn teruggevloeid naar de Rijkskas.
De Minister voor Wonen en Rijksdienst,
S.A. Blok