Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 september 2014 nr. 590403 BVE houdende aanwijzing van de organisatie die is belast met de advisering over de landelijke kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers beroepsonderwijs alsmede regels voor de werkwijze en de subsidiëring van de werkzaamheden van die organisatie (Regeling aanwijzing adviserende organisatie kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers beroepsonderwijs)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken;

Gelet op artikel 7.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. DUO:

Dienst Uitvoering Onderwijs;

b. minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor zover het betreft het beroepsonderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, de Minister van Economische Zaken;

c. wet:

Wet educatie en beroepsonderwijs;

d. SBB:

Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven.

Artikel 2. Aanwijzing organisatie

De SBB wordt aangewezen als de organisatie, bedoeld in artikel 7.2.5 van de wet.

Artikel 3. Regels inzake de werkwijze van de organisatie

  • 1. De SBB draagt er zorg voor dat de voorstellen voor kwalificatiedossiers of wijzigingen daarvan die door de kenniscentra aan de minister worden gedaan, van een onafhankelijke toetsing worden voorzien en dat het resultaat van deze onafhankelijke toetsing wordt gevoegd bij de voorstellen voor kwalificatiedossiers of wijzigingen daarvan.

  • 2. De taak, bedoeld in het eerste lid, bestaat in ieder geval uit de volgende onderdelen:

    • a. het inrichten van een toetsproces op grond waarvan voorstellen voor nieuwe kwalificatiedossiers respectievelijk voorstellen tot wijziging van reeds vastgestelde kwalificatiedossiers worden beoordeeld;

    • b. het toetsen van elk voorstel voor een kwalificatiedossier of een wijziging daarvan aan de criteria, opgenomen in het toetsingskader, bedoeld in artikel 7.2.4, zesde lid, van de wet;

    • c. het beoordelen of de voorstellen van de kenniscentra voor kwalificatiedossiers een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs in relatie tot de aansluiting tussen aanbod van het beroepsonderwijs en de behoeften op de arbeidsmarkt voor afgestudeerden.

  • 3. Naast de taak, bedoeld in het eerste lid, heeft de SBB de volgende taken:

    • a. het verschaffen van informatie aan de minister over de resultaten van toetsing welke ten dienste staat van de beleidsontwikkeling inzake de kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs;

    • b. het in afstemming met onder meer de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven, de MBO Raad, de AOC-Raad en NRTO doen van een voorstel aan de minister voor het toetsingskader, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, het model kwalificatiedossier (en de daarbij horende instructie) en het onderhoud van het door de minister vastgestelde toetsingskader;

    • c. het op verzoek van de minister doen uitvoeren van onderzoek ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van de kwalificatiestructuur;

    • d. het op verzoek van de minister adviseren over beleidsvoorstellen ten aanzien van de kwalificatiestructuur.

Artikel 4. Geschillen

De SBB draagt zorg voor een regeling inzake geschillen over de wijze waarop de toetsing, bedoeld in artikel 3, plaatsvindt en de uitkomst van de toetsing.

Artikel 5. Indienen activiteitenplan en begroting

  • 1. Uiterlijk op 1 december van het voorafgaande kalenderjaar dient de SBB tezamen met de subsidieaanvraag een activiteitenplan en een begroting in bij de minister. Het activiteitenplan bevat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. De begroting bevat een overzicht van de voor het betreffende kalenderjaar geraamde inkomsten en uitgaven voor zover die betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2. Voor het jaar 2014 dient de SBB het activiteitenplan en de begroting uiterlijk in binnen 14 dagen na plaatsing van deze regeling in de Staatscourant.

Artikel 6. Verstrekken subsidie

  • 1. Ten behoeve de uitvoering van de taken, bedoeld in deze regeling, verstrekt de minister jaarlijks subsidie aan de SBB.

  • 2. De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor zij is verstrekt.

Artikel 7. Subsidievoorwaarde

De Regeling OCW-subsidies is, met uitzondering van hoofdstuk 3, van toepassing.

Artikel 8. Subsidieplafond

Voor subsidieverlening op grond van deze regeling is voor 2014 een bedrag van ten hoogste € 1.320.000,– en voor 2015 een bedrag van ten hoogste € 1.260.000,– beschikbaar.

Artikel 9. Vaststellen subsidie

  • 1. Ten behoeve van de vaststelling van de subsidie dient de SBB binnen zes maanden na afloop van het subsidiejaar een financieel verslag en een activiteitenverslag als bedoeld in artikel 4:75 van de Algemene wet bestuursrecht in bij DUO.

  • 2. In het activiteitenverslag, genoemd in het eerste lid, toont de SBB aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 3. Het activiteitenverslag bevat een overzicht van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verstrekt en van de daarmee bereikte resultaten. Het verslag bevat, voor zover van toepassing, een analyse van verschillen tussen de voorgenomen activiteiten en beoogde resultaten, vermeld in het activiteitenplan, en de feitelijke realisatie.

  • 4. Het eindverslag wordt tezamen met het financieel verslag, bedoeld in het eerste lid, gezonden aan de minister.

  • 5. De subsidie wordt vastgesteld op basis van de daadwerkelijke kosten tot ten hoogste het bedrag van de subsidieverlening, bedoeld in artikel 8.

Artikel 10. Voorschot

In de beschikking tot subsidieverlening wordt het ritme en de hoogte van de voorschotten bepaald.

Artikel 11. Taakverwaarlozing

  • 1. De minister kan besluiten dat de SBB van zijn taken, bedoeld in artikel 3, is ontheven indien is gebleken dat het zijn taken niet of niet naar behoren vervult. Een beschikking als bedoeld in de eerste volzin brengt mee dat de aanspraak op subsidie op grond van deze regeling vervalt.

  • 2. De voorziening, bedoeld in het eerste lid, wordt niet eerder getroffen dan nadat de SBB in de gelegenheid is gesteld om binnen een door de minister te stellen termijn alsnog zijn taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 12. Beleidsinformatie

De SBB zendt de minister jaarlijks uiterlijk op 15 november ten behoeve van de ontwikkeling van het beleid een rapportage over het betreffende kalenderjaar die ten minste omvat:

  • a. een overzicht van de stand van zaken inzake de aard en omvang van het aantal kwalificatiedossiers dat voor toetsing in aanmerking is gebracht;

  • b. een beschrijving van de stand van zaken van de ontwikkeling van de landelijke kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs.

Artikel 13. Inwerkingtreding en horizonbepaling

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2014

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2016.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing adviserende organisatie kwalificatiestructuur en kwalificatiedossiers beroepsonderwijs.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

TOELICHTING

Algemeen

De Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) wordt op grond van deze regeling aangewezen als organisatie die belast is met de advisering over de landelijke kwalificatiestructuur en over de voorstellen tot vaststelling van kwalificatiedossiers. Voorwaarde die op grond van deze regeling wordt gesteld is dat de toetsing van kwalificatiedossiers onafhankelijk zal geschieden. Het toetsen van de kwalificatiedossiers geschiedt door de Toetsingskamer. De Toetsingskamer is een afdeling binnen de SBB, die belast is met de onafhankelijke toetsing aan het bij ministeriële regeling vast te stellen toetsingskader en model kwalificatiedossier ten behoeve van kwalificatiedossiers die worden ontwikkeld door de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven. In de statuten van de SBB is de positie van de Toetsingskamer neergelegd. De afdeling belast met de toetsing is niet gebonden aan inhoudelijke aanwijzingen van organen van de stichting voor zover die zijn gericht op toetsing van concrete gevallen.

Het algemeen bestuur van de SBB draagt er zorg voor dat deze afdeling binnen de stichting, op een onafhankelijke wijze invulling kan geven aan haar toetsingstaken.

De kenniscentra zijn verantwoordelijk voor het opstellen en indienen van de kwalificatiedossiers bij de SBB. De Toetsingskamer begeleidt het proces van ontwikkeling van de kwalificatiedossiers door het bevorderen van samenhang tussen de kwalificaties, de herkenbaarheid en de uitvoerbaarheid van de dossiers en de transparantie in de kwalificatiestructuur. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het model en toetsingskader dat bij ministeriële regeling op grond van artikel 7.2.4, zesde lid, van de WEB wordt vastgesteld.

Ten slotte krijgt de SBB in deze regeling de taak om een voorstel te doen aan de minister voor het vast te stellen toetsingskader en model voor kwalificatiedossiers, bedoeld in artikel 7.2.4, zesde lid van de WEB.

Deze regeling is niet van toepassing op Caribisch Nederland. Echter de kwalificatiedossiers uit het Europees deel van Nederland worden gebruikt voor de opleidingsplannen van de scholen die in Caribisch Nederland middelbaar beroepsonderwijs verzorgen.

Uitvoerbaarheid

Uit de uitvoeringstoets uitgevoerd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) blijkt dat deze regeling uitvoerbaar is.

Administratieve lasten

Bij de voorbereiding van deze ministeriële regeling is nagegaan of sprake is van administratieve lasten voor instellingen, bedrijfsleven of burgers. Daarbij is de regeling intern ter beoordeling voorgelegd voor toetsing op administratieve lasten. OCW voorziet dat aan dit voorstel geen structurele of eenmalige administratieve lasten zijn verbonden omdat het besluit de aanwijzing van een organisatie betreft die aan de overheid advies uitbrengt en hiermee zijn geen informatieverplichtingen gemoeid.

Vast verandermoment

Bij de inwerkingtreding van deze regeling wordt afgeweken van de afspraken omtrent vaste verandermomenten gelet op het feit dat de SBB belang heeft bij een spoedige inwerkingtreding. In artikel 5, tweede lid, is rekening gehouden met de gevolgen voor de SBB van de inwerkingtreding van deze regeling.

Artikelsgewijs

Artikel 2

De SBB is de rechtsopvolger van de Vereniging Colo. Het Coördinatiepunt Toetsing Kwalificaties mbo, was een onafhankelijke organisatie binnen Colo. De Toetsingskamer is op grond van de statuten van de SBB belast met de toetsing.

Artikel 3

Binnen de SBB is de Toetsingskamer als afdeling belast met de onafhankelijke toetsing van kwalificatiedossiers die door kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven worden ontwikkeld en met de toetsing van voorstellen tot wijziging van reeds vastgestelde kwalificatiedossiers. De Toetsingskamer toetst of de kwalificatiedossiers voldoen aan het nog vast te stellen toetsingskader en het vastgesteld model kwalificatiedossier.

Ten behoeve van haar werkzaamheden richt de Toetsingskamer allereerst een toetsproces in (artikel 3, tweede lid onderdeel a). Binnen dit proces bevinden zich in ieder geval twee formele toetsmomenten, zijnde de ingangstoets en de eindtoets. Beide dragen het karakter van een summatieve toets, wat inhoudt dat het een beslissend moment is met een normerende uitspraak.

Het toetsproces bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Ingangstoets;

    De ingangstoets is een vereiste voor nieuwe of gewijzigde kwalificatiedossiers. Beoordeeld wordt of een nieuw dan wel gewijzigd kwalificatiedossier voldoende relevant is in relatie tot de behoefte van de arbeidsmarkt, of er een door het georganiseerde bedrijfsleven gelegitimeerde beschrijving van een beroep aan ten grondslag ligt en of deze informatie ook toegankelijk is voor de daarvoor bevoegde instanties zoals de Toetsingskamer.

  • Toets A;

    Toets A wordt facultatief gebruikt voor de beoordeling van de volgende onderdelen van een kwalificatiedossier:

    • Uitwerking verhouding beroepsgerichte basis- en profieldeel;

    • Typering van beroepsgroep;

    • Uitwerking van de beroepsgerichte kerntaken, als onderdeel van de beroepsgerichte basis.

    Belangrijke elementen zijn de vermelding van het mbo-niveau, het EQF-niveau en de typering van de opleiding.

  • Toets B;

    Ook Toets B is facultatief en dient als begeleiding bij de ontwikkeling van de kwalificatiedossiers. Wel is een negatieve toetsing op grond van de eisen van Toets B aanleiding om een kenniscentrum te adviseren geen aanvraag te doen voor een Eindtoets.

  • Eindtoets;

    Bij de eindtoets wordt beoordeeld of het kwalificatiedossier volledig voldoet aan alle gestelde eisen voor opname in de kwalificatiestructuur.

De Toetsingskamer bewaakt en beheert de kwaliteit van de kwalificatiestructuur mbo in haar samenhang en kwalificatiedossiers als bouwstenen van de kwalificatiestructuur (artikel 3, tweede lid onderdelen b en c). Daarbij toetst zij de voorgestelde kwalificatiedossiers aan de hand van toetsingskader. Ook doet de Toetsingskamer een voorstel tot inschalen van een nieuw kwalificatiedossier in het NLQF framework.

Gedurende het toetsproces geeft de Toetsingskamer op grond van haar expertise advies aan kenniscentra ten bate van de kwaliteit van een kwalificatiedossier. Per toetsonderdeel wordt binnen een vooraf gecommuniceerde en vastgestelde termijn een beoordeling gegeven. De Toetsingskamer stelt na de eindbeoordeling het betreffende kenniscentrum in kennis van haar bevindingen. Deze bevindingen worden in de vorm van een toetsadvies voorgelegd aan het bestuur van de SBB, voorzien van een verklaring waarin de onafhankelijke uitvoering van de toetstaak wordt verantwoord. De adviezen van de Toetsingskamer van de SBB worden, eventueel voorzien van een inhoudelijke reactie, door het bestuur van de SBB ongewijzigd aangeboden aan de Minister van OCW en de Mnister van EZ.

Tot slot worden door de Toetsingskamer onder meer doelmatigheidsgegevens ter onderbouwing van arbeidsmarktrelevantie op onafhankelijke wijze getoetst (artikel 3, derde lid, onder c).

Artikel 4

Op grond van deze bepaling stelt de SBB een commissie in die belast is met het beoordelen van geschillen indien een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven het niet eens is met de uitkomst van de toets van de toetsingskamer. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen in het geval de toetsingskamer van oordeel is dat een nieuw kwalificatiedossier niet voldoende relevant is voor de arbeidsmarkt. Indien de SBB dit oordeel volgt wordt het kwalificatiedossier niet ter vaststelling voorgedragen aan de minister.

Artikel 5

Het activiteitenplan en de begroting moeten uiterlijk 1 december van het voorafgaande kalenderjaar worden ingediend bij de directie Middelbaar Beroepsonderwijs.

Artikel 7

De Regeling OCW-subsidies is van toepassing op subsidieverstrekking op grond van deze regeling. Een van de verplichtingen die van toepassing is op de SBB is de meldingsplicht. Op grond van artikel 9 van de Regeling OCW-subsidies heeft de subsidieontvanger een meldingsplicht. Dat betekent dat de subsidieontvanger altijd melding moet doen zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet of niet geheel aan de subsidieverplichtingen zal worden voldaan.

Daarnaast heeft de subsidieontvanger een algemene meldingsplicht op grond van de Regeling OCW-subsidies. De subsidieontvanger doet onverwijld een melding bij de minister van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidieverstrekking. Bij de melding worden de stukken overgelegd die betrekking hebben op de gemelde feiten en omstandigheden en wordt de oorzaak van de gemelde feiten en omstandigheden toegelicht.

De subsidieontvanger doet in ieder geval een melding indien het voor de subsidieontvanger aannemelijk is of had moeten zijn dat:

  • a) de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zijn verricht of zullen worden verricht of;

  • b) niet, niet tijdig of niet geheel aan de subsidieverplichtingen wordt voldaan of zal worden voldaan.

De subsidieontvanger heeft een bijzondere meldingsplicht op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies. De subsidieontvanger doet onverwijld melding bij de minister zodra de datum waarop de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt uiterlijk moeten zijn verricht, is verstreken zonder dat de activiteiten geheel zijn verricht. Het niet voldoen aan deze bijzondere meldingsplicht is een overtreding ter zake waarvan door de minister een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

De meldingen geschieden schriftelijk aan de directie Middelbaar Beroepsonderwijs.

Artikel 8

Op 30 mei 2013 is over de herziening van het subsidiebeleid onderwijs en onderzoek een brief naar de Tweede Kamer gezonden(Kamerstukken II 2012/13, 33 650, nr.1). Inzet van het beleid inzake onderwijs- en onderzoekssubsidies is het aantal subsidiestromen en uitvoeringsorganisaties terug te dringen en daarbij de primaire taak van het onderwijs te ontzien. Er heeft op basis hier van een efficiencykorting plaats gehad van 5% in 2014 en 10% vanaf 2015. Dit resulteert in een beschikbaar bedrag in 2014 van € 1.320.000,– en in 2015 een bedrag van € 1.260.000,–.

Artikel 9

Op grond van artikel 21 van de Regeling OCW subsidies legt de SBB rekening en verantwoording af aan de hand van een financieel verslag. Dit financieel verslag gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

De bescheiden nodig voor het vaststellen van de subsidie dienen te worden gezonden aan DUO (afdeling OND/ODV).

Artikel 10

In de beschikking tot subsidieverlening wordt het betaalritme vastgesteld. Uitgangspunt is een betaalritme van 4 termijnen. De laatste termijn wordt beschikbaar gesteld na de vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 9.

Artikel 11

Dit artikel bevat een voorziening ingeval de SBB zijn taken verwaarloost. In dat geval kan de subsidie worden beëindigd. Voordat deze maatregel wordt getroffen wordt de SBB in de gelegenheid gesteld zijn taken binnen een bepaalde termijn alsnog naar behoren te verrichten.

Artikel 12

De SBB zendt de Minister jaarlijks uiterlijk op 15 november een voortgangsrapportage over het betreffende kalenderjaar. In de voortgangsrapportage is in ieder geval opgenomen een activiteitenoverzicht met daarin het aantal kwalificatiedossiers dat voor toetsing in aanmerking is gebracht en een beschrijving van de ontwikkeling van de landelijke kwalificatiestructuur voor het middelbaar beroepsonderwijs.

De voortgangsrapportage dient te worden gezonden aan de directie Middelbaar Beroepsonderwijs.

Artikel 13

Op dit moment is een wetsvoorstel in voorbereiding op grond waarvan de positie van de kenniscentra beroepsonderwijs bedrijfsleven wordt herzien. Indien dit wetsvoorstel in werking treedt voor 1 januari 2016 zal deze regeling met ingang van die eerdere datum worden ingetrokken.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Naar boven