Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2014, 18098Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 25 juni 2014, nr. 528911 houdende wijziging van de Regeling wapens en munitie in verband met het in overeenstemming brengen met de Richtlijn 2009/48/EG (speelgoedrichtlijn), het aanwijzen van een vakexamen voor erkenninghouders en het formaliseren van bestaand beleid met betrekking tot sportschutters en schietverenigingen

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Richtlijn 2009/48/EG en de artikelen 5, 7, 26, vierde lid, en 39, van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling wapens en munitie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan de onderdelen a en b wordt aan het slot van het onderdeel toegevoegd: , met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.

b. Aan onderdeel g wordt aan het slot van het onderdeel toegevoegd: en met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.

B

Aan artikel 9, tweede lid, wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • c. het vakexamen voor de handel in wapens en munitie van de Politieacademie.

C

1. De titel van paragraaf 16 komt te luiden:

16. Sportschutters en jagers

2. Aan artikel 43 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Een aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet, moet in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag minimaal achttien schietbeurten verrichten, tenzij het tekort aan schietbeurten de aanvrager van het verlof redelijkerwijs niet kan worden aangerekend.

  • 5. Een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, ten behoeve van de schietsport wordt alleen verleend voor de wapens en munitie waarmee de sportschutter binnen het verband van zijn schietvereniging, welke voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 43a, een schietsportdiscipline beoefent.

  • 6. Het eerste lid is niet van toepassing op een houder van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie gedurende het eerste verlofjaar. Deze houder mag ten hoogste een wapen welke geschikt is voor een Olympische schietsportdiscipline voorhanden hebben.

D

1. Na artikel 43 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

16a Schietvereniging

2. Na paragraaf 16a schietvereniging wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 43a

  • 1. Een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, zoals bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de wet, kan worden verleend aan een schietvereniging, die door een door de Minister aangewezen organisatie is gecertificeerd.

  • 2. Er kan alleen een verlof worden verleend voor de wapens en munitie die zijn toegelaten bij een erkende of gereglementeerde schietsportdiscipline, welke binnen het verband van de aanvragende schietvereniging worden beoefend.

  • 3. De schietvereniging houdt een presentieregister, een wapenuitgifteregister, een munitie-uitgifteregister en een introducé-register bij, overeenkomstig een door de Minister vastgesteld model.

  • 4. Een verlof als bedoeld in het eerste lid, wordt slechts verleend aan de schietvereniging die tenminste één beheerder heeft aangesteld. Tegen deze beheerder mag geen vrees voor misbruik bestaan.

  • 5. Elke beheerder dient in het bezit te zijn van een verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens.

  • 6. De beheerder draagt er zorg voor dat de wapens en munitie op het verlof slechts worden uitgeleend aan leden van de schietvereniging.

  • 7. Alvorens een lid van een schietvereniging schiet met verenigingswapens dient hij een verklaring omtrent het gedrag te hebben overgelegd aan het bestuur van de vereniging.

  • 8. De beheerder houdt toezicht op de leden tijdens hun schietbeurten met verenigingswapens.

  • 9. De beheerder ziet er op toe dat de verenigingswapens en de niet verschoten munitie onmiddellijk na afloop van de oefening of wedstrijd aan hem worden teruggegeven.

  • 10. De beheerder draagt er zorg voor dat de wapens en munitie separaat van elkaar in een deugdelijk beveiligde en afgesloten wapenkluis dan wel wapenkamer worden opgeslagen.

  • 11. In afwijking van het zesde lid kan de beheerder ook wapens en munitie die op het verlof staan, uitlenen aan een introducé van de schietvereniging.

  • 12. Een introducé mag maximaal driemaal per twaalf maanden worden geïntroduceerd.

  • 13. Aan introducés en leden die korter dan een jaar lid zijn van de schietvereniging worden alleen verenigingsvuurwapens uitgeleend, welke geschikt zijn voor Olympische schietsportdisciplines.

  • 14. Het aantal wapens op het verlof van de vereniging dient in redelijke verhouding te staan tot het aantal leden dat regelmatig gebruik maakt van die wapens.

E

Artikel 48 wordt als volgt gewijzigd:

Aan het slot wordt toegevoegd: dan wel de als bijlagen bij de Circulaire wapens en munitie opgenomen formulieren.

F

1. Bijlage 1 a bij de Regeling wapens en munitie vervalt.

2. Bijlage 1 b bij de Regeling wapens en munitie vervalt.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 25 juni 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

TOELICHTING

Algemeen

Deze wijziging van de RWM strekt tot een drietal aanpassingen: ten eerste een aanpassing aan de EU Speelgoedrichtlijn, ten tweede een aanpassing in de voor erkenninghouders goedgekeurde vakexamens, ten derde het formaliseren van beleid met betrekking tot schietsportverenigingen en sportschutters. Ik licht dat als volgt toe.

In het kader van een pilot heeft de Europese Commissie in 2011 en 2012 vragen gesteld over de Wet wapens en munitie (Wwm) in relatie tot de richtlijn 2009/48/EG (hierna: Speelgoedrichtlijn). De Speelgoedrichtlijn is van toepassing op producten die, al dan niet uitsluitend, ontworpen of bestemd zijn om door kinderen jonger dan 14 jaar bij het spelen te worden gebruikt. Voor speelgoed dat onder de Speelgoedrichtlijn valt, gelden bepaalde essentiële veiligheidseisen die in de Speelgoedrichtlijn en bijlage II van deze richtlijn zijn genoemd. In de Regeling wapens en munitie (hierna Rwm) viel een deel van het speelgoed dat onder de Speelgoedrichtlijn valt, onder de verbodsbepalingen van de Wwm en Rwm. Dit is in strijd met het in de Speelgoedrichtlijn opgenomen verbod tot het belemmeren van de handel in speelgoed tussen de lidstaten. Op dit punt wordt de RWM aangepast.

Er worden sinds 2012 bij de LOI geen cursussen meer gegeven voor het vakexamen voor de wapenhandel. Dit examen wordt in de loop van 2014 overgenomen door de Politieacademie.

Op grond van de uitspraak van de Raad van State van 20 november 2013, met zaaknr. 201 207897/1 /A3 moet worden aangenomen dat op grond van de huidige wet- en regelgeving aan schietverenigingen niet langer de eis kan worden gesteld dat zij aangesloten zijn bij de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (hierna KNSA). Deze eis uit de Circulaire wapens en munitie (hierna Cwm) 2013 is dan ook komen te vervallen. Hierdoor komen ook schietverenigingen die niet aangesloten zijn bij de KNSA, en hun leden in aanmerking voor een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie als bedoeld in artikel 28 van de wet, mits zij voldoen aan alle wettelijke voorschriften en hun leden de schietsport beoefenen, betrouwbaar zijn en vaardig zijn in de omgang met wapens. Gelet op de uitspraak van de Raad van State is het gewenst een aantal vereisten waaraan een schietvereniging en haar leden moeten voldoen, in de Rwm neer te leggen.

Bij het opstellen van deze vereisten is zo dicht mogelijk gebleven bij de uitgangspunten die in de vorige Rwm en de Cwm zijn uitgewerkt als het gaat om de voorwaarden om de schietsport te beoefenen. Na de dramatische gebeurtenis in Alphen aan de Rijn op 9 april 2011 en de aanbevelingen die daarna door onder meer de Onderzoeksraad voor de Veiligheid zijn gedaan, is in overleg met de vertegenwoordigers van de schietsport en de politie een traject ingezet om de kans op dergelijke incidenten te verkleinen. Uitgangspunten daarbij zijn dat het beoefenen van de schietsport gebeurt in verenigingsverband, waarbij de vereniging binnen haar mogelijkheden haar verantwoording neemt zowel als het gaat om haar bijdrage aan de openbare orde en veiligheid als om het imago van de schietsport. In het nieuwe systeem dat ontstaan is door de uitspraak van de Raad van State van 20 november 2013, met zaaknr. 201207897/1/H3 en dat nader uitgewerkt is in de Cwm 2014, zijn het KNSA-lidmaatschap voor schietverenigingen en de KNSA-licentie voor schutters, geen vereisten meer. Met het oog op de nodige waarborgen die moeten worden getroffen om de schietsport op een veilige en gecontroleerde wijze te laten beoefenen, zijn er in deze regeling en de Cwm een aantal specifieke vereisten opgenomen waaraan een schietvereniging moet voldoen. Hierbij hoort, zoals ook afgestemd is met de Tweede Kamer, een vorm van certificering van deze verenigingen.

Artikelsgewijs

Artikel I.

Onder A en F.

De Speelgoedrichtlijn staat er aan in de weg dat voorwerpen, voor zover zij als speelgoed in de zin van de richtlijn zijn aan te merken en aan de in die richtlijn genoemde veiligheidseisen voldoen, in Nederland worden verboden. Nederland is verplicht de Speelgoedrichtlijn na te komen en de nationale regelgeving die daarmee in strijd is aan te passen. Dit betekent dat in artikel 3 van de Rwm voorwerpen als bedoeld in de richtlijn worden uitgezonderd van de werking van dit artikel.

Een wetswijziging (wijziging van artikel 2, eerste lid, categorie I, onder 7, van de Wet wapens en munitie) wordt niet noodzakelijk geacht. Door nu in artikel 3 van de Rwm een uitzondering voor speelgoedwapens als bedoeld in de richtlijn op te nemen, voldoet Nederland aan de Speelgoedrichtlijn. De bijlage 1 a is naar aanleiding van deze richtlijn te komen vervallen. In bijlage 1 b staat ook een aantal wapens die onder de Speelgoedrichtlijn vallen. Verder blijkt deze bjilage verouderd en in de praktijk niet meer goed hanteerbaar. Deze bijlage vervalt derhalve ook.

Onder B.

Er worden sinds 2012 bij de LOI geen cursussen meer gegeven voor het vakexamen voor de wapenhandel. Dit examen wordt in de loop van 2014 overgenomen door de Politieacademie. Vooruitlopend hierop is de Politieacademie reeds gestart met een voorbereidingscursus wapenleer. Het vakexamen wordt totdat het is overgenomen door de politieacademie bij de LOI afgenomen. Artikel 9 is op deze nieuwe situatie aangepast.

Onder C.

In dit artikel is een aantal voorwaarden toegevoegd, die zijn gebaseerd op reeds bestaande wetsuitleg en praktijk, waarbij in verband met de al genoemde uitspraak van de Raad van State van 20 november 2013 een aantal accenten zijn verlegd. Door deze regels wordt voorkomen dat een ieder een verlof kan krijgen voor een vuurwapen en zich kan bekwamen in de schietsport.

Lid 4. Een sportschutter die een wapenverlof aanvraagt, moet in ieder geval vaardig zijn in de omgang met wapens, doordat hij al langere tijd serieus de schietsport beoefent en gedurende die periode voldoende oefening heeft gehad. De aanvrager van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie ten behoeve van de schietsport dient minimaal 18 schietbeurten in de afgelopen twaalf maanden te hebben verricht. Schietbeurten die zijn verricht in een land dat deel uit maakt van de Europese Unie tellen mee voor de bepaling van het aantal verrichte schietbeurten, voor zover de schutter de schietbeurten kan aantonen middels officiële wedstrijdbriefjes.

Lid 5. De aanvrager van een verlof moet middels het lidmaatschap van een gecertificeerde schietvereniging aantonen dat hij binnen zijn vereniging een erkende of gereglementeerde tak van de schietsport beoefent. Deze bepaling geeft een garantie dat de aanvrager vaardigheid heeft opgedaan in de omgang met wapens en munitie.

Op dit moment is KNSA de enige organisatie die schietverenigingen kan certificeren. De KNSA heeft, als grootste koepelorganisatie van Nederland, al jarenlang schietverenigingen gecertificeerd en heeft een veilig, goed functionerend en betrouwbaar toetsingssysteem ontwikkeld. Binnen de KNSA is er een brede en uitvoerige kennis op het terrein van schietsport en de daarbij behorende wapens aanwezig. Verder heeft de KNSA een intern bezwaartraject, waardoor schietverenigingen de mogelijkheid hebben om te ageren tegen een weigering van een certificaat. Uiteraard kan een schietvereniging tegen een weigering van een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie, wegens het ontbreken van het certificaat, ook administratief beroep bij de Minister instellen.

Bij de uitleg van de term schietsportdisciplines zoek ik aansluiting bij de door de KNSA erkende en gereglementeerde takken van schietsport, omdat het bepalen in hoeverre een activiteit tot een tak van sport wordt gerekend bij uitstek een taak van de landelijke schietsportbond is. De vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie heeft zich in gelijke zin uitgelaten. Door voor de invulling van het wettelijk criterium, het beoefenen van de schietsport, aan te haken bij de bestaande kaders voor die sport, wordt zo veel mogelijk gewaarborgd dat er ook daadwerkelijk sprake is van beoefening van de schietsport en wordt zoveel mogelijk de veiligheid gewaarborgd. Een vrije interpretatie van het begrip schietsport zou kunnen leiden tot een wildgroei aan ongewenste schietsportdisciplines. Hierdoor zou de korpschef niet of nauwelijks meer kunnen controleren of er sprake is van een schietsportdiscipline en of de wapens en munitie geschikt zijn voor de te beoefenen discipline.

Lid 6. Voor beginnende sportschutters gelden strengere eisen. Er is een systeem ingevoerd in de opbouw van de te beoefenen disciplines en het aantal wapens dat een beginnende sportschutter voorhanden mag hebben. Voorkomen moet worden dat de relatief ongeoefende schutter de beschikking krijgt over ‘zwaardere’ vuurwapens.

Onder D.

In artikel 43a van de Rwm zijn regels opgenomen waaraan schietverenigingen dienen te voldoen. De regels gelden voor zowel bij de KNSA aangesloten verenigingen als door de KNSA gecertificeerde verenigingen. Binnen deze verenigingen kan de sportschutter zich bekwamen in de schietsport, zodat hij aan de vaardigheidseis kan voldoen.

Lid 1: Een vereniging dient bij aanvraag van een verlof gecertificeerd te zijn De vereniging vormt de basis voor sportschutters om hun vaardigheid in de schietsport op te bouwen en bij te houden. De certificering van de schietvereniging biedt garantie dat schietverenigingen er zorg voor dragen dat de beoefenaars van de schietsport afdoende kennis en vaardigheden op het gebied van de schietsport hebben.

Zoals onder C, lid 4, in de toelichting is uitgewerkt, is op dit moment de KNSA de enige organisatie die schietverenigingen kan certificeren.

Lid 2 en 3. De vaardigheid in de omgang met wapens kan binnen een gecertificeerde schietvereniging worden getraind middels het beoefenen van een erkende tak van schietsport. Bij de uitleg van de term schietsportdisciplines zoek ik, zoals omschreven onder C bij lid 4, aansluiting bij de door de KNSA erkende en gereglementeerde takken van schietsport. De registers uit het derde lid bestaan al langer. De modellen van deze registers worden verder uitgewerkt in de circulaire.

Lid 4, 5, 6, 7, en 8. De beheerders dienen vaardig te zijn in de omgang met wapens en veel kennis te hebben van wapens en munitie en deze kennis en vaardigheden te kunnen overdragen aan leden. Verder dienen de beheerders toezicht te houden op de schietende leden en de wapens en munitie van de vereniging. Deze eis wordt gesteld om te voorkomen dat mensen zich bekwamen in de schietsport in een omgeving die onveilig is of waarbij onvoldoende toezicht wordt uitgeoefend op de ontwikkeling van de schutter. In het kader van een goede regulering van wapens en munitie en de schietsport in het bijzonder, is het immers noodzakelijk dat personen met criminele antecedenten zich niet op een legale wijze leren bekwamen in de omgang met wapens. De beheerder is de persoon die verantwoordelijk is voor de uitgifte van wapens en munitie en de veilige omgang daarmee. Daartoe dient de beheerder betrouwbaar te zijn en de nodige kennis omtrent de wapens en munitie te bezitten. Uiteraard is het mogelijk dat een schietvereniging meer dan één beheerder aanstelt. Het verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens wordt op naam van de beheerders gesteld. De korpschef houdt toezicht op de naleving van de gestelde voorwaarden. De vereniging houdt, middels de verklaringen omtrent het gedrag, toezicht op de betrouwbaarheid van haar leden. Uiteraard kan de korpschef controleren of de vereniging daadwerkelijk toezicht houdt op haar leden. Dit toezicht op de leden is belangrijk om te voorkomen dat wapens en munitie in de illegaliteit verdwijnen dan wel worden gebruikt door leden (ter voorbereiding van) illegale activiteiten. Per beheerder wordt een verlof tot het voorhanden hebben van verenigingswapens uitgereikt.

Lid 9, 10 en 11. De introducé-regeling maakt onderdeel uit van de Circulaire wapens en munitie en wordt thans in de Regeling wapens en munitie opgenomen. Deze regeling geeft schietverenigingen de gelegenheid om belangstellenden kennis te laten maken met de schietsport.

Lid 12. Op grond van artikel 26, vierde lid, aanhef en onder c, van de wet bepaal ik dat er een redelijk belang bestaan bij de soorten en het aantal wapens en munitie dat de vereniging voor handen wil hebben. De redelijke verhouding hangt onder meer af van het aantal leden van de vereniging die gebruik maken van deze wapens.

Onder E.

Als bijlagen bij de Circulaire wapens en munitie zijn een aantal modellen opgenomen die een verlofhouder dient in te vullen om een verlof te verkrijgen. De modellen C4 en C5 in de circulaire zien op de psychische gesteldheid van de aanvrager. Deze modellen zijn in 2012 in de Circulaire opgenomen als maatregel om in de toekomst een incident te voorkomen als het schietincident van 9 april 2011 in Alphen aan de Rijn. Door de aanpassing van artikel 48 kan een verlof worden geweigerd, indien een dergelijk model niet of niet juist wordt ingevuld.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten