Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van DefensieStaatscourant 2014, 14766Besluiten van algemene strekking

Wijziging Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997

15 mei 2014

BS2014010841

De Minister van Defensie,

Gelet op artikel 3a, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, vijfde lid, wordt;

a. na de woorden ‘de categorieën,’ ingevoegd: I, onder 3°, voor zover het betreft een geluidsdemper,;

b. na het woord ‘vuurwapens’ ingevoegd: of voor ontploffing bestemde voorwerpen.

B

Artikel 3, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Bevoegd tot het namens de Minister verstrekken van de vergunning, bedoeld in artikel 2, vierde lid, is:

    • a. het hoofd maritieme techniek, het hoofd maritieme logistiek en het hoofd maritieme ondersteuning van de directie materiële instandhouding van het commando zeestrijdkrachten alsmede de commandant van het defensie munitie bedrijf van de defensie materieel organisatie ten aanzien van het in artikel 1, onder c, bedoelde personeel voor zover dat personeel onder hen ressorteert en de in artikel 2, vierde lid, bedoelde handelingen op defensieterrein verricht;

    • b. de directeur defensie materieel organisatie ten aanzien van de overige in artikel 1, onder c, bedoelde gevallen.

ARTIKEL II

Wapenvergunningen afgegeven op basis van artikel 3, derde lid, van de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997, zoals deze bepaling luidde voorafgaand aan inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, blijven voor de duur van hun geldigheid van kracht.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2014.

Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

´s-Gravenhage, 15 mei 2014

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert

TOELICHTING

De onderhavige regeling wijzigt de Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel 1997 (Rwmk 1997). De eerste wijziging betreft artikel 2, vijfde lid. Als een van de categorieën personen welke gerechtigd zijn tot bepaalde handelingen met wapens en munitie worden in de Rwmk 1997 genoemd civiele contractspartijen, voor zover deze door de Minister van Defensie zijn belast met het vervoer van wapens en munitie. In de Rwmk wordt daarbij tevens geduid ten aanzien van welke categorieën wapens en munitie de betreffende categorie personen hun bevoegdheden hebben. Met de onderhavige wijziging worden deze categorieën wapens en munitie ten aanzien van genoemde civiele contractspartijen licht uitgebreid en wordt aangesloten bij het regime voor militairen en de met het vervoer van wapens en munitie belaste defensie-burgerambtenaren. Toegevoegd worden de geluidsdemper en voorwerpen die een sprekende gelijkenis vertonen met voor ontploffing bestemde voorwerpen.

De tweede wijziging betreft artikel 3, derde lid. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Rwmk 1997 zijn defensie-burgerambtenaren, werkzaam bij een materieelbeproevings- of onderhoudsafdeling danwel werkzaam bij een schietinrichting, depot of vervoersdienst van wapens en munitie, voor zover de uitoefening van de dienst zulks vereist gerechtigd tot bepaalde handelingen met wapens en munitie voor zover zij in het bezit zijn van een door de Minister van Defensie afgegeven vergunning. Ten aanzien van genoemd personeel heeft op grond van artikel 3, derde lid, van de huidige regeling alleen de directeur defensie materieel organisatie (DMO) de bevoegdheid de vergunningen namens de Minister van Defensie te verstrekken.

Als gevolg van de onderhavige wijzigingsregeling treedt een wijziging op in de toestemmingverlening ex. artikel 3, derde lid, Rwmk 1997. Het hoofd maritieme techniek, het hoofd maritieme logistiek en het hoofd maritieme ondersteuning van de directie materiële instandhouding van het commando zeestrijdkrachten alsmede de commandant van het defensie munitie bedrijf van de defensie materieel organisatie verlenen deze toestemming namens de Minister van Defensie ten aanzien van het in artikel 1, onder c, bedoelde personeel voor zover dat personeel onder hen ressorteert en de in artikel 2, vierde lid, bedoelde handelingen op defensieterrein verricht. In deze gevallen wordt volstaan met het doen van een aantekening in een register.

De directeur defensie materieel organisatie blijft bevoegd ten aanzien van de overige in artikel 1, onder c, bedoelde situaties. Meer bepaald gaat het daarbij om het verstrekken van de vergunning namens de Minister van Defensie in de gevallen dat het in artikel 1, onder c, genoemd personeel de handelingen, bedoeld in artikel 2, vierde lid, buiten defensieterreinen dient te verrichten. De vergunning heeft dan de vorm van een wapenpas/bewijs.

Vanwege de gewenste snelle invoering van de wijzigingsregeling en het feit dat de betrokken defensieonderdelen op de hoogte zijn van de voorgenomen wijzigingen, is afgezien van een invoeringstermijn en wordt dan ook niet aangesloten bij de systematiek van de vaste verandermomenten.

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert