Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Autoriteit Consument en MarktStaatscourant 2014, 14473Overig

Samenwerkingsprotocol tussen Autoriteit Consument en Markt en Stichting Autoriteit Financiële Markten

Partijen,

Autoriteit Consument en Markt en Stichting Autoriteit Financiële Markten,

Overwegen het volgende:

  • dat een goede samenwerking tussen de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en de Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) een efficiënte en doelgerichte vervulling van de aan hen opgedragen taken bevordert;

  • dat op 1 april 2013 de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Iw) in werking is getreden. Vanaf die datum is ACM de rechtsopvolger van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit en de Consumentenautoriteit;

  • dat op grond van artikel 2, tweede lid, lw ACM belast is met taken die haar bij of krachtens de lw zijn opgedragen;

  • dat deze taken betrekking hebben op het mededingingstoezicht, sectorspecifiek markttoezicht en consumentenbescherming. Het mededingingstoezicht strekt zich uit tot alle markten, dus ook tot de financiële markten;

  • dat ACM op grond van artikel 2.2 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) is belast met de handhaving van de wettelijke bepalingen bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij de Whc, voor zover de overtreding niet betrekking heeft op een financiële dienst of activiteit;

  • dat ACM op grond van artikel 2.3, eerste lid, Whc, is aangewezen als verbindingsbureau voor Nederland in de zin van artikel 4, eerste lid, Verordening 2006/2004;

  • dat AFM – gelet op het bepaalde in artikel 1:25 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) – tot taak heeft op grondslag van de Wft het gedragstoezicht op financiële markten uit te oefenen en te beslissen omtrent de toelating van financiële ondernemingen tot die markten;

  • dat AFM krachtens artikel 3.1 Whc is aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen bedoeld in de onderdelen a en d van de bijlage bij de Whc, voor zover dergelijke inbreuken betrekking hebben op een financiële dienst of activiteit. Tevens is de AFM krachtens artikel 3.1 Whc aangewezen als bevoegde autoriteit voor intracommunautaire inbreuken op de wettelijke bepalingen als bedoeld in onderdeel c van de bijlage bij de Whc;

  • dat op basis van artikel 5.1, tweede lid, onder a, Whc afspraken kunnen worden gemaakt tussen ACM en AFM over de wijze van samenwerking ten aanzien van de uitvoering van Verordening nr. 2006/2004;

  • dat ACM en AFM gelet op de artikelen 1, derde lid, 12, eerste lid, 16, eerste lid, 16, derde lid, onder a, en 17 REMIT, artikel 1:93, eerste lid, onder f, Wft en artikel 7 lw samenwerken om ervoor te zorgen dat marktmisbruik op de groothandelsmarkten voor energie op een consistente en gecoördineerde wijze wordt aangepakt.

  • dat het gezamenlijk oplossen van marktproblemen de effectiviteit van het toezicht van beide organisaties kan versterken.

Spreken het volgende af:

HOOFDSTUK 1 DEFINITIES EN DOEL VAN HET SAMENWERKINGSPROTOCOL

Artikel 1 Definities

  • 1. In dit samenwerkingsprotocol wordt verstaan onder:

    a. ACM:

    de Autoriteit Consument en Markt;

    b. AFM:

    de Stichting Autoriteit Financiële Markten;

    c. lw:

    Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;

    d. Regeling:

    Regeling gegevensverstrekking ACM;

    e. Wft:

    Wet op het financieel toezicht;

    f. Whc:

    Wet handhaving consumentenbescherming;

    g. REMIT:

    Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie;

    h. Verordening 2006/2004:

    Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van wetgeving inzake consumentenbescherming;

    i. Commissiebeschikking:

    de beschikking van de Europese Commissie van 22 december 2006 ter uitvoering van Verordening 2006/2004.

  • 2. De in artikel 3 Verordening 2006/2004, artikel 2 Commissiebeschikking, artikel 1.1 Whc en artikel 2 REMIT opgenomen definities zijn in dit samenwerkingsprotocol van toepassing.

Artikel 2 Doel

  • 1. Het doel van dit samenwerkingsprotocol is om algemene uitgangspunten voor samenwerking en afspraken vast te leggen over de uitwisseling van informatie tussen ACM en AFM ten behoeve van de uitvoering van hun wettelijke taken.

  • 2. De in dit samenwerkingsprotocol vastgelegde afspraken hebben voorts betrekking op de samenwerking tussen:

    • a. ACM en AFM in het kader van de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 1, derde lid, 16, eerste lid en 16, derde lid, onder a, REMIT;

    • b. ACM en AFM in het kader van de verplichting als bedoeld in artikel 3.3, tweede lid, Whc juncto artikel 4.3, eerste lid, Whc;

    • b. ACM als verbindingsbureau en AFM in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit bij de uitvoering van de hoofdstukken II en III van Verordening 2006/2004 inzake wederzijdse bijstand;

    • c. ACM en AFM in het kader van de verplichtingen bedoeld in de artikelen 9, 16, 17 en 21 van Verordening 2006/2004, waarvan ACM voor Nederland met de coördinatie is belast;

    • d. ACM en AFM die als toezichthouders verantwoordelijk zijn voor handhaving van de onderdelen a, b, c en d van de bijlage bij de Whc.

HOOFDSTUK 2 ALGEMENE UITGANGSPUNTEN SAMENWERKING

Artikel 3 Algemene uitgangspunten

ACM en AFM spannen zich in elkaar zoveel mogelijk te ondersteunen en te versterken door samen op te treden in situaties waarin de samenwerking de effectiviteit van het toezicht van een of beide organisaties versterkt. In dat kader dragen zij zorg voor een snelle en zorgvuldige uitwisseling van informatie.

Artikel 4 Contactpersonen

ACM en AFM benoemen ieder vanuit hun organisatie een contactpersoon die het aanspreekpunt is voor verdere uitwerking en toepassing van hetgeen is afgesproken in dit samenwerkingsprotocol.

Artikel 5 Nadere werkafspraken

ACM en AFM kunnen nadere werkafspraken maken ter uitvoering van dit samenwerkingsprotocol.

HOOFDSTUK 3 SAMENWERKING EN INFORMATIE-UITWISSELING

Artikel 6 Informeren

  • 1. ACM en AFM informeren elkaar over zaken en ontwikkelingen die voor het uitvoeren van hun wettelijke taken van belang (kunnen) zijn.

  • 2. Indien ACM of AFM constateert dat beide autoriteiten tegen een bepaalde gedraging handhavend kunnen optreden en/of dat gezamenlijk optreden gewenst is, neemt ACM respectievelijk AFM hierover contact op met de ander om nadere werkafspraken te maken over de wijze van optreden in het desbetreffende geval.

  • 3. ACM en AFM stellen elkaar op de hoogte voordat zij informatie die voor de andere autoriteit van belang kan zijn of die zij van de ander hebben verkregen, naar buiten brengen.

Artikel 7 Uitwisseling van informatie

  • 1. ACM is op grond van artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de lw juncto artikel 2, eerste lid, onderdeel q van de Regeling bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan AFM voor zover dat noodzakelijk is voor de goede vervulling van de wettelijke taken van AFM.

  • 2. AFM is op grond van artikel 1:90, eerste lid, van de Wft bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan de ACM voor de toepassing door ACM van artikel 5:88 Wft. Ook is AFM op grond van artikel 1:93, eerste lid, onder f, Wft bevoegd gegevens en inlichtingen te verstrekken aan ACM, voor zover deze gegevens of inlichtingen dienstig zijn aan de taken van ACM in het kader van REMIT. Daarbij worden de voorwaarden als genoemd in artikel 1:93, tweede lid, Wft in acht genomen.

  • 3. ACM en AFM waarborgen de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen die zij van elkaar ontvangen en zien erop toe dat de ontvangen gegevens en inlichtingen niet worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze zijn verstrekt. Door de verzoekende toezichthouder wordt per geval aangegeven voor welk doel de informatie wordt gevraagd.

  • 4. Bij het verstrekken van informatie nemen ACM en AFM de beperkingen in acht die voortvloeien uit Verordening 2006/2004 en artikel 17 REMIT. ACM neemt de beperkingen in acht die voortvloeien uit artikel 28 van Verordening nr. 1/2003.

HOOFDSTUK 4 SAMENWERKING IN HET KADER VAN REMIT

Artikel 8 Gecoördineerde en consistente aanpak van marktmisbruik

  • 1. ACM en AFM werken samen en verlenen elkaar op verzoek de benodigde bijstand, met als doel het waarborgen van een gecoördineerde en coherente aanpak van marktmisbruik op de groothandelsmarkten voor energie.

  • 2. ACM stelt AFM onverwijld in kennis van redelijke vermoedens dat op groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn verricht die als marktmisbruik worden beschouwd in de zin van Richtlijn 2003/6/EG en die gevolgen hebben voor financiële instrumenten die onder artikel 9 van die richtlijn vallen. Zo spoedig mogelijk na kennisneming hiervan vindt overleg tussen ACM en AFM plaats.

  • 3. AFM stelt ACM onverwijld in kennis van redelijke vermoedens dat op de groothandelsmarkten voor energie handelingen worden of zijn verricht die in strijd zijn met de artikelen 3, 4 en 5 REMIT. Zo spoedig mogelijk na kennisneming hiervan vindt overleg plaats tussen AFM en ACM.

Artikel 9 Uitwisseling en gebruik van vertrouwelijke informatie

  • 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 7 van dit samenwerkingsprotocol waarborgen ACM en AFM, overeenkomstig artikel 12, eerste lid, REMIT de vertrouwelijkheid, integriteit en bescherming van de door hen ontvangen en uitgewisselde vertrouwelijke informatie.

  • 2. De meldingen die onderling worden uitgewisseld, bevatten zo veel mogelijk de volgende informatie:

    • Naam van het betrokken handelsplatform;

    • Datum en tijdschema met betrekking tot de verdachte handeling;

    • Financiële instrumenten en/of producten waarop de verdachte handeling betrekking heeft;

    • Koers/prijs en het bijkomend volume waarop de transactie en/of de order heeft plaatsgevonden;

    • Identiteit van de rechts/natuurlijke persoon die betrokken is/zijn bij de verdenking: naam (rechts)persoon, adres, geboortedatum, functie;

    • Beschrijving van de verdenking.

  • 3. Indien ACM en AFM de onder dit samenwerkingsprotocol verkregen vertrouwelijke informatie willen gebruiken in het kader van hun handhaving, met inbegrip van het uitvoeren van onderzoek of het voeren van administratieve procedures, vindt overleg tussen ACM en AFM plaats.

HOOFDSTUK 5 SAMENWERKING IN HET KADER VAN VERORDENING 2006/2004

5.1. Algemeen

Artikel 10 Algemene verantwoordelijkheden

ACM als verbindingsbureau en AFM in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit werken samen en treffen alle maatregelen die nodig zijn om Verordening 2006/2004 en de Whc effectief uit te voeren.

Artikel 11 Overleg

ACM en AFM voeren samen met de andere toezichthouders die in Nederland als bevoegde autoriteit zijn aangewezen zo vaak als zij dat noodzakelijk achten overleg over de uitvoering van Verordening 2006/2004. Dit overleg wordt voorgezeten door ACM als verbindingsbureau.

Artikel 12 Afstemming uitleg begrippen

ACM zal binnen drie weken, of indien spoed dit vereist binnen de kortere termijn die tussen ACM en AFM is afgesproken, haar oordeel ten aanzien van de wijze van uitleg van begrippen geven, indien een daartoe strekkend verzoek overeenkomstig artikel 3.3, tweede lid juncto artikel 4.3, eerste lid, van de Whc is gedaan door AFM.

5.2. Samenwerking inzake wederzijdse bijstand bij intracommunautaire inbreuken

Artikel 13 Verzoeken wederzijdse bijstand afkomstig van een instantie in een andere lidstaat
  • 1. ACM zendt als verbindingsbureau verzoeken om wederzijdse bijstand als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van Verordening 2006/2004 onverwijld elektronisch door aan AFM. Dit betreft verzoeken met betrekking tot de onder punt 6 van de considerans van die verordening genoemde taken.

  • 2. Indien ACM als verbindingsbureau een verzoek om wederzijdse bijstand heeft doorgestuurd, terwijl AFM geen bevoegdheden heeft ten aanzien van de wettelijke bepalingen waarop het verzoek ziet, stelt AFM ACM als verbindingsbureau hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 14 Verzoeken om wederzijdse bijstand, gericht aan een instantie in een andere lidstaat
  • 1. Indien AFM een verzoek om wederzijdse bijstand wil doen aan een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat, zendt zij een ingevuld standaardformulier als bedoeld in artikel 12, derde lid, van Verordening 2006/2004, elektronisch toe aan ACM als verbindingsbureau.

  • 2. ACM als verbindingsbureau zendt een verzoek om wederzijdse bijstand, afkomstig van AFM en bestemd voor een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat, onverwijld door aan het verbindingsbureau van die lidstaat.

Artikel 15 Onverwijld in kennis stellen

Wanneer AFM op grond van artikel 7 Verordening 2006/2004 de Europese Commissie en de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten onverwijld in kennis stelt van een intracommunautaire inbreuk of een redelijk vermoeden heeft dat een intracommunautaire inbreuk kan plaatshebben, stelt zij krachtens artikel 3.13 Whc eveneens ACM daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 16 Coördinatie van markttoezicht- en handhavingsactiviteiten

Indien een situatie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, Verordening 2006/2004 zich voordoet, stelt AFM ACM als verbindingsbureau hiervan in kennis en vindt hieromtrent overleg plaats.

5.3 De gemeenschappelijke activiteiten en verslaglegging (artikelen 16, 17 en 21 van verordening 2006/2004)

Artikel 17 Gemeenschappelijke activiteiten
  • 1. Ter uitvoering van de artikelen 16 en 17 van Verordening 2006/2004 stelt AFM jaarlijks, voor zover dit nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van Verordening 2006/2004, ACM in kennis van alle relevante informatie met betrekking tot haar activiteiten van communautair belang op onder meer de gebieden als genoemd in artikel 16 eerste lid, en artikel 17 eerste lid, onderdeel a en e, Verordening 2006/2004.

  • 2. AFM verstrekt de in dit artikel genoemde informatie uiterlijk een maand nadat ACM hiertoe een verzoek heeft gedaan, zodat de ACM tijdig verslag uit kan brengen aan de Europese Commissie.

Artikel 18 Verslaglegging
  • 1. Ten behoeve van de verslaglegging over de toepassing van Verordening 2006/2004 bedoeld in artikel 21 van die verordening aan de Europese Commissie stelt AFM ACM in kennis van de informatie als genoemd in artikel 21, derde lid, Verordening 2006/2004.

  • 2. AFM verstrekt de in dit artikel genoemde informatie uiterlijk een maand nadat ACM hiertoe een verzoek heeft gedaan, zodat ACM tijdig verslag uit kan brengen aan de Europese Commissie.

  • 3. ACM zorgt voor verspreiding van de samenvattingen bedoeld in artikel 21, eerste lid, onderdeel e, van Verordening 2006/2004 onder de in de Whc aangewezen bevoegde autoriteiten.

HOOFDSTUK 6 SAMENWERKING TEN AANZIEN VAN CONSUWIJZER

Artikel 19 Wederzijds verwijzen van consumenten

  • 1. ACM draagt ervoor zorg dat consumenten die ConsuWijzer benaderen met een informatieverzoek dat betrekking heeft op de taken en bevoegdheden van AFM, worden doorverwezen naar AFM.

  • 2. AFM draagt ervoor zorg dat consumenten die haar via klantcontact of via de website benaderen met een informatieverzoek dat betrekking heeft op de taken en bevoegdheden van ACM, worden doorverwezen naar ConsuWijzer.

  • 3. Het doorverwijzen van de consument geschiedt op een voor de consument zo efficiënt mogelijke wijze, waarbij overlast voor de consument tot een minimum wordt beperkt.

  • 4. ACM en AFM dragen zorg voor een goede en efficiënte afhandeling van naar hen doorverwezen consumentencontacten.

Artikel 20 Aanleveren en beheren van doorverwijsinformatie

ACM en AFM dragen zorg voor het aanleveren en beheren van de informatie die via ConsuWijzer aan consumenten wordt verstrekt. ACM en AFM zien erop toe dat de via ConsuWijzer te verstrekken informatie die betrekking heeft op hun respectievelijke taken en bevoegdheden ook door hen actueel en juist wordt gehouden.

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN

Artikel 21 Evaluatie

Na telkens twee jaar, of eerder indien daartoe aanleiding bestaat, wordt dit samenwerkingsprotocol en de uitvoering daarvan door ACM en AFM gezamenlijk geëvalueerd. Hierbij wordt in het bijzonder gekeken naar de praktische werkbaarheid van hetgeen in het samenwerkingsprotocol is vastgelegd en de wenselijkheid om dit samenwerkingsprotocol aan te passen of aan te vullen met in de praktijk gebleken nuttige werkafspraken.

Artikel 22 Vervallen samenwerkingsprotocol Consumentenautoriteit en Stichting Autoriteit Financiële Markten

Dit samenwerkingsprotocol treedt in de plaats van de afspraken tussen de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Stichting Autoriteit Financiële Markten over de wijze van samenwerking tussen de Consumentenautoriteit en de Stichting Autoriteit Financiële Markten. Bedoelde afspraken komen bij de inwerkingtreding van dit samenwerkingsprotocol te vervallen.

Artikel 23 Plaatsing Staatscourant

Dit samenwerkingsprotocol wordt in de Staatscourant geplaatst.

Artikel 24 Inwerkingtreding

Dit samenwerkingsprotocol treedt in werking met ingang van de dag na publicatie ervan in de Staatscourant.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend te Den Haag op13 mei 2014.

Autoriteit Consument en Markt, namens deze, C.A. Fonteijn Bestuursvoorzitter

Stichting Autoriteit Financiële Markten, namens deze, M.W.L. van Vroonhoven Bestuursvoorzitter

G.J. Everts Bestuurslid