Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2013, 5677Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Financiën van 26 februari 2013, kenmerk: FM 2013/372M, houdende regels tot vaststelling van de eindtermen en toetstermen voor examens financiële dienstverlening Wft (Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft)

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 9, tweede lid, van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft;

BESLUIT:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft.

Artikel 2

De eindtermen en toetstermen behorende bij de verschillende modules, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit, worden vastgesteld overeenkomstig de volgende bijlagen:

  • a. module basis: de eindtermen en toetstermen in bijlage 1;

  • b. module consumptief krediet: de eindtermen en toetstermen in bijlage 2;

  • c. module schadeverzekeringen particulier: de eindtermen en toetstermen in bijlage 3;

  • d. module schadeverzekeringen zakelijk: de eindtermen en toetstermen in bijlage 4;

  • e. module vermogen: de eindtermen en toetstermen in bijlage 5;

  • f. module inkomen: de eindtermen en toetstermen in bijlage 6;

  • g. module hypothecair krediet: de eindtermen en toetstermen in bijlage 7;

  • h. module pensioenverzekeringen: de eindtermen en toetstermen in bijlage 8;

  • i. module volmacht algemeen: de eindtermen en toetstermen in bijlage 9;

  • j. module volmacht schade extra: de eindtermen en toetstermen in bijlage 10;

  • k. module volmacht overig: de eindtermen en toetstermen in bijlage 11.

Artikel 3

In de bijlagen 1 tot en met 11 wordt het beheersniveau van de toetstermen aangeduid met de taxonomiecodes:

  • a. K (=Kennis);

  • b. B (=Begrip);

  • c. V (=Vaardigheid);

  • d. C (=Competentie).

Artikel 4

De Regeling vaststelling toetstermen examens financiële dienstverlening Wft en de Regeling toetstermen voor permanente educatie financiële dienstverlening Wft 2011–2012 worden ingetrokken.

Artikel 5

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 6

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

BIJLAGE 1 EIND EN TOETSTERMEN MODULE BASIS

Taak 1 Informeren en doorverwijzen van de klant, het aangaan van de financiële relatie

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1a

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op elementaire kennis van de financiële huishouding van de klant.

1a.1

De kandidaat kan de definitie van sparen, ontsparen en lenen geven.

K

1a.2

De kandidaat kan in een eenvoudige economische kringloop de geldstromen en goederenstromen aangeven.

K

1a.3

De kandidaat kan de verschillende levensfasen uit het levensfasenmodel benoemen en kan de gevolgen van de levensfase voor de financiële overzichten (opbrengsten/uitgaven en bezittingen/schulden) voor een klantenhuishouding beschrijven.

B

1a.4

De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van de samenlevingsvormen (huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenwonen) opnoemen.

K

1a.5

De kandidaat kan de elementaire regelingen van het erfrecht noemen.

K

1a.6

De kandidaat kan de onderstaande begrippen binnen de Successiewet omschrijven:

• schenking, vrijstelling (jaarlijkse en eenmalige verhoogde);

• verkrijging krachtens erfrecht.

K

1a.7

De kandidaat kan noemen voor welke vier handelingen toestemming van de partner vereist is volgens het Burgerlijk Wetboek: handelingen met betrekking tot de eigen woning, aangaan huurkoop, persoonlijke borgstelling en het doen van anders dan gebruikelijke giften.

K

1a.8

De kandidaat kan de onderstaande begrippen binnen de Inkomstenbelasting omschrijven:

• Box 1 belastbaar inkomen uit werk en woning: winst uit onderneming, loon (begrip loon), resultaat overige werkzaamheden, periodieke uitkeringen en verstrekkingen, inkomsten uit eigen woning;

• Box 2 belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang;

• Box 3 belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: bezittingen, schulden, heffingsvrij vermogen, vrijstellingen.

K

1a.9

De kandidaat kan noemen welke bescheiden als legitimatiemiddelen geaccepteerd worden.

K

Eindterm 1b

De persoon baseert zijn informatieverstrekking van spaar- en betaalfaciliteiten op kennis van betaal- en spaarrekeningen met inbegrip van daaraan verbonden spaar- en betaalfaciliteiten en elektronisch geld.

1b.1

De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken noemen van een betaalrekening op één of meer namen.

K

1b.2

De kandidaat kan de procedure voor het openen van een betaalrekening uitleggen.

K

1b.3

De kandidaat kan BKR-, EVA- en VIS-toetsing omschrijven en de doelstelling van de toetsing aangeven.

K

1b.4

De kandidaat kan de producten voor toonbankbetaling noemen en beschrijven (chartaal geld, pinbetaling, chipknip en creditcard).

K

1b.5

De kandidaat kan de producten voor girale betaling beschrijven (gewone overboeking, internetbetaling, incasso, acceptgiro en periodieke overboeking).

K

1b.6

De kandidaat kan de drie spaarmotieven (zekerheidsmotief, doelmotief en vermogensmotief) beschrijven.

K

1b.7

De kandidaat kan uitleggen waarom een bank spaargeld aantrekt.

B

1b.8

De kandidaat kan de kenmerken van de meest gangbare spaarrekeningen noemen en de kort omschrijven.

K

1b.9

De kandidaat kan vormen van niet-direct opneembaar spaargeld noemen.

K

1b.10

De kandidaat kan het verschil uitleggen tussen sparen, beleggen en investeren.

K

1b.11

De kandidaat kan noemen op welke wijze een klant geld kan boeken of onttrekken aan een spaarrekening.

K

1b.12

De kandidaat kan in hoofdlijnen omschrijven in welke gevallen banksparen fiscaal gefaciliteerd kan worden.

K

1b.13

De kandidaat kan in hoofdlijnen omschrijven wat de fiscale consequenties zijn van banksparen.

K

1b.14

De kandidaat kan het verband aangeven tussen de spaarvorm en de hoogte van de rentevergoeding (incl. internetspaarrekening).

B

1b.15

De kandidaat kan de drie aspecten noemen (liquiditeit, rendement en risico), die de voorkeur van een klant voor een bepaald spaarproduct bepalen.

K

1b.16

De kandidaat kan de verschillen tussen een besloten en open beleggingsfonds noemen.

K

1b.17

De kandidaat kan de beleggingscategorieën noemen (aandelen, obligaties, vastgoed, liquide middelen, derivaten en beleggingsobjecten) en op hoofdlijnen omschrijven.

K

1b.18

De kandidaat kan rangorde aanbrengen in de beleggingscategorieën op basis van het risico.

B

1b.19

De kandidaat kan uitleggen welke invloed een rentebeweging heeft op aandelen- en obligatiekoersen.

B

1b.20

De kandidaat kan noemen voor wie het depositogarantiestelsel bedoeld is.

K

1b.21

De kandidaat kan de dekking en de functie van het depositogarantiestelsel omschrijven.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2a

De persoon beschikt over het vermogen om te rekenen in vereiste situaties.

2a.1 Eenvoudige berekeningen maken.

Uitrekenen van enkelvoudige interestberekeningen, die opstellen m.b.t. verschillende producten of belastingen en zeer eenvoudige berekeningen van samengestelde interest correct uitvoeren.

Kandidaat gebruikt zonodig een rekenmachine, tabellen, etc.

In de praktijk zijn dit soort berekeningen geautomatiseerd. De kandidaat moet de berekening kunnen uitleggen aan de klant.

Eindterm 2b

De persoon beschikt over het vermogen om de juiste gegevens voor het (intake)gesprek te inventariseren en te verwerken.

2b.1 Identiteit klant controleren.

Is alert dat juiste document(en) getoond worden, onderkent vervalsingen.

Raadpleegt, indien nodig, databestanden voor identiteitsverificatie.

Signaleert mogelijke onjuistheden en meldt dit volgens de procedure.

Bepaalt, in geval van stichting of vennootschap, vanuit KvK-informatie en/of statuten of de persoon tekenbevoegd is.

Diverse manieren en documenten kunnen van toepassing zijn.

2b.2 Balanspositie en/of inkomsten-uitgaven-overzicht opstellen.

Op basis van de klantgegevens een overzicht opstellen van bezittingen, schulden en persoonlijk vermogen.

Het betreft in deze module alleen eenvoudige balansposities en inkomsten/uitgavenoverzichten.

Eventueel met behulp van rekenmachine.

2b.3 Eenvoudige factuur of declaratie opstellen.

Is in staat om een factuur op te stellen.

Legt klant opzet declaratie/factuur uit, verantwoordt de geleverde diensten.

Berekeningen zijn in de praktijk geautomatiseerd. Grondslagen voor de berekening, zoals maand, jaar, 365 dagen en dergelijke, zijn in de praktijk gegeven bij de diverse producten. Is bekend met BTW en assurantiebelasting.

2b.4 Financiële overeenkomst vastleggen.

Werkt volgens regels en procedures en nauwkeurig.

Is flexibel met betrekking tot het hanteren van verschillende regels en procedures voor verschillende product- en dienstencombinaties.

Legt overeenkomst op de juiste wijze vast in systemen.

Inzake een groot aantal producten en diensten, zoals betalen, sparen, verzekeren, financieringen en beleggingen, worden standaard documenten aangemaakt, opgestuurd en vastgelegd.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3a

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij een zakelijk (intake)gesprek kan voeren met de klant.

3a.1 Intakegesprek voeren.

Eerste fysieke of telefonische contact met de klant inzake financiële behoeften en vragen. Kennismakingsgesprek.

Is zakelijk, klantvriendelijk, effectief, onbevooroordeeld en respectvol.

Gebruikt een gevarieerde vraagtechniek, luistert goed, leidt het gesprek.

Inventariseert alle benodigde gegevens.

Controleert identiteit van de klant.

Administreert de klantgegevens nauwkeurig.

Werkt volgens de procedure(s), telefoonregels en bedrijfsvoorschriften.

Kent de kenmerken van een product op basis van de omschrijving op het formulier of op het invulscherm.

Vraagt, indien nodig, toelichting bij weinig voorkomende handelingen of wijzigingen in productadministratie.

Is de eerste indruk goed? Voelt de klant zich welkom bij de organisatie?

Ben ik oplettend en zorgvuldig en nauwkeurig?

Weet ik wat ik moet doen, of moet ik hulp vragen?

Eindterm 3b

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de klant kan informeren over financiële diensten, rekening houdend met de verschillende sociaaleconomische en sociaal-culturele kenmerken van de klant.

3b.1 Klanten informeren.

In gesprek met zowel interne als externe klanten.

Is klantvriendelijk en resultaatgericht.

Vraagt door als dat nodig is.

Vat de klantbehoefte goed samen.

Houdt rekening met sociaaleconomische en sociaal-culturele kenmerken van de klant. Hanteert heftige klantemoties met empathie en strategie.

Plant de (juridisch) juiste actie(s).

Wijst de klant, indien nodig, door naar de juiste persoon of afdeling, laat de klant niet ‘zwemmen’.

Vraagt naleving van geplande acties.

Heb ik alles gedaan om de klant in contact te brengen met de juiste persoon of afdeling? Heb ik gehandeld binnen mijn bevoegdheden?

3b.2 Stortingen en/of opnames met betrekking tot chartaal geld behandelen.

Bij een bank of een niet-kashoudende winkel of kantoor.

Telt correct.

Administreert volgens voorschriften.

Is alert op fraude en dergelijke.

Past de meldingsplicht toe.

 

3b.3 financiële overzichten (opbrengsten/uitgaven en bezittingen/schulden) opstellen voor een moment in de toekomst.

Voor een (eenvoudige) huishouding.

Houdt rekening met levensloop.

Onderkent de relatie naar fiscale vormen van sparen die niet geadviseerd mogen worden.

Onderkent de wenselijkheid om schulden af te bouwen, verwijst in deze gevallen door naar een vakbekwame collega.

Onderkent bij spaardoelen de risico’s die afgedekt moeten worden, en verwijst door naar andere vakbekwame personen.

Heb ik mijn hand niet overspeeld door het gesprek aan te gaan met de klant?

Taak 2 Beheren van de relatie en het verlenen van service met betrekking tot financiële diensten

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1c

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis met betrekking tot financieringsmogelijkheden van de klant

1c.1

De kandidaat kan aangeven welke factoren de kredietwaardigheid bepalen en deze factoren (moraliteit, financiële positie, zekerheden) omschrijven.

K

1c.2

De kandidaat kan omschrijven wat een consumptief krediet is.

K

1c.3

De kandidaat kan de begrippen kredietsom en kredietvergoeding omschrijven.

K

1c.4

De kandidaat kan de kenmerken van een geldkrediet en een goederenkrediet noemen.

K

1c.5

De kandidaat kan de vormen van consumptief krediet (aflopend krediet, doorlopend krediet, rekening-courant krediet, huurkoop) benoemen en op hoofdlijnen beschrijven.

K

1c.6

De kandidaat kan het doel van de BKR-toetsing aangeven.

K

1c.7

De kandidaat kan uitleggen dat de handelingsbekwaamheid, samenlevingsvorm en leeftijd van de kredietaanvrager een rol spelen bij het verlenen van het consumptief krediet.

B

1c.8

De kandidaat kan de juridische gevolgen van niet-nakoming van een kredietovereenkomst uitleggen.

B

1c.9

De kandidaat kan de volgende begrippen omschrijven: recht van hypotheek, hypotheekgever, hypotheeknemer.

K

1c.10

De kandidaat kan op hoofdlijnen omschrijven hoe de informatieverstrekking over krediet aan de klant moet plaatsvinden.

K

1c.11

De kandidaat kan de rol van de aanbieder van krediet binnen de verschillende distributiekanalen omschrijven.

K

1c.12

De kandidaat kan omschrijven wat een hypothecair krediet is.

K

1c.13

De kandidaat kan de begrippen renterisico, liquiditeitsrisico en valutarisico bij het aantrekken en uitzetten van gelden beschrijven.

K

1c.14

De kandidaat kan uitleggen wat registergoederen zijn.

K

1c.15

De kandidaat kan uitleggen wat de invloed van de taxatiewaarde is op de hoogte van het hypotheekbedrag.

B

1c.16

De kandidaat kan de verschillende taxatiewaarden in een taxatierapport van een woning beschrijven.

K

1c.17

De kandidaat kan aangeven welke inkomsten en lasten de kredietwaardigheid bepalen.

K

1c.18

De kandidaat kan uitleggen wat de invloed van het inkomen is op de hoogte van het hypotheekbedrag.

B

1c.19

De kandidaat kan het begrip ‘woonquote’ omschrijven.

K

1c.20

De kandidaat kan doel en strekking van de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) aangeven.

K

1c.21

De kandidaat kan uitleggen wat de rol van de notaris is bij de verkrijging van de onroerende zaak en het hypothecair krediet.

B

1c.22

De kandidaat kan uitleggen dat de handelingsbekwaamheid, samenlevingsvorm en leeftijd van de kredietaanvrager een rol spelen bij het sluiten van een overeenkomst.

B

1c.23

De kandidaat kan de verschillende aflossingsvormen van een hypothecair krediet beschrijven.

K

1c.24

De kandidaat kan de begrippen vaste hypotheek, krediethypotheek, bankhypotheek beschrijven.

K

1c.25

De kandidaat kan de begrippen variabele rente en vaste rente beschrijven.

K

1c.26

De kandidaat kan aangeven wat de invloed is van de rentevaste periode op de hoogte van de hypotheekrente.

K

Eindterm 1d

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van de persoonlijke risico’s van de klant en mogelijke (verzekerings-)oplossingen.

1d.1

De kandidaat kan de functie en inhoud van een klantprofiel omschrijven.

K

1d.2

De kandidaat kan de categorieën van de risico’s opnoemen, waarvan de gevolgen te verzekeren zijn.

K

1d.3

De kandidaat kan de risico’s noemen die verbonden zijn aan materieel bezit en kan opsommen welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.

K

1d.4

De kandidaat kan voorbeelden noemen van risico’s die verbonden zijn aan de gezondheid en kan opsommen welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.

K

1d.5

De kandidaat kan voorbeelden noemen van de aansprakelijkheidsrisico’s en risico’s die verbonden zijn aan vermogen van de klant, en welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.

K

1d.6

De kandidaat kan voorbeelden noemen van risico’s die verbonden zijn aan (lang) leven en dood en kan opsommen welke verzekeringen daarbij gesloten kunnen of moeten worden.

K

1d.7

De kandidaat kan de werknemersverzekeringen noemen en kan opsommen voor wie deze werknemersverzekeringen gelden.

K

1d.8

De kandidaat kan de volksverzekeringen opnoemen en voor wie deze volksverzekeringen gelden.

K

1d.9

De kandidaat kan de risico’s opnoemen die afgedekt zijn door sociale verzekeringen.

K

1d.10

De kandidaat kan de mogelijkheden van gemoedsbezwaarden omschrijven.

K

1d.11

De kandidaat kan uitleggen uit welke bestanddelen (inclusief kosten en eventuele assurantiebelasting) de door de klant te betalen premie voor een schadeverzekering bestaat.

B

1d.12

De kandidaat kan de rol en taken van de verzekeraars en pensioenfondsen noemen bij het afdekken van de financiële gevolgen van risico’s die de klant kan lopen.

K

1d.13

De kandidaat kan de meest gangbare inkomensverzekeringen ingeval van arbeidsongeschiktheid benoemen.

K

1d.14

De kandidaat kan het doel van en de dekking op een ongevallenverzekering omschrijven.

K

1d.15

De kandidaat kan de diverse wettelijke regelingen inzake de vergoeding van medische kosten omschrijven.

K

1d.16

De kandidaat kan de meest voorkomende mogelijkheden voor het verzekeren van de medische kosten omschrijven.

K

1d.17

De kandidaat kan de diverse mogelijkheden noemen die er zijn om het ouderdoms- en nabestaandenpensioen aanvullend te verzekeren.

K

1d.18

De kandidaat kan op hoofdlijnen een omschrijving geven van de verschillende pensioenregelingen.

K

Eindterm 1e

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van elementaire relevante verzekeringsbegrippen.

1e.1

De kandidaat kan de wet van de grote aantallen uitleggen.

B

1e.2

De kandidaat kan uitleggen waarom verzekeraars reserveren.

B

1e.3

De kandidaat kan uitleggen waarom verzekeraars rekening houden met het gemiddelde schadebedrag per verzekerde.

B

1e.4

De kandidaat kan uitleggen waarom en op welke wijze verzekeraars risico’s spreiden.

B

1e.5

De kandidaat kan de componenten opnoemen waaruit de premie van een verzekering bestaat.

B

1e.6

De kandidaat kan de kenmerken en voorbeelden noemen van voorzieningen en particuliere- en sociale verzekeringen.

K

1e.7

De kandidaat kan de meest gangbare bezitsverzekeringen voor de klant benoemen en kort beschrijven.

K

1e.8

De kandidaat kan de meest gangbare begrippen bij bezitsverzekering van de klant benoemen.

K

1e.9

De kandidaat kan de meest gangbare aansprakelijkheidsverzekeringen voor de klant benoemen en kort beschrijven.

K

1e.10

De kandidaat kan het doel en de functie van de WAM uitleggen.

B

1e.11

De kandidaat kan het doel omschrijven van gezinsrechtsbijstands-verzekering, motorrijtuigenrechtsbijstandsverzekering en bedrijfsrechtsbijstandsverzekering.

K

Eindterm 1f

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van de ordening van en het toezicht op de financiële markt.

1f.1

De kandidaat kan de volgende informatiebronnen noemen die gericht zijn op de belangen van de klant: overheid (AFM), markt (Nibud, Consumentenbond) en de diverse brancheorganisaties.

K

1f.2

De kandidaat kan beschrijven wat een financiële bijsluiter, een productwijzer en het dienstverleningsdocument is.

K

1f.3

De kandidaat kan noemen bij welk soort product een financiële bijsluiter beschikbaar moet zijn.

K

1f.4

De kandidaat kan in hoofdlijnen omschrijven wanneer een productwijzer en een dienstverleningsdocument beschikbaar moet zijn en welke (financiële) informatie in productwijzer en een dienstverleningsdocument vermeld moet worden.

K

1f.5

De kandidaat kan de klachten- en geschilleninstellingen, Klachten instituut financiële dienstverlening (Kifid), Stichting Geschillen en Klachten Zorgverzekeringen (SGKZ) en tuchtraad noemen en kort beschrijven op welke gebieden zij werkzaam zijn.

K

1f.6

De kandidaat kan het begrip ‘rechtstreekse verkoop’ omschrijven en daarbij aangeven welke advies- en distributiekosten worden gemaakt.

B

1f.7

De kandidaat kan de werkwijze van verkoop via bemiddeling uitleggen, daarbij aangeven welke kosten daarvoor gemaakt worden, en welke beloning daarvoor ontvangen wordt.

B

1f.8

de kandidaat kan uitleggen wat het provisieverbod voor complexe producten inhoudt en waarom het is ingevoerd vanuit het klantbelang.

B

1f.9

De kandidaat kan voorbeelden noemen van onafhankelijke distributiekanalen (bemiddeling).

K

1f.10

De kandidaat kan uitleggen in welk geval gekozen wordt voor rechtstreekse verkoop of verkoop via bemiddeling.

B

1f.11

De kandidaat kan de kenmerken van een abonnementensysteem en andere beloningsvormen (fee/vast tarief) noemen.

K

1f.12

De kandidaat kan voorbeelden opsommen van wanneer en waarvoor passende provisieregels (inducementnorm) van toepassing zijn.

K

1f.13

De kandidaat kan de wettelijke vormen van toezicht op de financiële markten noemen en op hoofdlijnen omschrijven (prudentieel, systeem en gedrag).

K

1f.14

De kandidaat kan het doel van prudentieel en gedragstoezicht uitleggen.

B

1f.15

De kandidaat kan omschrijven wat onder zorgplicht wordt verstaan.

K

1f.16

De kandidaat kan uitleggen waarom de overheid de zorgplicht wettelijk regelt.

B

1f.17

De kandidaat kan de rol van de AFM in het kader van de zorgplicht toelichten.

K

1f.18

De kandidaat kan noemen op welke financiële dienstverleners de zorgplicht van toepassing is.

K

1f.19

De kandidaat kan het begrip ‘adviesregel’ omschrijven.

K

1f.20

De kandidaat kan noemen wie het toezicht in het kader van de Wft uitoefent.

K

1f.21

De kandidaat kan beschrijven welke beroepsmogelijkheden bestaan bij sancties van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM), uitspraken klachteninstituten en rechterlijke uitspraken.

K

1f.22

De kandidaat kan omschrijven wat de eigen verantwoordelijkheid van de klant volgens de Wft inhoudt.

K

1f.23

De kandidaat kan de drie plichten van de aanbieder ten opzichte van een bemiddelaar opnoemen: het controleren van de Wft-vergunning van de bemiddelaar, de bemiddelaar van adequate informatie voorzien, en de meldplicht aan de AFM inzake belangrijke of stelselmatige misstanden bij een bemiddelaar.

K

1f.24

De kandidaat kan noemen welke plicht de bemiddelaar heeft naar de aanbieder van de financiële dienst (het controleren van de Wft-vergunning van de aanbieder).

K

1f.25

De kandidaat kan het belang van een vergunning voor de financiële dienstverlener beschrijven.

K

1f.26

De kandidaat kan de verschillende samenwerkingsvormen en samenwerkingsorganisaties binnen de verzekeringsbranche noemen.

K

1f.27

De kandidaat kan het doel van FISH aangeven.

K

1f.28

De kandidaat kan de verschillende distributievormen in de verzekeringsbranche noemen met daarbij de voor de klant belangrijkste voor- en nadelen van elke distributievorm.

K

1f.29

De kandidaat kan de werkzaamheden beschrijven die de bemiddelaar verricht voor de klant bij het tot stand brengen van de overeenkomst van een financieel product. Hij kan daarbij aangeven welke kosten daarvoor gemaakt worden en welke beloning daarvoor ontvangen wordt.

K

1f.30

De kandidaat kan de werkzaamheden beschrijven die de bemiddelaar verricht voor de klant bij het beheer en de uitvoering tijdens de looptijd van een financieel product. Hij kan daarbij aangeven welke kosten daarvoor gemaakt worden en welke beloning daarvoor ontvangen wordt.

K

1f.31

De kandidaat kan de werkzaamheden beschrijven die de bemiddelaar verricht voor de klant bij het beëindigen van een financieel product.

K

1f.32

De kandidaat kan de drie verschillende vormen van effectendienstverlening benoemen: execution only, beleggingsadvisering en vermogensbeheer.

K

1f.33

De kandidaat kan een korte omschrijving geven van de zes kwaliteitseisen die gesteld worden aan de financiële dienstverlener: betrouwbaarheid, deskundigheid, financiële zekerheid, adequate en integere bedrijfsvoering, zorgplicht en transparantie.

K

1f.34

De kandidaat kan de fasen van het adviestraject (inventarisatie, risicoanalyse, advies, beheer en mutatie en nazorg en schadebehandeling) benoemen.

K

1f.35

De kandidaat kan omschrijven voor welke financiële dienstverlener de beroepsaansprakelijkheidsverzekering verplicht is.

K

1f.36

De kandidaat kan de verschillende soorten bemiddelaars (verbonden bemiddelaar, gebonden bemiddelaar, ongebonden bemiddelaar) beschrijven.

K

1f.37

De kandidaat kan beschrijven hoe een ongebonden bemiddelaar werkt op basis van een objectieve en op basis van een selectieve analyse.

K

Eindterm 1g

De persoon baseert de informatieverstrekking in de eerste lijn van de financiële dienstverlening op kennis van relevante en actuele wet- en regelgeving in de verzekeringssector.

1g.1

De kandidaat kan omschrijven op welke manier een geldige verzekeringsovereenkomst tot stand komt.

K

1g.2

De kandidaat kan omschrijven hoe via de diverse distributiekanalen een verzekeringsovereenkomst tot stand komt.

K

1g.3

De kandidaat kan op hoofdlijnen de acceptatieprocedure bij een verzekeraar omschrijven.

K

1g.4

De kandidaat kan de drie functies van het aanvraagformulier noemen.

K

1g.5

De kandidaat kan omschrijven wat een verzekeringnemer, de verzekerde, premiebetaler en de begunstigde is.

K

1g.6

De kandidaat kan uitleggen wat een voorlopige dekking is.

B

1g.7

De kandidaat kan uitleggen wat een dekkingsbevestiging is.

B

1g.8

De kandidaat kan de juridische omschrijving van het begrip ‘verzekeren’ geven.

K

1g.9

De kandidaat kan de kenmerken van een schadeverzekering noemen.

K

1g.10

De kandidaat kan de kenmerken van een sommenverzekering noemen.

K

1g.11

De kandidaat kan de kenmerken van een persoonsverzekering noemen.

K

1g.12

De kandidaat kan de werking van het mededelingsplicht-artikel beschrijven en de mogelijke gevolgen daarvan.

K

1g.13

De kandidaat kan de wettelijke bepalingen ten aanzien van eigen gebrek beschrijven.

K

1g.14

De kandidaat kan de wettelijke bepalingen ten aanzien van opzet en roekeloosheid beschrijven.

K

1g.15

De kandidaat kan het indemniteitsbeginsel beschrijven.

K

1g.16

De kandidaat kan de begrippen ‘onderverzekering’, ‘oververzekering’ en ‘dubbele verzekering’ beschrijven.

K

1g.17

De kandidaat kan het begrip ‘onopzegbare polis’ beschrijven.

K

1g.18

De kandidaat kan de drie situaties noemen, waarin een onopzegbare polis toch door de verzekeraar opgezegd kan worden.

K

1g.19

De kandidaat kan een aflopende verzekering beschrijven.

K

1g.20

De kandidaat kan opnoemen in welk geval een verzekering opzegbaar is door de verzekeraar.

K

1g.21

De kandidaat kan opnoemen in welk geval een verzekering opzegbaar is door de verzekeringnemer.

K

1g.22

De kandidaat kan opnoemen in welk geval een verzekeringnemer recht heeft op terugbetaling van de premie.

K

1g.23

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen zijn als de klant de premie niet betaalt.

B

1g.24

De kandidaat kan het doel van de respijttermijn beschrijven.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2c

De persoon beschikt over het vermogen om leads te genereren.

2c.1 Contact met (potentiële) klanten leggen.

Proactief, is alert om (mogelijke) klanten te werven.

Onderkent de behoefte van de klant, zodat het goed vertaald kan worden in een passend advies.

Verwijst door als dat nodig is.

Behoefte en belang eindklant moet centraal gesteld worden bij dit proces.

Eindterm 2d

De persoon beschikt over het vermogen om informatie vast te leggen, klantdossiers te onderhouden, klant- en productgegevens te registreren en te muteren.

2d.1 Klantendossiers aanleggen en onderhouden.

De gegeven adviezen aan klanten zijn traceerbaar en reconstrueerbaar. Het ingevulde risicoprofiel is volledig.

Noodzakelijk voor interne en externe controles, waaronder die van de AFM. Dossiers betreffen een groot aantal product- en dienstencombinaties, zowel fysiek als in elektronische systemen.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3c

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij klachten van klanten kan behandelen.

3c.1 Klachten behandelen.

 

Neemt de klacht aan. Luistert inlevend naar de klant, reflecteert op emoties van klant, zegt niets toe. Kan (onsamenhangende) informatie van de klant samenvatten en ordenen.

Handelt volgens de klachtenprocedure.

Baseert zijn handelen op kennis van de organisatie, de financiële dienst en het product.

Neemt verantwoordelijkheid voor de behandeling van de klacht. Handelt zo mogelijk de klacht zelf af, verwijst anders door naar de juiste persoon of afdeling.

Ken ik de procedure met betrekking tot klachten? Heb ik alles gedaan om de klant in contact te brengen met de juiste persoon of afdeling?

Heb ik gehandeld binnen mijn bevoegdheden?

Eindterm 3d

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij relaties kan beheren en/of aangaan met betrekking tot het verlenen van financiële diensten, rekening houdend met zeer wisselende klantbehoeften, klantsituaties, wettelijke en organisatorische bevoegdheden.

3d.1 Klant- en/of product-gegevens beheren en muteren.

Gegevens met betrekking tot financieren en verzekeren.

Houdt rekening met de klantbehoefte en -situatie.

Houdt rekening met wettelijke en organisatorische bevoegdheden. Verwijst tijdig door naar juiste persoon of afdeling ingeval werkzaamheden buiten bevoegdheden of vakbekwaamheid liggen.

Stelt risicoprofiel op of bij.

Is klantvriendelijkheid, resultaatgericht en professioneel.

Vraagt door om situaties helder te krijgen.

Onderkent fraudesignalen.

Overschat ik mij zelf niet? Verwijs ik niet te gemakkelijk door?

3d.2 Klanten actief informeren gedurende de relatie.

Verandering in de persoonlijke levenssfeer, zoals overlijden of echtscheiding.

Adviseert correct inzake beschikking over rekeningen en afhandeling van aanspraken. Verwijst de klant, indien nodig, naar de juiste persoon of afdeling door.

Houdt rekening met de emotie van de klant. Hanteert heftige emotie met empathie en strategie.

Onderkent juridische en fiscale context.

Plant de juiste acties.

Vraagt naleving van geplande acties

Hoe reageerde ik op emoties? Heb ik begrip voor verschillende culturele gewoonten van de klanten

Heb ik gehandeld binnen mijn bevoegdheden?

Professioneel gedrag

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 4a

De persoon beschikt over het vermogen om dilemma’s op het gebied van integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken:

• dilemma’s inzake serviceverlening en kosten van serviceverlening;

• dilemma’s inzake bevoegdheden en afhandeling van klantvragen;

• dilemma’s inzake situaties (specifiek voor financiële dienstverlening) die wettelijk niet zijn toegestaan;

• dilemma’s inzake situaties (specifiek voor financiële dienstverlening) die maatschappelijk niet wenselijk zijn.

4a.1 De vraag van de klant afhandelen.

De kandidaat neemt verantwoordelijkheid om de vraag van de klant zo goed als mogelijk af te handelen.

Gaat empathisch en strategisch om met emoties van de klant.

Communiceert schriftelijk en op een correcte wijze met de klant.

Wijst op de inhoud van de algemene voorwaarden en regels uit de overeenkomst.

4a.2 Doorverwijzen naar anderen.

De kandidaat onderkent tijdig tekortkomingen bij zichzelf op het gebied van deskundigheid.

De kandidaat kent de grenzen van zijn kennen en kunnen en verwijst door als bepaalde vraagstukken beter beantwoord kunnen worden door andere partijen.

 

4a.3 Handelen in geval van een situatie die wettelijk niet is toegestaan.

Is alert op fraude en dergelijke.

Beoordeelt in voorkomende gevallen moraliteit, financiële soliditeit en juridische aspecten van de klant.

4a.4 Handelen in een situatie die maatschappelijk gezien niet wenselijk is.

Handelt in het belang van de klant, stelt de klant centraal.

Is in zijn handelen transparant.

Beoordeelt in voorkomende gevallen moraliteit, financiële soliditeit en juridische aspecten van de klant.

4a.5 Integer omgaan met de klantgegevens.

De kandidaat gaat integer met de klantgegevens om.

Werkt volgens de voorschriften en procedures.

BIJLAGE 2 EIND EN TOETSTERMEN MODULE CONSUMPTIEF KREDIET

Algemene kennis en vaardigheden

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1a

De persoon maakt bij zijn werkzaamheden gebruik van actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving en de van toepassing zijnde richtlijnen op grond van de Wft en de van toepassing zijnde gedragscodes.

1a.1

De kandidaat kan de reikwijdte en regelgeving van de Wft en de uitwerking daarvan in het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen alsmede de gedragscode van de Nederlandse Vereniging van Banken en de gedragscode van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland uitleggen.

B

1a.2

De kandidaat kan de hoofdlijnen van de richtlijn 2008/48/EG (richtlijn consumentenkrediet) en de eisen die zij stelt op gebied van adverteren, precontractuele en contractuele informatie uitleggen.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2a

De persoon beschikt over het vermogen om mondeling en schriftelijk te communiceren.

2a.1 Gestructureerd interviewen.

De kandidaat werkt gestructureerd en is onbevooroordeeld.

De kandidaat vraagt door als de informatie onduidelijk of onvolledig is.

 

2a.2 Mondeling communiceren.

De informatie en toelichting zijn correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

2a.3 De documenten uitleggen.

De informatie is correct, duidelijk en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

Bijvoorbeeld het toetsantwoord van het BKR.

2a.4 Schriftelijk communiceren.

De relevante informatie is correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

 

2a.5 Formulieren en offertes invullen, aanvragen en controleren.

De kandidaat werkt gestructureerd en is alert op fouten.

Betreft alleen formulieren en offertes die samenhangen met het consumptief kredietadvies.

Eindterm 2b

De persoon beschikt over het vermogen om ICT-toepassingen te gebruiken.

2b.1 Vragenlijsten en ICT-toepassingen, waaronder rekenmodellen toepassen.

De kandidaat voert de gegevens die hij van de klant heeft gekregen op de juiste manier in en werkt secuur.

De kandidaat gebruikt de juiste ICT-toepassing en controleert zoveel mogelijk het systeemantwoord op bijzondere, opvallende en/of afwijkende uitkomsten

Is alert op invoerfouten en onlogische uitkomsten.

ICT-programma’s die ondersteunen bij de verwerking van gegevens om te komen tot een passend advies.

Het kunnen herkennen van foute, onjuiste uitkomsten, zodat niet per definitie het systeemantwoord in alle gevallen leidend is. Zelf nadenken blijft ook ingeval van een ICT-toepassing een verantwoordelijkheid van de kandidaat.

Professioneel gedrag

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 4a

De persoon beschikt over het vermogen om de volgende dilemma’s op het gebied van integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken, alsmede de keuzes af te wegen en te verantwoorden:

• fraudesignalen onderkennen en daarop handelen;

• integer omgaan met de klantgegevens;

• doorverwijzen.

4a.1 Fraudesignalen onderkennen en daarop handelen.

De kandidaat gebruikt systemen en/of uitslag van de systemen (zoals EVA, SFH, VIS en BKR) op een juiste wijze.

Beoordeelt documenten op echtheid.

De kandidaat geeft op adequate wijze opvolging aan een fraudesignaal.

 

4a.2 Integer omgaan met de klantgegevens.

De kandidaat gaat integer met de klantgegevens om.

 

4a.3 Doorverwijzen naar anderen.

De kandidaat onderkent tijdig tekortkomingen bij zichzelf op het gebied van deskundigheid.

De kandidaat kent de grenzen van zijn kennen en kunnen en verwijst door als bepaalde vraagstukken beter beantwoord kunnen worden door collega’s of derden.

 

Taak 1 Inventariseren van de gegevens van de klant

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1b

De persoon baseert zijn inventarisatie op actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving en de van toepassing zijnde richtlijnen op grond van de Wft en de van toepassing zijnde gedragscodes.

1b.1

De kandidaat kan de relevante wettelijke regels inzake handelingsbekwaamheid, toestemmingsvereiste en onderbewindstelling uitleggen.

B

1b.2

De kandidaat kan de regelgeving ter voorkoming van overkreditering opsommen.

K

1b.3

De kandidaat kan de procedure en werkwijze van het Bureau Krediet Registratie (BKR) uitleggen.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2c

De persoon beschikt over het vermogen de benodigde informatie te verzamelen.

2c.1 Gegevens voor het klantprofiel inventariseren.

De kandidaat bevraagt de klant gestructureerd en onbevooroordeeld.

Alle relevante gegevens voor het klantprofiel worden verzameld. Als gegevens ontbreken of onduidelijk zijn, vraagt de kandidaat door.

De kandidaat controleert of hij de juiste persoon voor zich heeft en of de klant beschikkingsbevoegd en/of handelingsbekwaam is.

De kandidaat kan de klant begrijpelijk uitleggen waarom de gegevens nodig zijn.

Kandidaat gaat integer met de klantgegevens om.

2c.2 Gegevens ten behoeve van het klantprofiel controleren en vastleggen.

De kandidaat controleert de van de klant verkregen informatie op juistheid, volledigheid en tegenstrijdigheden.

De kandidaat heeft uiteindelijk goed inzicht in de gestelde wensen, eisen en prioriteiten en alle benodigde gegevens voor het geven van een juist en passend advies.

 

2c.3 Inkomen vaststellen

Aan de hand van de meegeleverde bewijsstukken, zoals loonstrook, uitkeringsspecificatie en UPO.

De kandidaat kan de inkomsten en uitgaven ordenen en herberekenen tot gegevens die uitgangspunt voor de beoordeling zijn.

De kandidaat is alert op rekenfouten.

Taak 2 Analyseren van de gegevens en de kredietbehoefte van de klant

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1c

De persoon baseert zijn analyse op kennis van de risico’s in de verschillende levensfasen en de beschikbare instrumenten om deze risico’s te beheersen.

1c.1

De kandidaat kan uitleggen hoe risico’s beter beheersbaar worden.

B

1c.2

De kandidaat kan uitleggen hoe overkreditering voorkomen kan worden.

B

Eindterm 1d

De persoon baseert zijn analyse op kennis van de mogelijke risico’s in het kader van een kredietaanvraag.

1d.1

De kandidaat kan de aard en de duur van diversen soorten inkomstenbronnen noemen.

K

1d.2

De kandidaat kan mogelijke risico’s als gevolg van echtscheiding, arbeidsongeschiktheid, onvrijwillige werkloosheid en overlijden uitleggen.

B

Eindterm 1e

De persoon baseert zijn analyse op kennis van het proces rondom een kredietaanvraag.

1e.1

De kandidaat kan de achtereenvolgende stappen in het aanvraag-, beoordelings- en verstrekkingsproces benoemen.

B

1e.2

De kandidaat kan de mogelijkheden van de kredietgever voor beslaglegging en uitwinning benoemen.

K

1e.3

De kandidaat kan de pre- en postcontractuele informatieverplichtingen benoemen en verklaren.

B

1e.4

De kandidaat kan het aanbod en de marktpositie van de verschillende categorieën kredietverleners alsook de rol en functie van het intermediair beschrijven.

K

1e.5

De kandidaat kan benoemen welke factoren een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een kredietaanvraag.

K

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3a

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij aan de hand van het huidige en eventuele toekomstige inkomen en het (toekomstige) vermogen het klantprofiel kan opstellen.

3a.1 Gegevens voor het klantprofiel analyseren.

 

• De kandidaat berekent de kredietsom, de limiet, de maandtermijn, het contractbedrag, de looptijd, de leencapaciteit en risico’s op de juiste wijze, indien gewenst met behulp van de software.

• De kandidaat interpreteert het toetsantwoord van het BKR op de juiste wijze.

Begrijp ik, in grote lijnen, hoe de kredietsom, de limiet, de maandtermijn, het contractbedrag, de looptijd, de leencapaciteit en risico’s tot stand komt?

3a.2 Klantprofiel opstellen.

De krediet-aanvraag (en niet meer).

• Is op basis van de resultaten van de analyses.

• Zowel huidige als toekomstige situatie.

• Het klantprofiel is volledig: doelstelling, financiële positie, risicobereidheid, kennis en ervaring.

• De kandidaat bepaalt de budgetdiscipline van de klant.

• De kandidaat inventariseert en analyseert de risico’s die de doelstellingen van de klant kunnen bedreigen.

• Risico’s zijn juist berekend.

Kan ik de gegevens met elkaar in verband brengen? Bijv. hoog inkomen versus jonge leeftijd.

Durf ik overmatig uitgavenpatroon ten opzichte van het inkomen te benoemen bij de klant?

Taak 3 Adviseren (en eventueel bemiddelen) van een passende oplossing

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1f

De persoon baseert zijn advies op actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving en de van toepassing zijnde richtlijnen en verplichte gedragscodes.

1f.1

De kandidaat kan de wijze waarop de wettelijke bepalingen van de WCK in de kredietovereenkomst zijn opgenomen, uitleggen.

B

1f.2

De kandidaat kan het (wettelijke) traject voor schuldsanering beschrijven.

K

Eindterm 1g

De persoon baseert zijn advies op een inschatting van de fiscale gevolgen van het kredietvoorstel, zodat de bruto- en nettolasten op de juiste wijze kunnen worden berekend, ook in geval een krediet bestemd is voor de eigen woning.

1g.1

De kandidaat kan de fiscale behandeling van kredieten in box 1 en box 3 van de inkomstenbelasting uitleggen.

B

Eindterm 1h

De persoon baseert zijn advies op kennis van consumptieve kredietproducten met bijbehorende voorwaarden.

1h.1

De kandidaat kan het verband tussen de economische looptijd van objecten en de looptijd en restantschuld van het krediet uitleggen.

B

1h.2

De kandidaat kan de eigenschappen en toepassingsmogelijkheden van alternatieve financieringsvormen uitleggen.

B

1h.3

De kandidaat kan de verschillende kredietvormen en de krediettechnische kenmerken van de verschillende aflossingsvormen uitleggen.

B

1h.4

De kandidaat kan de mogelijke zekerheden en gevolgen daarvan omschrijven.

K

1h.5

De kandidaat kan uitleggen hoe de leencapaciteit van een aanvrager wordt beoordeeld.

B

1h.6

De kandidaat kan de kosten van de verschillende kredietvormen omschrijven en onderling vergelijken.

B

1h.7

De kandidaat kan de meest gebruikelijke arbeidsongeschiktheids-, werkloosheids- en overlijdensrisicoverzekeringen beschrijven.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2d

De persoon beschikt over het vermogen om na een eerste inventarisatie en een toetsing aan de (verplichte) gedragscodes een inschatting te maken ten aanzien van de haalbaarheid van de financiering.

2d.1 Alternatieve financieringsoplossingen bepalen.

De kandidaat houdt rekening met bestaande vermogensbestanddelen.

De oplossing is een goed alternatief voor het financieringsdoel.

 

2d.2 Haalbaarheid van de financiering inschatten.

De kandidaat maakt een realistische inschatting of de aanvraag uiteindelijk geaccepteerd zal worden.

 

Eindterm 2e

De persoon beschikt over het vermogen om met betrekking tot het advies:

• de mogelijkheden te presenteren;

• adviesverantwoordelijkheid te nemen;

• te handelen op gewijzigde omstandigheden tijdens het adviestraject.

2e.1 De mogelijkheden presenteren.

De kandidaat legt aan de klant alle mogelijkheden voor en bespreekt deze met de klant, zodat deze een bewuste en verantwoorde keuze kan maken.

Alle relevante financiële consequenties zijn voor de klant duidelijk.

Een belangrijk aspect van het advies is, dat de analyses cijfermatig worden onderbouwd. Een cijfermatige analyse is in een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij het bepalen van de hoogte van de risicodekking, noodzakelijk om te kunnen nagaan of het advies aansluit bij het klantprofiel. Ook is het noodzakelijk dat de klant inzicht heeft in de financiële implicaties of financiële onderbouwing (bijvoorbeeld bij de geadviseerde dekking voor een risicoverzekering) om het advies goed te kunnen beoordelen.

2e.2 Adviesverantwoordelijkheid nemen.

De kandidaat formuleert zijn advies en motiveert dit. De kandidaat bespreekt het advies en de motivering met de klant, waarbij hij de klant duidelijk maakt hoe het advies aansluit bij zijn profiel.

Advies geven is niet uitsluitend de wens van de klant volgen, maar daadwerkelijk advies geven op basis van eigen inzicht en kunnen. Indien het advies niet wordt opgevolgd, zal de klant moeten worden gewaarschuwd voor de consequenties van het niet (geheel of gedeeltelijk) opvolgen van het advies.

2e.3 Handelen op gewijzigde omstandigheden tijdens het adviestraject.

De kandidaat kan de gevolgen van wezenlijke wijzigingen tijdens het advies- en aanvraagtraject voor klant en aanbieder inschatten op consequenties en hiernaar op een juiste manier handelen.

Bijvoorbeeld: ontslag werknemer tijdens aanvraagtraject kredietofferte alsnog aankaarten bij geldverstrekker.

Eindterm 2f

De persoon beschikt over het vermogen om het adviestraject adequaat vast te leggen in het dossier.

2f.1 Het adviestraject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier.

Dossier bevat de juiste gegevens en deze zijn op een gemakkelijke manier terug te vinden.

Te beoordelen is of de advisering op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3b

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij op basis van de informatie het juiste advies kan geven dat aansluit bij de wensen en behoeften van de klant.

3b.1 Het advies ontwerpen.

Situatie van de klant.

• Het kredietadvies sluit aan bij het klantprofiel.

• Advies voldoet aan de wettelijke regels en regels met betrekking tot zelfregulering.

• Berekent de bruto- en nettolasten op de juiste wijze, ook in het geval van een krediet bestemd voor de eigen woning.

• De kandidaat maakt inzichtelijk of arbeidsongeschiktheid en onvrijwillige werkloosheid en overlijdensrisico’s extra verzekerd moeten worden, zodat de klant een bewuste keuze kan maken. De variabelen looptijd en het termijnbedrag zijn zo bepaald dat de (maand)lasten betaalbaar zijn. Kandidaat voorkomt overkreditering.

• De kandidaat verwerkt in het advies de mogelijke gevolgen voor de financiering bij, op het moment van het advies bekend zijnde, verandering van de leefsituatie van de klant.

Kan het advies en de (extra) zekerheden verantwoorden?

Kan ik inzicht verschaffen in de afwegingen die bij de beoordeling een rol hebben gespeeld?

Kan ik de fiscale gevolgen van het kredietvoorstel goed inschatten?

3b.2 Over passende, toegestane producten adviseren.

Risico afdekken vanuit het product.

• De kandidaat stelt op de juiste wijze de verzekerde som voor de aanpalende producten vast.

• Advies met betrekking tot aanpalende producten past bij gesloten financiering, risico en wensen van de klant.

 

3b.3 Het advies aan de klant uitleggen.

Klantgesprek.

• De kandidaat kan de gevolgen aan de klant inzichtelijk maken. Klant heeft inzicht in de risico’s.

• Inclusief de fiscale gevolgen van het kredietvoorstel, ook in geval van een krediet bestemd voor de eigen woning.

• De (maand) lasten zijn voor de klant inzichtelijk.

• De premieopbouw en -samenstelling van het consumptief krediet en de eventuele kredietbeschermer(s) zijn voor de klant inzichtelijk.

Is de opbouw van de premie voor de klant transparant?

Eindterm 3c

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het resultaat van de kredietaanvraag met de klant kan bespreken en uitleg kan geven over het vervolg, de kredietovereenkomst en andere relevante stukken.

3c.1 Het resultaat van de kredietaanvraag bespreken.

Klantgesprek.

• De klant begrijpt hoe het aanvraag-, beoordelings- en verstrekkingsproces verloopt en de mogelijke consequenties van non-betaling.

• De kredietovereenkomst en andere relevante stukken zijn uitgelegd en in relatie gebracht met het klantprofiel.

• Alle vragen van de klant zijn beantwoord.

Bijvoorbeeld: U gaf aan dat u snel wilde aflossen, daarom...

Eindterm 3d:

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de klant kan informeren in geval van afwijzing van de financiering.

3d.1 De klant informeren in geval van afwijzing van de financiering.

Klantgesprek.

Factoren die bepalend zijn bij een eventuele afwijzing van de aanvraag zijn uitgelegd.

Gebruik maken van de vaardigheden die horen bij een slechtnieuwsgesprek: korte introductie, slecht nieuws meedelen, opvangen emoties, argumenten toelichten en hoe verder.

Taak 4 Beheren en actueel houden van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1i

De persoon verricht zijn werkzaamheden met betrekking tot het beheer en actueel houden van het advies op basis van kennis van het proces rondom kredietbeheer.

1i.1

De kandidaat kan de procedures en gevolgen uitleggen van de administratieve afhandeling en mutaties in het kader van kredietbeheer.

B

1i.2

De kandidaat kan de wettelijke regels in het kader van achterstalligheid en het ontstaan van non-betaling omschrijven.

K

1i.3

De kandidaat kan uitleggen hoe en wanneer vertragingsrente in rekening wordt gebracht.

K

1i.4

De kandidaat kan in geval van algehele of gedeeltelijke extra aflossing uitleg geven over de (mogelijke) kosten en de invloed op de resterende of theoretische looptijd en termijnbedrag.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2g

De persoon beschikt over het vermogen om het beheertraject adequaat vast te leggen in het dossier.

2g.1 Het beheer-traject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier

Dossier bevat de juiste gegevens en deze zijn op een makkelijke manier terug te vinden.

Te beoordelen is of het beheer op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

De Wet Bescherming Persoonsgegevens moet daarbij betrokken worden.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3e

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij op grond van veranderde omstandigheden in kan schatten of aanpassing van het krediet wenselijk is, zodat de verstrekking ook op langere termijn passend is.

3e.1 Het bedrag aan te restitueren rente en kosten voor vervroegde aflossing berekenen.

Ingeval van algehele en gedeeltelijke aflossing.

Het bedrag is berekend aan de hand van de gegevens uit de administratie.

 

3e.2 De eventuele consequenties van wijzigingen voor de lopende financiering bepalen.

Bestaande overeenkomst.

• De kandidaat bepaalt op de juiste wijze aan de hand van de nieuwe informatie wat de eventuele consequenties zijn voor de lopende financiering.

• De verstrekking is ook op langere termijn passend.

• De kandidaat houdt rekening met het actuele klantprofiel en de actuele situatie.

• De kandidaat voorkomt overkreditering.

 

BIJLAGE 3 EINDTERMEN EN TOETSTERMEN MODULE SCHADEVERZEKERINGEN PARTICULIER

Onder materiële verzekeringen (rubriek A) worden de volgende particuliere schadeverzekeringen verstaan:

  • 1. Bezit

    • Opstal en inboedel

    • Glas

    • Kostbaarheden/geld

    • Computer/elektronica

    • Reis en annulering

    • Recreatiegoederen

    • Caravan en kampeerwagen

  • 2. Verkeer

    • Motorrijtuigen

    • Motorrijtuigcasco

    • Motorrijtuigaansprakelijkheid

    • Motorrijtuigrechtsbijstand

    • Verhaalsrechtsbijstand Motorrijtuigen

    • Ongevallen in- of opzittenden

  • 3. Transport

    • Pleziervaartuig

Onder vermogensbeschermende schadeverzekeringen (rubriek B) worden de volgende particuliere schadeverzekeringen verstaan:

  • 1. Aansprakelijkheid

    • Particulieren

  • 2. Rechtsbijstand

    • Gezinsrechtsbijstand

Onder zorg- en ongevallenverzekeringen (rubriek C) worden de volgende particuliere schadeverzekeringen verstaan:

  • 1. Zorg

    • Zorgverzekeringen

    • Collectieve (aanvullende) zorg

  • 2. Ongevallen

    • Collectieve (aanvullend) ongevallen

Algemene kennis en vaardigheden

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1a

De persoon baseert zijn werkzaamheden met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor particulieren

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor particulieren

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor particulieren

op actuele kennis van het verzekeringsrecht en de van toepassing zijnde richtlijnen, gedragscodes en convenanten.

1a.1

De kandidaat kan herkennen of een product of dienst voldoet aan de definitie van een verzekeringsovereenkomst.

K

1a.2

De kandidaat kan onderscheiden of een verzekering voldoet aan de definitie van een schadeverzekering of van een sommenverzekering.

B

1a.3

De kandidaat kan beoordelen of een schadeverzekering voldoet aan de definitie van een persoonsverzekering.

B

1a.4

De kandidaat kan omschrijven wat de gevolgen zijn van het niet tijdig betalen van de eerste premie en de vervolgpremie van een schadeverzekering, nadat de verzekeringnemer een aanmaning heeft ontvangen.

B

1a.5

De kandidaat kan uitleggen of er dekking is op een verzekering voor een schade door aard en gebrek, opzet en roekeloosheid

B

1a.6

De kandidaat kan uitleggen of en op welke wijze er aan de klant voorlopige dekking kan worden toegezegd.

B

1a.7

De kandidaat kan opsommen in welke gevallen er bij een verzekering al dan niet in strijd gehandeld wordt met het indemniteitsbeginsel.

K

1a.8

De kandidaat kan uitleggen welke feiten op grond van de mededelingsplicht bij een aanvraag van een schadeverzekering meegedeeld moeten worden en wat de gevolgen zijn van het niet mededelen van deze feiten.

B

1a.9

De kandidaat kan benoemen in welke gevallen een schadeverzekering opzegbaar is en welke opzegtermijn er in een bepaald geval in acht dient te worden genomen.

K

1a.10

De kandidaat kan de meest voorkomende relevante richtlijnen opsommen, o.m. Letselschaderichtlijnen, Richtlijn Waardevermindering en het Fraudeprotocol.

K

1a.11

De kandidaat kan de meest voorkomende relevante gedragscodes opsommen, o.m. Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen particuliere schade- en inkomensverzekeringen en Gedragscode Letselschade.

K

1a.12

De kandidaat kan de meest voorkomende relevante convenanten opsommen, o.m. Kwaliteitscode Rechtsbijstand.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2a

De persoon beschikt over het vermogen om mondeling en schriftelijk te communiceren.

2a.1 Gestructureerd interviewen.

De kandidaat werkt gestructureerd en is onbevooroordeeld. Interviewtechniek en vraagpunten van het onderzoek zijn goed uitgewerkt en worden goed uitgevoerd. De kandidaat stelt de juiste en relevante vragen. De interviewtechniek is gebaseerd op de onderdelen: luisteren, doorvragen, confronteren en inleven in de klant

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

Kandidaat interviewt klant in verschillende levensfasen en met betrekking tot verschillende gebeurtenissen.

2a.2 Mondeling communiceren.

De relevante informatie en de persoonlijke toelichting zijn correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

2a.3 Formulieren en offertes invullen, aanvragen, controleren en indienen.

De kandidaat werkt gestructureerd en is alert op fouten. De aanvraag wordt op de correcte wijze ingediend.

 

2a.4 De documenten zoals formulieren en offertes uitleggen.

De informatie is correct, duidelijk en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

 

2a.5 Schriftelijk communiceren.

De informatie is correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant. Document kent een heldere structuur en goede opbouw. Kandidaat gebruikt tekeningen/grafische voorstellingen.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

Demonstreert hoe hij de communicatie aanpast naar de verschillende belanghebbenden.

Professioneel gedrag

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 4a

De persoon beschikt over het vermogen om de volgende dilemma’s op het gebied van integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken, alsmede de keuzes af te wegen en te verantwoorden:

• fraudesignalen onderkennen en daarop handelen;

• integer omgaan met de klantgegevens;

• doorverwijzen.

4a.1 Fraudesignalen onderkennen en daarop handelen.

De kandidaat beoordeelt documenten op echtheid.

De kandidaat geeft op adequate wijze opvolging aan een fraudesignaal.

Bijvoorbeeld: het dilemma van financiële dienstverlener die inventariseert, en bemerkt dat de aanvraag niet strookt met de waarheid.

4a.2 Integer omgaan met de klantgegevens.

De kandidaat gaat integer met de klantgegevens om.

Respecteert privacy en patiëntenrechten (o.a. WBGO, WMK, WBP).

Waarborgt dat interne automatisering goed beveiligd en reproduceerbaar is in geval van calamiteiten. Borgt dat gebruikers systeem middels een rollen en rechtensysteem alleen die gegevens kunnen raadplegen die passen bij de functie.

4a.3 Doorverwijzen naar anderen.

De kandidaat onderkent tijdig tekortkomingen bij zichzelf op het gebied van deskundigheid.

De kandidaat kent de grenzen van zijn kennen en kunnen en verwijst door als bepaalde vraagstukken beter beantwoord kunnen worden door collega’s of derden.

 

Taak 1 Inventariseren van de gegevens van de klant

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1b

De persoon baseert zijn inventarisatie met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor particulieren

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor particulieren; en

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor particulieren

op actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving.

1b.1

De kandidaat kan de relevante wettelijke regels inzake handelingsbekwaamheid, toestemmingsvereiste en onderbewindstelling uitleggen.

B

1b.2

De kandidaat kan passende preventiemaatregelen bij de verschillende risico’s selecteren.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2b

De persoon beschikt over het vermogen om de benodigde informatie met betrekking tot de inventarisatie te verzamelen.

2b.1 Gegevens verzamelen.

Kandidaat bevraagt de klant gestructureerd en onbevooroordeeld.

Alle relevante gegevens voor het klantprofiel worden verzameld. Als gegevens ontbreken of onduidelijk zijn, vraagt de kandidaat door.

Kandidaat controleert of hij de juiste persoon voor zich heeft en of de klant beschikkingsbevoegd en/of handelingsbekwaam is.

Kandidaat kan de klant begrijpelijk uitleggen waarom de gegevens nodig zijn.

Kandidaat gaat integer met de klantgegevens om.

2b.2 De genomen preventiemaatregelen inventariseren.

Kandidaat inventariseert alle genomen preventiemaatregelen. De kandidaat legt uit, indien nodig, in welke omstandigheden preventieve maatregelen wenselijk, effectief of zelfs verplicht zijn. De kandidaat overtuigt de klant van de voordelen van preventie.

De klant begrijpt de omstandigheden of de preventiemaatregelen niet.

2b.3 De gegevens controleren en invoeren.

De kandidaat controleert de van de klant verkregen informatie op juistheid, volledigheid en tegenstrijdigheden.

De kandidaat gebruikt de juiste ICT toepassing en controleert zoveel mogelijk het systeemantwoord op bijzondere, opvallende en/of afwijkende uitkomsten.

De kandidaat heeft uiteindelijk goed inzicht in de gestelde wensen, eisen en prioriteiten en alle benodigde gegevens voor het geven van een juist en passend advies.

 
Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3a

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de gegevens voor het klantprofiel kan inventariseren en het klantprofiel correct kan opstellen.

3a.1 De gegevens voor het klantprofiel inventariseren.

Klantgesprek.

De gegevens zijn administratief volledig en in één keer goed.

De genomen preventiemaatregelen zijn goed geïnventariseerd.

Het schadeverleden van de klant is goed uitgewerkt, zodat een adequaat schadebeeld ontstaat.

De kandidaat vraagt door in bijzondere situaties en wanneer klantgegevens onvolledig of mogelijk onjuist zijn, zodat hij/zij een passende dekking kan adviseren. Bijvoorbeeld voor niet-ingezetene of Nederlander die langdurig in buitenland woont en/of werkt.

De kandidaat vraagt in het geval van verkeersobjecten door naar de specifieke kenmerken.

Vermeldt de klant alle zaken of laat hij informatie achter, omdat hij bang is dat die leidt tot afwijkende voorwaarden of afwijzing?

Wat doe ik als de opgave of aanvraag niet strookt met de waarheid?

Wat doe ik als de klant nonchalant of onwillig is?

3a.2 Het klantprofiel opstellen.

 

De kandidaat vraagt door als verschafte informatie tegenstrijdig of onvolledig is en de inventarisatie geen goed beeld oplevert.

Het klantprofiel is volledig (doelstelling, financiële positie, risicobereidheid, kennis) voor zover relevant voor het opstellen van een passend advies m.b.t. particuliere schadeverzekeringen.

Klant kan zich herkennen in het klantprofiel.

Levert de informatie een consistent beeld van het risico op?

Kan hij de uitkomsten van de inventarisatie verantwoorden.

Taak 2 Het opstellen van een risicoanalyse ten behoeve van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1c

De persoon baseert de risicoanalyse met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor particulieren,

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor particulieren, en

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor particulieren

op actuele kennis van verzekeringstechnische risicoanalyse van particuliere huishoudens.

ALGEMEEN

 

1c.1

De kandidaat kan onderscheiden de materiële risico’s die hij loopt evenals de risico’s ten aanzien van vermogen en een ongeval.

B

1c.2

De kandidaat kan de namen noemen van de in het verzekeringsbedrijf meest gebruikelijke verzekeringsvormen die de verschillende risico’s (deels) afdekken.

K

1c.3

De kandidaat kan uitleggen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van verzekeringen kunnen worden geschaard.

B

1c.4

De kandidaat kan het belang kort uitleggen van de dekking en de eventuele verschillen daartussen van de in het verzekeringsbedrijf meest gebruikelijke verzekeringen voor de specifieke situatie van de klant.

B

1c.5

De kandidaat kan de volgende verzekeringstechnische begrippen definiëren: inboedel, opstal, motorrijtuig, verzekerden, alles tenzij dekking, negatieve- en positieve dekkingsomschrijving, bepalingen dwingend- en aanvullend recht kwalitatieve aansprakelijkheid, vermoeden van schuld.

K

RUBRIEK A MATERIËLE SCHADEVERZEKERINGEN

 

1c.6

De kandidaat kan bij materiële verzekeringen onderscheiden: de risico’s met betrekking tot het object zelf en de aansprakelijkheidsrisico’s die de objecten met zich meebrengen.

B

1c.7

De kandidaat kan in hoofdlijnen het verschil in dekking omschrijven tussen verzekeringen die betrekking hebben op hetzelfde risico-object.(samenloop en oneigenlijke samenloop).

K

ONDERDEEL A1 BEZIT

 

1c.8

De kandidaat kan voorbeelden opsommen van de risico’s rond bezit die te maken hebben met tijdelijk stallen van inboedel elders.

K

1c.9

De kandidaat kan de dekkingsgevolgen beschrijven bij verbouwing van een gebouw.

K

ONDERDEEL A3 TRANSPORT

 

1c.10

De kandidaat kan de specifieke risico’s en dekkingen die te maken hebben met pleziervaartuigen benoemen, zoals beperkte dekking AVP voor pleziervaartuigen, bijzondere aansprakelijkheid internationale wateren, vaargebied, vaarbewijs, uitsluitingen (osmose e.d.).

K

RUBRIEK B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL B1 AANSPRAKELIJKHEID

 

1c.11

De kandidaat kan de aansprakelijkheidsrisico’s onderscheiden ingeval de klant huurder van een opstal is.

B

1c.12

De kandidaat kan de aansprakelijkheidsrisico’s onderscheiden ingeval de klant een vergunning op basis van de Flora- en faunawet beoogt.

B

RUBRIEK C ZORG- EN ONGEVALLEN

 

ONDERDEEL C1 ZORG

 

1c.13

De kandidaat kan de namen noemen van de in het verzekeringsbedrijf gebruikelijke (verplichte) verzekeringsvormen die ziektekostenrisico’s (deels) afdekken.

K

1c.14

De kandidaat kan kort het belang voor de klant van de aanvullende zorgverzekering benoemen.

B

1c.15

De kandidaat kan in een specifieke situatie afwijkende risico’s en/of risicoverzwarende factoren voor de aanvullende zorgverzekering benoemen.

B

1c.16

De kandidaat kan het verschil uitleggen tussen een natura- en een restitutiepolis.

B

1c.17

De kandidaat kan uitleggen wat het belang is van de eventuele gegevens die worden opgevraagd voor de beoordeling van het ter verzekering aangeboden risico voor een aanvullende zorgverzekering.

B

RUBRIEK C2 ONGEVALLEN

 

1c.18

De kandidaat kan de verschijningsvormen van de ongevallenverzekering en de dekkingsrubrieken omschrijven.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2c

De persoon beschikt over het vermogen om de risico’s te analyseren en te beoordelen.

2c.1 Beoordelen welke risico’s moeten worden afgedekt door een verzekeringsoplossing.

De analyse is volledig en uitputtend.

Op basis van de risicobereidheid van de klant maakt de adviseur een keuze uit verschillende risicomitigerende oplossingen (volledig verzekeren, deels verzekeren met eigen risico, risico zelf dragen, risicoreductie door preventieve maatregelen).

2c.2 Beoordelen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van materiële verzekeringen kunnen worden geschaard.

De klant begrijpt o.b.v. uitleg kandidaat waarop een bepaalde verstrekking wel of juist niet onder een (aanvullende) verzekering valt.

De kandidaat kan de mogelijke gevolgen van een afwijkend risico en/of risicoverzwarende factor voor het acceptatietraject aan de klant duidelijk maken.

 

2c.3 Beoordelen welke risico’s kunnen worden afgedekt door een ongevallenverzekering, inclusief alle aanvullende dekkingen.

De kandidaat benoemt de juiste risico’s.

De klant begrijpt o.b.v. uitleg van kandidaat welke verzekerde rubrieken onder de ongevallenverzekering vallen.

Aan de klant kan uitgelegd worden dat een ongevallenverzekering uitkeert als het verzekerde evenement zich voordoet, zonder naar de schuldvraag te kijken. Een jarenlange schuldvraagdiscussie wordt vermeden.

2c.4 Beoordelen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van aansprakelijkheid- of rechtsbijstandsverzekeringen kunnen worden geschaard, inclusief alle subdekkingen.

De kandidaat kan onderscheid maken in risico’s die betrekking hebben op zaken of belangen die kunnen worden afgedekt door een aansprakelijkheid- of rechtsbijstandverzekering.

 

Eindterm 2d

De persoon beschikt over het vermogen om relevante en benodigde preventiemaatregelen te analyseren en te beoordelen en de mogelijke preventiemaatregelen te verduidelijken.

2d.1 De genomen preventiemaatregelen analyseren.

De kandidaat overtuigt de klant van de voordelen van preventie.

De klant begrijpt de context of begrijpt de preventiemaatregelen niet.

2d.2 Voor een risico beoordelen welke maatregelen het meest zinvol zijn ter voorkoming of beperking van schade.

De kandidaat analyseert de meest passende preventiemaatregelen ter voorkoming of beperking van schade bij de klant.

Aan de hand van een gegeven overzicht met mogelijke preventiemaatregelen.

Competenties

Competentie (C)

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3b

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het analysetraject met betrekking tot particuliere schadeverzekeringen correct kan uitvoeren.

3b.1 Risico analyse opstellen.

Op basis van een volledige inventarisatie.

Risicoanalyse is correct.

De risicoanalyse doet recht aan de uitgangspunten en doelstellingen van de klant en de klant herkent zich erin.

Begrijpt klant de analyse?

Herkent klant de analyse?

Hoe word je daarvan overtuigd?

Taak 3 Adviseren (en eventueel bemiddelen) van een passende oplossing, zowel financieel als organisatorisch

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm1d

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor particulieren

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor particulieren; en

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor particulieren

op grondige en actuele kennis van de particuliere schadeverzekeringsproducten.

ALGEMEEN

1d.1

De kandidaat kan de meest gangbare verzekeringsbegrippen aan de klant uitleggen waaronder: premier risque, opzet, cautie en fundamenten, verzekerd bedrag en waardebepaling.

B

1d.2

De kandidaat kan voor eenvoudige schadegevallen de dekking op een verzekering omschrijven.

K

1d.3

De kandidaat kan in een casus uitleggen wanneer de dekking geheel of gedeeltelijk ontbreekt, een uitsluiting, franchise of eigen risico van toepassing is op een verzekering, en kan de mogelijke gevolgen voor de schadeafwikkeling aangeven.

B

1d.4

De kandidaat kan uitleggen hoe verzekerde bedragen worden vastgesteld, hoe verzekerde bedragen worden geïndexeerd, hoe waardemaatstaven worden omschreven en wat het indemniteitsbeginsel inhoudt.

B

1d.5

De kandidaat kan voorbeelden noemen van dezelfde dekkingen (eigenlijke en oneigenlijke samenloop) bij verschillende verzekeringen in het kader van samenloop.

K

RUBRIEK A MATERIËLE SCHADEVERZEKERINGEN

ONDERDEEL A1 BEZIT

 

1d.6

De kandidaat kan de begrippen onder- en oververzekering, zuivere en onzuivere premier risque en de concrete gevolgen daarvan voor de bezitsverzekering(en) omschrijven.

K

1d.7

De kandidaat kan de meest voorkomende alternatieve en/of aanvullende vormen van bezitsverzekeringen, zoals instrumentenverzekeringen, huisdieren, hobby- en sportuitrustingverzekeringen opsommen.

K

ONDERDEEL A2 VERKEER

 

1d.8

De kandidaat kan de waardemaatstaven omschrijven voor de verzekering en schadevergoeding van een motorrijtuig- of aanverwante verzekering.

K

1d.9

De kandidaat kan het belang uitleggen van het verzekeren van het juiste aantal zitplaatsen op een ongevallenverzekering voor in- of opzittenden.

B

1d.10

De kandidaat kan uitleggen hoe een verzekeraar gegevens over een motorrijtuig, de eigenaar en de verzekering daarvan kan verifiëren.

B

1d.11

De kandidaat kan de volgende begrippen omschrijven: bonus-malusregeling, royementsbrief en roy-data.

K

ONDERDEEL A3 TRANSPORT

 

1d.12

De kandidaat kan de meest gangbare begrippen uit pleziervaartuigenverzekeringen verklaren aan de klant waaronder: abandonnement, averij en averij-grosse.

B

RUBRIEK B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL B1 AANSPRAKELIJKHEID

 

1d.13

De kandidaat kan de volgende aansprakelijkheidsbegrippen omschrijven: contractuele aansprakelijkheid, wettelijke aansprakelijkheid, schuldaansprakelijkheid, risicoaansprakelijkheid.

K

1d.14

De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de reisverzekering aan sluit op de basis- of de aanvullende zorgverzekering.

B

ONDERDEEL B 2 RECHTSBIJSTAND

 

1d.15

De kandidaat kan de meeste gangbare begrippen uit rechtsbijstandverzekeringen aan de klant uitleggen, zoals borg, zekerheidsstelling en onvermogenheiddekking.

B

RUBRIEK C ZORG- EN ONGEVALLEN

 

ONDERDEEL C1 ZORG

 

1d.16

De kandidaat kan aan de klant uitleggen uit welke standaardcomponenten de premie op een basis- of aanvullende zorgverzekering bestaat.

B

1d.17

De kandidaat kan de verzekeringsmogelijkheden uitleggen met betrekking tot Nederlanders die wonen en werken in het buitenland en buitenlanders die wonen en werken in Nederland (expatriates, kenniswerkers, immigranten, asielzoekers).

B

1d.18

De kandidaat kan uitleggen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van zorgverzekeringen kunnen worden geschaard, inclusief alle aanvullende dekkingen, zoals onverzekerbare zorg uit AWBZ, bepaalde verstrekkingen via de WMO, eenvoudige extracties door kaakchirurg alleen vergoeding indien kind tot 18 jaar etc.

B

RUBRIEK C2 ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

1d.19

De kandidaat kan aangeven wat de gevolgen zijn als een verzekering voldoet aan de definitie van een persoonsverzekering.

B

1d.20

De kandidaat kan het begrip ongeval volgens polisvoorwaarden definiëren en voorbeelden geven van ongevallen.

K

1d.21

De kandidaat kan opnoemen wat ongevallenverzekeraars in de regel als maximum te verzekeren bedrag hanteren.

K

Eindterm 1e

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor particulieren

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor particulieren; en

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor particulieren

op actuele kennis van de processen bij schadeverzekeringen.

ALGEMEEN

1e.1

De kandidaat kan het volledige acceptatieproces beschrijven, inclusief de mogelijkheden van voorlopige dekking.

K

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL 1 ZORG

 

1e.2

De kandidaat kan de gevolgen van het politieke besluitvormingsproces voor de dekking en het eigen risico van het basispakket aangeven.

B

1e.3

De kandidaat kan het volledige acceptatieproces en de polisdekking uitleggen.

B

Eindterm 1f

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor particulieren

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor particulieren; en

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor particulieren

op grondige en actuele kennis van relevante wetgeving en jurisprudentie inzake schadeverzekeringen.

RUBRIEK A MATERIËLE BEZITSVERZEKERINGEN

1f.1

De kandidaat kan aan de klant de voordelen van een garantie tegen onderverzekering uitleggen.

B

ONDERDEEL A 2 VERKEER

1f.2

De kandidaat kan de relevante bepalingen uit de WAM uitleggen.

B

1f.3

De kandidaat kan aangeven wat artikel 185 WVW inhoudt.

K

1f.4

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen van artikel 185 WVW zijn voor de aansprakelijkheid van de eigenaar of houder van een motorrijtuig.

K

1f.5

De kandidaat kan het belang uitleggen van het verzekeren van het juiste aantal zitplaatsen op een ongevallenverzekering voor in- of opzittenden.

B

RUBRIEK B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

ONDERDEEL B1 AANSPRAKELIJKHEID

1f.6

De kandidaat kan de relevante wetsartikelen uit het BW uitleggen.

B

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLENVERZEKERING

ONDERDEEL C1 ZORG

1f.7

De kandidaat kan op hoofdlijnen aangeven welke samenhang er is tussen de verzekering van zorgrisico’s van de klant, de Zorgverzekeringswet, de AWBZ, de WMO en de (aanvullende) zorgverzekeringen.

B

1f.8

De kandidaat kan omschrijven wie de verzekerden zijn, welke (premiebetalings-)plichten zij hebben en welke dekking van de zorgrisico’s voortvloeit uit de Zorgverzekeringswet.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2e

De persoon beschikt over het vermogen om advisering te plannen, te sturen en tot een succes te brengen, waaronder:

• de premie te berekenen;

• de meest geschikte verzekeringsvormen en -voorwaarden te selecteren;

• de geselecteerde verzekeringsvormen, voorwaarden, premies en risico’s te vergelijken;

• de mogelijke risico’s en verzekeringsvormen en/of -dekkingen, uitsluitingen en beperkingen te verduidelijken;

• het adviestraject adequaat vast te leggen in het dossier.

2e.1 Informatie gebruiken die in de bedrijfstak beschikbaar is ter zake van protocollen, convenanten, bedrijfsregelingen en gedragscodes.

De kandidaat gebruikt de informatie op de juiste wijze.

Toepassing VRKI Woningen, Herbouwwaardemeter, Inboedelwaardemeter, etc.

2e.2 De premies van verzekeringen berekenen.

De kandidaat gebruikt de juiste gegevens, inclusief assurantiebelasting. De berekening is correct.

Gebruikt ICT-toepassingen als vergelijkingssoftware.

Kandidaat moet kunnen rekenen met een promillage/percentage, een vast bedrag in euro’s (per dag) of via inschaling in een tabel(lenstelsel).

2e.3 De acceptatiebeslissing (inclusief premievoorstel en eventuele beperkende voorwaarden) beoordelen.

De kandidaat beoordeelt of offerte aansluit op zijn (eerdere) inschatting van het ter verzekering aangeboden risico en kan de eventuele verschillen verklaren.

Ingeval bijzonder schadeverleden, gezinssituaties en/of hobby’s.

2e.4 De verzekeringsvormen selecteren die voor de klant onacceptabele risico’s (deels) kunnen afdekken.

De kandidaat selecteert de verzekeringsvormen op grond van de risico’s die zijn geïnventariseerd.

De kandidaat vertaalt de risico’s naar mogelijke verzekeringsvormen die de risico’s (deels) mitigeren.

Aan de (eind-)klant moet een passende verzekeringsoplossing worden geboden.

2e.5 Risicogebeurtenissen beoordelen die niet onder de dekking van een standaard verzekering vallen en een maatwerkoplossing voor de (eind-)klant vereisen.

De kandidaat biedt de passende dekking aan en bepaalt welke uitzonderingen op welke wijze alsnog onder de dekking gebracht kunnen worden.

 

2e.6 Inschatten welke van de geselecteerde verzekeringsvoor-waarden het beste aansluiten op de specifieke verzekeringsbehoefte en -wensen van de klant.

De dekking is passend in de specifieke situatie van de klant.

Maakt voor afwijkende risico’s al dan niet in overleg met maatschappij een passende offerte met maatwerkclausules en/of eigen risico’s en/of uitsluitingen (normaliseert risico’s).

Spanningsveld tussen beste dekking en hoge premie versus beschikbaar budget van klant.

2e.7 Beoordelen of de motorrijtuigrisico’s van de klant, door de advisering van een of meer motorrijtuig- of aanverwante verzekeringen adequaat worden afgedekt.

De kandidaat gaat uit van premiehoogte en de verzekeringsbehoefte en wensen van de klant.

Een voorzichtige klant met een hoge korting zal zijn auto langer AR verzekerd willen houden.

WA, WA Beperkt casco, WA + Casco en aanvullende dekkingen, bonus malus situaties, aantoonbaarheid schadevrije jaren, collectiviteiten, merkenpolis, taxatierapport, beveiligingsniveau, oldtimers/klassiekers en/of exclusieve (snelle) personenauto’s alles in ruime zin, al dan niet ondersteund door softwaretoepassingen.

2e.8 Beoordelen of de nieuwwaarde- en dagwaarderegeling, verzekeraarshulpdienst, de schadeherstelregeling en overige dekkingen op de motorrijtuigverzekering van toepassing zijn.

De kandidaat biedt transparantie voor de klant.

Schadesturing door verzekeraars, verlaagd eigen risico, gratis vervangende auto voor duur van reparatie.

2e.9 Op basis van voorbeelden uitleggen wat de voordelen en mogelijke gevolgen zijn van het verzekeren van meer risico’s op één polis.

De klant kan de juiste beslissing nemen: combineren of juist afzonderlijk verzekeren.

De kandidaat kan beargumenteren waarom een risico juist op een afzonderlijke polis verzekerd moet worden.

Dit is specifiek aan de orde bij bezits- en verkeersverzekeringen.

2e.10 Het belang aantonen van aansprakelijkheidsverzekering (inclusief eventuele jagersdekking) en rechtsbijstandverzekering in de specifieke situatie van de klant.

De voorbeelden en argumenten sluiten aan op achtergrond van de klant.

Jagersrisico, let op naturadekking bij rechtsbijstand, conflicten- en geschillenregeling rechtsbijstand, inloop- en uitlooprisico, carenztijd, smeulende conflicten.

2e.11 De polisdekking van de basis en aanvullende zorgverzekeringen toelichten.

Geeft op basis van de door de klant verstrekte informatie een passend advies voor het verzekeren van een basis en aanvullend zorgverzekering.

Acceptatieplicht bij basispakket.

Gezondheidswaarborgen, verplicht basispakket, marginale provisie voor distributiekanaal, collectieve markt, declaratiestromen, verplicht en vrijwillig eigen risico.

2e.12 Berekenen wat de consequenties zijn van het niet verzekerd zijn en het niet betalen van de premie voor de Zvw

De kandidaat rekent de premie en de extra premie correct uit, zodat direct inzichtelijk is wat de extra kosten zijn bij het niet betalen van de zorgverzekeringspremie.

 

2e.13 Beoordelen welke maatregelen het meest zinvol zijn om het welzijn en de gezondheid van de klant te bevorderen.

De kandidaat hanteert de meest passende maatregelen om het welzijn en de gezondheid van de klant te bevorderen.

Grenzen kennen, geen vooroordelen en vooringenomenheid en correcte bejegening klant, privacy respecteren.

Aan de hand van een gegeven overzicht met mogelijke maatregelen.

Oppassen met gezondheidswaarborgen bij oversluiten aanvullend pakket.

2e.14 Voor niet of moeilijk verzekerbare arbeidsongeschiktheidsrisico’s een passende oplossing adviseren in de vorm van een ongevallenverzekering.

Klant baseert behoefte op advies inkomensadviseur. Kandidaat werkt goed samen met inkomensadviseur.

De oplossing is passend.

Ingeval de klant onverzekerbaar is voor arbeidsongeschiktheidsrisico’s, de AOV te duur vindt, of een te zwaar medisch risico vormt.

In sommige gevallen is de klant doorverwezen door de inkomensadviseur.

2e.15 Voorbeelden schetsen van risico’s die samenhangen met ongevalsgevolgen.

De voorbeelden en argumenten sluiten aan op achtergrond van de klant.

Sommenverzekering, meer dekkingsmogelijkheden, meer polissen die zelfde risico dekken, werking Gliedertax, gezondheidswaarborgen.

2e.16 Bij een ongevallenverzekering de meest gangbare (dekkingsbeperkende) clausules en uitsluitingen toepassen alsmede fiscale gevolgen uitleggen.

De kandidaat is alert op afwijkende risico’s.

De oplossing is passend en afgestemd op de situatie van de klant.

Bijzonder beroep, extreme sporten, alcoholgebruik, opzet, bestaande gebreken, fiscale behandeling premie en uitkering.

2e.17 Het adviestraject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier.

Dossier bevat de juiste gegevens en deze zijn op een makkelijke manier terug te vinden.

Te beoordelen is of de advisering op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3c

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de klant zelfstandig, succesvol en correct kan adviseren inzake particuliere schadeverzekeringen, waarbij het belang van de klant centraal wordt gesteld.

3c.1 Een advies opstellen.

Niet altijd kan een standaardoplossing worden geboden.

De kandidaat formuleert zijn advies en motiveert dit.

Advies is op basis van de risicoanalyse en inclusief preventieadvies en verzekeringsoplossingen.

Kandidaat maakt, indien nodig, een juiste cijfermatige analyse, bijvoorbeeld bij het bepalen van de hoogte van verzekerd bedrag, (vervoerde) omzet of eigen risico.

Advies is passend en conform de polisvoorwaarden. De verzekeringen dekken de risico(’s) adequaat af en vullen elkaar aan, sluiten bij elkaar aan.

De kandidaat onderscheidt beperkingen en reikwijdte van de particuliere/zakelijke verzekeringen scherp.

Waar gaat particuliere hoedanigheid over in zakelijke hoedanigheid?

3c.2 Alternatieve verzekeringsoplossingen uitwerken bij afwijzing.

Bij afwijzing van het aangeboden risico door verzekeraars dan wel bij een mindere dekking dan gevraagd.

Idem 3b.1.

Verzekeringsmogelijkheden bij Rialto voor afwijkende risico’s, zoals extreem schadeverleden, problemen door betalingsmoraliteit, straatraces, praalwagens, evenementen e.d.

 

3c.3 Het advies presenteren.

Klantgesprek.

Verschillend begripsniveau van klanten.

De kandidaat bespreekt het advies en de motivering met de klant, waarbij hij de klant duidelijk maakt hoe het advies aansluit bij zijn profiel.

De kandidaat legt de offerte en eventuele afwijkende voorwaarden en/of premies duidelijk uit.

De kandidaat geeft passende voorbeelden bij voorwaarden van de gekozen verzekering. Het belang van de geadviseerde verzekeringen wordt de klant duidelijk.

Klant wordt overtuigd van de juistheid van de gekozen verzekering en accepteert gepresenteerde oplossing.

De kandidaat legt voor de klant begrijpelijk uit in welk geval een deskundigentaxatie zinvol is. Geeft de klant aan wat de verschillen zijn tussen de verschillende vormen van waardebepaling. Geeft voorbeelden aan de hand van een paar gefingeerde schadegevallen.

Klant begrijpt de risico’s van onderverzekering en dat oververzekering niet wenselijk is. Waarom en hoe verzekerde bedragen aangepast worden aan prijsontwikkelingen en welke consequenties dit mogelijk heeft voor de premie en dat een te hoge schade-uitkering wettelijk verboden is.

De kandidaat beantwoordt eventuele vragen van de klant. Geeft correcte en duidelijke uitleg.

De klant begrijpt o.b.v. uitleg van kandidaat waarom een bepaalde verstrekking wel of juist niet onder een verzekering valt.

Indien de klant het advies niet opvolgt, waarschuwt de kandidaat de klant voor de consequenties van het niet (geheel of gedeeltelijk) opvolgen van het advies.

Begrijpt de klant mij?

Volg ik niet uitsluitend de wens van de klant, maar geef ik daadwerkelijk advies op basis van mijn eigen inzicht en kunnen?

Heeft de klant nu goed inzicht in de financiële implicaties?

Taak 4 Beheren en actueel houden van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1g

De persoon baseert zijn werkzaamheden in het kader van het beheer en actueel houden van advies op grondige en actuele kennis van particuliere schadeverzekeringen.

ALGEMEEN

1g.1

De kandidaat kan bij wijziging uitleggen uit welke bestanddelen (inclusief kosten en eventuele assurantiebelasting) de door de klant te betalen premie voor een schadeverzekering bestaat.

B

RUBRIEK A MATERIËLE VERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL A1 BEZIT

 

1g.2

De kandidaat kan beschrijven in welke specifieke situaties het invullen van een nieuwe inboedelwaardemeter, inboedelinventarisatielijst of het uitbrengen van een taxatie zinvol is.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2f

De persoon beschikt over het vermogen om verzekeringsovereenkomsten te beheren en muteren door:

• het advies te wijzigen om aan te sluiten bij een gewijzigde situatie van de klant of gewijzigde wet- en/of regelgeving;

• de gewenste wijzigingen op een bestaande particuliere schadeverzekering te verzenden aan de verzekeraar en deze na acceptatie en ontvangst op juistheid te controleren en vast te leggen;

• de klant tijdig te informeren over (acceptatie-)beslissing van verzekeraars en deze als ook overige informatie vast te leggen;

• de polisdocumenten en overige informatie tijdens de lopende verzekeringsperiode op juistheid te controleren, ter beschikking stellen aan de klant en vast te leggen;

• het beheertraject op een adequate wijze vast te leggen in het klantdossier.

2f.1 Beoordelen of er bepaalde relevante zaken zijn veranderd of binnenkort gaan veranderen bij de klant.

De kandidaat weet dat de situatie van de klant gewijzigd is.

Dit is een cruciaal onderdeel van beheer, waar men alleen achter komt door vragen, bestuderen van websites, advertenties etc. en door deze te vergelijken met de informatie uit het eerste advies.

2f.2 Beoordelen of de acceptatiebeslissing m.b.t een lopende polis aansluit op zijn (eerdere) inschatting van het ter verzekering aangeboden risico.

De klant heeft het aangeboden risico nu afgedekt.

De verzekering is op de juiste wijze in (voorlopige) dekking gegeven; en is bevestigd aan de verzekeraar en de verzekerde.

Bij afwijking dient de klant te worden geïnformeerd en moet nieuwe beoordeling van het risico plaatsvinden.

2f.3 De acceptatiebeslissing (inclusief premievoorstel en eventuele beperkende voorwaarden) beoordelen voor een bestaande schadeverzekering.

De klant begrijpt wat hij aangeboden krijgt.

Ook hier geldt de transparantie: als er een afwijking is, moet de adviseur er zeker van zijn dat de klant deze begrijpt en accepteert.

2f.4 Op basis van de oorspronkelijke premie en de gewijzigde premie de restitutie resp. suppletie als gevolg van een wijziging van een schadeverzekering (laten) berekenen.

De klant betaalt niet te veel.

De kandidaat kan de klant inzicht geven in de tariefstelling van verzekeraars.

Kandidaat moet gevolgen kunnen schetsen bij beëindiging verzekering, rekening houdend met uitloop en inloop.

2f.5 Adviseren over mogelijke vervolgstappen bij aanpassing door de verzekeraar van de premie en/of voorwaarden.

Het advies sluit aan bij de specifieke uitgangssituatie van de klant.

Dit is van toepassing op alle verzekeringen, maar relatief vaker bij zorgverzekeringen. Kandidaat kent de specifieke context daarvan.

Soms past de verzekeraar de dekking en bloc aan, soms is er een ‘aanwijzing’.

2f.6 De gegevens uitwisselen met verzekeraar en andere relevante partijen.

De gegevens worden op de juiste wijze aangeleverd, per datum verandering.

Het actueel houden van gegevens kan op vele manieren: op papier, via internet of direct in administratie van verzekeraar. Iedere vorm vergt andere inspanningen van klant en adviseur.

2f.7 Op basis van voorbeeld aantonen wat het belang voor de klant is om hem en de verzekeraar op de hoogte te stellen van mededelingen van de RDW over het niet-verzekerd zijn van een motorrijtuig.

De gevolgen van de wet- en regelgeving voor de dekking van de verzekering moeten duidelijk gemaakt worden aan de klant.

Dit is specifiek aan de orde bij verkeersverzekeringen.

2f.8 Het beheertraject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier.

Dossier bevat de juiste gegevens, die op een makkelijke manier terug te vinden zijn.

Te beoordelen is of het beheer op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

De Wet Bescherming Persoonsgegevens moet daarbij betrokken worden.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3d

De persoon demonstreert en bewijst dat hij het beheertraject met betrekking tot particuliere schadeverzekeringen van diverse omvang en complexiteit zelfstandig, succesvol en correct kan uitvoeren.

3d.1 Een verzekering beheren

Gedurende de looptijd van de verzekering. Soms zal er in het pakket geen wijziging nodig zijn, andere keren wel.

Wijzigingen in risico’s in levensloop van de klant, wijzigingen in de objecten, geldigheid deskundigen-taxaties.

Gebruik en blocbepaling door verzekeraar, premie aanpassing, eendimensionaal overstappen (alleen premie als ijkpunt).

De kandidaat voldoet aan de eisen m.b.t. zorgplicht in de Wft.

Kandidaat is proactief.

De kandidaat controleert de polis en eventuele overige bescheiden van een schadeverzekering of de gevolgen van een verandering van de situatie gedurende de looptijd, verandering van activiteiten of verandering van dekking juist verwerkt zijn.

De kandidaat gebruikt de juiste uitgangspunten en kan beoordelen of de gewijzigde gegevens in de polis en eventuele overige bescheiden van de verzekering juist zijn.

De klant heeft altijd de juiste dekking, betaalt de juiste premie en ontvangt bij schade een uitkering gebaseerd op de juiste gegevens.

De polis is (nog steeds) akkoord.

Is de dekking in de specifieke situatie van klant juist?

Juiste inschatting van het belang van de verzekering voor klant.

Zijn er betere alternatieven voor klant?

Doet het voorstel recht aan de situatie van de klant?

Reflectie over de juiste manier van actueel houden van de verzekering.

Weegt de inspanning op tegen het belang van de wijziging?

3d.2 Een verzekering actueel houden.

Veranderingen in situatie van klant kunnen tot een andere situatie leiden die andere eisen aan verzekering stelt.

Onbekendheid/onwetendheid bij klant.

Aanpassing wetgeving met directe gevolgen voor verzekering. Aanpassing als gevolg van een wijziging in de situatie van de klant.

De kandidaat gebruikt de juiste uitgangspunten en kan beoordelen of de gewijzigde gegevens in de polis en eventuele overige bescheiden van de verzekering juist zijn.

De klant heeft altijd de juiste dekking, betaalt de juiste premie en ontvangt bij schade een uitkering gebaseerd op de juiste gegevens.

Zijn de wijzigingen belangrijk genoeg om een aanpassing van de verzekering te rechtvaardigen?

Zou de klant zonder de doorgegeven wijziging niet goed verzekerd meer zijn?

3d.3 Een verzekering aanpassen.

Verandering van de situatie gedurende de looptijd, verandering van activiteiten of verandering van dekking.

De kandidaat past de verzekering op de juiste manier aan, zodat deze aansluit op de nieuwe situatie.

De kandidaat kan voor de specifieke situatie van de klant motiveren of en wanneer het oversluiten of beëindigen van een schadeverzekering zinvol is.

Klant heeft de juiste verzekering tegen de juiste premie.

Schetsen gevolgen van uitloop oude polis en inloop bij nieuwe polis.

Schetsen gevolgen van en-blocwijziging met beperking van de dekking.

Schetsen effecten van het doorvoeren van wijziging vanwege aangepaste wet- en regelgeving.

3d.4 De klant informeren over de wijzigingen.

Klantgesprek.

Voor een bestaande schadeverzekering.

Klant krijgt tijdig en duidelijk te horen wat het gevolg van een wijziging voor zijn verzekering is.

De klant begrijpt het belang van een voorgestelde wijziging van de verzekering.

Heb ik de gevolgen van verandering van de situatie gedurende de looptijd, verandering van activiteiten of verandering van dekking goed geschetst?

Taak 5 Begeleiden bij de schadebehandeling/claim

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1h

De persoon baseert zijn begeleiding bij de schadebehandeling/claim op grondige en actuele kennis over particuliere schadeverzekeringen.

ALGEMEEN

 

1h.1

De kandidaat kan uitleggen wat bij schade de mogelijke rol is van een (contra-)expert en arbiter en hoe de betaling van deze personen gewoonlijk is geregeld.

B

1h.2

De kandidaat kan voor een schade onder een schadeverzekering aangeven of een dekkingsbeperking of -uitsluiting van toepassing is.

B

1h.3

De kandidaat kan de principes omschrijven van een actief schaderegelingsbeleid bij een schade onder een schadeverzekering.

K

1h.4

De kandidaat kan de algemene verplichtingen van de klant uitleggen bij schade onder een schadeverzekering.

B

1h.5

De kandidaat kan bij samenloop aan de klant uitleggen bij welke verzekeraar de schade het beste geclaimd kan worden.

B

1h.6

De kandidaat kan uitleggen welke personen, bedrijven en instanties (kunnen) zijn betrokken bij het schadebehandelingsproces, inclusief de wijze van schadevaststelling na het ontstaan van de schade en ook de stappen in de schadebehandelingsprocedure beschrijven.

B

1h.7

De kandidaat kan de gevolgen uitleggen van een te laag verzekerde som, en onder- of oververzekering.

B

1h.8

De kandidaat kan uitleggen wat het belang is van de gegevens die worden opgevraagd voor de schademelding ondereen schadeverzekering.

B

1h.9

De kandidaat kan uitleggen welke mogelijkheden er zijn om bij een afwijzing van een schade een klacht in te dienen.

B

1h.10

De kandidaat kan de hoogte en samenstelling verklaren van een uitkering onder een schadeverzekering.

B

1h.11

De kandidaat kan de benodigde gegevens selecteren voor het melden van een schade onder een schadeverzekering en het belang daarvan aangeven.

B

1h.12

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen kunnen zijn voor de (hoogte van de) uitkering onder een schadeverzekering als er nog openstaande premies zijn.

B

1h.13

De kandidaat kan omschrijven wat de rechten en de plichten van een verzekerde en verzekeraar zijn bij schade.

B

1h.14

De kandidaat kan omschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van het niet tijdig melden van een schade.

B

1h.15

De kandidaat kan uitleggen wanneer, en in hoeverre, de verzekeraar maximaal verplicht is de gemaakte bereddingskosten te vergoeden.

B

1h.16

De kandidaat kan uitleggen waarom bepaalde kosten aanvullend kunnen worden vergoed.

B

RUBRIEK A MATERIËLE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL A 1 BEZIT

 

1h.17

De kandidaat kan uitleggen waarom en op welke wijze de verzekeraar een uitkeringscorrectie kan toepassen onder een bezitsverzekering, waarbij sprake is van een deskundigentaxatie.

B

1h.18

De kandidaat kan de overdekkingsregeling op de inboedelverzekering uitleggen.

B

1h.19

De kandidaat kan aan de klant de werking van de indexclausule bij schade onder een woonhuis- en inboedelverzekering uitleggen.

B

1h.20

De kandidaat kan aan de klant het belang van de keuzeclausule op een woonhuisverzekering uitleggen.

B

1h.21

De kandidaat kan aan de klant uitleggen wat onder salvage wordt verstaan en hoe de salvageprocedure verloopt.

B

ONDERDEEL A2 VERKEER

 

1h.22

De kandidaat kan voor een motorrijtuig- of aanverwante verzekering de stappen in de schadebehandelingsprocedure (inclusief de wijze van schadevaststelling) of een beroep op het Waarborgfonds Motorverkeer beschrijven.

K

1h.23

De kandidaat kan voor een specifieke situatie herkennen of is voldaan aan de basisvoorwaarden voor aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW en/of op grond van het Burgerlijk Wetboek.

K

1h.24

De kandidaat kan uitleggen in hoeverre de klant als (on)gemotoriseerde weggebruiker aansprakelijk kan zijn voor schade van een (on)gemotoriseerde medeweggebruiker.

B

RUBRIEK B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL B1 AANSPRAKELIJKHEID

 

1h.25

De kandidaat kan bij een vordering op een aansprakelijkheidsverzekering uitleggen welke (vorderingsgerechtigde) instanties een rol kunnen spelen bij de afwikkeling.

B

1h.26

De kandidaat kan aan de verzekerde op een aansprakelijkheidsverzekering uitleggen welke mogelijke vorderingen een of meer benadeelden hebben op grond van het algemene aansprakelijkheid- en schadevergoedingsrecht.

B

1h.27

De kandidaat kan aan de klant de gevolgen van onder- of oververzekering uitleggen bij aansprakelijkheidsverzekeringen.

B

1h.28

De kandidaat kan onderscheiden of er bij een eenvoudige vordering sprake is van persoonlijke, kwalitatieve of contractuele aansprakelijkheid van een van de verzekerden op een aansprakelijkheidsverzekering.

B

ONDERDEEL B2 RECHTSBIJSTAND

 

1h.29

De kandidaat kan bij een verschil van inzicht of een conflictsituatie onder de rechtsbijstandverzekering aan de klant uitleggen op welke wijze de in het verzekeringsbedrijf meest gebruikelijke polisvoorwaarden dit regelen en wat diens mogelijkheden zijn, rekening houdend met de voorwaarden, en gedrags- en kwaliteitscodes.

B

1h.30

De kandidaat kan uitleggen waarom een rechtsbijstandsverzekeraar in bepaalde gevallen geen rechtsbijstand verleent, maar de vordering rechtstreeks met de klant regelt.

B

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL C1 ZORG

 

1h.31

De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de reisverzekering aansluit op de basis- of aanvullende zorgverzekering.

B

1h.32

De kandidaat kan omschrijven in welke gevallen een verzekeraar bereid zal zijn de kosten van vaccinaties en andere preventieve behandelingen voor zijn rekening te nemen.

B

1h.33

De kandidaat kan met behulp van alle benodigde gegevens beoordelen of de door de verzekeraar vastgestelde vergoeding op een Zorgverzekeringswet en basis- of aanvullende zorgverzekering juist is, rekening houdend met eventuele dekkingsbeperkingen, eigen bijdragen en eigen risico’s.

B

1h.34

De kandidaat kan voor een Zorgverzekeringswet- of aanvullende zorgverzekering uitleggen op welke wijze de afwikkeling van de zorgnota’s en -vergoedingen plaatsvindt.

B

Vaaridigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2g

De persoon beschikt over het vermogen om een mogelijke aanspraak/vordering met betrekking tot particuliere schadeverzekeringen te behandelen door:

• in overleg met de klant op correcte wijze een melding te doen;

• een melding op juistheid te controleren en op correcte wijze de melding en overige informatie te verzenden aan de verzekeraar;

• een door de verzekeraar ingenomen standpunt te beoordelen;

• de klant te informeren over de mogelijke aanspraak op vergoeding en de benodigde gegevens te verwerken;

• indien nodig een deskundige in te schakelen;

• eventuele gedekte en niet-gedekte aanspraken uit te leggen/toe te lichten aan de klant;

• de klant hierover te adviseren en diens belangen te bewaken.

2g.1 De gegevens die nodig zijn voor de schadebehandeling interpreteren en verwerken.

De kandidaat bepaalt wanneer, en in hoeverre, de verzekeraar maximaal verplicht is de gemaakte bereddingskosten te vergoeden.

De kandidaat gebruikt de juiste gegevens.

Beoordeelt of de gegevens van de schadeaangifte op een schadeverzekering juist zijn ingevuld. Vergelijkt de gegevens met de informatie in het klantendossier.

Controleert of alle voor de schadebehandeling vereiste gegevens inclusief overige vereiste bescheiden aanwezig zijn om te worden verzonden aan de verzekeraar.

Informatie kan voor meerdere uitleg vatbaar of tegenstrijdig zijn.

Er kunnen specifiek eisen aan de informatie worden gesteld.

Er kunnen specifieke eisen worden gesteld aan de wijze en het tijdstip van aanlevering van gegevens.

2g.2 De juistheid van het standpunt van de verzekeraar beoordelen en de mogelijke hoogte en samenstelling van de schadevergoeding berekenen.

Berekent aan de hand van de beschikbare gegevens, op de juiste wijze de schadevergoeding.

Beoordeelt of er sprake is van over- of onderverzekering.

De kandidaat kan voor een schadeverzekering beargumenteren waarom en/of op welke punten de door de verzekeraar vastgestelde uitkering afwijkt van zijn eigen inschatting.

Schakelt zonodig deskundige in.

Voor een eenvoudige schade. Een adviseur moet snel duidelijkheid kunnen geven, ook verzekeraars maken fouten.

Laten blijken van de toegevoegde waarde van de adviseur.

2g.3 Verdedigen wanneer de principes van een actief schaderegelingsbeleid geweld wordt aangedaan bij een schade onder een schadeverzekering.

Klant begrijpt wat verzekeraar van hem mag verwachten in het schadeproces en wat de gevolgen zijn als hij niet meewerkt.

Voorkomen moet worden dat de schade groter wordt door gebrek aan of onvoldoende medewerking van de benadeelde.

2g.4 Bepalen welke aanvullende kosten vergoed kunnen worden.

Klant begrijpt welke mogelijkheden er zijn om aanvullende kosten vergoed te krijgen onder de schadeverzekering(en).

Inzet vergoedingen voor preventieve activiteiten.

2g.5 Met behulp van een oplossing het belang van aanlevering van de benodigde gegevens voor de schadeaangifte onder een schadeverzekering aantonen.

Klant begrijpt welke gegevens nodig zijn om de hoogte van een uitkering te kunnen bepalen en weet wanneer en op welke wijze gegevens moeten worden aangeleverd.

Uitleggen van de wijze waarop schade wordt berekend.

Uitleggen welke acties een maatschappij kan ondernemen.

Uitleggen wanneer een maatschappij in zijn belangen kan worden geschaad.

2g.6 Beoordelen welke maatregelen kunnen worden getroffen om een claim die onder een dekking van een schadeverzekering valt te kunnen beperken.

Kandidaat stelt de juiste risicobeheersing vast en initieert de juiste schadebeperkende en preventieve maatregelen.

Soms zal hierdoor een verzekeringsoplossing overbodig worden.

2g.7 Ingeval sprake is van een aansprakelijkheidsclaim analyseren wie de betrokken partijen zijn en in welke situatie sprake is van bijvoorbeeld persoonlijke, kwalitatieve of contractuele aansprakelijkheid.

Kandidaat geeft een duidelijke toelichting op de rollen en aansprakelijkheden van partijen die betrokken zijn bij een aansprakelijkheidsschade.

 

2g.8 Aantonen op welke wijze de vergoeding van een zorgverzekering plaatsvindt.

Houdt rekening met eventuele dekkingsbeperkingen, eigen bijdragen en eigen risico’s.

 

Eindterm 2h

De persoon beschikt over het vermogen om bij een mogelijke aanspraak/vordering het schadetraject vast te leggen in het dossier

2h.1 Informatie in het schadedossier opslaan.

Kandidaat slaat alle relevante informatie die wordt gebruikt in het schadebehandelingsproces op een goede manier in het dossier op.

Klant kan adviseur inzicht vragen in het dossier, zodat hij kan nakijken hoe het schadeproces is verlopen.

Het schadeproces moet reproduceerbaar zijn en daar is dit dossier voor nodig. Kandidaat moet kunnen uitleggen hoe tot bepaalde stappen is gekomen.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3e

De persoon demonstreert en bewijst dat hij het schadebehandelingstraject met betrekking tot particuliere schadeverzekeringen zelfstandig, succesvol en correct kan uitvoeren, ook in gevallen van belangentegenstellingen.

3e.1 De klant begeleiden bij het schadeproces.

Ingeval van schade.

Vaak is er geen ervaring en is het belang van de uitkering groot.

• Klant is goed geïnformeerd, onder andere over hoe de schadebehandelings-procedure werkt en de mate van dekking.

• De kandidaat legt de mogelijke maatregelen uit ter beperking van de schade (bereddingsplicht volgens BW, water weg (laten) pompen, luchten en heaters plaatsen bij waterschade, reconditioneringsbedrijf inschakelen, inboedelrestanten elders opslaan, noodglas laten aanbrengen etc.).

• De juiste stukken zijn op het juiste moment bij de juiste mensen.

• Kandidaat ziet toe dat de juiste deskundigen op het juiste moment worden ingeschakeld. De klant weet welke mogelijkheden er voor hem zijn bij de schadebepaling.

• Klant krijgt het juiste inzicht in de wijze waarop wordt bepaald of er recht op een uitkering is.

• Kandidaat handelt op de juiste wijze als verzekeraar beroep doet op de kleine lettertjes, of op de sociale wetten voor bonus malus, subsidies e.d. of regresrecht.

• Kandidaat handelt op de juiste wijze in geval van niet meewerken.

Begrijpt de klant de werkwijze?

Wordt de klant op een goede manier op de hoogte gehouden van de voortgang van het schadeproces?

Heeft klant het gevoel dat verzekeraar voldoende recht doet aan zijn situatie en dat ik aan zijn kant sta?

Betaalt klant niet te veel zelf?

Gedrags- en kwaliteitscodes geven raamwerk met mijlpalen in het proces.

Begrijpt klant de rol van de verschillende deskundigen?

Begrijpt klant de mogelijkheden om bij onenigheid over oordeel van een deskundige actie te ondernemen?

Wordt de uitkering tijdig en juist gedaan?

3e.2 Beoordelen of een schade onder de gesloten schadeverzekering valt.

Ingeval van schade.

• Kandidaat beoordeelt met behulp van de daarvoor benodigde gegevens op juiste wijze of:

– er dekking is voor een schade door aard en gebrek;

– of er sprake is van over- of onderverzekering;

– dekking of een dekkingsbeperking of uitsluiting van toepassing is;

– de schade (inclusief kosten) gedekt is;

– er sprake is van samenloop en wat de gevolgen daarvan zijn.

• De kandidaat bepaalt of de gegeven schade (inclusief kosten) gedekt is onder de schadeverzekering.

Heb ik inzicht in het beleid van verzekeraars?

Onderken ik de Regresmogelijk-heden?

3e.3 Beoordelen of een schade geclaimd kan worden onder de eigen polis en/of dat een verhaalsactie ingezet kan of moet worden.

Ingeval van schade bij verkeersverzekeringen.

• Kandidaat beoordeelt in geval van motorrijtuigenverzekeringen:

– of de klant als (on)gemotoriseerde weggebruiker aansprakelijk kan worden gesteld voor schade van een (on)gemotoriseerde medeweggebruiker;

– in hoeverre en hoe de klant zijn schade kan verhalen op de tegenpartij of het Waarborgfonds Motorverkeer;

– of er al dan niet sprake is van aansprakelijkheid van de klant of de tegenpartij op grond van artikel 185 WVW en/of het Burgerlijk Wetboek en/of de jurisprudentie.

• De kandidaat kan tegenover de verzekeraar verdedigen dat zijn klant in aanmerking komt voor toepassing van de regeling Schuldloze derde.

Begrijpt de klant de werking van art. 185 WVW?

Ken ik de aansprakelijkheidsregeling krachtens het BW en de rol van het Waarborgfonds?

Ken ik de meest gebruikte bedrijfsregelingen met betrekking tot autoschades?

3e.4 Op basis van een voorbeeld aantonen op welke wijze de vergoeding van een zorgverzekering is samen-gesteld.

Eenvoudige schade op een Zorgverzekeringswet basis- of aanvullende zorgverzekering.

• Aan de hand van alle benodigde gegevens.

• Houdt rekening met eventuele dekkingsbeperkingen, eigen bijdragen en eigen risico’s.

 

BIJLAGE 4 EINDTERMEN EN TOETSTERMEN MODULE SCHADEVERZEKERINGEN ZAKELIJK

Onder materiële schadeverzekeringen(rubriek A) worden de volgende zakelijke schadeverzekeringen verstaan:

  • 1. Bezit

    • Opstal

    • Inventaris

    • Goederen

    • Glas

    • Kostbaarheden

    • Geld en fraude

    • Computer/elektronica

    • Reis en annulering

    • Machinebreuk

    • Krediet

    • Hagelschade en (brede)weer

    • Paarden en vee

    • Agrarisch

    • Milieuschade

    • CAR/montage

  • 2. Verkeer

    • Motorrijtuigen

    • Motorrijtuigcasco

    • Motorrijtuigaansprakelijkheid

    • Verhaalsrechtsbijstand motorrijtuigen

    • Motorrijtuigrechtsbijstand

    • Schade voor inzittenden (svi)

    • Ongevallen in- of opzittenden

  • 3. Transport

    • Transport (goederen)

    • Molest

    • Verhuis

    • Landmateriaal/werkmaterieel

    • Vervoerdersaansprakelijkheid

Onder vermogensbeschermende schadeverzekeringen (rubriek B) dienen de volgende zakelijke schadeverzekeringen te worden verstaan:

  • 1. Aansprakelijkheid

    • Beroepsaansprakelijkheid

    • Bedrijfsaansprakelijkheid

    • Bestuurdersaansprakelijkheid

    • Garage

  • 2. Rechtsbijstand

    • Bedrijfsrechtsbijstand

    • Verhaalsrechtsbijstand

  • 3. Bedrijfsschade

    • Bedrijfsschade

    • Machinebreukbedrijfsschade

    • (Exploitatie-)kosten

    • Krediet

    • Reconstructie/extra kosten

Onder zorg- en ongevallenverzekeringen (rubriek C) dienen de volgende zakelijke schadeverzekeringen te worden verstaan:

  • 1. Zorg

    • Zorgverzekeringen

    • Collectieve (aanvullende) zorg

  • 2. Ongevallen

    • Collectieve ongevallen

Algemene kennis en vaardigheden

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1a

De persoon baseert zijn werkzaamheden met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant,

op actuele kennis van het verzekeringsrecht en de van toepassing zijnde richtlijnen, gedragscodes en convenanten.

1a.1

De kandidaat kan benoemen in welke gevallen een schadeverzekering opzegbaar is en welke opzegtermijn er in een bepaald geval in acht dient te worden genomen.

K

1a.2

De kandidaat kan de meest voorkomende relevante richtlijnen opsommen, o.m. Letselschaderichtlijnen, Brandregresregeling, Richtlijn Waardevermindering en Het Fraudeprotocol.

K

1a.3

De kandidaat kan de meest voorkomende relevante gedragscodes opsommen, o.m. Gedragscode geïnformeerde verlenging en contractstermijnen zakelijke schade en inkomensverzekeringen en Gedragscode Letselschade.

K

1a.4

De kandidaat kan de meest voorkomende relevante convenanten opsommen, o.m. Kwaliteitscode Rechtsbijstand en Convenant Criminaliteit Bouwlocaties.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2a

De persoon beschikt over het vermogen om mondeling en schriftelijk te communiceren.

2a.1 Gestructureerd interviewen.

De kandidaat werkt gestructureerd en is onbevooroordeeld. Interviewtechniek en vraagpunten van het onderzoek zijn goed uitgewerkt en worden goed uitgevoerd. De kandidaat stelt de juiste en relevante vragen. De interviewtechniek is gebaseerd op de onderdelen: luisteren, doorvragen, confronteren en inleven in de klant.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

Kandidaat interviewt klant in de diverse ontwikkelingsstadia van een onderneming en met betrekking tot verschillende gebeurtenissen.

2a.2 Mondeling communiceren.

De relevante informatie en de persoonlijke toelichting zijn correct, duidelijk, niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

2a.3 Formulieren en offertes invullen, aanvragen controleren en indienen.

De kandidaat werkt gestructureerd en is alert op fouten. De aanvraag wordt op de correcte wijze ingediend.

 

2a.4 De documenten zoals formulieren en offertes uitleggen.

De informatie is correct, duidelijk en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

 

2a.5 Schriftelijk communiceren.

De informatie is correct, duidelijk, niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant. Het document kent een heldere structuur en goede opbouw. Kandidaat gebruikt tekeningen/grafische voorstellingen.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

Demonstreert hoe hij de communicatie aanpast naar de verschillende belanghebbenden.

Professioneel gedrag

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 4a

De persoon beschikt over het vermogen om de volgende dilemma’s op het gebied van integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken, alsmede de keuzes af te wegen en te verantwoorden:

• fraudesignalen onderkennen en daarop handelen;

• integer omgaan met de klantgegevens;

• doorverwijzen.

4a.1 Fraudesignalen onderkennen en daarop handelen.

De kandidaat geeft op adequate wijze opvolging aan een fraudesignaal.

Bijvoorbeeld het dilemma van een financiële dienstverlener die bemiddelt en bemerkt dat de aanvraag niet strookt met de waarheid.

4a.2 Integer omgaan met de klantgegevens.

De kandidaat gaat integer met de klantgegevens om. Respecteert privacy en patiëntenrechten (o.m. WBGO, WMK, WBP).

Waarborgt dat interne automatisering goed beveiligd en reproduceerbaar is in geval van calamiteiten. Borgt dat gebruikers systeem middels een rollen- en rechtensysteem alleen die gegevens kunnen raadplegen die passen bij de functie.

4a.3 Doorverwijzen naar anderen.

De kandidaat onderkent tijdig tekortkomingen bij zichzelf op het gebied van deskundigheid.

De kandidaat kent de grenzen van zijn kennen en kunnen en verwijst door als bepaalde vraagstukken beter beantwoord kunnen worden door collega’s of derden.

 

Taak 1 Inventariseren van de gegevens van de klant

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1b

De persoon baseert de inventarisatie met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant,

op juridische en fiscale kennis met betrekking tot rechtspersonen en ondernemingsstructuren.

1b.1

De kandidaat kan de juridische structuur, bevoegdheden, organen en kenmerken van een eenmanszaak, vennootschap onder firma, maatschap, commanditaire vennootschap, stichting, vereniging, besloten vennootschap en naamloze vennootschap omschrijven.

K

1b.2

De kandidaat kan de betekenis van een overgang van onderneming beschrijven en kan benoemen welke rechten er bij een overgang van onderneming overgaan.

K

1b.3

De kandidaat kan in algemene zin passende preventiemaatregelen bij de verschillende risico’s benoemen.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2b

De persoon beschikt over het vermogen om de benodigde informatie met betrekking tot de inventarisatie te verzamelen.

2b.1 Gegevens verzamelen.

Kandidaat bevraagt de klant gestructureerd en onbevooroordeeld.

Alle relevante gegevens voor het klantprofiel worden verzameld. Als gegevens ontbreken of onduidelijk zijn, vraagt de kandidaat door.

Kandidaat controleert of hij de juiste persoon voor zich heeft en of de klant beschikkingsbevoegd en/of handelingsbekwaam is.

Kandidaat kan de klant begrijpelijk uitleggen waarom de gegevens nodig zijn.

Kandidaat gaat integer met de klantgegevens om.

2b.2 De genomen preventiemaatregelen inventariseren.

Kandidaat inventariseert alle genomen preventiemaatregelen.

De kandidaat legt, indien nodig, uit in welke omstandigheden preventieve maatregelen wenselijk, effectief of zelfs verplicht zijn.

De kandidaat overtuigt de klant van de voordelen van preventie.

De klant begrijpt de omstandigheden of de preventiemaatregelen niet.

2b.3 De gegevens controleren en in voeren.

De kandidaat controleert de van de klant verkregen informatie op juistheid, volledigheid en tegenstrijdigheden.

De kandidaat gebruikt de juiste ICT toepassing en controleert zoveel mogelijk het systeemantwoord op bijzondere, opvallende en/of afwijkende uitkomsten.

De kandidaat heeft uiteindelijk goed inzicht in de gestelde wensen, eisen en prioriteiten en alle benodigde gegevens voor het geven van een juist en passend advies.

 
Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3a

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de gegevens voor het klantprofiel kan inventariseren en het klantprofiel correct kan opstellen.

3a.1 Gegevens voor het klantprofiel inventariseren.

Klantgesprek.

De gegevens van de belangen, bezittingen en doelstellingen van de klant inventariseren.

De genomen preventiemaatregelen zijn goed geïnventariseerd.

Het schadeverleden van de klant is goed uitgewerkt, zodat een adequaat schadebeeld ontstaat.

De kandidaat vraagt door in bijzondere situaties en/of als klantgegevens onvolledig of mogelijk onjuist zijn, zodat hij/zij een passende dekking kan adviseren. Bijvoorbeeld voor niet-ingezetene of Nederlander die langdurig in buitenland woont en/of werkt.

In het geval van verkeersobjecten vraagt de kandidaat door naar de specifieke kenmerken.

Het aanvraagformulier is correct en naar waarheid ingevuld.

Vermeldt de klant alle zaken of laat hij informatie achterwege uit vrees voor afwijkende voorwaarden of afwijzing?

Wat doe ik als de opgegeven situatie niet strookt met de waarheid?

Wat doe ik als de klant nonchalant of onwillig is?

Wat voor soort wagenpark heeft de klant? Oldtimers, snelle personenauto’s, taxi’s rouw/trouwvervoer, koeriers, vrachtwagens, bestelauto’s.

3a.2 Het klantprofiel opstellen.

 

De kandidaat vraagt door als verschafte informatie tegenstrijdig of onvolledig is en de inventarisatie geen goed beeld oplevert.

Het klantprofiel is volledig (doelstelling, financiële positie, risicobereidheid, kennis) voorzover relevant voor het opstellen van een passend advies m.b.t. zakelijke schadeverzekeringen.

Klant kan zich herkennen in het klantprofiel.

Levert de informatie een consistent beeld van het risico op?

Kan de uitkomsten van de inventarisatie verantwoorden.

Taak 2 Het opstellen van een risicoanalyse ten behoeve van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1c

De persoon baseert de risicoanalyse met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant;

op grondige en actuele kennis van verzekeringstechnische risicoanalyse van bedrijven.

1c.1

De kandidaat kan in een casus de risico’s onderscheiden op het gebied van materiële bezittingen, vermogen en ongevallen.

B

1c.2

De kandidaat kan de namen noemen van de in het verzekeringsbedrijf meest gebruikelijke verzekeringsvormen die de verschillende risico’s (deels) afdekken.

K

1c.3

De kandidaat kan uitleggen welke zaken of belangen van de klant vallen onder de dekking van verzekeringen.

B

1c.4

De kandidaat kan kort uitleggen het belang van de dekking en de eventuele verschillen daartussen van de in het verzekeringsbedrijf meest gebruikelijke verzekeringen voor de specifieke situatie van de klant.

B

1c.5

De kandidaat kan in algemene zin passende preventiemaatregelen bij de verschillende risico’s benoemen.

K

1c.6

De kandidaat kan de preventiemaatregelen die passend zijn bij het specifieke risico benoemen en kan het belang om te voldoen aan de NEN -norm elektrische installaties, het bezit van een actuele risico-inventarisatie en -evaluatie en onderhoudscontracten beschrijven.

K

RUBRIEK A MATERIËLE SCHADEVERZEKERINGEN

 

1c.7

De kandidaat kan bij materiële schadeverzekeringen de risico’s met betrekking tot het object zelf en de aansprakelijkheidsrisico’s die de objecten met zich meebrengen onderscheiden.

B

1c.8

De kandidaat kan de begrippen inventaris, goederen en molest omschrijven.

K

1c.9

De kandidaat kan in hoofdlijnen het verschil in dekking omschrijven tussen verzekeringen die betrekking hebben op hetzelfde risico-object.

K

ONDERDEEL A1 BEZIT

 

1c.10

De kandidaat kan voorbeelden opsommen van risico’s m.b.t. bezittingen die te maken hebben met het tijdelijk stallen van inboedel elders, bijv., taxatie, kraken, leegstand, verkoop, bestemmingswijziging en het verzekerbaar belang aangeven.

K

1c.11

De kandidaat kan de dekkingsgevolgen beschrijven bij verbouwing van een gebouw.

K

ONDERDEEL A2 VERKEER

 

1c.12

De kandidaat kan voor de specifieke situatie van de klant en gezien zijn hoedanigheid de meest geschikte (collectieve) dekkingen onderscheiden.

B

ONDERDEEL A3 TRANSPORT

 

1c.13

De kandidaat kan voor de specifieke situatie van de klant de transportrisico’s onderscheiden.

B

1c.14

De kandidaat kan de in de transportsector gebruikelijke transportmiddelen en hun benamingen onderscheiden.

B

1c.15

De kandidaat kan op grond van de benoemde transportrisico’s van de klant de namen noemen van de in het verzekeringsbedrijf meest gebruikelijke verzekeringsvormen die deze transportrisico’s (deels) afdekken.

B

1c.16

De kandidaat kan op hoofdlijnen omschrijven wat de diverse leveringscondities regelen.

K

RUBRIEK B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL A1 AANSPRAKELIJKHEID

 

1c.17

De kandidaat kan voor de specifieke situatie van de klant en gezien zijn hoedanigheid de meest geschikte (collectieve) aansprakelijkheidsdekkingen onderscheiden

B

1c.18

De kandidaat kan de aansprakelijkheidsbeperkende of- vergrotende artikelen uit leverings-, diensten en contractvoorwaarden onderscheiden.

B

1c.19

De kandidaat kan het principe van de claims-madepolis uitleggen aan de klant aan de hand van relevante voorbeelden.

B

RUBRIEK C ZORG- & ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL C1 ZORG

 

1c.20

De kandidaat kan de namen noemen van de in het verzekeringsbedrijf gebruikelijke (verplichte) verzekeringsvormen die ziektekostenrisico’s (deels) afdekken.

K

1c.21

De kandidaat kan kort het belang voor de klant van de (collectieve) aanvullende zorgverzekering benoemen.

K

1c.22

De kandidaat kan in een specifieke situatie afwijkende risico’s en/of risicoverzwarende factoren voor de (aanvullende) zorgverzekering benoemen.

K

1c.23

De kandidaat kan uitleggen wat het belang is van de eventuele gegevens die worden opgevraagd voor de beoordeling van het ter verzekering aangeboden risico voor een aanvullende zorgverzekering.

B

ONDERDEEL C2 ONGEVALLEN

 

1c.24

De kandidaat kan de (verhoogde) ongevallen risico’s binnen het bedrijf of binnen bepaalde werknemersgroepen benoemen.

K

Eindterm 1d

De persoon baseert de risicoanalyse met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant;

op kennis van een aantal bedrijfseconomische en organisatorische informatiebronnen (balansanalyse, analyse resultatenrekening).

1d.1

De kandidaat kan ten behoeve van het advies aan de klant uit de diverse bedrijfseconomische en organisatorische informatiebronnen relevante informatie selecteren, zoals organogram, KvK-uittreksels, schadeverleden organisatie, legitimatie bestuurders, CAO, activa-administratie, personeelsreglement, ongevallenregister, fiscale en sociale aansluitnummers, jaarrekening (V&W rekening, balans) en (privé-) vermogen.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2c

De persoon beschikt over het vermogen om de zakelijke risico’s te analyseren en te beoordelen, mede door gebruik te maken van informatie uit de balans en het jaarverslag.

2c.1 Beoordelen welke risico’s moeten worden afgedekt door een verzekeringsoplossing.

De analyse is volledig en uitputtend.

Op basis van de risicobereidheid van de klant maakt de adviseur een keuze uit verschillende risicomitigerende oplossingen (volledig verzekeren, deels verzekeren met eigen risico, risico zelf dragen, risicoreductie door preventieve maatregelen.

2c.2 Beoordelen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van materiële verzekeringen kunnen worden geschaard, inclusief alle aanvullende dekkingen.

Juiste benoeming van de diverse (verzekerbare) belangen, zoals eigenaarsbelangen, huurdersbelang, belang derden, en vruchtgebruiker.

De kandidaat kan de mogelijke gevolgen schetsen van een afwijkend risico en/of risicoverzwarende factor voor het acceptatietraject.

 

2c.3 Het verzekerd belang bepalen waarbij gebruik wordt gemaakt van de informatie uit het jaarverslag, bestaande uit balans, resultatenrekening en toelichting.

Kandidaat gebruikt de noodzakelijke gegevens uit de balans en de resultatenrekening.

Kandidaat vraagt door als gegevens niet compleet of onjuist zijn.

Balansen kunnen complex zijn, meerdere vennootschappen omvatten, zijn al dan niet geconsolideerd.

2c.4 Beoordelen welke risico’s moeten worden afgedekt door een (collectieve) zorg- en ongevallenverzekering, inclusief alle aanvullende dekkingen.

De kandidaat benoemt de juiste risico’s.

De klant begrijpt op basis van uitleg kandidaat waarom een bepaalde verstrekking wel of juist niet onder de (aanvullende) zorgverzekering valt.

O.m. onverzekerbare zorg uit AWBZ, bepaalde verstrekkingen via de WMO.

2c.5 Beoordelen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van aansprakelijkheid- en rechtsbijstandverzekeringen kunnen worden geschaard, inclusief alle subdekkingen.

De kandidaat kan onderscheid maken in risico’s die betrekking hebben op zaken of belangen die kunnen worden afgedekt door een aansprakelijkheid- of rechtsbijstandverzekering.

 

2c.6 Beoordelen welke vervoercondities van toepassing zijn en in hoeverre de vervoerder aansprakelijk is.

De kandidaat bepaalt van in- en uitgaande goederenstromen op correcte wijze voor wiens rekening en risico de goederen vervoerd worden en welke vervoerscondities van toepassing zijn.

Mogelijke vervoerscondities: verpakkingswijze, middelen van vervoer, geconditioneerd vervoer, maximum per gelegenheid, vervoersomzet, retourzendingen.

2c.7 Beoordelen welke zaken of belangen van de klant onder de dekking van bedrijfsschadeverzekeringen kunnen worden geschaard, inclusief alle aanvullende dekkingen.

De kandidaat benoemt de juiste risico’s.

De klant begrijpt op basis van uitleg kandidaat waarom een bepaalde verstrekking wel of juist niet onder de (aanvullende) bedrijfsschadeverzekering valt.

Bedrijfsschadeverzekering (en) noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf.

Eindterm 2d

De persoon beschikt over het vermogen om relevante en benodigde preventiemaatregelen te analyseren en te beoordelen en de mogelijke preventiemaatregelen te verduidelijken.

2d.1 De genomen preventiemaatregelen analyseren.

De kandidaat overtuigt de klant van de voordelen van preventie.

De klant begrijpt de context of begrijpt de preventiemaatregelen niet.

2d.2 Voor een risico beoordelen welke maatregelen het meest zinvol zijn ter voorkoming of beperking van schade.

De kandidaat hanteert de meest passende preventiemaatregelen ter voorkoming of beperking van schade bij de klant.

Aan de hand van een gegeven overzicht met mogelijke preventiemaatregelen.

Heeft oog voor de meest zinvolle organisatorische en/of bouwkundige en/of technische preventiemaatregelen.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3b

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het analyse traject met betrekking tot zakelijke schadeverzekeringen correct kan uitvoeren.

3b.1.3 Risicoanalyse opstellen.

Op basis van de volledige inventarisatie.

Risicoanalyse is correct.

De risicoanalyse doet recht aan de uitgangspunten en doelstellingen van de klant, en de klant herkent zich erin.

Begrijpt klant de analyse?

Herkent klant de analyse?

Hoe word je daarvan overtuigd?

Taak 3 Adviseren (en eventueel bemiddelen) van een passende oplossing, zowel financieel als organisatorisch

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1e

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant;

op grondige en actuele kennis van de zakelijke schadeverzekeringsproducten.

ALGEMEEN

1e.1

De kandidaat kan voor eenvoudige schadegevallen de dekking van een verzekering omschrijven.

K

1e.2

De kandidaat kan in een casus uitleggen wanneer de dekking geheel of gedeeltelijk ontbreekt, een uitsluiting, franchise of eigen risico van toepassing is op een verzekering, en kan de mogelijke gevolgen voor de schadeafwikkeling aangeven.

B

1e.3

De kandidaat kan uitleggen hoe verzekerde bedragen worden vastgesteld en worden geïndexeerd, kan waardemaatstaven omschrijven en het indemniteitsbeginsel uitleggen.

B

1e.4

De kandidaat kan voorbeelden noemen van dezelfde dekkingen bij verschillende verzekeringen in het kader van samenloop.

K

1e.5

De kandidaat kan uitleggen uit welke bestanddelen (inclusief kosten en eventuele assurantiebelasting) de door de klant te betalen premie voor een schadeverzekering bestaat.

B

CATEGORIE A MATERIËLE SCHADEVERZEKERINGEN

ONDERDEEL A1. BEZIT

 

1e.6

De kandidaat kan de begrippen onder- en oververzekering en de concrete gevolgen daarvan voor de bezitsverzekering(en) omschrijven.

K

1e.7

De kandidaat kan voor de klant het principe van de premier-risquedekking aan de hand van voorbeelden uitleggen.

B

1e.8

De kandidaat kan uitleggen binnen welke termijn een annuleringsverzekering in principe moet zijn gesloten en welke verzekeringsmogelijkheden er zijn indien deze termijn wordt overschreden.

B

1e.9

De kandidaat kan de meest voorkomende alternatieve vormen van bezitsverzekeringen opsommen, zoals lichtreclameverzekering-, paarden- en veeverzekering, en instrumentenverzekering.

K

1e.10

De kandidaat kan de voor de geld- en fraudeverzekering gangbare begrippen uitleggen, zoals waarden, fraude, oplichting, verblijfs- en vervoersrisico, en omzetpolis.

B

ONDERDEEL A2 VERKEER

 

1e.11

De kandidaat kan de waardemaatstaven omschrijven voor de verzekering en schadevergoeding van een motorrijtuig- of aanverwante verzekering.

K

ONDERDEEL A3. TRANSPORT

 

1e.12

De kandidaat kan het doel van de recallverzekering uitleggen.

B

1e.13

De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de premie wordt verrekend bij de diverse goederencontractpolissen.

B

1e.14

De kandidaat kan de dekking omschrijven van de goederenclausules G 13, G 14 en M 3.

K

1e.15

De kandidaat kan kort het belang en het doel van de Nederlandse Beurs-Goederenpolis uitleggen.

B

1e.16

De kandidaat kan kort het belang en het doel van de Nederlandse Beurs-Polis voor Landmateriaal uitleggen.

B

CATEGORIE B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL B2 BEDRIJFSSCHADE

 

1e.17

De kandidaat kan de meest voorkomende verzekeringsvormen noemen die schade als gevolg van bedrijfsstagnatie dekken.

K

1e.18

De kandidaat kan uitleggen wat onder het verzekerbaar belang bij een bedrijfsschadeverzekering wordt verstaan.

B

1e.19

De kandidaat kan uitleggen met welke twee methodes het verzekerbaar belang voor een bedrijfsschadeverzekering kan worden berekend.

B

1e.20

De kandidaat kan het verschil tussen de verzekeringstermijn en de uitkeringstermijn op een bedrijfsschadeverzekering aangeven.

B

1e.21

De kandidaat kan de factoren benoemen die van invloed zijn op de duur van de uitkeringstermijn van een bedrijfsschadeverzekering.

K

1e.22

De kandidaat kan uitleggen hoe een kredietverzekering kan bijdragen aan het voorkomen van schade.

B

1e.23

De kandidaat kan voor de specifieke situatie van de klant voorbeelden opsommen van kosten die onder de reconstructiekosten vallen.

K

1e24

De kandidaat kan een definitie geven van het begrip verzekerd belang in het kader van een brandbedrijfsschadeverzekering en een extra-kostenverzekering.

K

1e.25

De kandidaat kan opsommen welke factoren van belang zijn bij het sluiten van een brandbedrijfsschade- en extra-kostenverzekering.

K

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL C 1 ZORG

K

1e.26

De kandidaat kan aan de klant uitleggen uit welke standaardcomponenten de premie op een (collectieve) basis- of aanvullende zorgverzekering bestaat.

B

1e.27

De kandidaat kan de collectieve verzekeringsmogelijkheden uitleggen van werknemers die wonen en werken in het buitenland en van buitenlandse werknemers die wonen en werken in Nederland (expatriates, kenniswerkers, woonland, werkland).

B

ONDERDEEL C2 ONGEVALLEN

 

1e.28

De kandidaat kan opnoemen welk maximum te verzekeren bedrag ongevallenverzekeraars in de regel hanteren.

K

Eindterm 1f

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant;

op grondige en actuele kennis van de processen bij zakelijke schadeverzekeringen.

ALGEMEEN

1f.1

De kandidaat kan het volledige acceptatieproces beschrijven inclusief de mogelijkheden van voorlopige dekking.

K

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL C1 ZORG

 

1f.2

De kandidaat kan de gevolgen van het politieke besluitvormingsproces voor de dekking en het eigen risico van het basispakket aangeven.

B

1f.3

De kandidaat kan het volledige acceptatieproces en de polisdekking uitleggen.

B

Eindterm 1g

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot

• materiële schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• vermogensbeschermende schadeverzekeringen voor de zakelijke klant;

• zorg- en ongevallenverzekeringen voor de zakelijke klant;

op grondige en actuele kennis van relevante wetgeving en jurisprudentie inzake zakelijke schadeverzekeringen.

CATEGORIE A MATERIËLE BEZITSVERZEKERINGEN

ONDERDEEL A 2 VERKEER

1g.1

De kandidaat kan de relevante bepalingen in de WAM uitleggen.

B

1g.2

De kandidaat kan het doel van de Wet Personenvervoer in relatie tot de WAM uitleggen.

B

CATEGORIE B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

ONDERDEEL B1 AANSPRAKELIJKHEID

1g.3

De kandidaat kan de relevante wetsartikelen in het BW uitleggen.

B

1g.4

De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de reisverzekering aansluit op de basis- of de aanvullende zorgverzekering.

B

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLEN

ONDERDEEL C1 ZORG

1g.4

De kandidaat kan op hoofdlijnen voor de verzekering van de zorgrisico’s van de klant aangeven welke samenhang er is tussen de Zorgverzekeringswet, AWBZ, WMO en (aanvullende) zorgverzekeringen.

B

1g.5

De kandidaat kan omschrijven wie verzekerden zijn, welke (premiebetalings-)plichten zij hebben en welke dekking van de zorgrisico’s voortvloeit uit de Zorgverzekeringswet.

K

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2e

De persoon beschikt over het vermogen om advisering te plannen, te sturen en tot een succes te brengen, waaronder:

• de premie te berekenen;

• de meest geschikte verzekeringsvoorwaarden te selecteren;

• de geselecteerde verzekeringsvoorwaarden, premies en risico’s te vergelijken;

• de mogelijke risico’s en verzekeringsvormen en/of -dekkingen, beperkingen en uitsluitingen te verduidelijken;

• het adviestraject adequaat vast te leggen in het dossier.

2e.1 Informatie die in de bedrijfstak beschikbaar is ter zake van protocollen, convenanten, bedrijfsregelingen en gedragscodes gebruiken.

De kandidaat gebruikt de informatie op de juiste wijze.

Toepassing VRKI Bedrijven.

2e.2 De premies van verzekeringen berekenen.

De kandidaat gebruikt de juiste gegevens, inclusief assurantiebelasting.

Kandidaat kan gebruikmaken van de informatie uit de balans en resultatenrekening.

De berekening is correct.

Gebruikt ICT-toepassingen, waaronder vergelijkingssoftware.

Kandidaat moet kunnen rekenen met een promillage/percentage, een vast bedrag in euro’s (per dag) of via inschaling in een tabel(lenstelsel).

2e.3 De acceptatiebeslissing (inclusief premievoorstel en eventuele beperkende voorwaarden) beoordelen.

De kandidaat beoordeelt of de offerte aansluit op zijn (eerdere) inschatting van het ter verzekering aangeboden risico en kan de eventuele verschillen verklaren.

Ingeval van bijzonder schadeverleden en bijzondere situaties.

2e.4 De verzekeringsvormen selecteren die voor de klant onacceptabele risico’s (deels) kunnen afdekken.

De kandidaat selecteert de verzekeringsvormen op grond van de risico’s die zijn geïnventariseerd.

De kandidaat vertaalt de risico’s naar mogelijke verzekeringsvormen die de risico’s (deels) mitigeren.

Aan de (eind-)klant moet een passende verzekeringsoplossing worden aangeboden.

2e.5 Risicogebeurtenissen beoordelen die niet onder de dekking van een standaardverzekering vallen en een maatwerkoplossing voor de (eind-)klant vereisen.

De kandidaat biedt de passende dekking aan en bepaalt welke uitzonderingen op welke wijze alsnog onder de dekking gebracht kunnen worden.

 

2e.6 Inschatten welke van de geselecteerde verzekeringsvoorwaarden het beste aansluiten op de specifieke verzekeringsbehoefte en -wensen van de klant.

De dekking is passend in de specifieke situatie van de klant.

Maakt voor afwijkende risico’s al dan niet in overleg met maatschappij een passende offerte met maatwerkclausules en/of eigen risico’s en/of uitsluitingen (normaliseert risico’s).

De kandidaat is in staat dekkingsbeperkingen en uitsluitingen uit te leggen op een voor de klant begrijpelijke manier.

Spanningsveld tussen prijs en prestatieverhouding, rating risicodrager, provinciale of beurspolis, coassurantie?

Brand/inbraak of uitgebreide dekking of een-alles-tenzij-dekking. Spanningsveld tussen beste dekking en hoge premie versus beschikbaar budget van klant.

2e.7 Beoordelen of de motorrijtuigrisico’s van de klant, uitgaande van diens verzekeringsbehoefte en -wensen, door de advisering van een of meerdere motorrijtuig- of aanverwante verzekeringen adequaat worden afgedekt.

Passende dekking gezien ouderdom en gebruik objecten.

WA, WA Minicasco, WA + Casco en aanvullende dekkingen, no-claimsituaties, aantoonbaarheid schadevrije jaren, collectiviteiten, merkenpolis, taxatierapport, beveiligingsniveau, oldtimers/klassiekers en/of exclusieve (snelle) personenauto’s, alles in ruimste zin, al dan niet ondersteund door softwaretoepassingen.

2e.8 Beoordelen of de nieuwwaarde- en dagwaarderegeling, verzekeraarshulpdienst, de schadeherstelregeling en overige dekkingen op de motorrijtuigverzekering van toepassing zijn.

De kandidaat kan transparantie bieden voor de klant.

Schadesturing door verzekeraars, verlaagd eigen risico, gratis vervangende auto voor duur reparatie.

2e.9 Op basis van voorbeelden uitleggen wat de voordelen en mogelijke gevolgen zijn van het verzekeren van meer risico’s op één polis.

De klant kan de juiste beslissing nemen: combineren of juist afzonderlijk verzekeren.

De kandidaat kan beargumenteren waarom een risico juist op een afzonderlijke polis verzekerd moet worden.

 

2e.10 Het belang aantonen van aansprakelijkheidsverzekering en rechtsbijstandverzekering in de specifieke situatie van de klant.

De voorbeelden en argumenten sluiten aan op achtergrond van de klant.

Let op naturadekking bij rechtsbijstand, conflicten- en geschillenregeling rechtsbijstand, inloop- en uitlooprisico, carenztijd, smeulende conflicten.

2e.11 De polisdekking van de (collectieve) basis en aanvullende zorgverzekeringen toelichten.

Geeft op basis van de door de klant verstrekte informatie een passend advies voor het verzekeren van een basis en aanvullend zorgverzekering.

Acceptatieplicht bij basispakket.

Gezondheidswaarborgen, verplicht basispakket, marginale provisie voor distributiekanaal, collectieve markt, declaratiestromen, verplicht en vrijwillig eigen risico.

2e.12 Beoordelen welke maatregelen het meest zinvol zijn om het welzijn en de gezondheid van de medewerkers te bevorderen.

De kandidaat kan op basis van een zorgkosten- analyse verzuim- en ongevalgegevens passende beheersingsmaatregelen te beoordelen voor te stellen

Aan de hand van een gegeven overzicht met mogelijke maatregelen.

Oppassen met gezondheidswaarborgen bij oversluiten aanvullend pakket.

Grenzen kennen, geen vooroordelen en vooringenomenheid en correcte bejegening klant, privacy respecteren.

2e.13 Voor niet of moeilijk verzekerbare arbeidsongeschiktheids-risico’s een passende oplossing adviseren in de vorm van een ongevallenverzekering.

Klant baseert behoefte op advies Inkomensadviseur. Kandidaat werkt goed samen met inkomensadviseur.

De oplossing is passend.

Ingeval de klant onverzekerbaar is voor arbeidsongeschiktheidsrisico’s, de klant vindt de AOV te duur of de klant vormt een te zwaar medisch risico.

In sommige gevallen is de klant doorverwezen door de inkomensadviseur.

Toelichting: termijnen voor vrijwillige voorzetting UWV en de Vangnet AOV zijn verlopen in combinatie met slechte gezondheid

2e.14 Voorbeelden schetsen van risico’s die samenhangen met ongevalsgevolgen.

De voorbeelden en argumenten sluiten aan op achtergrond van de klant.

Sommenverzekering, meer dekkingsmogelijkheden, meerpolissen die hetzelfde risico dekken, werking Gliedertax, gezondheidswaarborgen

2e.15 Bij een ongevallenverzekering de meest gangbare (dekkingsbeperkende) clausules en uitsluitingen toepassen alsmede de fiscale gevolgen uitleggen.

De kandidaat is alert op afwijkende risico’s

De oplossing is passend en afgestemd op de situatie van de klant.

Bijzonder beroep, extreme sporten, alcoholgebruik, opzet, bestaande gebreken, fiscale behandeling premie en uitkering.

2e.16 Beoordelen of de transportrisico’s worden afgedekt.

De eventuele transportrisico’s worden door het advies van een of meer transportverzekeringen adequaat gedekt.

Passende dekking zonder overlap van in- en uitgaande goederenstromen. Kandidaat gaat uit van de behoefte en wensen van de klant.

Intern transport, retourzendingen.

2e.17 Kort het belang van een aflopende transportverzekering uitleggen.

Belang is vertaald naar de specifieke situatie van de zakelijke klant.

Beperkte dekking op AVVV-voorwaarden bij verhuizing. Beperkte verblijfsdekking en tijdelijke verblijfsdekking elders.

2e.18 Het adviestraject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier.

Dossier bevat de juiste gegevens en deze zijn op een gemakkelijke manier terug te vinden.

Te beoordelen is of de advisering op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3c

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de klant zelfstandig, succesvol en correct kan adviseren inzake zakelijke schadeverzekeringen waarbij het belang van de klant centraal wordt gesteld.

3c.1 Een advies opstellen.

Niet altijd kan een standaardoplossing worden geboden.

Zakelijke klant kan variëren van een kleine ondernemer tot een multinational met meerdere vestigingen in meerdere landen en veel personeel.

De kandidaat formuleert zijn advies en motiveert dit.

Advies is op basis van de risicoanalyse en inclusief preventieadvies en verzekeringsoplossingen.

Kandidaat maakt indien nodig een juiste cijfermatige analyse, bijvoorbeeld bij het bepalen van de hoogte van verzekerd bedrag, (vervoerde) omzet of eigen risico.

Advies is passend en conform de polisvoorwaarden. De verzekeringen dekken de risico(’s) adequaat af, vullen elkaar aan, sluiten op elkaar aan.

De kandidaat onderscheidt scherp de beperkingen en reikwijdte van de particuliere/zakelijke verzekeringen.

Het advies sluit qua omvang en inhoud aan op de situatie van de klant; het uitwerkingsniveau past bij complexiteit van de onderneming.

Beoordeelt of in- of exclusief BTW verzekerd moet worden.

Waar gaat particuliere hoedanigheid over in zakelijke hoedanigheid?

3c.2 Alternatieve verzekeringsoplossingen uitwerken bij afwijzing.

Bij afwijzing van het aangeboden risico door verzekeraars dan wel bij een mindere dekking dan gevraagd.

Idem 3c.1

Bijvoorbeeld verzekeringsmogelijkheden bij Rialto voor afwijkende motorrijtuigenrisico’s zoals extreem schadeverleden, problemen door betalingsmoraliteit, straatraces, praalwagens, evenementen e.d.

 

3c.3 Het advies presenteren.

Klantgesprek.

Verschillend begripsniveau van klanten.

De kandidaat bespreekt het advies en de motivering met de klant, waarbij hij de klant duidelijk maakt hoe het advies aansluit bij zijn profiel.

Ingeval er meerdere verzekeringsvoorwaarden zijn geselecteerd, geeft de kandidaat de relevante verschillen aan. Kandidaat zet premieverschillen af tegen dekkingsverschillen.

De kandidaat legt de offerte en eventuele afwijkende voorwaarden en/of premies duidelijk uit.

De kandidaat geeft passende voorbeelden bij voorwaarden van de gekozen verzekering. Het belang van de geadviseerde verzekeringen wordt de klant duidelijk.

Klant wordt overtuigd van de juistheid van de gekozen verzekering en accepteert gepresenteerde oplossing.

De kandidaat legt voor de klant begrijpelijk uit in welk geval een deskundigentaxatie zinvol is. Geeft de klant aan wat de verschillen zijn tussen de verschillende vormen van waardebepaling. Geeft voorbeelden aan de hand van een paar gefingeerde schadegevallen.

Klant begrijpt de risico’s van onderverzekering en dat oververzekering niet wenselijk is. Hij/zij snapt waarom en hoe verzekerde bedragen aangepast worden aan prijsontwikkelingen en welke consequenties dit mogelijk heeft voor de premie, en dat een te hoge schade-uitkering wettelijk verboden is.

De kandidaat beantwoordt eventuele vragen van de klant. Geeft correcte en duidelijke uitleg.

De klant begrijpt p basis van uitleg kandidaat waarom een bepaalde verstrekking wel of juist niet onder een verzekering valt.

Indien de klant het advies niet opvolgt, waarschuwt de kandidaat de klant voor de consequenties van het niet (geheel of gedeeltelijk) opvolgen van het advies.

Begrijpt de klant mij?

Volg ik niet uitsluitend de wens van de klant, maar geef ik daadwerkelijk advies op basis van mijn eigen inzicht en kunnen?

Heeft de klant nu goed inzicht in de financiële implicaties?

Taak 4 Beheren en actueel houden van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1h

De persoon baseert zijn werkzaamheden in het kader van het beheer en actueel houden van advies op grondige en actuele kennis van zakelijke schadeverzekeringen.

ALGEMEEN

 

1h.1

De kandidaat kan beschrijven op welke wijze de te verzekeren waarde of belang kan worden vastgesteld.

B

1h.2

De kandidaat kan – bij wijziging – de acceptatiebeslissing (inclusief premievoorstel en eventuele beperkende voorwaarden) bij een schadeverzekering uitleggen.

B

1h.3

De kandidaat kan – bij wijziging – uitleggen uit welke bestanddelen (inclusief kosten en eventuele assurantiebelasting) de door de klant te betalen premie voor een schadeverzekering bestaat.

B

CATEGORIE A MATERIELE VERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL A 1. BEZIT

 

1h.4

De kandidaat kan beschrijven in welke specifieke situaties het uitbrengen van een taxatie zinvol is.

K

CATEGORIE C ONGEVALLEN

 

1h.5

De kandidaat kan met betrekking tot de collectieve ongevallenverzekering omschrijven welke gevolgen een verhoogde schadelast kan hebben op de premie en/of voorwaarden van de verzekering.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2f

De persoon beschikt over het vermogen om verzekeringsovereenkomsten te beheren en muteren door:

• het advies te wijzigen om aan te sluiten bij een gewijzigde situatie van de klant of gewijzigde wet- en/of regelgeving;

• de gewenste wijzigingen op een bestaande zakelijke schadeverzekering te verzenden aan de verzekeraar en deze na acceptatie en ontvangst op juistheid te controleren en vast te leggen;

• de klant tijdig te informeren over (acceptatie-)beslissingen van verzekeraars en deze als ook overige informatie vast te leggen;

• de polisdocumenten en overige informatie tijdens de lopende verzekeringsperiode op juistheid te controleren, ter beschikking stellen aan de klant en vast te leggen;

• het beheertraject op een adequate wijze vast te leggen in het klantdossier.

2f.1 Beoordelen of er bepaalde relevante zaken zijn veranderd of binnenkort gaan veranderen bij de klant.

De kandidaat weet dat de situatie van de klant gewijzigd is.

Dit is een cruciaal onderdeel van beheer, waar men alleen achter komt door vragen, bestuderen van websites, advertenties etc. en door deze te vergelijken met de informatie uit het eerste advies

2f.2 Beoordelen of de acceptatiebeslissing met betrekking tot een lopende polis aansluit op zijn (eerdere) inschatting van het ter verzekering aangeboden risico.

Voor de klant heeft het aangeboden risico nu afgedekt.

De verzekering is op de juiste wijze in (voorlopige) dekking gegeven; is bevestigd aan de verzekeraar en de verzekerde.

Bij afwijking dient de klant te worden geïnformeerd en moet nieuwe beoordeling van het risico plaatsvinden.

2f.3 De acceptatiebeslissing (inclusief premievoorstel en eventuele beperkende voorwaarden) beoordelen voor een bestaande schadeverzekering.

De klant begrijpt wat hij aangeboden krijgt.

Ook hier geldt de transparantie: als er een afwijking is, moet de adviseur er zeker van zijn dat de klant deze begrijpt en accepteert.

2f.4 Op basis van de oorspronkelijke premie en de gewijzigde premie de restitutie, respectievelijk suppletie als gevolg van een wijziging van een schadeverzekering (laten) berekenen.

De klant betaalt niet teveel.

De kandidaat kan de klant inzicht geven in de tariefstelling van verzekeraars.

Kandidaat moet gevolgen kunnen schetsen bij beëindiging van verzekering, rekening houdend met uitloop en inloop.

2f.5 Adviseren over mogelijke vervolgstappen bij aanpassing door de verzekeraar van de premie en/of voorwaarden.

Het advies sluit aan bij de specifieke uitgangssituatie van de klant.

Dit is van toepassing op alle verzekeringen, maar relatief vaker op zorgverzekeringen. Kandidaat kent de specifieke context daarvan.

Soms past de verzekeraar de dekking en bloc aan, soms is er een ‘aanwijzing’.

2f.6 De gegevens uitwisselen met verzekeraar en andere relevante partijen.

De gegevens worden op de juiste wijze aangeleverd, per datum verandering.

Het actueel houden van gegevens kan op vele manieren: op papier, via internet of direct in administratie van verzekeraar. Iedere vorm vergt andere inspanningen van klant en adviseur.

2f.7 Op basis van voorbeeld aantonen wat het belang van de klant is om hem en de verzekeraar op de hoogte te stellen van mededelingen van de RDW over het niet-verzekerd zijn van een motorrijtuig.

De gevolgen van de wet- en regelgeving voor de dekking van de verzekering moeten duidelijk gemaakt worden aan de klant.

 

2f.8 Het beheertraject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier.

Dossier bevat de juiste gegevens en deze zijn op een gemakkelijke manier terug te vinden.

Te beoordelen is of het beheer op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

De Wet Bescherming Persoonsgegevens moet daarbij betrokken worden.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3d

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het beheertraject met betrekking tot zakelijke schadeverzekeringen van diverse omvang en complexiteit zelfstandig, succesvol en correct kan voeren.

3d.1 Een verzekering beheren.

Gedurende de looptijd van de verzekering. Soms zal er in het pakket geen wijziging nodig zijn, andere keren wel.

Wijzigingen in risico’s, wijzigingen in de ontwikkelings-stadia van de onderneming van de klant, wijzigingen in de objecten, en geldigheid van deskundigen-taxaties.

Gebruik en-blocbepaling door verzekeraar, premieaanpassing, eendimensionaal overstappen (alleen premie als ijkpunt).

De kandidaat voldoet aan de eisen met betrekking tot zorgplicht in de Wft.

Kandidaat is proactief.

De kandidaat controleert de polis en eventuele overige bescheiden van een schadeverzekering of de gevolgen van een verandering van de situatie gedurende de looptijd, verandering van activiteiten of dekking juist verwerkt zijn.

De kandidaat gebruikt de juiste uitgangspunten en kan beoordelen of de gewijzigde gegevens in de polis en eventuele overige bescheiden van de verzekering juist zijn.

De klant heeft altijd de juiste dekking, betaalt de juiste premie en ontvangt bij schade een uitkering gebaseerd op de juiste gegevens.

De polis is (nog steeds) akkoord.

Is de dekking in de specifieke situatie van klant juist?

Juiste inschatting van het belang van de verzekering voor klant.

Zijn er betere alternatieven voor klant?

Doet het voorstel recht aan de situatie van de klant?

Reflectie over de juiste manier van actueel houden van de verzekering. Weegt de inspanning op tegen het belang van de wijziging?

3d.2 Een verzekering actueel houden.

Veranderingen in situatie van klant kunnen leiden tot een andere situatie die andere eisen aan verzekering stelt.

Onbekendheid/onwetendheid bij klant.

Aanpassing wetgeving met directe gevolgen voor verzekering. Aanpassing als gevolg van een wijziging in de situatie van de klant.

De kandidaat gebruikt de juiste uitgangspunten en kan beoordelen of de gewijzigde gegevens in de polis en eventuele overige bescheiden van de verzekering juist zijn.

De klant heeft altijd de juiste dekking, betaalt de juiste premie en ontvangt bij schade een uitkering gebaseerd op de juiste gegevens.

Zijn de wijzigingen belangrijk genoeg om een aanpassing van de verzekering te rechtvaardigen?

Zou de klant zonder de doorgegeven wijziging niet goed verzekerd meer zijn?

3d.3 Een verzekering aanpassen.

Verandering van de situatie gedurende de looptijd, verandering van activiteiten of verandering van dekking.

Faillissement en surseance.

De kandidaat past de verzekering op de juiste manier aan, zodat deze aansluit op de nieuwe situatie.

De kandidaat kan in een specifieke situatie van de klant motiveren of, en wanneer het oversluiten of beëindigen van een schadeverzekering zinvol is.

Klant heeft de juiste verzekering tegen de juiste premie.

Schetsen gevolgen van uitloop oude polis en inloop bij nieuwe polis.

Schetsen gevolgen van en-blocwijziging met beperking van de dekking.

Schetsen effecten van het doorvoeren van wijziging vanwege aangepaste wet- en regelgeving.

Schetsen van gevolgen van een veranderde situatie bij de eindklant.

3d.4 De klant informeren over de wijzigingen.

Klantgesprek.

Voor een bestaande schadeverzekering

Klant krijgt tijdig en duidelijk te horen wat het gevolg van een wijziging voor zijn verzekering is.

De klant begrijpt het belang van een voorgestelde wijziging van de verzekering.

Heb ik de gevolgen van verandering van de situatie gedurende de looptijd, verandering van activiteiten of verandering van dekking goed geschetst?

Taak 5 Begeleiden bij de schadebehandeling/claim

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1i

De persoon baseert zijn begeleiding bij de schadebehandeling/claim op grondige en actuele kennis over zakelijke schadeverzekeringen.

ALGEMEEN

 

1i.1

De kandidaat kan uitleggen wat bij schade de mogelijke rol is van een (contra-)expert en arbiter en hoe de betaling van deze personen gewoonlijk is geregeld.

B

1i.2

De kandidaat kan voor een schade onder een schadeverzekering aangeven of een dekkingsbeperking of -uitsluiting van toepassing is.

B

1i.3

De kandidaat kan de principes omschrijven van een actief schaderegelingsbeleid voor een schade onder een schadeverzekering.

K

1i.4

De kandidaat kan de algemene verplichtingen van de klant uitleggen bij schade onder een schadeverzekering.

B

1i.5

De kandidaat kan bij samenloop aan de klant uitleggen bij welke verzekeraar de schade het beste geclaimd kan worden.

B

1i.6

De kandidaat kan uitleggen welke personen, bedrijven en instanties (kunnen) zijn betrokken bij het schadebehandelingsproces, inclusief de wijze van schadevaststelling, en de vervolgstappen in de schadebehandelingsprocedure beschrijven.

B

1i.7

De kandidaat kan de gevolgen uitleggen van een te laag verzekerde som, en onder- of oververzekering.

B

1i.8

De kandidaat kan uitleggen wat het belang is van de gegevens die worden opgevraagd voor de schademelding onder een schadeverzekering.

B

1i.9

De kandidaat kan uitleggen welke mogelijkheden er zijn om bij een verschil van mening een klacht in te dienen.

B

1i.10

De kandidaat kan de hoogte en samenstelling verklaren van een uitkering onder een schadeverzekering.

B

1i.11

De kandidaat kan uitleggen wat de gevolgen kunnen zijn voor de hoogte van de uitkering onder een schadeverzekering als er nog openstaande premies zijn.

B

1i.12

De kandidaat kan omschrijven wat de gevolgen kunnen zijn van het niet tijdig melden van een schade.

B

1i.13

De kandidaat kan uitleggen wanneer en in hoeverre de verzekeraar verplicht is de gemaakte bereddingskosten te vergoeden.

B

1i.14

De kandidaat kan uitleggen waarom bepaalde kosten aanvullend kunnen worden vergoed.

B

CATEGORIE A MATERIELE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL A1 BEZIT

 

1i.15

De kandidaat kan uitleggen waarom en op welke wijze de verzekeraar een uitkeringscorrectie kan toepassen op een bezitsverzekering waarbij sprake is van een deskundigentaxatie.

B

1i.16

De kandidaat kan aan de klant de werking van de indexclausule bij schade onder een verzekering van een bedrijfsgebouw uitleggen.

B

1i.17

De kandidaat kan aan de klant het belang van de keuzeclausule op de verzekering van een bedrijfsgebouw uitleggen.

B

1i.18

De kandidaat kan aan de klant de voordelen van een garantie tegen onderverzekering uitleggen.

B

1i.19

De kandidaat kan aan de klant uitleggen wat onder salvage wordt verstaan en hoe de salvageprocedure verloopt.

B

ONDERDEEL A2 VERKEER

 

1i.20

De kandidaat kan voor een motorrijtuig- of aanverwante verzekering de stappen in de schadebehandelingsprocedure (inclusief de wijze van schadevaststelling) of een beroep op het Waarborgfonds Motorverkeer beschrijven.

K

1i.21

De kandidaat kan voor een specifieke situatie herkennen of is voldaan aan de basisvoorwaarden voor aansprakelijkheid op grond van artikel 185 WVW en/of op grond van het Burgerlijk Wetboek.

K

1i.22

De kandidaat kan bij samenloop tussen de eigen motorrijtuigcascoverzekering en de garageverzekering uitleggen bij welke verzekeraar het beste geclaimd kan worden.

B

CATEGORIE B VERMOGENSBESCHERMENDE SCHADEVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL B1 AANSPRAKELIJKHEID

 

1i.23

De kandidaat kan bij een vordering op een aansprakelijkheidsverzekering uitleggen welke (vorderingsgerechtigde) instanties een rol kunnen spelen bij de afwikkeling.

B

1i.24

De kandidaat kan aan de verzekerde op een aansprakelijkheidsverzekering uitleggen welke mogelijke vorderingen een of meer benadeelden hebben op grond van het algemene aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht.

B

ONDERDEEL B3 BEDRIJFSSCHADE

 

1i.25

De kandidaat kan de gevolgen van een bedrijfsbeëindiging voor de uitkering van een bedrijfsschadeverzekering uitleggen.

B

1i.26

De kandidaat kan uitleggen welke kosten een verzekeraar naast de schade voor zijn rekening bij bedrijfsschade neemt en in welke gevallen tot welk bedrag.

B

CATEGORIE C ZORG- EN ONGEVALLENVERZEKERINGEN

 

ONDERDEEL C1 ZORG

 

1i.27

De kandidaat kan uitleggen op welke wijze de reisverzekering aansluit op de basis- of aanvullende zorgverzekering.

B

1i.28

De kandidaat kan omschrijven in welke gevallen een verzekeraar bereid zal zijn de kosten van vaccinaties en andere preventieve behandelingen voor zijn rekening te nemen.

B

1i.29

De kandidaat kan met behulp van alle benodigde gegevens beoordelen of de door de verzekeraar vastgestelde vergoeding onder een Zorgverzekeringswet en basis- of aanvullende zorgverzekering juist is, rekening houdend met eventuele dekkingsbeperkingen, eigen bijdragen en eigen risico’s.

B

1i.30

De kandidaat kan voor een Zvw- of aanvullende zorgverzekering uitleggen op welke wijze de afwikkeling van zorgnota’s en -vergoedingen plaatsvindt.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2g

De persoon beschikt over het vermogen om een mogelijke aanspraak/vordering met betrekking tot zakelijke schadeverzekeringen te behandelen door:

• in overleg met de klant op correcte wijze een melding te doen;

• een melding op juistheid te controleren; en op correcte wijze de melding en overige informatie te verzenden aan de verzekeraar;

• een door de verzekeraar ingenomen standpunt te beoordelen;

• de klant te informeren over de mogelijke aanspraak op vergoeding en de benodigde gegevens te verwerken;

• indien nodig een deskundige in te schakelen;

• eventuele gedekte en niet-gedekte aanspraken uit te leggen/toe te lichten aan de klant;

• de klant hierover te adviseren en diens belangen te bewaken.

2g.1 De gegevens die nodig zijn voor de schadebehandeling interpreteren en verwerken.

De kandidaat bepaalt wanneer en in hoeverre de verzekeraar verplicht is de gemaakte bereddingskosten te vergoeden.

De kandidaat gebruikt de juiste gegevens.

Beoordeelt of de gegevens van de schadeaangifte op een schadeverzekering juist zijn ingevuld. Vergelijkt de gegevens met de informatie in het klantendossier.

Controleert of alle voor de schadebehandeling vereiste gegevens, inclusief overige vereiste bescheiden, aanwezig zijn om te worden verzonden aan de verzekeraar.

Informatie kan voor meerdere uitleg vatbaar of tegenstrijdig zijn.

Er kunnen specifiek eisen aan de informatie worden gesteld.

Er kunnen specifieke eisen worden gesteld aan de wijze en het tijdstip van aanlevering van gegevens.

2g.2 Juistheid van het standpunt van de verzekeraar beoordelen en de mogelijke hoogte en samenstelling van de schadevergoeding berekenen.

Berekent aan de hand van de beschikbare gegevens op de juiste wijze de schadevergoeding.

Beoordeelt of er sprake is van over- of onderverzekering.

De kandidaat kan voor een schadeverzekering beargumenteren waarom en/of op welke punten de door de verzekeraar vastgestelde uitkering afwijkt van zijn eigen inschatting.

Schakelt zonodig een deskundige in.

Voor een eenvoudige schade. Een adviseur moet snel duidelijkheid kunnen geven; ook verzekeraars maken fouten.

Laten blijken van de toegevoegde waarde van de adviseur.

2g.3 Verdedigen wanneer de principes van een actief schaderegelingsbeleid geweld wordt aangedaan bij een schade onder een schadeverzekering.

Klant begrijpt wat verzekeraar van hem mag verwachten in het schadeproces en wat de gevolgen zijn als hij niet meewerkt.

Voorkomen moet worden dat de schade groter wordt door gebrek aan of onvoldoende medewerking van de benadeelde.

2g.4 Bepalen welke aanvullende kosten vergoed kunnen worden.

Klant begrijpt welke mogelijkheden er zijn om aanvullende kosten vergoed te krijgen onder de schadeverzekering(en).

Inzet vergoedingen voor preventieve activiteiten.

2g.5 Met behulp van een oplossing het belang van aanlevering van de benodigde gegevens voor de schadeaangifte op een schadeverzekering aantonen.

Klant begrijpt welke gegevens nodig zijn om de hoogte van een uitkering te kunnen bepalen en weet wanneer en op welke wijze gegevens moeten worden aangeleverd.

Uitleggen van de wijze waarop schade wordt berekend.

Uitleggen welke acties een maatschappij kan ondernemen.

Uitleggen wanneer een maatschappij in zijn belangen kan worden geschaad.

2g.6 Beoordelen welke maatregelen kunnen worden getroffen om een claim die onder een dekking van een schadeverzekering valt te kunnen beperken.

Kandidaat stelt de juiste risicobeheersing vast en initieert de juiste schadebeperkende en preventieve maatregelen.

Soms zal hierdoor een verzekeringsoplossing overbodig worden.

2g.7 Ingeval er sprake is van een aansprakelijkheidsclaim analyseren wie de betrokken partijen zijn en in welke situatie sprake is van bijvoorbeeld persoonlijke, kwalitatieve of contractuele aansprakelijkheid.

Kandidaat geeft een duidelijke toelichting op de rollen en aansprakelijkheden van partijen die betrokken zijn bij een aansprakelijkheidsschade.

 

Eindterm 2h

De persoon beschikt over het vermogen om bij een mogelijke aanspraak/vordering het schadetraject vast te leggen in het dossier.

2h.1 Informatie in het schadedossier opslaan.

Kandidaat slaat alle relevante informatie die wordt gebruikt in het schadebehandelingsproces op een goede manier in het dossier op.

Klant kan adviseur inzicht vragen in het dossier, zodat hij kan nakijken hoe het schadeproces is verlopen.

Het schadeproces moet reproduceerbaar zijn en daar is dit dossier voor nodig. Kandidaat moet kunnen uitleggen hoe tot bepaalde stappen is gekomen.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3e

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het schadebehandelingstraject met betrekking tot zakelijke schadeverzekeringen zelfstandig, succesvol en correct uit kan voeren, ook in gevallen van belangentegenstellingen.

3e.1 De klant begeleiden bij het schadeproces.

Ingeval van schade.

Vaak is er geen ervaring en is het belang van de uitkering groot.

Klant is goed geïnformeerd, onder andere over hoe de schadebehandelings-procedure werkt en de mate van dekking.

De kandidaat legt de mogelijke maatregelen uit ter beperking van de schade (Bereddingsplicht volgens BW, water weg (laten) pompen, luchten en heaters plaatsen bij waterschade, reconditioneringsbedrijf inschakelen, inboedelrestanten elders opslaan, noodglas laten aanbrengen etc.).

De juiste stukken zijn op het juiste moment bij de juiste mensen.

Kandidaat ziet toe dat de juiste deskundigen op het juiste moment worden ingeschakeld. De klant weet welke mogelijkheden er voor hem zijn bij de schadebepaling.

Klant krijgt het juiste inzicht in de wijze waarop wordt bepaald of er recht op een uitkering is.

Kandidaat handelt op de juiste wijze als verzekeraar beroep doet op de kleine lettertjes, of op de sociale wetten voor no-claimpolis, subsidies e.d. of regresrecht.

Kandidaat handelt op de juiste wijze in geval van niet meewerken.

Begrijpt de klant de werkwijze?

Houd ik de klant op een goede manier op de hoogte gehouden van de voortgang van het schadeproces?

Heeft klant het gevoel dat verzekeraar voldoende recht doet aan zijn situatie en dat ik aan zijn kant sta?

Betaalt klant niet te veel zelf?

Gedrags- en kwaliteitscodes geven raamwerk met mijlpalen in het proces.

Begrijpt klant de rol van de verschillende deskundigen?

Begrijpt klant de mogelijkheden om bij onenigheid over oordeel van een deskundige actie te ondernemen?

Wordt de uitkering tijdig en juist gedaan?

3e.2 Een schade beoordelen op de afgesloten verzekering-(en).

Ingeval van schade.

Kandidaat beoordeelt met behulp van de daarvoor benodigde gegevens op juiste wijze of

• er dekking is voor een schade door eigen gebrek.

• of er sprake is van over- of onderverzekering.

• dekking of een dekkingsbeperking of uitsluiting van toepassing is.

• de schade (inclusief kosten) gedekt is.

• er sprake is van samenloop en wat de gevolgen daarvan zijn

De kandidaat bepaalt of de gegeven schade (inclusief kosten) gedekt is op de schadeverzekering.

Heb ik inzicht in het beleid van verzekeraars?

Onderken ik de Regresmogelijkheden?

Onderken ik het effect van bestaande ziektes?

Herken ik het in- en uitlooprisico.

Ken ik de uitsluitingen in het acceptatieproces en kan ik een heldere koppeling maken met het acceptatieproces?

3e.3 Van een schade beoordelen of de schade op de afgesloten motorrijtuigenverzekeringen geclaimd kan of moet worden en of verhaal op derden mogelijk is.

Ingeval van schade bij verkeers-verzekeringen.

Kandidaat beoordeelt in geval van motorrijtuigenverzekeringen:

• of de klant als (on)gemotoriseerde weggebruiker aansprakelijk kan worden gesteld voor schade van een (on)gemotoriseerde medeweggebruiker.

• in hoeverre en hoe de klant zijn schade kan verhalen op de tegenpartij of het Waarborgfonds Motorverkeer.

• of er al dan niet sprake is van aansprakelijkheid van de klant of de tegenpartij op grond van artikel 185 WVW en/of het Burgerlijk Wetboek en/of de jurisprudentie.

De kandidaat kan tegenover de verzekeraar verdedigen dat zijn klant in aanmerking komt voor toepassing van de regeling Schuldloze derde.

Begrijpt de klant de werking van art. 185 WVW?

Ken ik de aansprakelijkheidsregeling krachtens het BW en de rol van het Waarborgfonds.

Ken ik de meest gebruikte bedrijfsregelingen met betrekking tot autoschades?

BIJLAGE 5 EIND EN TOETSTERMEN MODULE VERMOGEN

Algemene kennis en vaardigheden

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1a

De persoon maakt bij zijn werkzaamheden gebruik van actuele kennis van de relevante wet- en regelgeving en de van toepassing zijnde richtlijnen en gedragscodes.

1a.1

De kandidaat kan de relatie tussen de eisen die voortvloeien uit het Burgerlijk Wetboek (BW) met betrekking tot professioneel en integer handelen (zorgplicht: overeenkomst van opdracht Boek 7 art. 400 e.v.) uitleggen en kan de spanningsvelden met de Wet op het financieel toezicht (Wft) in concrete recente gevallen analyseren.

B

1a.2

De kandidaat kan aansprakelijkheidsrisico’s uitleggen (afdwingen professioneel en integer gedrag door de klant) en kan daarbij recente praktijkvoorbeelden noemen.

B

1a.3

De kandidaat kan relevante bepalingen inde Wet op medische keuring en in de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst uitleggen.

B

1a.4

De kandidaat kan de hoogte van de actuele sociale loongrenzen (minimumloon en max. dagloon) noemen.

K

1a.5

De kandidaat kan gevolgen van de privacywetgeving benoemen.

K

1a.6

De kandidaat kan uitleggen onder welke voorwaarden financiële dienstverlening met betrekking tot beleggingsobjecten is vrijgesteld van de Wft-vergunningsplicht.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2a

De persoon beschikt over het vermogen om mondeling en schriftelijk te communiceren.

2a.1 Gestructureerd interviewen.

De kandidaat werkt gestructureerd en is onbevooroordeeld. Interviewtechniek en vraagpunten van het onderzoek zijn goed uitgewerkt en worden goed uitgevoerd. De kandidaat stelt de juiste en relevante vragen. De interviewtechniek is gebaseerd op de onderdelen: luisteren, doorvragen, confronteren en inleven in de klant.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

De kandidaat interviewt klant in verschillende levensfasen en met betrekking tot verschillende gebeurtenissen. Het doel is dat de adviseur een goed klantbeeld krijgt, tegenstrijdigheden in wensen en doelstellingen signaleert en bespreekt om uiteindelijk een passend advies te kunnen geven.

2a.2 Adviesgesprek voeren.

De relevante informatie en de persoonlijke toelichting zijn correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert. De kandidaat is in staat te verifiëren of de gesprekspartner de informatie begrepen heeft.

2a.3 Formulieren en offertes invullen, aanvragen, controleren en indienen.

De kandidaat werkt gestructureerd en controleert de ingevulde formulieren. Is alert op fouten. Spoort eventuele fouten, onjuistheden of onvolkomenheden op. Communiceert hierover mondeling en schriftelijk op correcte en effectieve wijze met betrokkenen. Zorgt voor correcte documenten. De aanvraag wordt op de correcte wijze ingediend.

De kandidaat dient er alert op te zijn dat formulieren onduidelijkheden kunnen bevatten, de gevraagde informatie door de klant niet altijd goed begrepen wordt, en uiteindelijk alle relevante vragen voldoende duidelijk beantwoord zijn. De aanbieder krijgt – zoveel mogelijk in een keer – alle informatie die nodig is voor een juiste verwerking. Klanten zijn soms slordig en administraties van aanbieders zijn niet altijd foutloos.

2a.4 De documenten uitleggen.

De informatie is correct, duidelijk en afgestemd op het begripsniveau van de klant.

 

2a.5 Schriftelijk communiceren.

De informatie is correct, duidelijk en niet-misleidend en afgestemd op het begripsniveau van de klant. Document kent een heldere structuur en goede opbouw. Kandidaat gebruikt bijvoorbeeld Tekeningen en grafische voorstellingen.

Het niveau van kennis en begrip van gesprekspartner varieert.

Demonstreert hoe hij de communicatie aanpast naar de verschillende belanghebbenden.

Eindterm 2b

De persoon beschikt over het vermogen om ICT-toepassingen te gebruiken.

2b.1 Vragenlijsten en ICT-toepassingen, waaronder rekenmodellen toepassen.

De kandidaat voert de gegevens die hij van de klant heeft gekregen op de juiste manier in.

De kandidaat gebruikt de juiste ICT-toepassing en controleert zoveel mogelijk het systeemantwoord op bijzondere, opvallende en/of afwijkende uitkomsten

Is alert op fouten en onlogische uitkomsten.

ICT-programma’s kunnen gebruiken die ondersteunen bij de verwerking van gegevens om te komen tot een passend advies.

Het kunnen herkennen van foute, onjuiste uitkomsten, zodat niet per definitie het systeemantwoord in alle gevallen leidend is. Zelf nadenken blijft ook ingeval van een ICT-toepassing een verantwoordelijkheid van de kandidaat.

Professioneel gedrag

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 4a

De persoon baseert zijn werkzaamheden op kennis op het gebied van integer gedrag in de financiële sector.

4a.1

De kandidaat kan de gevolgen uitleggen als de consument geen vertrouwen (meer) heeft in de financiële sector (stabiliteit economie komt in gevaar, noodzakelijke risico- en spaarproducten worden niet meer afgesloten, macro-economische gevolgen als onvoldoende spaargeld beschikbaar komt, werkgelegenheid, ook in financiële sector onder druk, vergroting zwart geld circuit, bankrun en betalingsverkeer dreigt te blokkeren).

B

4a.2

De kandidaat kan de middelen uitleggen die kunnen worden ingezet om een integere cultuur en integer handelen in een onderneming te bereiken, zoals goede procesbeschrijvingen, gedragscodes, agendapunt in vergaderingen/collegiaal overleg, incidentenregeling, klokkenluidersregeling, vertrouwenspersoon, voorbeeldgedrag.

B

4a.3

De kandidaat kan de vier integriteitsassen voor het functioneren van een (medewerker) van een financiële dienstverlener benoemen en eigen voorbeelden plaatsen op deze assen.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 4b

De persoon beschikt over het vermogen om de volgende dilemma’s op het gebied van integer handelen in de uitoefening van zijn beroep te analyseren en bespreekbaar te maken, alsmede de keuzes af te wegen en te verantwoorden:

• fraudesignalen onderkennen en daarop handelen;

• integer omgaan met de klantgegevens;

• doorverwijzen;

• verschillende belangen in kaart brengen;

• morele aspecten en verantwoordelijkheid uitleggen.

4b.1 Fraudesignalen onderkennen en daarop handelen.

De kandidaat kan de acties die vereist zijn bij het constateren van fraude omschrijven. Geeft op adequate wijze opvolging aan een fraudesignaal.

Bijvoorbeeld: het dilemma van financiële dienstverlener die bemiddelt en merkt dat de aanvraag niet strookt met de waarheid.

4b.2 Integer omgaan met de klantgegevens.

De kandidaat gaat integer met de klantgegevens om. Respecteert privacy.

 

4b.3 Doorverwijzen naar anderen.

De kandidaat onderkent tijdig tekortkomingen bij zichzelf op het gebied van deskundigheid.

De kandidaat kent de grenzen van zijn kennen en kunnen. Hij verwijst door als bepaalde vraagstukken beter beantwoord kunnen worden door anderen, zowel collega’s als derden.

 

4b.4 Verschillende belangen in kaart brengen.

De kandidaat brengt de belangen van de klant en de financiële instellingen bij de te maken keuzes duidelijk in kaart.

Onder meer met betrekking tot de totstandkoming van transacties van financiële instrumenten en beleggingsobjecten.

De kandidaat kan het belang en de positie van bijvoorbeeld klant, bedrijf en aanbieder onderscheiden en analyseert de mogelijke dilemma’s die kunnen ontstaan.

De kandidaat kan met de verschillende actoren over de dilemma’s mondeling en schriftelijk communiceren.

De kandidaat houdt rekening met de belangen van de klant.

Bij het ontwerp van het vermogensadvies.

De kandidaat kan onderscheid aangeven tussen de vormen van integriteit (persoonlijk, organisatorisch, relationeel).

4b.5 Morele aspecten en verantwoordelijkheid uitleggen.

De kandidaat legt de morele aspecten en morele verantwoordelijkheid binnen het adviestraject duidelijk en expliciet uit.

De kandidaat kan de gemaakte keuzen bij bijvoorbeeld de geadviseerde producten verantwoorden.

De kandidaat kan de spanningsvelden binnen het adviestraject en de gevolgen daarvan herkennen en benoemen.

Naast diversiteit van de producten zelf is er een combinatie mogelijk van al deze producten bij verschillende productaanbieders. Dat vraagt om uitgebreide kennis van deze range van producten en dan niet alleen de productspecificaties, maar ook de kostenstructuur en het verdienmodel.

Kandidaat moet voor- en nadelen van product of advies onderkennen, alternatieve producten of adviezen meewegen, belangen afwegen van belanghebbenden, o.a. werkgevers/werknemers, aanbieders, bemiddelaars, adviseurs.

Betreft ook relatiegeschenken, incentives, commerciële doelstellingen, verstrengeling privébelangen en voorwetenschap.

Taak 1 Inventariseren van de gegevens van de klant

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1b

De persoon baseert zijn inventarisatie op: grondige kennis van de vorming, beheer en afbouw van vermogen.

1b.1

De kandidaat kan de relatie uitleggen tussen werk en pensionering en vermogensopbouw en -afbouw.

B

1b.2

De kandidaat kan de relatie uitleggen tussen ziekte en arbeidsongeschiktheid en vermogensopbouw en -afbouw.

B

1b.3

De kandidaat kan de relatie uitleggen tussen overlijden en vermogensopbouw en -en afbouw.

B

1b.4

De kandidaat kan de relatie uitleggen tussen werkloos worden en vermogensopbouw en -afbouw.

B

1b.5

De kandidaat kan de relatie uitleggen tussen echtscheiding en vermogensopbouw en -afbouw.

B

1b.6

De kandidaat kan uitleggen hoe wetgeving rond gelijke behandeling inwerkt op vermogensopbouw en -afbouw.

B

1b.7

De kandidaat kan de meeste vormen van bezittingen en schulden, alsmede inkomsten en uitgaven van een particuliere relatie beschrijven.

K

1b.8

De kandidaat kan de informatie beschrijven die benodigd is voor het maken van een passende vermogensoplossing.

K

1b.9

De kandidaat kan de relatie verklaren tussen Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene Nabestaandenwet (ANW), Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Werkloosheidswet (WW), Inkomensvoorziening voor Oudere en Arbeidsongeschikte Werknemers (IOAW), Inkomensvoorziening voor Oudere Werklozen (IOW) en de fiscale wetgeving en de vermogensopbouw en -afbouw.

B

1b.10

De kandidaat kan de verschillen beschrijven tussen verzekerings- en bancaire oplossingen.

K

1b.11

De kandidaat kan de belangrijkste kenmerken van een beleggingsobject opsommen.

K

1b.12

De kandidaat kan voorbeelden van beleggingsobjecten opsommen.

K

1b.13

De kandidaat kan de verschillen aangeven tussen een financiële dienst, financieel product, financieel instrument en beleggingsobject conform de Wft.

B

1b.14

De kandidaat kan benoemen wat een gestructureerd product is en wat de verschillen tussen beleggingsfondsen en gestructureerde producten zijn.

K

Eindterm 1c

De persoon baseert zijn inventarisatie op juridische en fiscale kennis met betrekking tot rechtspersonen en ondernemingsstructuren.

1c.1

De kandidaat kan de juridische structuur, bevoegdheden, organen en kenmerken omschrijven van een eenmanszaak, vennootschap onder firma, maatschap, commanditaire vennootschap, stichting, vereniging, besloten vennootschap en naamloze vennootschap.

K

1c.2

De kandidaat kan de betekenis van een overgang van onderneming beschrijven in het kader van vermogensopbouw en afbouw, alsmede de uitzonderingsregels daarvan.

K

1c.3

De kandidaat kan bij vennootschappen de rekening-courant, leenverhoudingen en terbeschikkingstelling tussen de vennootschap en haar aandeelhouder(s) in privé begrijpen en vertalen naar een integrale financiële positie in privé en kan kruisverbanden aanleggen.

B

1c.4

De kandidaat kan bij vennootschappen en pensioen in eigen beheer de belangrijkste kenmerken benoemen, zoals het verschil tussen liquiditeit en vermogen in de BV, en de samenhang van opbouw van lijfrentevoorzieningen en pensioen en de voor- en nadelen van pensioen in eigen beheer benoemen.

B

1c.5

De kandidaat kan de meeste voorkomende balansposten, de posten op de resultatenrekening, in enkelvoudige en geconsolideerde vorm, beschrijven.

K

1c.6

De kandidaat kan de balans en de resultatenrekening begrijpen en vertalen naar een integrale financiële positie in privé.

B

Eindterm 1d

De persoon baseert zijn inventarisatie op de voor het klantprofiel benodigde informatie over de financiële positie, ervaring en doelstellingen van de klant, met betrekking tot financiële instrumenten en beleggingsobjecten.

1d.1

De kandidaat kan de eisen benoemen die de Wft stelt ten aanzien van het vaststellen van een klantprofiel.

K

1d.2

De kandidaat kan de inventarisatievragen in de rubrieken uit de Wft (financiële positie, kennis, ervaring, doelstelling, risicobereidheid) benoemen.

K

1d.3

De kandidaat kan de rubrieken in de Wft categoriseren naar inventarisatievraag.

B

1d.4

De kandidaat kan het verschil verklaren tussen een doelstelling met een objectieve dan wel subjectieve prioriteit.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2c

De persoon beschikt over het vermogen om de informatie ten behoeve van het klantprofiel te controleren en vast te leggen.

2c.1 De informatie controleren en vastleggen.

De kandidaat verifieert de tijdens de inventarisatiefase van de klant verkregen informatie op juistheid, volledigheid en tegenstrijdigheden.

Kandidaat werkt volgens de leidraden en regelgeving in de organisatie.

De kandidaat legt de gegevens duidelijk vast. Bij het ontbreken van gegevens vraagt de kandidaat de ontbrekende gegevens bij de klant op.

De kandidaat heeft uiteindelijk goed inzicht in de gestelde wensen, eisen en prioriteiten en alle benodigde gegevens voor het beoordelen van een juist en passend advies.

Een goede vastlegging zorgt voor reconstrueerbaarheid van het advies op basis van de ingewonnen informatie.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3a

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij de klantwensen en behoeften met betrekking tot inkomens- en vermogensontwikkelingen voor het klantprofiel kan inventariseren en aan de hand daarvan een klantprofiel kan opstellen.

3a.1 De gegevens voor het klantprofiel inventariseren.

Klantgesprek.

De financiële positie en wensen van de klant zijn zodanig geïnventariseerd dat de klant voldoende zorgvuldig geadviseerd kan worden.

De ontwikkelingen in de levensloop van de klant zijn geïnventariseerd, de bevindingen tussen adviseur en klant worden besproken en gedocumenteerd.

De gegevens zijn administratief volledig en in één keer goed

De kandidaat vraagt in bijzondere situaties door. Bijvoorbeeld voor niet-ingezetene of Nederlander die langdurig in buitenland woont en/of werkt.

Kandidaat houdt rekening met mogelijke valkuilen bij het in kaart brengen van de financiële positie, kennis, ervaring en beleggingsdoelstelling van de klant.

Kandidaat kan de klant begrijpelijk uitleggen waarom de gegevens nodig zijn.

Het inventarisatieformulier beleggingen is correct en naar waarheid ingevuld.

Vermeldt de klant alle zaken of laat hij informatie achter, omdat hij bang is voor afwijkende voorwaarden en/of afwijzing waar het verzekeringsoplossingen betreft?

Wat doe ik als de aanvraag niet strookt met de gegevens waarheid?

Wat doe ik als de klant nonchalant of onwillig is?

Is het logisch wat de klant zegt, klopt het allemaal?

3a.2 Het klantprofiel opstellen.

 

Het klantprofiel is volledig (doelstelling, financiële positie, risicobereidheid, kennis en ervaring) voor zover relevant voor het opstellen van een passend vermogensadvies.

De kandidaat vraagt door als verschafte informatie tegenstrijdig of onvolledig is, en de inventarisatie geen goed beeld oplevert.

De kandidaat stelt het klantprofiel vast waarmee toegewerkt kan worden naar een advies. Klant kan zich herkennen in het profiel.

Levert de informatie een consistent beeld van het risico op?

Ben ik alert genoeg geweest op de tegenstrijdige informatie?

3a.3 De informatie m.b.t. de inventarisatie presenteren.

Verschillende belanghebbenden.

Informeert de verschillende belanghebbenden inzake vermogensopbouw en -afbouw, correct en passend binnen de financiële positie.

Relativeert onder meer weerstanden die bestaan op grond van vooroordelen en onbekendheid van de materie bij belanghebbenden.

Kan in gevallen van een door belanghebbenden gewenste oplossing of situatie, de passende boodschap brengen, de mogelijke emoties hanteren, en acceptatie van de boodschap bewerkstellingen.

Kan samen met belanghebbenden constructief zoeken naar mogelijkheden die wel passen of kunnen.

Helpt de klant met het prioriteren van doelstellingen confronteert de klant met bepaalde keuzes en uitgangspunten.

 

Taak 2 Opstellen van de risicoanalyse ten behoeve van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1e

De persoon baseert zijn risicoanalyse op grondige kennis van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie.

1e.1

De kandidaat kan de inhoud van het convenant Van Leeuwen beschrijven, en de impact van de Wet op de Medische Keuringen op het acceptatieproces verklaren.

B

1e.2

De kandidaat kan alle relevante juridische, fiscale en financiële consequenties van de diverse productoplossingen beschrijven.

K

1e.3

De kandidaat kan de werking van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid beschrijven.

K

Eindterm 1f

De persoon baseert zijn risicoanalyse op elementaire kennis van ontwikkelingen in de economie en de mogelijke gevolgen daarvan op het inkomen en het vermogen van de klant.

1f.1

De kandidaat kan het begrip ‘economische groei’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen.

K

1f.2

De kandidaat kan het begrip ‘inflatie’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen.

K

1f.3

De kandidaat kan een het begrip ’rente’ (korte- en lange termijn) omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen.

K

1f.4

De kandidaat kan het begrip ‘valutakoers’ omschrijven alsmede de factoren die met dit begrip samenhangen.

K

1f.5

De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de economische groei.

K

1f.6

De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de inflatie.

B

1f.7

De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de rente (korte- en lange termijn).

B

1f.8

De kandidaat kan uitleggen wat voor de verschillende beleggingscategorieën de gevolgen zijn van ontwikkelingen in de valutakoers.

B

1f.9

De kandidaat kan uitleggen hoe beleggers reageren op verwachte cijfers en op feitelijke cijfers van de macro-economie.

B

Eindterm 1g

De persoon is in staat om met betrekking tot financiële instrumenten en beleggingsobjecten in actieve dialoog met de klant diens risicotolerantie in kaart te brengen.

1g.1

De kandidaat kan risico en risicotolerantie definiëren.

K

1g.2

De kandidaat kan ter bepaling van het risicoprofiel van de klant per vraag uit de vragenlijst verklaren wat het verband is tussen de vraag en de risicotolerantie van de klant.

B

1g.3

De kandidaat kan per antwoord van de klant aangeven wat het verband is met het risicoprofiel.

B

1g.4

De kandidaat kan de begrippen ‘risicoprofiel’ en ‘klantprofiel’ definiëren.

K

1g.5

De kandidaat kan verklaren waarom de klant wordt ingedeeld in een bepaald risicoprofiel.

B

1g.6

De kandidaat kan verklaren dat de gebruikte instrumenten van aanbieders om het risicoprofiel op te stellen in gelijke situaties tot zeer wisselende uitkomsten kunnen leiden.

B

1g.7

De kandidaat kan de specifieke risico’s uitleggen die betrekking hebben op de diverse vormen van beleggingsobjecten (zoals teakhout, wijnranken, direct vastgoed, private investeringen etc.).

B

1g.8

De kandidaat kan de functie van de prospectus uitleggen.

B

1g.9

De kandidaat kan uitleggen wat het verschil in risico is bij belegging in individuele titels, beleggingsfondsen dan wel beleggingsobjecten.

B

1g.10

De kandidaat kan uitleggen hoeveel risico een klant kan lopen en hoeveel risico een klant wil lopen.

B

1g.11

De kandidaat kan de consequenties uitleggen van een lager, c.q. hoger risicoprofiel met betrekking tot de haalbaarheid van de doelstelling.

B

Eindterm 1h

De persoon is in staat om met betrekking tot financiële instrumenten en beleggingsobjecten vast te stellen welke vorm van dienstverlening past bij het profiel en de wensen van de klant.

1h.1

De kandidaat kan de verschillende vormen van dienstverlening omschrijven, zoals advies, beheer en lifecycle beleggen.

K

1h.2

De kandidaat kan uitleggen op welke wijze vermogen passend belegd kan worden waarvan de begrippen ‘risicobereidheid’ en ‘risicotolerantie’ onderdeel vormen.

B

1h.3

De kandidaat kan beschrijven wat hij moet doen wanneer de klant zich niet kan vinden in het gekozen risicoprofiel.

K

1h.4

De kandidaat kan de mogelijkheden noemen indien een klant een lager, c.q. hoger risicoprofiel wil.

K

Eindterm 1i

De persoon is in staat om aan de klant uit te leggen wat wordt bedoeld met de risico- en rendementinformatie, die wordt gegeven bij de strategische assetallocaties, en wat dat voor hem betekent.

1i.1

De kandidaat kan een omschrijving geven van de begrippen ‘verwacht rendement’ en ‘standaarddeviatie.’

K

1i.2

De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen standaarddeviatie en waarschijnlijkheidsinterval van een strategische assetallocatie en in dit verband aangeven wat een normale verdeling is.

B

1i.3

De kandidaat kan uitleggen wat de kans op een mogelijke uitkomst van een belegging in enig jaar is.

B

1i.4

De kandidaat kan het verband tussen risico en rendement uitleggen.

B

1i.5

De kandidaat kan het begrip ‘samengesteld rendement’ definiëren.

K

1i.6

De kandidaat kan het verband tussen risico en tijd benoemen.

K

1i.7

De kandidaat kan het risicotolerantiemodel definiëren.

K

1i.8

De kandidaat kan uitleggen wat de minimaal vereiste beleggingshorizon betekent.

B

1i.9

De kandidaat kan uitleggen waarom er in het advies gebruik wordt gemaakt van een strategische assetallocatie.

B

1i.10

De kandidaat kan de kenmerken van een strategische assetallocatie definiëren.

K

1i.11

De kandidaat kan de kanttekeningen benoemen bij het gebruik van de normale verdeling.

K

1i.12

De kandidaat kan uitleggen wat de consequenties zijn van de kanttekeningen bij de normale verdeling in de geadviseerde strategische assetallocatie.

B

1i.13

De kandidaat kan de weging van de categorieën in een strategische assetallocatie uitleggen.

B

1i.14

De kandidaat kan, gegeven een risicoprofiel, het verband aangeven tussen een strategische assetallocatie en de verdeling over de verschillende assetcategorieën.

B

1i.15

De kandidaat kan, gegeven een risicoprofiel, het verband aangeven tussen een strategische assetallocatie en de risico-rendementsverhouding.

B

1i.16

De kandidaat kan het begrip modelportefeuille definiëren.

K

1i.17

De kandidaat kan uitleggen waarom een gemaakte keuze van een beleggingsprofiel een momentopname is en onderhevig kan zijn aan veranderingen in persoonlijke omstandigheden, risicoperceptie en tijd.

B

1i.18

De kandidaat kan het verschil tussen een strategische en een tactische assetallocatie uitleggen en wat de argumenten kunnen zijn om tactisch af te wijken van de strategische assetallocatie.

B

Eindterm 1j

De persoon is in staat om uit te leggen op welke wijze spreiding in de portefeuille kan worden gerealiseerd.

1j.1

De kandidaat kan diversificatie definiëren.

K

1j.2

De kandidaat kan correlatie definiëren.

K

1j.3

De kandidaat kan uitleggen wanneer er bij twee financiële instrumenten sprake kan zijn van voordelen door diversificatie.

B

1j.4

De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen risico en rendement van de verschillende strategische assetallocaties.

B

1j.5

De kandidaat kan het verschil uitleggen tussen het marktrisico en specifiek risico.

B

1j.6

De kandidaat kan uitleggen hoe risicospreiding wordt bereikt in een portefeuille.

B

1j.7

De kandidaat kan uit een lijst portefeuilles een onderscheid maken tussen goed en slecht gediversifieerde portefeuilles.

B

Eindterm 1k

De persoon is in staat om de voor- en nadelen te beschrijven van een belegging in beleggingsinstellingen als onderdeel van modelportefeuilles.

1k.1

De kandidaat kan de voor- en nadelen van collectief beleggen benoemen.

K

1k.2

De kandidaat kan de kosten van collectief beleggen benoemen.

K

1k.3

De kandidaat ook de kosten van zowel de (vermogensopbouw)producten als van de dienstverlening kan definiëren.

K

1k.4

De kandidaat kan uitleggen wat het verschil is tussen direct en indirect rendement van een beleggingsinstelling.

B

Eindterm 1l

De persoon is in staat om uit te leggen wat de meest voorkomende vormen van beleggingsbeleid van beleggingsinstellingen inhouden en wat de kenmerken en risico’s van deze vormen zijn.

1l.1

De kandidaat kan de vormen van specialisatie bij beleggingsinstellingen benoemen.

K

1l.2

De kandidaat kan de verschillen tussen de beleggingsstijlen uitleggen.

B

1l.3

De kandidaat kan een aantal speciale beleggingsproducten uitleggen.

B

1l.4

De kandidaat kan op basis van de financiële bijsluiter aantonen welke kenmerken een beleggingsinstelling heeft.

B

1l.5

De kandidaat kan de beleggingscategorieën van een strategische assetallocatie benoemen.

K

1l.6

De kandidaat kan de verschillende beleggingscategorieën omschrijven.

K

1l.7

De kandidaat kan schetsen welke vormen van financiële waarden onderdeel uitmaken van de beleggingscategorieën.

B

1l.8

De kandidaat kan de kenmerken van de beleggingscategorieën benoemen.

K

1l.9

De kandidaat kan uitleggen wat het verband is tussen de beleggingscategorieën waarin wordt belegd en het profiel van de klant.

B

1l.10

De kandidaat kan de kenmerken van beleggingsfondsen met een hefboom uitleggen.

B

1l.11

De kandidaat kan uitleggen wat het verschil in risico is tussen aandelen, obligaties, vastgoed en liquiditeiten.

B

1l.12

De kandidaat kan het verschil tussen passief en actief beleggen uitleggen met de daarbij behorende voor- en nadelen.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2d

De persoon beschikt over het vermogen om relevante informatie te verwerken ter bepaling van de financiële positie en doelstellingen te formuleren.

2d.1 Aanspraken en lasten nauwkeurig berekenen m.b.v. ICT-toepassingen, en kan aanspraken en lasten globaal handmatig berekenen.

De kandidaat berekent of de klant in staat is geld over te houden om vermogen op te bouwen en hoeveel vermogen er nodig is om de doelstelling te kunnen behalen.

Vraagt indien nodig om toelichting aan derden bij de balansposten, eigen vermogen, voorzieningen en reserves. Gaat na wat het gewenste dan wel benodigde inkomen is nu en later. De kandidaat beoordeelt in welke fase overschotten en tekorten ontstaan en in welke mate.

Met behulp van deze informatie worden financiële doelstellingen concreet gemaakt.

Hierbij kan een spanningsveld ontstaan tussen de financiële (on)mogelijkheden en de doelstellingen. Bij niet reële doelstellingen inleg verhogen, assetallocatie aanpassen en/of doelstellingen aanpassen aan de realiteit. Aanspraken zijn bedoeld in de meest brede zin van het woord, dus alle mogelijke toekomstige rechten in vermogensopbouw.

2d.2 Het actuele vermogen berekenen.

Vermogen wordt correct berekend na aftrek van eventuele belastingen. Kandidaat is alert op rekenfouten.

Houdt rekening met de periodieke inkomsten, de financiële lasten, de kennis en ervaring, het huidige en voormalige beroep en het bezit van onroerende zaken.

Met betrekking tot de ondernemer wordt gebruik gemaakt van de informatie uit balansen en resultatenrekeningen, waarbij accountant en andere adviseurs de actuele grootte van het eigen vermogen en besteedbare winst hebben aangegeven.

Er wordt gebruik gemaakt van fiscale opgaven waarbij, indien nodig, de adviseur correcties uitvoert als gevolg van stille reserves en latente belastingclaims, zoals de werkelijke waarde van bijvoorbeeld onroerend goed.

 

2d.3 De werkgevers-pensioenregeling (d.m.v. bijvoorbeeld de startbrief) en het Uniform Pensioen Overzicht (UPO) interpreteren.

Gebruikt de juiste gegevens om de reële waarde van de pensioenaanspraken te begrijpen, te beoordelen en te benutten.

Te gebruiken in het kader van een uit te brengen vermogensadvies (t.b.v. pensioenaanvulling). Hiervoor is kennis nodig van de verschillende opbouwregelingen en de risico’s ervan. Verder is kennis over rekenrente en prognosemethodieken nodig.

2d.4 Inkomens en vermogensdoel-stellingen met de klant formuleren.

De kandidaat brengt in kaart welke bedragen de klant op welk moment nodig heeft om diens wensen te kunnen verwezenlijken.

De kandidaat houdt rekening met de invloed van inflatie en prioriteit van de doelstellingen.

 

Eindterm 2e

De persoon beschikt over het vermogen om door middel van de juiste analyse van de financiële positie en wensen van de klant een zorgvuldig risicoprofiel op te stellen.

2e.1 Een risicoprofiel opstellen.

De kandidaat kan zelfstandig motiveren en vastleggen welk risicoprofiel van toepassing is, gelet op de beperkte betrouwbaarheid van de in de praktijk gebruikte instrumenten.

De vragen gesteld door de adviseur zijn niet suggestief. De adviseur gebruikt voorbeelden en scenario’s om een juist beeld te krijgen van het risicoprofiel van de klant De klant heeft daardoor een juist beeld van de bevraagde punten in het profiel; de klant herkent zich in het profiel en weegt de keuzes in samenspraak met de adviseur af.

Het risicoprofiel wordt opgesteld in verschillende fiscale situaties.

Aanbieders hanteren verschillende invuldocumenten om een risicoprofiel op te stellen. Klanten hebben geen inzicht in hun financiële behoeften en beleggingscategorieën en kunnen vooroordelen hebben over de begrippen ‘risico’ en ‘rendement’. Ze overzien niet de financiële aspecten van gebeurtenissen in de verschillende fasen van de levensloop. Het opgestelde risicoprofiel dient voor de belegging van voorzieningen voor de oude dag (derde pijler), voor specifieke toekomstige uitgaven, en/of voor vrij te besteden vermogen.

Eindterm 2f

De persoon beschikt over het vermogen om door middel van de juiste analyse het spanningsveld tussen inleg, doelstelling, en rendement en risico te doorzien.

2f.1 De risico-, rendement- en kostenkarakteristieken van de geselecteerde beleggingsfondsen beoordelen.

De kandidaat gaat op basis van de informatie over het beleggingsbeleid van een fonds na, of de samenstelling van de geselecteerde fondsen overeenkomt met het opgestelde risicoprofiel voor de looptijd waarvoor het profiel geldt. De kandidaat is zich bewust dat door verschillen in de weging van de strategische assetallocatie van de geselecteerde fondsen met ogenschijnlijk dezelfde profielnamen, alsmede door verschillen in minimale en maximale bandbreedtes (de tactische ruimte), de risico en rendementskarakteristieken in de praktijk verschillend zijn. Hij is in staat de geselecteerde fondsen op volgorde van rendement en risico in te delen.

De adviseur verwijst, indien nodig, de klant door naar een ander type adviseur (bijvoorbeeld vermogensbeheerder)

De kandidaat kan van een slecht gediversifieerde portefeuille motiveren waarom deze slecht gespreid is.

Aanbieders maken vaak gebruik van actief beheerde fondsen over de verschillende beleggingscategorieën (bijvoorbeeld mixfondsen). Gedurende de looptijd van de belegging is niet altijd geborgd dat het risico, dat in de portefeuille kan ontstaan doordat de fondsbeheerder actief belegt, overeenkomt met het geïnventariseerde risico van de klant. De markt kent een grote variatie aan beleggingsproducten. Kosten van beleggingsfondsstructuren kunnen grote invloed hebben op het rendement.

2f.2 De risico-, rendement- en kostenkarakteristieken van de geselecteerde beleggingsobjecten beoordelen.

De kandidaat gaat op basis van de informatie over het beleggingsobject na, of het beleggingsobject overeenkomt met het opgestelde risicoprofiel voor de looptijd waarvoor het profiel geldt en verwijst de klant eventueel door naar een ander type adviseur (bijvoorbeeld vermogensbeheerder).

De kandidaat kan met behulp van de prospectus de klant de achtergronden van het betreffende beleggingsobject toelichten.

 
Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3b

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het risicoanalysetraject met betrekking tot vermogen zelfstandig en succesvol kan uitvoeren.

3b.1 De behoeften met betrekking tot vermogens-op- en afbouw analyseren.

Bevindt zich in een gesprekssituatie met diverse partijen. De advisering aan deze groepen is van toepassing voor het afdekken van risico’s van overlijden en arbeidsongeschiktheid in relatie tot de pensioenvoorziening in privé.

Brengt behoeften in kaart zonder vooringenomen instelling. Signaleert eventuele dilemma’s op het gebied van integer handelen. Benoemt welke belangen betrokken partijen hebben en benoemt hoe wordt omgegaan met een gerezen dilemma.

Onderkent de effecten van verschillende inkomenssituaties op het vermogen in de levensfasen van de klant.

Durf ik in complexe fiscale situaties hulp in te roepen van derden, (gecertificeerd) financieel planner, accountant. Ken ik mijn grenzen?

3b.2 Een risicoanalyse opstellen.

 

Risicoanalyse is correct.

De risicoanalyse doet recht aan de uitgangspunten en doelstellingen van de klant en de klant herkent zich erin.

Begrijpt klant de analyse?

Herkent klant de analyse?

Hoe word je daarvan overtuigd?

3b.3 Bestaande werkgevers-pensioen-regelingen beoordelen en uitwerken t.b.v. aanvullend vermogensadvies aan een klant.

Het benutten van de mogelijkheden in de werkgeverspensioenregeling met als doel bij te dragen aan voldoende bestedingsruimte na pensionering.

De kandidaat is in staat om de mogelijkheden in de werkgeverspensioen-regeling te onderkennen die de consument als oplossing kan benutten om extra (pensioen)inkomen op te bouwen.

Mogelijkheden (niet limitatief) als:

• bijverzekeren voor ouderdomspensioen, partner- en wezenpensioen, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, WGA hiaat, ANW hiaat, AOW gat en WIA excedent.

• uitruilen van nabestaanden- of partnerpensioen voor ouderdomspensioen.

• de pensioenleeftijd uit te stellen, deeltijdpensioen en toepassen hoog/laag- of laag/hoogconstructie.

• bijstorten, vrijwillige (tijdelijke) voortzetting bij beëindiging van een actief dienstverband en waardeoverdracht bij uitdiensttreding.

De kandidaat kan de mogelijkheden voor flexibilisering van de pensioenregeling in de werkgeverspensioenregeling toepassen.

Hierdoor kan de kandidaat de financiële consequenties van de mogelijkheden in de werkgeverspensioenregeling na pensionering voor de klant in beeld te brengen.

De kandidaat onderkent zowel de nadelige als voordelige gevolgen hiervan en schakelt tijdig (pensioen-) specialisten in.

 

3b.4 De betaalbaarheid van de vermogensoplossing beoordelen.

 

Vermogensoplossing past binnen de financiële positie van de klant.

Met betrekking tot de ondernemer kan advies gevraagd worden aan andere deskundigen.

Kan omgaan met klanten die onrealistische verwachtingen hebben of teveel risico willen nemen.

Heb ik de klant overtuigd van het gekozen risicoprofiel en de door mij gekozen vermogensoplossing?

3b.5 De verkregen financiële informatie van de klant analyseren.

 

De adviseur werkt op een verantwoord kritische manier.

Na de analyse krijgt de adviseur een goed beeld van de financiële positie van de klant.

Berekent de inkomensoverschotten- en tekorten.

Indien de klant aandelen in een BV en/of vermogen heeft in een onderneming, onderkent de kandidaat complexiteit en gecompliceerdheid en aarzelt dan niet derden in te schakelen om te komen tot juiste financiële informatie. De kandidaat kan aan de hand van uitspraken van de klant over beleggen inschatten of de klant de risico’s van beleggen begrijpt.

Overschat ik mijn kennis niet?

Taak 3 Adviseren (en eventueel bemiddelen) van een passende oplossing, zowel financieel als organisatorisch

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1m

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot vermogens-(bestanddelen) op grondige en actuele kennis met betrekking tot relevante wet- en regelgeving.

1m.1

De kandidaat kan de wetgeving betreffende lijfrente en kapitaaluitkering uitleggen.

B

1m.2

De kandidaat kan het boxensysteem in de inkomstenbelasting uitleggen.

B

1m.3

De kandidaat kan de begrippen ‘vlaktax’ en ‘progressief belastingstelsel’ uitleggen.

B

1m.4

De kandidaat kan het begrip ‘levensverzekeringsovereenkomst’ uitleggen.

B

1m.5

De kandidaat kan opsommen welke factoren de hoogte van een AOW-uitkering of ANW-uitkering bepalen.

K

1m.6

De kandidaat kan de soorten fiscaal toegestane lijfrenten opsommen en uitleggen, inclusief overgangsrecht van overbruggingslijfrenten en oud regime.

B

1m.7

De kandidaat kan de relevante bepalingen in de Successiewet inzake erfbelasting en schenkbelasting uitleggen.

B

1m.8

De kandidaat kan de relevante bepalingen in het Burgerlijk Wetboek inzake het huwelijksvermogensrecht uitleggen.

B

1m.9

De kandidaat kan uitleggen wanneer een ‘gouden handdruk’ van toepassing is en kan omschrijven wat de fiscale mogelijkheden daarvan zijn.

B

Eindterm 1n

De persoon baseert zijn advies met betrekking tot vermogen(sbestanddelen) op grondige kennis van levensverzekeringsproducten en bancaire producten.

1n.1

De kandidaat kan het verschil uitleggen tussen de bancaire lijfrente en de lijfrenteverzekering.

B

1n.2

De kandidaat kan de klant aan de hand van concrete gegevens uitleggende voor- en nadelen van een spaarrekening en beleggingsrekening in vergelijking met elkaar en met een levensverzekeringsoplossing.

B

1n.3

De kandidaat kan uitleggen welke gezondheidswaarborgen een levensverzekeraar zal verlangen bij het aanvragen van een nieuwe levensverzekering en bij mutatie of conversie van een bestaande levensverzekering.

B

1n.4

De kandidaat kan de rechten en verplichtingen van de klant uitleggen met betrekking tot financiële producten, zoals rechten verzekeringnemer, rekeninghouder, begunstigde etc.

B

1n.5

De kandidaat kan de volgende levensverzekeringsbegrippen omschrijven en uitleggen: maatschappij- en overrentewinstdeling, rekenrente, bruto- en netto premie, overlevingstafels en leeftijdverschuiving.

B

1n.6

De kandidaat kan uitleggen wat de verschillen zijn tussen de bancaire ‘gouden handdruk’ en de ‘gouden handdrukverzekering’.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2g

De persoon beschikt over het vermogen om het adviestraject te plannen, te sturen en tot een succes te brengen, onder meer door:

• doelstellingen op realiteitszin en eventuele tegenstrijdigheden te herkennen;

• de financiële oplossingen met de klant te bespreken;

• de betaalbaarheid van de productoplossing te beoordelen;

• het adviestraject adequaat vast te leggen in het dossier.

2g.1 De structuur en opzet van het advies, mondeling en schriftelijk, inzake vermogensopbouw, -afbouw en vermogensbeheer communiceren.

De klant begrijpt op welke wijze de (vermogens-) oplossing of portefeuille aansluit bij zijn risicoprofiel.

De statistische data die aanbieders presenteren bij het beleggingsproduct zijn voor de kant begrijpelijk vertaald.

Klanten hebben vaak onvoldoende inzicht in hun financiële behoeften en beleggingscategorieën en kunnen vooroordelen hebben ten aanzien van de begrippen ‘risico’ en ‘rendement’ bij verschillende beleggingsproducten. Ze overzien niet de financiële aspecten van de gebeurtenissen in de verschillende fasen van de levensloop. De portefeuille dient voor belegging van voorzieningen voor de oude dag (derde pijler), specifieke toekomstige uitgaven, en/of vrij te besteden vermogen. De sociale, economische en culturele kenmerken van klant verschillen zeer sterk. Klanten kunnen extreem zijn in risicoaversie en risicoperceptie.

2g.2 Bij de verschillende productoplossingen de verschuldigde belasting berekenen.

Geldt zowel voor inkomstenbelasting als voor bijvoorbeeld schenk- of erfbelasting in een concreet geval. Ook kennis van belasting over kapitaalverzekeringen valt hieronder.

 

2g.3 De te benodigde kapitalen bepalen.

De kandidaat legt de klant uit hoe hij zijn doelstelling kan bereiken door de juiste combinatie van rendement, risico en inleg.

Indien er sprake is van afwijking van de samenstelling van de portefeuille ten opzichte van de gewenste portefeuille, legt de kandidaat dit op begrijpelijke wijze uit en geeft aan welke actie ondernomen moet worden.

Bij pensioen en beleggen voor aflossing van schulden is er vaak sprake van een lange horizon. Het is voor de klant lastig om de effecten van inleg, koersbewegingen, samengestelde rendementen te overzien en te begrijpen. Met betrekking tot vrij vermogen spelen aspecten als onverwachte en onvoorziene behoeften en omstandigheden een rol, bijvoorbeeld: overlijden, trouwen, scheiden, schenken.

Overziet fiscale aspecten van de kapitaalopbouw.

2g.4 Verzekeringstarieven berekenen en het beoordelen van de betaalbaarheid van de productoplossing.

De berekeningen zijn correct. De kandidaat vergelijkt de voorstellen voor productoplossingen kwalitatief en kwantitatief en verklaart de verschillen tussen de diverse oplossingen.

Producten van verschillende aanbieders berekenen op basis van de beschikbare informatie.

2g.5 In voorkomende gevallen de effecten van actuele ontwikkelingen en wijzigingen in wet en regelgeving wat betrekking heeft op productoplossingen aangeven.

De kandidaat maakt de toekomstige ontwikkelingen en de gevolgen daarvan inzichtelijk en begrijpelijk voor de klant.

Past de actuele wetgeving toe.

 

2g.6 Een passende nabestaandenvoor-ziening vormgeven rekening houdend met de verschillende wijze van financiering en vormen.

De kandidaat stelt een passend advies op.

 

2g.7 Berekenen wat de mogelijke uitkomst is van een eenmalige belegging in een verwacht, goed en slecht scenario in verschillende beleggingsprofielen op basis van een strategische assetallocatie.

Berekent de mogelijke uitkomsten correct en licht dit toe aan de klant, zowel bij een eenjarige als meerjarige beleggingshorizon.

Ten minste op basis van een betrouwbaarheidsinterval van 95% (2x standaarddeviatie).

2g.8 Verschillende manieren van kostenbepaling aangeven, waaronder percentage vaste kosten.

Is transparant naar de klant.

 

2g.9 Uitleggen wat de consequenties zijn bij arbeidsongeschiktheid van de klant.

Geeft realistische voorstelling van de mogelijke situaties in concrete gevallen.

 

2g.10 De gevolgen van echtscheiding/ont-binding partnerregelingen in het kader van vermogensopbouw en -afbouw en beheer beschrijven en berekenen.

Houdt rekening met belangen van alle partijen, is onafhankelijk.

Maakt gebruik van(eventueel) aangeleverde juridische adviezen.

2g.11 Berekenen wat de consequentie is van een strategische assetallocatie voor het verwachte risico en rendement en eindwaarde.

Op basis van het risicoprofiel is een juiste en verantwoorde verdeling gemaakt van de te beleggen middelen over een groot aantal beleggingscategorieën, en berekend.

De beleggingsmarkt kent een grote verscheidenheid aan beleggingsmogelijkheden en oplossingen. Aanbieders hanteren modelportefeuilles op basis van standaard risicoprofielen.

Past de risico- en rendementsinformatie van een gekozen strategische assetallocatie bij het risicoprofiel van de klant?

2g.12 In geval van beleggingsobjecten de specifieke risico’s daarvan in kaart brengen.

Klant wordt gewezen op de risico’s die men loopt bij het investeren of beleggen in beleggingsobjecten.

Kandidaat moet zich vergewissen of de klant daarvan goed doordrongen is. Op korte termijn brengen beleggingsobjecten gewoonlijk niets op De kandidaat wijst erop dat controle op een product in het buitenland lastig is, evenals het nemen en uitvoeren van juridische stappen.

Kandidaat moet goed kunnen uitleggen en verduidelijken aan de klant dat hij zijn hele investering kan kwijtraken. De kandidaat moet een goede inschatting maken in hoeverre het product qua doelstelling en risicoweging past in het financiële plaatje van de klant Alternatieven moeten aangedragen worden en eventueel moet de kandidaat het gewenste de klant kunnen afraden.

Beleggingsobjecten zijn doorgaans veelzijdige complexe producten met een lange looptijd, (30 jaar is geen uitzondering) waaraan de nodige risico’s zijn verbonden. Het gaat om producten die zich vaak op grote afstand van de klant bevinden. Denk bijvoorbeeld aan de teakhoutfondsen in Latijns Amerika. Deze factoren maken het voor klanten moeilijk om de risico’s te kunnen begrijpen en te kunnen plaatsen.

Eindterm 2h

De persoon beschikt over het vermogen om met betrekking tot het advies:

• de mogelijkheden presenteren;

• adviesverantwoordelijkheid te nemen;

• te handelen op gewijzigde omstandigheden tijdens het adviestraject.

2h.1 De mogelijkheden presenteren.

De kandidaat legt aan de klant alle mogelijkheden voor en bespreekt deze met de klant, zodat deze een bewuste en verantwoorde keuze kan maken.

Alle relevante financiële consequenties zijn voor de klant duidelijk.

Een belangrijk aspect van het advies is dat de analyses cijfermatig worden onderbouwd. Een cijfermatige analyse is in een aantal gevallen, bijvoorbeeld bij het bepalen van de hoogte van de risicodekking, noodzakelijk om te kunnen nagaan of het advies aansluit bij het klantprofiel. Ook is het noodzakelijk dat de klant inzicht heeft in de financiële implicaties of financiële onderbouwing (bijvoorbeeld bij de geadviseerde dekking voor een risicoverzekering) om het advies goed te kunnen beoordelen.

2h.2 Adviesverantwoordelijkheid nemen.

De kandidaat formuleert zijn advies en motiveert dit. De kandidaat bespreekt het advies en de motivering met de klant, waarbij hij de klant duidelijk maakt hoe het advies aansluit bij zijn profiel.

Advies geven is niet uitsluitend de wens van de klant volgen, maar daadwerkelijk advies geven op basis van eigen inzicht en kunnen. Indien het advies niet wordt opgevolgd, zal de klant moeten worden gewaarschuwd voor de consequenties van het niet (geheel of gedeeltelijk) opvolgen van zijn advies.

2h.3 Handelen op gewijzigde omstandigheden tijdens het adviestraject.

De kandidaat kan de gevolgen van wezenlijke wijzigingen tijdens het advies- en aanvraagtraject voor klant en aanbieder inschatten op consequenties en hiernaar op een juiste manier handelen.

Bijvoorbeeld: ontslag werknemer tijdens aanvraagtraject alsnog aankaarten bij aanbieder.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kenmerken kritische situatie

Waardering van de kandidaat

Eindterm 3c

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij een vermogensadvies kan plannen, ontwerpen en aan de klant kan presenteren.

3c.1 Het adviestraject plannen.

Heeft een opdracht van een nieuwe relatie via verschillende kanalen gekregen.

Creëert acceptatie bij de verschillende partijen, vormt zich een beeld van de opdrachtgever en zijn (financiële) omstandigheden. Hanteert hierbij de eventuele spanning tussen kosten en baten van de uitgebrachte adviezen en de zorgvuldigheid van het advies.

Heb ik alle stappen in de goede volgorde voor de klant gezet? Ben ik niet te snel naar de productoplossing gegaan?

3c.2 De verschillende voorstellen en/of offertes vanuit de wensen van de klant prioriteren en verklaren.

 

Vergelijkt voorstellen en/of offertes van financiële instellingen met elkaar. Gaat bij vergelijking van voorstellen en/of offertes zoveel mogelijk uit van gelijke en reële uitgangspunten.

Kan de verschillen in begrijpelijke taal verklaren en met voorbeelden verduidelijken.

Verantwoordt zijn handelen en motiveert zijn afwegingen in concrete situaties wanneerbedrijfsbelangen en klantenbelang conflicteren. Voert eventueel vanuit de belangenafweging van de klant maatregelen door die in de perceptie van de klant vervelend zijn.

Handel ik integer en professioneel in verband met mijn eigen positie en de klantbelangen?

3c.3 Een passende oplossing ontwerpen.

 

Vertaalt alle ingewonnen informatie op een juiste wijze naar een passende oplossing

Gaat om met tegenstrijdige prioriteiten/doelstellingen. Signaleert deze, benoemt deze en koppelt deze terug naar de klant, om vervolgens tot een passend advies te komen.

Verantwoordt zijn handelen en motiveert zijn afwegingen in concrete situaties wanneer eigen positie (bedrijfsbelangen) en klantenbelang conflicteren.

 

3c.4 Het samengestelde advies bespreken in samenhang met onder meer de verkregen financiële gegevens van de klant.

 

Geeft passend advies. Wijst op betaalbaarheid. Verwerkt de financiële gegevens in het advies.

Vertelt ook over eventuele negatieve vermogensontwikkelingen, toetst of klant bewust is van financiële risico’s. Spiegelt de klant geen te positieve rendementen voor. Verantwoordt zijn handelen en motiveert zijn afwegingen wanneer eigen positie (bedrijfsbelang) en klantbelang conflicteren.

Durf ik met de klant slechte vermogensontwikkeling te bespreken?

Durf ik voorbeelden te bespreken om ten laste van het besteedbaar inkomen besparingen te realiseren voor het verbeteren van de vermogenssituatie?

Breng ik voldoende het lange termijn perspectief aan bij vermogensopbouw en afbouw bij klanten die in het hier en nu willen leven?

3c.5 Het ontworpen advies specifiek m.b.t. beleggingsobjecten bespreken.

Presenteert zijn advies naar aanleiding van zijn bevindingen.

Gelet op de risicogevoeligheid gekoppeld aan complexiteit, is het advies uitgebreid, kritisch en voor de klant begrijpelijk.

Kandidaat heeft alle kenmerken van het specifieke beleggingsobject in kaart gebracht.

Kandidaat kan juridische eigendomsconstructies en juridische houdbaarheid van het specifieke beleggingsobject goed uitleggen.

Is het realistisch is om het product individueel aan te bieden en te onderhouden? Is het product verhandelbaar?

Heb ik voldoende alternatieven aangeboden?

Moet ik de klant het product niet afraden?

Taak 4 Beheren en actueel houden van het advies

Kennis

Nummer toetsterm

Omschrijving toetsterm

Kennisniveau

Eindterm 1o

De persoon baseert zijn werkzaamheden in het kader van het beheer en actueel houden van advies op grondige kennis van wet- en regelgeving.

1o.1

De kandidaat omschrijft de mogelijkheden en gevolgen met betrekking tot wijziging, afkoop of beëindiging van financiële producten, omschrijft de voorwaarden en gevolgen daarvan voor financiële producten.

K

1o.2

De kandidaat kan de fiscale gevolgen bij wijzigingen, bijvoorbeeld als gevolg van echtscheiding, afkoop of beëindiging van financiële producten in het kader van verschillende belastingregimes, in combinatie met het overgangsregime van IB 2001 uitleggen.

B

1o.3

De kandidaat kan het begrip fiscaal erkende pensioenregeling uitleggen.

B

Eindterm 1p

De persoon stelt in het kader van het beheer en actueel houden van het advies vast, of bijsturing van het risicoprofiel nodig is, met betrekking tot transacties in financiële instrumenten of beleggingsobjecten.

1p.1

De kandidaat kan scheefgroei in en rebalancing (herschikking) van een portefeuille definiëren.

K

1p.2

De kandidaat kan uitleggen waarom er bij scheefgroei gerebalanced moet worden.

B

1p.3

De kandidaat kan aanwijzen welke zaken in het profiel kunnen veranderen.

K

1p.4

De kandidaat kan de situaties benoemen waarin hij zijn klant moet vragen naar de veranderingen die van invloed zijn op het profiel.

K

1p.5

De kandidaat kan uitleggen wat het effect is van een wijziging in het profiel van de klant op het risicoprofiel van de klant.

B

1p.6

De kandidaat kan uitleggen wat de klant moet doen wanneer er sprake is van een wijziging in zijn financiële situatie.

B

1p.7

De kandidaat kan de provisie- en vergoedingsregels uitleggen aan de klant.

B

Vaardigheden

Vaardigheid (V)

De kandidaat kan:

Norm/Resultaat/Prestatie-indicator

Toelichting op vaktechnische of communicatieve aspecten van de vaardigheid of omstandigheden rond de vaardigheid

Eindterm 2i

De persoon beschikt over het vermogen om:

• het vermogensadvies te beheren en actueel te houden.

• het beheertraject op een adequate wijze vast te leggen in het klantdossier.

2i.1 De klant ondersteunen bij het invullen van alle benodigde documenten op elk relevant moment tijdens de looptijd van de financiële producten.

Controleert de relevante producten.

Ondersteunt klant bij de aanvraag premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, uitkeringen, switchen, overdracht, wijziging begunstiging, aanvaarding begunstiging deblokkering etc.

2i.2 De lopende contracten m.b.t. de klant gedurende de looptijd actief beheren.

Past het advies aan op basis van (relevante) wetswijzigingen of wijziging in de omstandigheden van de klant zoals:

– start en einde dienstbetrekking;

– overlijden;

– arbeidsongeschiktheid;

– pensionering/eerder stoppen met werken;

– studerende kinderen

– (mogelijk) faillissement

In de verschillende fasen van de levensloop van de klant kunnen verwachte en onverwachte gebeurtenissen plaats vinden. Deze gebeurtenissen moeten vertaald worden naar een aanpassing of beëindiging van de lopende overeenkomst, dan wel een nieuwe oplossing adviseren.

2i.3 Beoordelen of er wijzigingen zijn in het klantprofiel.

Past het profiel op een juiste wijze aan op de actuele situatie. Klant is akkoord met te gebruiken profiel, al of niet aangepast.

Klant is op de hoogte van de (mogelijke) gevolgen van de wijzigingen van het profiel.

In de verschillende fasen van de levensloop van de klant kunnen verwachte en onverwachte gebeurtenissen plaats vinden. Deze gebeurtenissen moeten vertaald worden naar een nieuw profiel.

2i.4 Het verloop van de beleggingsportefeuille en of -oplossing bespreken.

De klant begrijpt op welke wijze de portefeuille of beleggingsoplossing aansluit bij zijn risicoprofiel en zijn beleggingsdoelstellingen. De economische ontwikkelingen, die van invloed zijn geweest op de performance van de portefeuille, worden besproken.

De kandidaat waarschuwt actief bij bepaalde situaties.

De portefeuille dient voor belegging van voorzieningen voor de oude dag (derde pijler), voor specifieke toekomstige uitgaven of voor vrij te besteden vermogen. De sociale, economische en culturele kenmerken van klant verschillen zeer sterk. Klanten kunnen extreem zijn in risicoaversie en risicoperceptie. Klanten hebben de neiging om risicoprofielen aan te passen aan marktomstandigheden.

2i.5 Beoordelen of de allocatie aangepast moet worden.

Tijdens mutatiemomenten signaleert de kandidaat tijdig of de door de klant verstrekte informatie en/of verandering in persoonlijke financiële situatie gevolgen hebben voor het risicoprofiel van de klant, zodat de strategische assetallocatie bijgesteld kan worden en andere passende financiële instrumenten kunnen worden geselecteerd.

Kandidaat onderkent de hoofdsomrisico’s.

De allocatie sluit aan bij de actuele doelstellingen van de klant.

Kandidaat geeft advies op basis van de wijzigingen.

Het is van groot belang om hoofdsomrisico’s te onderkennen en te beheersen tegen het einde van de looptijd van de belegging of het ingaan van de besteding van de belegging, (ingaan pensioen, aflossen hypotheek ed.)

2i.6 Het beheertraject op de juiste wijze vastleggen in het klantdossier.

Dossier bevat de juiste gegevens en deze zijn op een makkelijke manier terug te vinden.

Te beoordelen is of het beheer op een juiste manier heeft plaatsgevonden.

In verband met de zorgplicht is een goede vastlegging en archivering van belang. Ook in het kader van het toezicht is het van belang dat het dossier compleet en goed reconstrueerbaar is.

De Wet Bescherming Persoonsgegevens moet daarbij betrokken worden.

Competenties

Competentie (C)

De kandidaat kan:

Context

Kritische kenmerken van de situatie

Waardering door de kandidaat

Eindterm 3d

De persoon demonstreert en/of bewijst dat hij het uitgebrachte advies kan beheren en actueel houden.

3d.1 Een lopend contract beheren.

Gedurende de looptijd van de verzekering.

Kandidaat is zorgvuldig, zodat de oplossing zoveel mogelijk aansluit bij de situatie van de klant op het (tussentijdse) moment van advies. Reageert proactief op het aspect van beheersing van risico’s in de persoonlijke situatie van de klant.

Reflectie op juistheid van dekking in specifieke situatie van de klant.

Maak ik een juiste inschatting van het belang van de verzekering voor de klant?

Hoe tarifeer ik beheer?

3d.2 Een vermogensoplossing actueel houden.

Verandering in situatie van klant of aanpassing wetgeving of financiële markt.

Kandidaat reageert proactief op veranderingen.

Kandidaat reageert op uitspraken van de klant.

Verschillende situaties in de levensfase kennen verschillende emoties bij de klant. Kandidaat gaat goed om met deze emoties.

De kandidaat is zorgvuldig en kan beoordelen of de gewijzigde gegevens in de productoplossing aansluiten bij de situatie van de klant.

Onderken ik tijdig aspecten van positieve en negatieve ontwikkelingen in de relatie. Hoe maak ik deze bespreekbaar met de klant?

Hoe tarifeer ik het beheer?

Zijn de wijzigingen belangrijk genoeg om een aanpassing van de verzekering te rechtvaardigen?

Zou de klant zonder doorgeven wijziging niet goed verzekerd meer zijn?

Reflectie over de juiste manier van actueel houden van de verzekering. Weegt de inspanning op tegen het belang van de wijziging?

3d.3 De belanghebbenden informeren.

Soms is er sprake van incidenteel advies bij een klant, maar meestal is er sprake van een (jarenlange) zakelijke relatie tussen adviseur en klant.

Informeert de belanghebbenden tijdig en correct.

Voert het beheers- en voortgangsgesprek op een juiste wijze.

Verstrekt mondeling en schriftelijk begrijpelijke informatie naar de belanghebbenden.