Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 1 maart 2013, nr. IENM/BSK-2012/6687, tot wijziging van de Regeling vaststelling vergoeding voor wegbeheerders bij exceptionele transporten in verband met de introductie van de digitale wegenkaart bij langlopende ontheffingen

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 149b, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

ARTIKEL I

Artikel 1 van de Regeling vaststelling vergoeding voor wegbeheerders bij exceptionele transporten komt te luiden:

Artikel 1

  • 1. Een wegbeheerder ontvangt van de Dienst Wegverkeer voor elke incidentele ontheffing die wordt verleend ingevolge artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer transporten die over een weg voeren die onder zijn beheer staat, een vergoeding ter hoogte van € 16,–.

  • 2. Een wegbeheerder ontvangt van de Dienst Wegverkeer voor langlopende ontheffingen die worden verleend ingevolge artikel 149a, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer transporten die over een weg voeren die onder zijn beheer staat, een vergoeding ter hoogte van:

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid, ontvangt een wegbeheerder van de Dienst Wegverkeer een vergoeding van nihil voor ontheffingen verleend voor samenstellen, met een laadlengte van tenminste 18 meter of een vergelijkbare laadlengte indien de voertuigen zijn ingericht voor het vervoer van afneembare laadstructuren bestaande uit ten hoogste drie voertuigen en ingericht voor het vervoer van goederen waarvan de totale lengte niet meer bedraagt dan 25,25 meter en de totale massa niet meer dan 60 ton.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

TOELICHTING

De Regeling vaststelling vergoeding voor wegbeheerders bij exceptionele transporten wordt gewijzigd in verband met de introductie van de digitale wegenkaart bij de verlening van langlopende ontheffingen voor exceptionele transporten. Op grond van artikel 149b, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ontvangt de wegbeheerder voor het verstrekken van gegevens en informatie, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, en voor het verlenen van toestemming, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, van de Dienst Wegverkeer (RDW) een vergoeding die is gebaseerd op het aantal en de aard van de verleende ontheffingen voor wegen die onder zijn beheer staan. Met de onderhavige wijzigingsregeling wordt de systematiek voor de berekening van de hoogte van die vergoeding voor langlopende ontheffingen gewijzigd.

Een nieuwe afdrachtregeling is noodzakelijk in verband met de introductie van een wegenkaart bij langlopende ontheffingen. Deze wegenkaart wordt net als bij de ontheffingen voor Langere en Zwaardere Vrachtauto’s (LZVs) in digitale vorm ter beschikking gesteld. De digitale wegenkaart draagt substantieel bij aan een inzichtelijke en overzichtelijke langlopende ontheffing, hetgeen in het belang is van zowel gebruikers als handhavende instanties. Als gevolg van deze uniforme wegenbijlage zullen alle wegen voor de aanvragers beschikbaar komen die door de wegbeheerders zijn vrijgegeven voor exceptionele transporten die binnen de maatvoering van de langlopende ontheffingen vallen. Dit betekent dat niet langer per individuele langlopende ontheffing een specifiek aantal wegen wordt vrijgegeven, maar dat voor de houders van een langlopende ontheffing alle wegen toegankelijk zijn waarvoor wegbeheerders toestemming hebben verleend en die zijn opgenomen op de digitale wegenkaart. Als gevolg daarvan is het niet langer mogelijk om de hoogte van de vergoeding rechtstreeks te koppelen aan het aantal afgegeven langlopende ontheffingsdocumenten per wegbeheerder.

Om die reden is in de regeling een nieuwe systematiek opgenomen voor de berekening van de vergoeding die iedere wegbeheerder van de RDW ontvangt voor zijn inspanningen in verband met de verlening van langlopende ontheffingen. De wegbeheerder ontvangt niet langer een vergoeding per afgegeven langlopende ontheffing, maar een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van een vaste verdeelsleutel. De vergoeding per wegbeheerder bedraagt een percentage van het totaal vastgestelde bedrag dat ter vergoeding aan de wegbeheerders wordt overgemaakt, waarbij wordt gerekend met een bedrag van € 22 per ontheffingsdocument. Dit percentage wordt per wegbeheerder vastgesteld op basis van het aantal incidentele ontheffingen dat jaarlijks wordt verleend voor wegen onder zijn beheerder. Reden hiervoor is dat het aantal verleende incidentele ontheffingen voor een bepaalde weg een goede graadmeter is voor het gebruik van die weg voor exceptionele transporten in het algemeen. Een weg die door zijn ligging en kenmerken vaak gebruikt wordt voor incidentele exceptionele transporten, wordt in de regel ook vaak bezocht door transporten op basis van de landelijk geldende langlopende ontheffing.

Het volgende voorbeeld geeft aan hoe de vergoeding per wegbeheerder berekend wordt. Gedurende een kalenderjaar verleent de RDW in totaal 1000 langlopende ontheffingen en 1500 incidentele ontheffingen voor exceptionele transporten. De totale vergoeding van de RDW aan de wegbeheerders voor de langlopende ontheffingen bedraagt in dat geval € 22.000 (1000 x € 22 = € 22.000). De RDW verleent in hetzelfde jaar 75 incidentele ontheffingen voor wegen die onder de verantwoordelijkheid van wegbeheerder y vallen. Wegbeheerder y zal 3% van de totale vergoeding ontvangen (45/1500 x 100% = 3%). Dit betekent dat wegbeheerder y in dat jaar € 660 ontvangt van de RDW.

Over deze wijziging van de vergoedingssystematiek bij langlopende ontheffingen is in het kader van het Overleg exceptionele transporten, bedoeld in artikel 149a, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, overeenstemming bereikt tussen de betrokken partijen.

Het oude tweede lid van artikel 1 van de regeling inzake de ontheffingverlening voor LZVs is vernummerd tot het derde lid, maar is inhoudelijk ongewijzigd.

Deze regeling heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van burgers en bedrijven en leidt niet tot inhoudelijke nalevingskosten.

De invoeringstermijn van deze regeling wijkt af van de uitgangspunten van het beleid inzake de vaste verandermomenten. Deze regeling heeft echter geen gevolgen voor burgers en bedrijven. Gelet op de introductie van de digitale wegenkaart met ingang van 1 april 2013 is bovendien meegewogen dat uitstel van de datum van inwerkingtreding van deze regeling grote nadelen met zich meebrengt op het terrein van de uitvoering van de ontheffingverlening door de RDW. Om die reden is ervoor gekozen de regeling in werking te doen treden op het eerstvolgende vaste verandermoment, hoewel de invoeringstermijn korter is dan twee maanden.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

Naar boven