Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2013, 33825Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 3 december 2013, nr. IENM/BSK-2013/271781, tot wijziging van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (tijdelijke uitzondering voor buisleidingen voor aardolieproducten)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 3, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen;

Besluit:

ARTIKEL I

In paragraaf 3 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen wordt na artikel 5a een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5b

  • 1. Artikel 6, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing op een buisleiding voor aardolieproducten indien het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door die buisleiding, op 1 januari 2011 hoger was dan 10-6 per jaar.

  • 2. Dit artikel vervalt op een door de Minister van Infrastructuur en Milieu te bepalen tijdstip.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld

TOELICHTING

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb) bepaalt in artikel 17, eerste lid, dat indien op het tijdstip waarop het Bevb op een buisleiding van toepassing wordt het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object, veroorzaakt door een buisleiding hoger is dan 10-6 per jaar, de exploitant er voor zorgt dat binnen drie jaar na dat tijdstip het plaatsgebonden risico die waarde niet meer overschrijdt. De termijn van drie jaar loopt af op 1 januari 2014.

Het risico van buisleidingen dat hoger is dan de wettelijke norm moet worden verlaagd door het treffen van risicobeperkende maatregelen. Door de exploitanten van buisleidingen zijn inmiddels risicobeperkende maatregelen getroffen om aan deze eis te voldoen. Graafactiviteiten in de buurt van buisleidingen bepalen voor een belangrijk deel de kans op falen van de buisleiding. De risicobeperkende maatregelen om het falen van buisleidingen door graafschade te voorkomen zijn verwerkt in de Rekenmethodiek Bevb.

Voor buisleidingen met aardgas zijn deze risicobeperkende maatregelen voldoende om de geconstateerde overschrijdingen van de norm voor het plaatsgebonden risico op te lossen.

Voor buisleidingen met aardolieproducten is het toepassen van alleen de genoemde risicobeperkende maatregelen onvoldoende om de geconstateerde overschrijdingen van de norm voor het plaatsgebonden risico op te lossen. Het falen van buisleidingen met aardolieproducten wordt, anders dan van buisleidingen met aardgas, mede beïnvloed door corrosievorming. De exploitanten van buisleidingen met aardolieproducten hebben inmiddels risicobeperkende maatregelen getroffen om corrosievorming tegen te gaan, dan wel tijdig te ontdekken. Deze maatregelen moeten echter nog worden verwerkt in de Rekenmethodiek Bevb voor het berekenen van het risico van buisleidingen, om effect te sorteren op het berekende risico. De waardering van de risicobeperkende maatregelen voor corrosievorming is op dit moment nog niet afgerond. Eerst na deze waardering kan de Rekenmethodiek Bevb worden aangepast. De Rekenmethodiek Bevb is in de artikelen 6 en 7 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen (hierna: Revb) verplicht gesteld voor het uitvoeren van risicoberekeningen voor buisleidingen. Nu de exploitanten van buisleidingen voor aardolieproducten risicobeperkende maatregelen hebben getroffen om te voldoen aan hun saneringsverplichting, maar deze risicobeperkende maatregelen deels nog moeten worden verwerkt in de geldende rekenmethodiek en de Revb, kunnen zij in redelijkheid niet aan de saneringsverplichting worden gehouden tot het moment dat de rekenmethodiek en de Revb daarop zijn aangepast.

De exploitanten van buisleidingen voor aardolieproducten hebben ervoor gepleit om de saneringstermijn gelijk te trekken met het moment waarop alle genomen risicobeperkende maatregelen voor buisleidingen voor aardolieproducten zijn gewaardeerd en in de rekenmethodiek en de regeling zijn verwerkt. Dit om te voorkomen dat zij per 1 januari 2014 hun buisleidingen in strijd met het Bevb exploiteren.

In artikel 3, tweede lid, van het Bevb wordt de minister de mogelijkheid geboden om bij regeling af te wijken van de in artikel 3, eerste lid, van het Bevb opgenomen verplichting voor exploitanten om aan de in dat besluit opgenomen eisen te voldoen. Eén van de redenen om van die verplichting bij ministeriële regeling af te kunnen wijken is dat het wegens bepaalde omstandigheden in redelijkheid niet van de exploitant kan worden gevergd. Met deze regeling wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt op grond van de bovenomschreven redenen.

Er wordt een uitzondering gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het besluit voor buisleidingen waar het plaatsgebonden risico voor een kwetsbaar object op 1 januari 2011 hoger was dan de 10-6 per jaar. De uitzondering is nodig omdat op grond van artikel 17 van het besluit die waarde na drie jaar niet hoger mag zijn dan de in artikel 6, eerste lid, genoemde waarde. De uitzondering zal blijven gelden tot het tijdstip waarop dit artikel door de minister zal worden ingetrokken. Dat tijdstip zal samenvallen met het tijdstip van inwerkingtreding van een in voorbereiding zijnde wijziging van de Revb waarin verwezen zal worden naar een -aan de voor de benodigde waardering van corrosiebeperkende maatregelen- aangepaste Rekenmethodiek Bevb. Er wordt naar gestreefd om deze wijzigingsregeling uiterlijk 1 juli 2014 in werking te laten treden.

Het uitzonderen van de buisleidingen voor aardolieproducten van de in artikel 6, eerste lid, opgenomen norm is neutraal voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de nalevingskosten omdat de risicoreducerende maatregelen al door de exploitanten zijn getroffen.

Met betrekking tot het kabinetsbesluit tot instelling van Vaste Verandermomenten (VVM) wordt het volgende opgemerkt. Ingevolge dat besluit dient een regeling op 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober in werking te treden en minimaal twee maanden voor inwerkingtreding te worden gepubliceerd. Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2014; publicatie zou dan vóór 1 november 2013 plaats moeten vinden. Eén van de uitzonderingsgronden waarop kan worden afgeweken van de VVM is dat er hoge dan wel buitensporige private of publieke voor- of nadelen van vertragingen van invoering van een regeling optreden. Daarvan is in dit geval sprake omdat de eerstvolgende publicatiedatum volgens de VVM 1 april 2014 zou zijn. Dat betekent dat per 1 januari 2014 een exploitant niet aan het Bevb voldoet en er handhavend opgetreden kan worden. Een exploitant kan dan niet aantonen in welke mate de door hem getroffen corrosiebeperkende maatregel bijdraagt aan het voldoen aan het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. Dat heeft tot gevolg dat de buisleiding niet mag worden geëxploiteerd.

De gevolgen van het uitstel van de saneringstermijn voor het risico voor mens en milieu zijn beperkt, omdat de risicoreducerende maatregelen feitelijk al door de exploitanten zijn getroffen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld