Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2013
Nr. 29945

Gepubliceerd op 25 oktober 2013 09:00



Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie

21 oktober 2013

Nummer: BS2013028648

De Minister van Defensie,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede de artikelen 2, 8 en 10 van de Wet veiligheidsonderzoeken;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    a. wet:

    Wet veiligheidsonderzoeken;

    b. verklaring:

    verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet;

    c. vertrouwensfunctie:

    functie die krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet als zodanig is aangewezen;

    d. veiligheidsonderzoek:

    veiligheidsonderzoek als bedoeld in artikel 7 van de wet;

    e. betrokkene:

    persoon die belast is met een vertrouwensfunctie, alsmede de persoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet, die wordt belast met de vervulling van een vertrouwensfunctie, alsmede de persoon als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet die is belast met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen;

    f. gegevens:

    gegeven of gegevens, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;

    g. partner:
    • (1) echtgenoot, echtgenote of geregistreerd partner van betrokkene, of

    • (2) degene waarmee betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad, of

    • (3) degene ten aanzien van wie uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat deze een affectieve relatie met betrokkene onderhoudt, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad;

    h. commandant:

    hoofd van het Defensieonderdeel als bedoeld in het Algemeen Organisatiebesluit Defensie 2005;

    i. AIVD:

    Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;

    j. MIVD:

    Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

  • 2. Deze beleidsregel bevat regels die worden toegepast bij de uitoefening van de bevoegdheid van de Minister van Defensie tot het weigeren of intrekken van een verklaring op grond van de artikelen 2, 8 en 10 van de wet.

  • 3. Deze beleidsregel is van toepassing op veiligheidsonderzoeken en hernieuwde veiligheidsonderzoeken naar personen die door de Minister van Defensie aangewezen vertrouwensfuncties vervullen dan wel wensen te vervullen.

Artikel 2

  • 1. Het weigeren van een verklaring als bedoeld in artikel 8 van de wet en het intrekken van een verklaring als bedoeld in artikel 10 van de wet vindt in de regel plaats indien het naar betrokkene ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd betreffende het feit dat betrokkene is veroordeeld voor het plegen van, dan wel deelnemen aan, dan wel een transactie heeft aanvaard dan wel jegens hem/haar een strafbeschikking is opgelegd voor:

    • a. een strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet;

    • b. een strafbaar feit als omschreven in titel XIV, tweede boek, met uitzondering van de artikelen 239 en 240, van het Wetboek van Strafrecht;

    • c. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een mogelijke gevangenisstraf van drie jaar of meer is gesteld, met uitzondering van het misdrijf als bedoeld in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    • d. een of meer misdrijven, indien de vertrouwensfunctie wordt vervuld bij de Koninklijke Marechaussee.

  • 2. Het weigeren van een verklaring als bedoeld in het eerste lid vindt eveneens plaats indien betrokkene wordt verdacht van een van de daar gestelde strafbare feiten.

  • 3. Bij de beoordeling van de in het eerste lid genoemde strafbare feiten wordt rekening gehouden met:

    • a. de aard van het gegeven;

    • b. de pleegdatum van het strafbare feit;

    • c. de zwaarte van de opgelegde straf of maatregel;

    • d. de leeftijd van betrokkene ten tijde van de pleegdatum van het strafbare feit.

  • 4. Indien het ingestelde veiligheidsonderzoek andere justitiële gegevens van betrokkene heeft opgeleverd dan genoemd in het eerste lid, wordt bij de beoordeling of een verklaring moet worden geweigerd of ingetrokken rekening gehouden met:

    • a. de in het derde lid genoemde factoren;

    • b. de relatie van de justitiële en strafvorderlijke gegevens tot de specifieke (te vervullen) vertrouwensfunctie(s);

    • c. de zienswijze van de commandant, in het geval betrokkene reeds een functie bij het Ministerie van Defensie vervult.

  • 5. Justitiële gegevens van de partner als bedoeld in het eerste en vierde lid, kunnen ook bij het veiligheidsonderzoek van betrokkene in beschouwing worden genomen. Het vierde lid is hierbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

De commandant van betrokkene wordt geïnformeerd over een voornemen tot intrekking van een verklaring als bedoeld in artikel 10 van de wet. In de gevallen, bedoeld in artikel 2, vierde lid, raadpleegt de MIVD schriftelijk de commandant omtrent de persoon van betrokkene. In de overige gevallen waarin sprake is van een voornemen tot intrekking van een verklaring staat het de commandant vrij op eigen initiatief een zienswijze aan de MIVD te verstrekken.

Artikel 4

  • 1. Bij een A of E veiligheidsonderzoek worden in beginsel de gegevens over een periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanmelding beoordeeld; bij een B, C of D veiligheidsonderzoek geldt in beginsel een periode van acht jaar.

  • 2. Met betrekking tot de partner van de betrokkene (indien van toepassing) worden in beginsel de gegevens over een periode van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanmelding beoordeeld.

Artikel 5

Het weigeren van een verklaring als bedoeld in artikel 8 van de wet kan plaatsvinden:

  • a. indien de betrokkene of diens partner direct voorafgaand aan de aanmelding voor een veiligheidsonderzoek niet gedurende een aaneengesloten periode van respectievelijk tien dan wel acht jaar (voor betrokkene) of vijf jaar (voor de partner van betrokkene) in Nederland verbleef en

  • b. het voor de MIVD niet mogelijk is over de ontbrekende periode, wegens het niet bij de AIVD of MIVD aanwezig zijn van een daartoe geëigende samenwerkingsrelatie op het gebied van veiligheidsonderzoeken met een collega-dienst van het land of de landen waar de betrokkene of diens partner verblijf heeft gehouden, voldoende gegevens over de betrokkene of diens partner te verkrijgen.

Artikel 6

Het weigeren van een verklaring als bedoeld in artikel 8 van de wet en het intrekken van een verklaring als bedoeld in artikel 10 van de wet, kan plaatsvinden indien overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden van betrokkene of diens partner aanleiding geven te concluderen dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Hierbij worden de criteria en indicatoren als genoemd in de ‘Leidraad persoonlijke gedragingen en omstandigheden’ gehanteerd.

Artikel 7

  • 1. Ten aanzien van veiligheidsonderzoeken die zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel blijven de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee van 25 mei 1997, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie, van toepassing.

  • 2. Ten aanzien van hernieuwde veiligheidsonderzoeken die worden ingesteld na de inwerkingtreding van deze beleidsregel geldt voor de toepassing van artikel 4 dat gegevens over betrokkene die dateren van vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel, worden beoordeeld overeenkomstig de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee van 25 mei 1997, zoals deze luidden op het tijdstip van inwerkingtreding van de Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie.

Artikel 8

De Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee van 25 mei 1997 worden ingetrokken.

Artikel 9

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 november 2013.

Artikel 10

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie.

Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 oktober 2013

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert.

TOELICHTING

Algemeen

  • 1. Op grond van artikel 4 van de Wet veiligheidsonderzoeken (de wet) kan iemand eerst worden belast met de vervulling van een vertrouwensfunctie bij het Ministerie van Defensie nadat door de minister van Defensie een verklaring is afgegeven inhoudende dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van de vertrouwensfunctie door die persoon. Gelet op de artikelen 8 en 10 van de wet heeft de minister van Defensie de bevoegdheid een verklaring te weigeren dan wel in te trekken als blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Daarnaast heeft de minister de bevoegdheid de verklaring te weigeren indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om over het bovengenoemde een oordeel te geven (artikel 8, tweede lid van de wet).

  • 2. Alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, wordt door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) ten aanzien van de betrokken persoon een veiligheidsonderzoek ingesteld. Ook aan het intrekken van een verklaring zal over het algemeen een veiligheidsonderzoek vooraf gaan. Bij het veiligheidsonderzoek wordt gelet op:

    • a. de justitiële gegevens die ten behoeve van het veiligheidsonderzoek zijn verkregen;

    • b. deelneming of steunverlening aan activiteiten die de nationale veiligheid kunnen schaden;

    • c. lidmaatschap van of steunverlening aan organisaties die doeleinden nastreven, dan wel ter verwezenlijking van hun doeleinden middelen hanteren, die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde;

    • d. overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden, naar aanleiding waarvan mag worden betwijfeld of de betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

  • 3. Met deze beleidsregel wordt beoogd aan te geven welk beleid wordt gevoerd met betrekking tot de beoordeling van de justitiële gegevens bij veiligheidsonderzoeken in verband met vertrouwensfuncties aangewezen door de Minister van Defensie. Deze beleidsregel treedt in de plaats van de ‘Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie’ en de ‘Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee’ van 25 mei 1997 en is mede gebaseerd op de ‘Beleidsregel justitiële gegevens veiligheidsonderzoeken’ en de ‘Beleidsregel beoordelingsperiode en onvoldoende gegevens veiligheidsonderzoeken’ van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Met deze beleidsregel wordt voorts beoogd invulling te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van toezicht betreffende de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD), zoals onder meer verwoord in de rapporten 11a en 30a van de CTIVD. Tevens is in deze beleidsregeling de periode aangegeven die in een veiligheidsonderzoek dient te worden onderzocht. De hantering van deze periode is reeds bestendig beleid en komt overeen met de periodes die zijn vastgelegd in de beleidsregeling van de AIVD. Indien in het veiligheidsonderzoek wordt vastgesteld dat over die periode geen gegevens kunnen worden verkregen, leidt dit tot de beoordeling dat het onderzoek onvoldoende gegevens heeft opgeleverd.

  • 4. Het afgeven, weigeren dan wel intrekken van de verklaring is een beschikking in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal derhalve gemotiveerd worden genomen. De minister van Defensie handelt overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor betrokkene gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (overeenkomstig artikel 4:84 van de Awb) of strijdigheid met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zou opleveren.

De rol van de commandant en de samenwerking met de MIVD

  • 5. De Defensieorganisatie kenmerkt zich door een veelheid van grotere en kleinere, veelal decentraal gesitueerde organisatie-eenheden. Daarnaast is het merendeel van de eenheden in directe of indirecte zin betrokken bij het voorbereiden of uitvoeren van militaire operaties. Dit samenstel van omstandigheden, tegen de achtergrond van het belang van de nationale veiligheid, brengt met zich mee dat een goede interactie tussen de Hoofden van de Defensieonderdelen en de MIVD van groot belang is. Als eenduidig aanspreekpunt is voor de toepassing van deze beleidsregel gekozen voor de commandant, zijnde het niveau Hoofden van Defensieonderdelen, als bedoeld in het Algemeen organisatiebesluit Defensie 2005. Deze commandanten, c.q. een door elk van hen aan te wijzen functionaris, fungeren als primair aanspreekpunt voor de MIVD. Voor wat betreft personeel dat reeds een functie bij Defensie vervult zijn zij in staat tijdig de informatie in te winnen en te verstrekken die voor de beoordeling noodzakelijk kan zijn. In voorkomend geval zal deze commandant bij voornemens tot intrekking ten aanzien van militairen zijn zienswijze moeten afstemmen met de commandant van het betreffende operationeel commando, zie verder de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3. Overigens brengt de hierna uiteen te zetten systematiek van normering met zich mee dat in sommige gevallen meer en andere gevallen uitdrukkelijk minder gewicht kan worden toegekend aan de zienswijze van de commandant omtrent de (militaire) ambtenaar in kwestie. Mede in het licht van de operationele taakstelling van de meeste Defensieonderdelen worden de voornoemde commandanten zo spoedig mogelijk geïnformeerd over voornemens tot intrekken van een verklaring van geen bezwaar. De commandant wordt voorts geïnformeerd over besluiten tot intrekking van de verklaring. Het informeren van de commandant houdt in dat de MIVD aan de commandant meldt dat er sprake is van onvoldoende waarborgen of onvoldoende gegevens, hetgeen aanleiding is voor het intrekken van de verklaring van geen bezwaar.

Partner

  • 6. In de beleidsregel wordt de partner van betrokkene expliciet genoemd, aangezien de partner – conform de huidige praktijk – ook bij het veiligheidsonderzoek wordt betrokken. Immers, de partner van de betrokkene moet geacht worden invloed op de gedragingen van de betrokkene te kunnen uitoefenen. Een partner wordt bij het veiligheidsonderzoek betrokken indien sprake is van de echtgenoot of geregistreerd partner van betrokkene (in de zin van artikel 3:46 en artikel 4:8 van het Burgerlijk Wetboek), degene waarmee de betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad, alsmede degene ten aanzien van wie uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat deze een affectieve relatie met de betrokkene onderhoudt, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad. Beïnvloeding van een partner, met wie een affectieve relatie bestaat, kan ook plaatsvinden indien de twee partners niet samenwonen. Samenwonen is immers geen voorwaarde voor het onderhouden van een affectieve relatie. Voor het oordeel of sprake is van een affectieve relatie wordt in de eerste plaats uitgegaan van het oordeel van de betrokkene en diens verklaringen ter zake. Zulks kan evenwel ook blijken uit het onderzoek. Zo worden partijen geacht elkaars partner te zijn indien zij feitelijk samenwonen, ongeacht of elk der partijen formeel een eigen adres heeft. Voor de vraag of sprake is van beïnvloeding wordt niet van belang geacht hoe lang de relatie reeds duurt.

Onderzoek na verblijf in buitenland

  • 7. Indien betrokkene of diens partner binnen de beoordelingsperiode langer dan in beginsel drie maanden onafgebroken in het buitenland heeft verbleven (een zogenaamde ‘ontbrekende periode’), ontbreken betrouwbare en verifieerbare politieke en justitiële gegevens. Het is daarom noodzakelijk dat die gegevens in het betreffende land worden opgevraagd. Dat kan in verreweg de meeste gevallen uitsluitend via een overeenkomst tussen de AIVD en de civiele dienst van dat land. Aan die overeenkomst ligt een toetsingskader ten grondslag op grond waarvan de AIVD al dan niet tot het sluiten van een dergelijke overeenkomst overgaat. Slechts in een incidenteel geval kan de MIVD rechtstreeks navraag doen via de militaire dienst van het betreffende land. Zie verder de toelichting bij artikel 5.

Verstrekking en intrekking

  • 8. De beleidsregel heeft betrekking op de beoordeling van gegevens bij de uitoefening van de bevoegdheid van de minister tot het afgeven (artikel 4 van de wet), weigeren (artikel 8 van de wet) en intrekken (artikel 10 van de wet) van een verklaring. Voor de beoordeling of sprake is van voldoende waarborgen maakt het geen verschil of een veiligheidsonderzoek betrekking heeft op een persoon die een vertrouwensfunctie ambieert of op een persoon die reeds een vertrouwensfunctie vervult.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Eerste lid

Van een vertrouwensfunctionaris die is benoemd op een zodanig kwetsbare functie dat voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn dat de vertrouwensfunctionaris de nationale veiligheid niet zal schaden, kan niet worden geaccepteerd dat hij zelf de regels overtreedt of heeft overtreden door het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een mogelijke gevangenisstraf van drie jaar of meer is gesteld. Op het plegen van misdrijven als verduistering, oplichting en afpersing is naar de wettelijke omschrijving een mogelijke gevangenisstraf van drie jaren gesteld. Misdrijven met deze of een hogere strafmaat zijn dermate zwaar dat daarmee een indicatie bestaat dat betrokkene niet onder alle omstandigheden de vertrouwensfunctie getrouwelijk zal vervullen.

Indien uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat de betrokkene voor (deelname aan) strafbare feiten met een dergelijke strafmaat is veroordeeld, een maatregel opgelegd heeft gekregen, een transactie heeft aanvaard, een (onherroepelijke) strafbeschikking opgelegd heeft gekregen, kan in het algemeen worden aangenomen dat een veiligheidsrisico aanwezig is en zal de afgifte van een verklaring in de regel worden geweigerd dan wel zal de verklaring in de regel worden ingetrokken. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de deelnemingsvormen zijn beschreven in Titel V, eerste boek, van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien de specifieke taakstelling voor Defensie alsmede de omstandigheden waaronder de Defensietaken dienen te worden uitgevoerd, worden bijzondere normen gesteld. Zo zal het plegen van ieder strafbaar feit als omschreven in artikel 13, tweede lid, van de Opiumwet als regel tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring leiden. Het drugsbeleid van Defensie, zoals beschreven in de Aanwijzing van de Secretaris-generaal nr. A/925, vindt hierbij toepassing. Dit laatste brengt met zich mee dat het voor de eerste maal aanwezig hebben van een gebruikershoeveelheid softdrugs c.q. het gebruiken van softdrugs, waarbij geen relatie met de dienst aanwezig is, zoals in voornoemde Aanwijzing nader omschreven, niet zal leiden tot intrekking van de verklaring. Op de algemene norm van het eerste lid van artikel 2, namelijk van strafbare feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een mogelijke gevangenisstraf van drie jaren of meer is gesteld, bestaan twee uitzonderingen. De lichtste vorm van mishandeling (art. 300, eerste lid Wetboek van Strafrecht) is van deze algemene norm uitgezonderd, ter continuering van het beleid zoals verwoord in de bestaande beleidsregeling. Overtreding van deze specifieke strafrechtelijke norm kan, mede gezien de samenstelling van de krijgsmacht, beter in het toetsingskader van het vierde lid van artikel 2 plaatsvinden.

Voor wat betreft de Koninklijke Marechaussee leidt, gezien de specifieke taakstelling van dat Wapen, het gepleegd hebben van ongeacht welk misdrijf als regel tot weigering c.q. intrekking van de verklaring. De Koninklijke Marechaussee heeft zowel een militaire- als een politietaak met een daarbij behorende opsporingsbevoegdheid. Van functionarissen met deze taakstelling kan niet worden geaccepteerd dat zij zelf de rechtsregels overtreden die zij moeten handhaven door het plegen van misdrijven.

Bij de beoordeling van een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een mogelijke gevangenisstraf van drie jaar of meer is gesteld, wordt een vermindering van de hoofdstraf op grond van artikel 45, tweede lid, sub b van het Wetboek van Strafrecht (poging) buiten beschouwing gelaten. Pogingen tot een misdrijf worden derhalve gelijk beoordeeld als een voltooid delict. De reden hiervan is dat het oogmerk van de dader gericht is geweest op het plegen van het feit. Dat dit feit niet is voltooid, is gelegen in omstandigheden die liggen buiten de invloedssfeer van de dader van het strafbare feit.

Tweede lid

Ook bij een verdenking van de in het eerste lid genoemde strafbare feiten zal de verklaring in de regel worden geweigerd. Indien een onherroepelijke rechterlijke beslissing volgt, kan betrokkene, indien gewenst, opnieuw solliciteren. Hoewel op grond van vaste jurisprudentie ook een verdenking van een strafbaar feit kan leiden tot twijfel aan de geschiktheid van betrokkene in de uitoefening van een vertrouwensfunctie geldt ten aanzien van reeds aangesteld personeel en hun partner dat een enkele verdenking in het algemeen niet tot intrekking van een verklaring leidt, doch zulks eerst geschiedt na een veroordeling, strafbeschikking, respectievelijk transactie. Het is daarbij niet noodzakelijk dat de veroordeling in rechte vaststaat.

Derde lid

Wanneer uit het veiligheidsonderzoek gegevens als bedoeld in artikel 2, eerste lid, naar voren komen, dan is dat in beginsel een reden tot weigering respectievelijk intrekking van een verklaring. Bij de beoordeling van deze gegevens wordt echter wel rekening gehouden met de onder artikel 2, derde lid, genoemde factoren, die hieronder worden toegelicht.

Ad a. Bij justitiële gegevens gaat het om gegevens in de zin van de Wet justitiële gegevens, artikel 1, onder a. Een strafbaar feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken, wordt niet in de beoordeling betrokken. Een strafbaar feit waarvan de betrokkene ontslag van alle rechtsvervolging heeft gekregen wordt in beginsel niet in de beoordeling betrokken. Een uitzondering op dit beginsel kan bijvoorbeeld een daarmee samenhangende gedwongen plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis zijn. Een veroordeling, een strafbeschikking en een transactie wegen even zwaar in de beoordeling, omdat deze gegevens in gelijke mate twijfel geven of betrokkene de plichten uit de vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Een beleidssepot kan worden gebruikt als een aanvullende beoordelingsfactor. Een technisch sepot wordt in beginsel niet meegenomen in de beoordeling.

Ad b. Bij de beoordeling van de justitiële gegevens wordt niet uitgegaan van de datum van vastlegging van de justitiële gegevens, maar van de pleegdatum van het strafbare feit dat daaraan ten grondslag ligt. Het is immers niet redelijk de betrokkene de tijd tegen te werpen die justitie nodig heeft om de strafzaak af te handelen. Indien de pleegdatum van het strafbare feit waarop de justitiële gegevens betrekking hebben binnen de beoordelingstermijn valt, zullen deze gegevens geheel in de beoordeling worden betrokken. Valt de pleegdatum buiten deze beoordelingstermijn, dan kunnen de gegevens in het algemeen slechts een rol spelen als het om ernstige strafbare feiten gaat of indien het strafbare feit pas veel later aan het licht is gekomen. Indien sprake is van meerdere strafbare feiten die deels binnen en deels buiten de beoordelingstermijn vallen, zullen de laatstgenoemde als aanvullende beoordelingsfactor kunnen gelden.

Ad c. In het algemeen geldt dat de opgelegde straf, maatregel, de opgelegde strafbeschikking of het aanvaarde transactieaanbod als voldoende zwaar worden aangemerkt om een weigering of intrekking van de verklaring te rechtvaardigen indien een vrijheidsstraf van ten minste 20 dagen is opgelegd, dan wel een straf is opgelegd of een transactie is aanvaard die hieraan kan worden gelijkgesteld. In artikel 22d en artikel 24c van het Wetboek van Strafrecht en de Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en LOVS-afspraken is opgenomen op welke wijze de taakstraf en de geldboete kunnen worden vergeleken met de vrijheidsstraf. Bij inwerkingtreding van deze beleidsregel wordt een taakstraf van 40 uur of meer, een vrijheidsstraf van 20 dagen of meer en een geldboete of transactie van een bedrag van € 1000,00 of meer als voldoende zwaar aangemerkt om een weigering of intrekking van de verklaring te rechtvaardigen. De hiervoor gekozen systematiek van normering brengt met zich dat in deze gevallen slechts zelden doorslaggevend gewicht kan worden toegekend aan de in geding zijnde specifieke vertrouwensfunctie c.q. de specifieke bijzonderheden van de persoon of het doorgaand gedrag van de (militaire) ambtenaar in kwestie. De hier gehanteerde ondergrens voor de beoordeling of sprake is van een zware straf geldt in beginsel echter niet voor (aspirant)vertrouwensfunctionarissen bij de Koninklijke Marechaussee en voor alle (aspirant)vertrouwensfunctionarissen ten aanzien van opium- en zedendelicten.

Ad d. Ten aanzien van minderjarigen welke naar jeugdrecht zijn berecht en gestraft, wordt aansluiting gezocht bij de vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gelet op de aard en zwaarte van de delicten, de pleegdatum van het strafbare feit, de mogelijke recidive en de zwaarte van de opgelegde straf zal worden bezien of de gegevens zodanig zijn dat er geen aanleiding is het gepleegde delict aan te merken als jeugdzonde waarop een verklaring zal worden ingetrokken of geweigerd.

Vierde lid

In artikel 2, vierde lid, wordt geregeld hoe justitiële gegevens, anders dan bedoeld in artikel 2, eerste lid, die eventueel uit het veiligheidsonderzoek over de betrokkene naar voren komen, beoordeeld dienen te worden. Bij de beoordeling worden de onder artikel 2, derde lid genoemde beoordelingsfactoren betrokken. Daarnaast dient expliciet een relatie te worden gelegd tussen de betreffende gegevens en de desbetreffende (te vervullen) vertrouwensfunctie(s). Voor militair personeel worden daarbij bezien de functie c.q. groepen van functies waarvoor betrokkene is bestemd c.q. aangesteld, krachtens artikel 12 van het Algemeen militair ambtenarenreglement. Teneinde een weigering of intrekking te kunnen dragen, dient aannemelijk te worden gemaakt dat de justitiële gegevens relevante en onaanvaardbare risico’s opleveren in de uitoefening van de (te vervullen) vertrouwensfunctie(s). Bij de afweging omtrent een intrekking wordt in voorkomend geval de zienswijze van de commandant betrokken. Hierbij geldt echter dat het op goede wijze functioneren van betrokkene op zichzelf geen oordeel geeft of sprake is van voldoende waarborgen dat betrokkene onder alle omstandigheden getrouwelijk de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten zal vervullen. In de toelichting bij artikel 3 wordt nader ingegaan op het informeren van de commandant en het indienen van een zienswijze.

Vijfde lid

In artikel 2, vijfde lid, is aangegeven dat een verklaring ook kan worden geweigerd respectievelijk ingetrokken indien er over de partner van betrokkene justitiële gegevens bekend zijn als bedoeld in het eerste en het vierde lid. Dit vindt zijn grondslag in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder d van de wet, op grond waarvan tot de gegevens omtrent de persoonlijke omstandigheden van betrokkene ook gegevens met betrekking tot de partner behoren. Immers, de partner van de betrokkene moet worden geacht invloed op de gedragingen van de betrokkene te kunnen uitoefenen. Bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de partner wordt eveneens rekening gehouden met de in het vierde lid genoemde aspecten.

Artikel 3

In het geval van een voornemen tot intrekking van de verklaring wordt de commandant altijd geïnformeerd en kan deze zijn zienswijze omtrent de persoon van betrokkene schriftelijk aan de MIVD verstrekken. Indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 2, vierde lid zal de MIVD de commandant nadrukkelijk uitnodigen een zienswijze in te dienen, waarbij de commandant expliciet wordt gevraagd om specifieke informatie die relevant kan zijn voor de beoordeling. In nadere procedureregels worden de wijze van informeren van de commandant bij intrekking van een verklaring, het format van de zogenaamde ‘uitnodiging tot zienswijze brief’, termijnen en vorm voor indiening en andere procedurele afspraken vastgelegd. De procedureregels zijn onderwerp van gesprek in het ‘klantenoverleg’ tussen de MIVD, de operationele commando’s en overige defensieonderdelen.

De commandant is – overeenkomstig de definitie in artikel 1 onder h – het hoofd van het defensieonderdeel waar de betrokkene tewerk is gesteld. De bevoegdheid tot het treffen van rechtspositionele besluiten ten aanzien van militairen berust in het algemeen bij de commandant van het operationeel commando waar de militair is aangesteld. Om die reden wordt, in het geval de militair is geplaatst bij een ander defensieonderdeel, de commandant van het operationeel commando door het hoofd defensieonderdeel geïnformeerd over het voornemen en betrokken bij het opstellen van een zienswijze. Hiermee wordt geborgd dat een complete, afgewogen en voldoende onderbouwde zienswijze kan worden opgesteld. De verantwoordelijkheid voor de zienswijze blijft niettemin berusten bij het hoofd defensieonderdeel dat voor wat betreft verklaringen van geen bezwaar het primaire aanspreekpunt voor de MIVD is. In de brief van de MIVD aan het hoofd defensieonderdeel waarin het voornemen tot intrekking bekend wordt gesteld, wordt tevens aangegeven dat in voorkomend geval de commandant van het operationeel commando van betrokken militair moet worden geïnformeerd en bij het opmaken van een zienswijze moet worden betrokken.

Artikel 4

De termijn van tien jaar is afgeleid van de overeenkomst tussen de partijen bij het Noord-Atlantisch Verdrag inzake de beveiliging van informatie van 6 maart 1997 (het NAVO-beveiligingsverdrag). In dit verdrag zijn de NAVO-landen overeengekomen bij de zwaarste vertrouwensfuncties, de functies op veiligheidsmachtigingsniveau A en E, standaard een periode van tien jaar te onderzoeken. Gelet op de aard en zwaarte van de onderzoeken ten behoeve van functies met veiligheidsmachtigingsniveau B, C en D is voor acht jaar gekozen als algemeen aanvaardbare termijn op basis waarvan een gefundeerd oordeel kan worden gegeven of betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal vervullen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt een termijn van acht jaar niet onredelijk geacht, in verband met het zwaarwegende belang van de nationale veiligheid.

Artikel 5

Volgens artikel 8, tweede lid van de wet kan een verklaring worden geweigerd indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om een oordeel te kunnen geven over de vraag of er voldoende waarborgen zijn dat de betrokkene de plichten, welke voortvloeien uit de vertrouwensfunctie, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. In artikel 4 van deze beleidsregel worden de beoordelingsperiodes voor de verschillende veiligheidsonderzoeken genoemd. Onder het begrip ‘ontbrekende periode’ wordt verstaan de periode die betrokkene binnen de beoordelingsperiode van het veiligheidsonderzoek buiten Nederland heeft verbleven. In beginsel wordt een periode van minimaal drie maanden aaneengesloten verblijf in het buitenland binnen de beoordelingsperiode van het betreffende veiligheidsonderzoek aangemerkt als een ontbrekende periode. De lengte van een dergelijke periode van verblijf in het buitenland is zodanig dat het ontbreken van relevante informatie over deze periode tot de conclusie leidt dat daarmee onvoldoende waarborgen bestaan dat betrokkene de plichten, welke voortvloeien uit de vertrouwensfunctie, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Indien de betrokkene of diens partner in de te beoordelen periode in het buitenland heeft verbleven, zal de MIVD – veelal door tussenkomst van de AIVD – proberen om door medewerking van een collega-dienst inlichtingen in te winnen. Indien een samenwerkingsrelatie met een collega-dienst ontbreekt, zal het in de regel niet mogelijk zijn de noodzakelijke politieke en justitiële gegevens in te winnen. Dit kan een grond voor weigering zijn. Diplomatieke vertegenwoordigingen van Nederland ter plaatse gelden in dit verband niet als alternatief voor een collega-dienst.

Op de MIVD rust echter ook een inspanningsverplichting om binnen de grenzen van het redelijke al datgene te doen wat nodig is om de voor een verantwoorde oordeelsvorming benodigde betrouwbare gegevens over betrokkene te verkrijgen. In sommige gevallen kan worden afgeweken van de noodzaak gegevens te verkrijgen over de gehele buitenlandse periode via een buitenlandse dienst. Dat zal doorgaans het geval zijn bij een functievervulling in het buitenland, waaronder een uitzending, van een Defensiemedewerker. Daarnaast kan worden gedacht aan rijksambtenaren die voor de Nederlandse staat een functie in het buitenland hebben vervuld. Onder bepaalde omstandigheden kan dat voorts gelden voor buitenlands verblijf wegens studie/stage en toerisme (‘backpackers’) en plaatsing in het buitenland als werknemer van een Nederlandse multinational of een bedrijf dat voldoet aan de Algemene Beveiligingseisen voor Defensie Opdrachten (ABDO).

Artikel 6

Naast de in de voorgaande artikelen genoemde gronden kunnen ook andere persoonlijke gedragingen en omstandigheden aanleiding geven een verklaring te weigeren of in te trekken. Hierbij wordt onder meer gelet op de criteria eerlijk, onafhankelijk, loyaal en integer, waarbij indicatoren als antidemocratische activiteiten, verslavingen, financiële kwetsbaarheid, ongewenste beïnvloeding en leugenachtig gedrag een rol kunnen spelen. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de door de AIVD en MIVD opgestelde ‘Leidraad persoonlijke gedragingen en omstandigheden’ (intranet.mindef.nl/bs/images of www.rijksoverheid.nl). In het geval van een hernieuwd veiligheidsonderzoek wordt er tevens op gelet dat er ten aanzien van betrokkene of diens partner voldoende gegevens voorhanden zijn om te kunnen oordelen of er voldoende waarborgen zijn dat betrokkene de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Indien sprake is van een ontbrekende periode als bedoeld in artikel 5, zal sprake kunnen zijn van onvoldoende waarborgen, wat ertoe kan leiden dat de verklaring wordt ingetrokken. Het gestelde in de tweede alinea van de toelichting bij artikel 5 geldt ook in deze gevallen. Gelet op het gestelde in artikel 3 staat het de Hoofden van de Defensieonderdelen vrij in de gevallen die aan de criteria van artikel 6 worden getoetst een zienswijze omtrent de persoon van de betrokkene te verstrekken.

Artikel 7

Voor de bepaling van het moment waarop ‘een veiligheidsonderzoek wordt ingesteld’ wordt uitgegaan van de datum waarop de (ingevulde) Staat van Inlichtingen door de MIVD is ontvangen. Bij hernieuwde veiligheidsonderzoeken met het oog op voortzetting of wijziging van een bestaande verklaring van geen bezwaar worden feiten, als bedoeld in artikel 7, tweede lid van de Wet veiligheidsonderzoeken, die plaatsvonden vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel nog beoordeeld overeenkomstig de beleidsregelingen van 25 mei 1997, als genoemd in artikel 7, zoals deze luidden op het moment van inwerkingtreding van onderhavige beleidsregel. Daarmee wordt voorkomen dat actief dienende vertrouwensfunctionarissen met terugwerkende kracht aan de nieuwe, soms strengere criteria van deze beleidsregel worden getoetst.

Artikel 9

De voorliggende beleidsregel sluit aan bij de op grond van de huidige twee defensieregelingen gegroeide uitvoeringspraktijk en is zoveel mogelijk afgestemd en in lijn gebracht met de AIVD-regelingen ter zake die in 2012 van kracht zijn geworden. Om die reden is gekozen voor inwerkingtreding op korte termijn, te weten met ingang van 1 november 2013.

De Minister van Defensie, J.A. Hennis-Plasschaert.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl