Besluit van 30 september 2013, nr. 13.002038, houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Moordrechtboog en aansluiting Extra Gouwekruising)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan onteigening uit kracht van een koninklijk besluit plaatsvinden ten behoeve van de uitvoering van een bestemmings- of inpassingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Provinciale Staten van Zuid-Holland verzoeken Ons bij besluit van 5 september 2012, nr. 6499, om ten name van die provincie over te gaan tot aanwijzing van een aantal onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas. Op 2 november 2012 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het besluit van provinciale staten aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

De mede op grond van dit aanwijzingsbesluit aan te leggen wegen zullen deel uitmaken van de provinciale infrastructuur. De uitvoering van de werken en werkzaamheden zal plaatsvinden in samenwerking tussen de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, ProRail en de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas. Daartoe is op 7 september 2012 een uitvoeringsovereenkomst gesloten tussen de provincie Zuid-Holland en de gemeente Zuidplas. De kosten van de werken zullen worden gedragen door de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Zuidplas.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, zijn begrepen in:

  • 1) Het inpassingsplan “Extra Gouwekruising” van de provincie Zuid-Holland, vastgesteld op 12 oktober 2011; verder te noemen: inpassingsplan E;

  • 2) Het inpassingsplan “Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen” van de provincie Zuid-Holland, vastgesteld op 10 november 2010 en vanaf 25 januari 2012 onherroepelijk; verder te noemen: inpassingsplan G;

  • 3) Het bestemmingsplan “Gouweknoop” van de gemeente Zuidplas, vastgesteld op 2 november 2010 en, voor zover hier van belang, onherroepelijk geworden op 18 juli 2012; verder te noemen: het bestemmingsplan.

Omdat het inpassingsplan E nog niet onherroepelijk is, zullen Wij aan dit besluit in zoverre voorwaarden verbinden die zien op het tijdstip waarop een dagvaarding ingevolge artikel 18 van de onteigeningswet kan worden uitgebracht en op het tijdstip van het vervallen van dit besluit.

Aan de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken zijn de volgende bestemmingen toegekend:

  • in het inpassingsplan E: Verkeer, met daarop gedeeltelijk de dubbelbestemming Leiding-Water en gedeeltelijk de functieaanduiding “specifieke vorm van verkeer-faunapassage” ten behoeve van een faunapassage;

  • in het inpassingsplan G: Verkeer met daarop gedeeltelijk de dubbelbestemming Waarde-Archologie en gedeeltelijk de functieaanduiding “(br)”;

  • in het bestemmingsplan: Verkeer, Verkeer-Rail en Water, met daarop gedeeltelijk de dubbelbestemming Leiding ten behoeve van een riool- en waterleiding en gedeeltelijk de functieaanduiding “(br)”

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken en gegevens, met ingang van 7 maart 2013 tot en met 17 april 2013 in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas, en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb, hebben de burgemeesters van Waddinxveen en Zuidplas van het ontwerp koninklijk besluit en de terinzagelegging daarvan, op 6 maart 2013 openbaar kennis gegeven in het huis-aan-huisblad “Hart van Holland”. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 6 maart 2013, nr. 5447.

Verder is overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerpbesluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken zijn nodig om de provinciale deelprojecten Moordrechtboog en Extra Gouwekruising te kunnen realiseren. Het deelproject Extra Gouwekruising omvat de aanleg van een provinciale weg, evenwijdig aan de noordzijde van de A12. Deze weg zal de Goudse Poort (de aansluiting van de provinciale weg N452 op de A12 bij Gouda) op het grondgebied van de gemeente Waddinxveen verbinden met de nieuw aan te leggen Moordrechtboog. Het project Moordrechtboog omvat de aanleg van een provinciale weg die de A12 zal verbinden met de A20.

Beide deelprojecten maken deel uit van het provinciale project Parallelstructuur A12. Naast de Extra Gouwekruising en de Moordrechtboog, voorziet dit project ook nog in de in een latere fase aan te leggen Rottelaan, evenwijdig aan de noordzijde van de A12 tussen Zevenhuizen en Bleiswijk.

In combinatie met de al in uitvoering zijnde verlegging van de provinciale weg N456 en de aansluiting daarvan op de A20 bij Moordrecht, wordt met deze projecten beoogd de wegenstructuur van de zogenaamde Gouweknoop en omgeving te verbeteren met als doel de problemen op het hoofdwegennet op te lossen, de regionale bereikbaarheid te vergroten en gebiedsontwikkelingen te faciliteren.

Met de Moordrechtboog krijgt de A12 een rechtstreekse aansluiting op de A20. Daarmee wordt de huidige verkeersdruk op de provinciale weg N219 tussen Zevenhuizen/A12 en de A20 verminderd en zal het woon- en leefmilieu langs de Bredeweg en de Middelweg (N456) worden verbeterd.

De aanleg van de Extra Gouwekruising leidt ertoe dat het verkeer op de A12 uit de richting Den Haag voor de afrit Gouda niet langer in het Gouweaquaduct zal moeten “weven”. Daarmee zullen de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid ter plaatse gebaat zijn.

Daarnaast zal Gouda-West door de Extra Gouwekruising in combinatie met de Moordrechtboog, beter worden ontsloten en krijgt Waddinxveen een betere aansluiting op de A12 en de A20. Ook de gebiedsontwikkeling van de Zuidplaspolder zal zijn gebaat met de aanleg van het nieuwe wegenstelsel.

Ter uitvoering van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan zullen werken en werkzaamheden worden uitgevoerd voor de aanleg van de wegenstructuur met bijkomende werken.

Om bedoelde werken en werkzaamheden tijdig en volledig te kunnen realiseren wensen Provinciale Staten van Zuid-Holland de vrije beschikking te verkrijgen over de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

In de door verzoeker voorgestane wijze van planuitvoering, wordt inzicht verschaft door beide inpassingsplannen en het bestemmingsplan, met de daarbij behorende regels, toelichtingen en verbeeldingen.

Met de eigenaren van de in het verzoek om onteigening begrepen onroerende zaken is door verzoeker overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Nu het ten tijde van het verzoek niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn zou leiden tot vrijwillige eigendomsoverdracht van de onroerende zaken, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland besloten over te gaan tot een onteigeningsverzoek, om de tijdige verwezenlijking van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat met de werkzaamheden ter uitvoering van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan binnen een periode van vijf jaar na de datum van dit besluit een aanvang zal worden genomen. De oplevering van het werk is voorzien in 2016. Daarmee wordt voldaan aan het voor de beoordeling van de urgentie van de verzochte onteigening door Ons gehanteerde maximale tijdvak van vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn waarin het ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening ter inzage heeft gelegen, zijn bij Ons zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. de heer A. de Mik, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4900 (grondplannummer 28), verder te noemen reclamant 1;

  • 2. de heer E.P.A. Knook, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie E, nr. 828 en sectie C, nrs. 1097 en 1081 (grondplannummers 21, 22 en 29), verder te noemen reclamant 2;

  • 3. de heer M.A. van Bruggen en mevrouw H. van den Bos, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 1094 (grondplannummer 23), verder te noemen reclamanten 3;

  • 4. de Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, eigenares van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 1975 en 1972 en sectie E, nr. 417 (grondplannummers 12, 15 en 105), verder te noemen reclamante 4;

  • 5. de heer J.D. Quak, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4191 (grondplannummer 7), verder te noemen reclamant 5;

  • 6. de heer C. Kortlever, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 1091 (grondplannummer 24), verder te noemen reclamant 6;

  • 7. I.A. van der Spek Holding B.V., eigenares van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4845 (grondplannummer 25) en de heer I.A. van der Spek en mevrouw C.C. de Jong, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 5030 (ged.) (grondplannummer 26), verder te noemen reclamanten 7;

  • 8. de heren J.J. en A.J. Duijndam, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie D, nrs. 3250, 149 en 148 (grondplannummers 37, 38 en 39), mede namens de heer E.A.J. Dijndam en de Firma Gebroeders J.J. en A.J. Duijndam, verder te noemen reclamanten 8;

  • 9. de heren J.R.V. Lindeman en J.J. Sillem, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 4827 (grondplannummer 30), alsmede Dierdorado B.V., vertegenwoordigd door Fox T Management B.V., de heer J.R.V. Lindeman, Cavalry Management B.V. en de heer H. Lohbeck, zijnde de exploitanten van het op de onroerende zaak gevestigde dierenhotel Dierdorado, verder te noemen reclamanten 9;

  • 10. de heer J.E. de Haan, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Moordrecht, sectie D, nrs. 3081 en 3581 (ged.) (grondplannummers 72 en 73), verder te noemen reclamant 10;

  • 11. het hoofd van het District van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid, namens de Staat, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 4293 en 1970 en sectie E, nr. 706 (grondplannummers 18.1, 18.2, 18.3, 19 en 109).

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet, zijn reclamanten in de gelegenheid gesteld om over hun zienswijzen te worden gehoord. Daartoe is op 25 april 2013 een hoorzitting gehouden in het gemeentehuis van Zuidplas. De reclamanten sub 6, 7, 10 en 11 hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Reclamant 1 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. hij gebruikt het in de procedure betrokken perceelsgedeelte in samenhang met meerdere percelen voor wonen en bedrijfsactiviteiten. Het gebruik kan door de ontneming van een groot gedeelte van de huiskavel inclusief de opstallen ter plaatse niet meer worden voortgezet. De beoogde verkeersweg, gelegen tussen de A12 en A20, wordt vrijwel zeker de drukste provinciale verbindingsweg in Nederland. Het is onmogelijk om hier te blijven wonen vanuit het oogpunt van welzijn en de milieu, geluids- en verkeersoverlast die op zal treden;

  • 2. met de verzoeker om onteigening is overeenstemming bereikt over gehele aankoop van de onroerende zaak en de bijbehorende schadeloosstelling. Tot daadwerkelijke afronding van de zaak is het echter nog niet gekomen, het blijft bij een toezegging van de kant van de verzoeker. Aangezien er overeenstemming is, dient de verzoeker dit af te ronden, de noodzaak tot onteigening is daarom op geen enkele wijze aangetoond.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 1 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

De zienswijze dat reclamant het resterende gedeelte van zijn onroerende zaak door de realisering van het plan niet meer zal kunnen gebruiken en dat het vanuit het oogpunt van welzijn en optredende milieu, geluids- en verkeersoverlast onmogelijk is om ter plaatse te blijven wonen, is planologisch van aard. Deze onderwerpen hadden uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de inpassingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Wij merken op, dat het van reclamant benodigde perceelsgedeelte gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamant heeft tegen het besluit tot vaststelling van dit plan door Provinciale Staten van Zuid-Holland beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met onder meer de grond dat hij als gevolg van het inpassingsplan onevenredig in zijn belangen wordt geschaad nu aan een groot deel van zijn perceel de bestemmingen “Verkeer” en “Groen-uit te werken” zijn toegekend. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling het beroep van reclamant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat gemoeid is met de Moordrechtboog en het eveneens beoogde Boogpark, dan aan het belang van reclamant om op zijn perceel te kunnen blijven wonen en zijn bedrijf uit te oefenen. De Afdeling heeft hier wel bij betrokken de toezegging van provinciale staten om het gehele perceel van reclamant aan te kopen. Uit de Ons overgelegde stukken blijkt dat verzoeker zich inderdaad heeft ingespannen om de gehele onroerende zaak van reclamant aan te kopen. Gewezen kan worden op het hierna gestelde onder Ad 2. Overigens merken Wij op, dat de onteigeningswet slechts voorziet in de mogelijkheid tot onteigening van gronden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een werk of werkzaamheid ter realisatie van een (uitgewerkt) bestemmingsplan of inpassingsplan; in de onderhavige procedure is in dat kader alleen het gedeelte van de onroerende zaak van reclamant betrokken waaraan ingevolge het inpassingsplan G de bestemming “Verkeer” is toegekend, zulks ten behoeve van de aanleg van de Moordrechtboog. Het gedeelte waaraan de bestemming “Groen – Uit te werken” is toegekend en dat mogelijk nodig is voor de aanleg van het Boogpark, is niet in de onteigening betrokken.

Ad 2.

Uit de overgelegde stukken is Ons gebleken dat de verzoeker reclamant bij brieven van 13 mei 2011 en 13 juli 2011 biedingen heeft gedaan gericht op de verwerving van het gedeelte van de onroerende zaak dat nodig is voor de realisering van het werk en dat in de onderhavige procedure betrokken is. Daarnaast heeft de verzoeker reclamant, zowel op diens verzoek als op basis van zijn eigen voorkeur, bij de brief van 13 juli 2011 een bod gedaan gericht op de volledige verwerving van de betrokken onroerende zaak. Partijen hebben hierover verschillende malen overleg gevoerd, dat in september 2011 heeft geleid tot mondelinge overeenstemming over de aankoop door de verzoeker van de gehele onroerende zaak. De verzoeker heeft reclamant hierover bij brief van 26 juli 2012 nader bericht, doch hem tevens op de hoogte gesteld van de uitkomst van een op de onroerende zaak uitgevoerd bodemonderzoek, waaruit gebleken is dat deze ernstig verontreinigd is met asbest. De verzoeker heeft reclamant in verband daarmee gevraagd of hij, in goed overleg met het bevoegd gezag, bereid is om de onroerende zaak te saneren. In dat geval zou, zo heeft de verzoeker reclamant meegedeeld, de bestaande mondelinge overeenstemming kunnen worden omgezet in een koopovereenkomst, waarin tevens de afspraken met betrekking tot de sanering zijn opgenomen. Bij brief van 26 juli 2012 heeft de verzoeker reclamant nogmaals een aanbod gedaan gericht op de aankoop van de oppervlakte van de onroerende zaak die in onderhavige onteigeningsprocedure betrokken is.

Uit de Ons overgelegde stukken is niet gebleken dat de mondelinge overeenstemming na 26 juli 2012 en voorafgaand aan de datum van het verzoekbesluit heeft geleid tot een getekende overeenkomst en eigendomsoverdracht. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken op, dat Ons voorts uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. De verzoeker heeft reclamant, als uitkomst van dit overleg, op 26 oktober 2012 een (aangepaste) koopovereenkomst doen toekomen, waarin met de verontreiniging en sanering rekening is gehouden. Reclamant heeft daar op 10 januari 2013 op gereageerd en op 25 februari 2013 heeft overleg plaatsgevonden. De verzoeker heeft bericht dat een en ander nadien tot een door beide partijen ondertekende overeenkomst heeft geleid. Deze overeenkomst is echter nog niet notarieel gepasseerd, zodat van eigendomsoverdracht nog geen sprake is. In dat licht achten Wij het noodzakelijk om over te gaan tot de aanwijzing van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak ter onteigening.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 1 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 2 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

De ontneming van de huiskavel met alle opstallen leidt ertoe dat hij niet ter plaatse kan blijven wonen en daar evenmin de bedrijfsvoering kan voortzetten. Van overheidswege is hem uitvoerig onderzoek toegezegd naar de mogelijkheid tot verplaatsing van het woonhuis met bedrijfsgebouwen binnen het inpassingsplan- of bestemmingsplangebied naar andere percelen die hij in eigendom heeft of de mogelijkheid van een grondruil. Het blijft echter bij toezeggingen en reclamant heeft niets meer van de kant van de overheid vernomen. Omdat het project wordt uitgevoerd in samenwerking tussen onder andere de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Zuidplas, kan reclamant tot op heden ook alleen maar constateren dat op geen enkele wijze blijkt in hoeverre de overheid de gedane toezegging tot onderzoek naar een verplaatsing of grondruil binnen het plangebied voor hem mogelijk maakt. Reclamant constateert dat er formeel alleen een brief met bieding is verstuurd en daarna is direct het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De overheid heeft zich totaal niet actief ingespannen om zijn eigendommen op minnelijke wijze te verwerven, ook niet door de toezegging over de verplaatsing nader uit te werken en/of daar overleg over te voeren.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 2 overwegen Wij het volgende.

De van reclamant benodigde perceelsgedeelten zijn gelegen binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Uit de overgelegde stukken is Ons gebleken dat reclamant tegen het ontwerp van dit plan bij Provinciale Staten van Zuid-Holland een zienswijze heeft ingediend waarin hij verzocht heeft om voor enkele nader genoemde percelen een bestemmings- of wijzigingsbevoegdheid op te nemen voor het vestigen van distributie- en/of transportbedrijven. Reclamant heeft in deze zienswijze tevens verzocht om de realisatie van drie bouwkavels voor woonhuizen aan de Zuidelijke Dwarsweg te Waddinxveen mogelijk te maken. Bij brief van 26 november 2010 is reclamant namens provinciale staten meegedeeld dat de bereidheid bestaat tot onderzoek naar de mogelijkheden tot het realiseren van een woning en een bedrijf op andere locaties binnen het plangebied. Bij de vaststelling van het inpassingsplan is de zienswijze van reclamant echter, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft reclamant beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling het beroep deels gegrond verklaard en het inpassingsplan vernietigd voor zover het de aanduiding “bouwvlak” betreft, die rust op het plandeel met de bestemming “Wonen” voor zover betrekking hebbend op het perceel Zuidelijke Dwarsweg 11 te Waddinxveen. Zelfvoorzienend in de zaak heeft de Afdeling de situering van dit vlak aangepast en dit alsnog op de juiste wijze weergegeven op de bij de uitspraak behorende kaart 1. Voor het overige heeft de Afdeling het beroep van reclamant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling onder meer, naar aanleiding van het beroep van reclamant dat het plan, -nu hierin zijn woning is wegbestemd-, ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het op een ander perceel aan de Zuidelijk Dwarsweg realiseren van een nieuwe woning, geoordeeld dat provinciale staten, gelet op de ter plaatse aanwezige leidingen met veiligheidszones, in redelijkheid hebben kunnen besluiten om aan dat perceel geen woonbestemming toe te kennen voor het realiseren van een nieuwe woning. Ook heeft de Afdeling geoordeeld, dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen besluiten om aan een ander perceel van reclamant een bouwvlak toe te kennen voor maximaal één woning.

Gelet op bovenstaande is de verplaatsing van het woonhuis met bedrijfsgebouwen binnen het plangebied van planologische aard en is deze in de procedure op grond van de Wro aan de orde gesteld en geweest. In de onderhavige procedure kunnen verder geen zelfstandige uitspraken worden gedaan over de wijze waarop met het verzoek van reclamant tot verplaatsing in die procedure is omgegaan. Aan het hierover gestelde moet hier dan ook voorbij worden gegaan.

Voor het overige heeft de zienswijze van reclamant betrekking op het gevoerde minnelijk overleg. Naar aanleiding hiervan overwegen Wij vooreerst in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst bij minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan, indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen, is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Er moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kunnen Wij tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het inpassings- of bestemmingsplan zeker te stellen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf 25 oktober 2010 met reclamant in gesprek is over de verwerving van de benodigde onroerende zaken. Omdat reclamant, in afwachting van duidelijkheid over de afhandeling van zijn zienswijze tegen het ontwerp van het inpassingsplan, geen toestemming verleende voor een taxatie heeft de verzoeker om onteigening hem bij brief van 26 mei 2011 een bod gedaan op basis van een zichttaxatie. Hierbij is overigens wat betreft de onroerende zaak met grondplannummer 29 een andere oppervlakte genoemd dan in onderhavige procedure betrokken is. De adviseur van reclamant heeft bij brief van 16 juni 2011 op dit bod gereageerd en verzoeker onder meer verzocht om het inpassingsplan ten gunste van reclamant te wijzigen. Bij brief van 20 juli 2011 heeft de verzoeker reclamant een verbeterde aanbieding gedaan en hem medegedeeld dat de gewenste planologische wijzigingen publiekrechtelijk van aard zijn. Het verzoek van reclamant is, zo laat de verzoeker weten, nogmaals onder de aandacht gebracht van de afdeling Ruimte van de provincie. In een overleg op 12 juni 2012 heeft de namens de verzoeker optredende verwerver reclamant een hernieuwd aanbod gedaan, rekening houdend met de oppervlakten welke thans in de onderhavige procedure betrokken zijn. Dit bod is bij brief van 26 juli 2012 bevestigd. Partijen hebben op basis hiervan echter geen overeenstemming kunnen bereiken.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant 2 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamant voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook mogen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit op een aantal momenten hebben voortgezet. In deze overleggen heeft reclamant ook zijn wens geuit om te komen tot ruiling van grond. De verzoeker heeft de mogelijkheden daartoe onderzocht. Ook dit voortgezette overleg heeft echter nog niet tot overeenstemming geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 2 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 3 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. op het perceel is een sierteeltbedrijf gevestigd en door de aanleg van de beoogde verkeersweg zullen reclamanten dit niet meer ter plaatse kunnen uitoefenen, aangezien al het land van het bedrijf onder de weg komt te liggen. Door de milieu, verkeers- en geluidsoverlast ontstaat een situatie waarin dit allemaal ter plaatse niet meer mogelijk is. De beoogde verkeersweg wordt als verbindingsweg tussen de A12 en A20 ook de drukste verbindingsweg van Nederland. Reclamanten hebben van overheidswege nooit vernomen dat de gevolgen hiervan nader onderzocht zullen worden. Voor zover reclamanten bekend, is de overheid hier wel toe verplicht;

  • 2. de verzoeker om onteigening heeft alleen maar een brief met een bieding op het te onteigenen perceelsgedeelte gestuurd, waarop een mondelinge toelichting is gegeven. Daarna is direct het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De verzoeker heeft zich totaal niet actief opgesteld om de eigendom op minnelijke wijze te verwerven en/of overleg te voeren over bedrijfsverplaatsing, zodanig dat de economische bedrijfsvoering en het woongenot voor (het gezin van) reclamanten mogelijk blijven. De noodzaak tot onteigening is derhalve op geen enkele wijze aangetoond.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 3 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1. Hier kan verder worden opgemerkt, dat het van reclamanten 3 benodigde perceelsgedeelte eveneens gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamanten hebben tegen de vaststelling van dit plan beroep aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling dit beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van reclamanten, dat zij onder meer als gevolg van het plan in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat zij ernstig in hun woongenot worden aangetast, reeds geoordeeld dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat met de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark gemoeid is, dan aan het belang van reclamanten om het bedrijf op de percelen uit te kunnen blijven oefenen. De Afdeling heeft hierbij betrokken dat provinciale staten te kennen hebben gegeven dat bij de verwerving van de benodigde gronden rekening zal worden gehouden met het feit dat reclamanten hun bedrijfsvoering niet kunnen voortzetten. Wij merken op, dat dit laatste ziet op het minnelijk overleg met reclamanten gericht op de verwerving van de benodigde gronden. Het verloop van dit overleg komt hierna onder Ad 2 aan de orde.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 in het algemeen hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf 24 november 2010 met reclamanten in overleg is over de verwerving van het benodigde gedeelte van hun onroerende zaak. In vervolg op gevoerd overleg, waarin gediscussieerd is over een schadeloosstelling op basis van liquidatie dan wel reconstructie, heeft de verzoeker reclamanten bij brief van 9 november 2011 een aanbod gedaan. Op 12 juni 2012 hebben partijen overleg gevoerd, waarbij de namens de verzoeker optredende verwerver reclamanten een hernieuwd aanbod heeft gedaan, zulks op basis van reconstructie. Dit bod is bij brief van 26 juli 2012 bevestigd. Hierover is echter geen overeenstemming bereikt.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamanten 3 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamanten voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook mogen besluiten om over te gaan tot de indiening van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken op, dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. Partijen hebben 1 oktober 2012, 30 november 2012 en 26 april 2013 verder overleg gevoerd. Ook dit overleg heeft echter niet tot overeenstemming geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 3 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamante 4 brengt in haar zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. door de aanleg van de verkeersweg ontstaat een versnippering van de overblijvende perceelsgedeelten. Deze blijven incourant achter. Reclamante heeft voorgesteld om na de inbreuk een herverkaveling met aangrenzende, reeds bij de overheid in eigendom zijnde percelen te laten plaatsvinden, waardoor zij na afname en verkleining van de percelen voor het overblijvende een aaneengesloten geheel verkrijgt. Een praktische oplossing is van overheidswege echter niet afgewerkt;

  • 2. de verzoeker om onteigening heeft alleen maar een brief met een bieding op de te onteigenen perceelsgedeelten gestuurd, waarop een mondelinge toelichting is gegeven. Daarna is direct het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De verzoeker heeft niet actief getracht om de eigendom op minnelijke wijze te verwerven en/of overleg gevoerd om aankoop tot stand te brengen zodanig dat economische verkaveling van de percelen voor reclamante mogelijk blijft.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamante 4 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel is in hoofdzaak van planologische aard en had ter beoordeling kunnen staan in de inpassingsplanprocedure op grond van de Wro. Wij merken in dit verband op, dat de van reclamante benodigde onroerende zaken met de grondplannummers 12 en 15 gelegen zijn binnen de begrenzing van het inpassingsplan G en dat de onroerende zaak met grondplannummer 105 gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan E. Gebleken is dat reclamante tegen de besluiten tot vaststelling van deze plannen door Provinciale Staten van Zuid-Holland geen beroepen heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Overigens zij opgemerkt, dat het inpassingsplan E nog niet onherroepelijk is. Het inpassingsplan G is, zoals Wij hiervoor reeds hebben overwogen, wel onherroepelijk. Voor zover dit onderdeel van de zienswijze betrekking heeft op de wens van reclamante om te komen tot een herverkaveling van gronden, wijzen Wij op hetgeen Wij hierna zullen overwegen onder Ad 2.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 in het algemeen hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf 14 december 2010 met reclamante in overleg is over de verwerving van de benodigde onroerende zaken. In vervolg op gevoerd overleg heeft de verzoeker reclamante bij brief van 13 mei 2011 een aanbod gedaan, overigens gericht op de aankoop van grotere oppervlakten van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaken. De verzoeker heeft reclamant bij deze brief tevens een ruiling van gronden aangeboden. Bij brief van 15 juli 2011 heeft de verzoeker reclamante een herzien bod gezonden, ook nog op grotere oppervlakten dan welke in deze procedure betrokken zijn. De verzoeker heeft reclamante tevens een ruiling van gronden aangeboden. Hierover heeft verder overleg plaatsgevonden. Vanwege het uitblijven van overeenstemming heeft de verzoeker reclamante bij brief van 18 juli 2012 opnieuw een aanbod gedaan, nu gericht op de aankoop van de oppervlakten van de onroerende zaken zoals die in onderhavige procedure betrokken zijn. Partijen hebben ook hierover geen overeenstemming kunnen bereiken.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamante 4 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamante voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook mogen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet, waarbij ook verder gesproken is over de ruiling van gronden. Ook dit overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid, waarbij kan worden opgemerkt, dat de onteigeningswet niet verplicht tot het geven van compensatie in de vorm van vervangende gronden. Een oplossing in die vorm kan echter wel aan de orde komen in het te voeren minnelijk overleg. Uit het voorgaande blijkt dat dit ook het geval is geweest. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamante 4 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 5 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

De verzoeker om onteigening heeft alleen een brief met een bieding op het te onteigenen perceelsgedeelte gestuurd en een nadere toelichting daarop gegeven. Daarna is het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De verzoeker heeft derhalve niet dan wel niet actief getracht om de eigendom op minnelijke wijze te verwerven. Een reëel tegenvoorstel van reclamant is door de verzoeker niet geaccepteerd. De noodzaak tot onteigening is derhalve op geen enkele wijze aangetoond.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 5 overwegen Wij het volgende.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 in het algemeen hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker reclamant bij brief van 6 juli 2011 een aanbod heeft gedaan, overigens gericht op de aankoop van een grotere oppervlakte van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaak. Na diverse pogingen van de zijde van de verzoeker om in overleg te treden met reclamant, heeft op 19 oktober 2011 en 22 mei 2012 overleg tussen partijen plaatsgevonden. Bij brief van 4 juni 2012 heeft verzoeker reclamant een nieuw bod gedaan gericht op de aankoop van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaak en benodigde oppervlakte. Een en ander heeft echter niet tot overeenstemming geleid.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant 5 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamant voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook mogen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. In de periode augustus 2012 tot en met april 2013 heeft de verzoeker diverse pogingen gedaan om contact met reclamant te leggen, is er op diverse momenten sprake geweest van e-mailberichten over en weer en is er enkele malen overleg gevoerd. Ook dit overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 5 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 6 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. in het inpassingsplan “Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen” is de woning van reclamant gelegen in de veiligheidszone van de aan te leggen afrit A12/Moordrechtboog. In verband daarmee maakt reclamant zich zorgen over zijn gezondheid en veiligheid en het woongenot. De woning wordt extra belast met geluid, fijnstof en verdere vervuiling. Consumptie uit de moestuin is niet meer mogelijk, wat ook uit de uitgevoerde milieueffectrapportage blijkt. De uitkomsten van het geluidsonderzoek zijn nog niet bekend. Het ter onteigening aan te wijzen gedeelte van de onroerende zaak van reclamant maakt voor meer dan de helft deel uit van het totale perceel, waardoor het woongenot en de schapenhouderij in hevige mate worden aangetast;

  • 2. om de in het vorige punt genoemde redenen is reclamant ook vanaf 26 oktober 2012 uitsluitend met de verzoeker in gesprek over de verkoop van zijn gehele onroerende zaak. De gesprekken zijn niet gevoerd om te komen tot de aankoop van het gedeelte dat in de onteigening betrokken is. In de gevoerde gesprekken gaf de verzoeker aan begrip te hebben voor deze situatie. Het uitgangspunt is geweest om de gehele eigendom aan de verzoeker te verkopen voor een bedrag waarvoor een vergelijkbaar object kan worden teruggekocht in de huidige woonomgeving. De verzoeker heeft echter in de gesprekken en correspondentie uitermate traag gehandeld. Op een voorstel van de makelaar van reclamant van 6 augustus 2012 heeft reclamant pas – en ook na telefonisch verzoek – op 5 maart 2013 een duidelijke reactie ontvangen. Op deze datum heeft de verzoeker voor het eerst duidelijkheid gegeven dat hij, in tegenstelling tot wat voorheen werd besproken, niet zal overgaan tot aankoop van de gehele onroerende zaak. Een schriftelijk bod gericht op de verwerving van de in onderhavige procedure betrokken oppervlakte (het deel met de schapen- en paardenstal) heeft de verzoeker op 13 maart 2013 gedaan en derhalve ruim na het verzoekbesluit. Hierover heeft de verzoeker geen overleg met reclamant gevoerd. Reclamant is dan ook van oordeel dat niet voldaan is aan de eisen zoals die zijn gesteld in de “Handreiking onteigeningen Titel IV 2010” van de voormalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 30 augustus 2010 en aan artikel 17 van de onteigeningswet.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 6 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1. Hier kan verder worden opgemerkt, dat de onroerende zaak van reclamant 6 gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamant heeft geen beroep aangetekend tegen de vaststelling van dit inpassingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan is door de hiervoor al genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, onherroepelijk geworden.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 in het algemeen hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker reclamant na voorafgaande contacten bij brief van 20 mei 2011 een aanbod heeft gedaan gericht op de aankoop van de in onderhavige procedure betrokken oppervlakte van de onroerende zaak. De verzoeker heeft reclamant hierbij bericht dat hij ook onderzoek doet naar de wens van reclamant tot aankoop van de gehele eigendom. De brief heeft reclamant echter in verband met onjuiste adressering niet bereikt, doch de verzoeker heeft de adviseur van reclamant een afschrift van de brief gezonden. Deze adviseur heeft bij brief van 30 mei 2011 namens reclamant afwijzend op de bieding gereageerd. Bij brief van 11 juli 2011 heeft de verzoeker het bod met de mededeling over het onderzoek naar de aankoop van de gehele onroerende zaak opnieuw aan reclamant gestuurd, nu gericht aan het juiste adres. Reclamant heeft dit bod bij brief van 27 juli 2011 afgewezen. Nadien verder gevoerd overleg heeft niet tot overeenstemming geleid, in verband waarmee de verzoeker reclamant nogmaals bij brief van 24 juli 2012 een bod heeft gedaan gericht op de aankoop van het in de onderhavige procedure betrokken gedeelte van de onroerende zaak. Een en ander heeft echter niet tot overeenstemming geleid.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant 6 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamant voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook mogen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet, waarbij ook (verder) gesproken is over aankoop van de gehele onroerende zaak. Verzoeker heeft reclamant bij brief van 11 maart 2013 bericht dat het verzoek tot aankoop van de gehele onroerende zaak uitgebreid intern is besproken en dat de conclusie uit diverse milieuonderzoeken is, dat wonen in de nieuwe situatie nog steeds is toegestaan en dat de hiervoor vastgestelde normen niet worden overschreden. De verzoeker deelt reclamant in bedoelde brief mede dat hij daarom heeft besloten om vast te houden aan de gedeeltelijke verwerving van de onroerende zaak. Op 2 mei 2013 heeft de verzoeker overleg gevoerd met de nieuwe door reclamant ingeschakelde deskundige. In dit gesprek heeft de verzoeker, ondanks het zojuist gestelde over het ontbreken van de noodzaak tot aankoop van de gehele onroerende zaak, gesteld dat hij bereid is om te onderzoeken of de mogelijkheid bestaat tot doorlevering van het niet benodigde gedeelte van de onroerende zaak aan reclamanten 7, zijnde de eigenaren van de naastgelegen onroerende zaak, waarbij de verzoeker heeft gesteld dat hij geen financieel risico wenst te lopen en dat reclamanten 7 de extra aan te kopen grond in dat geval voor hetzelfde bedrag dienen af te nemen. Op 14 mei 2013 heeft verder overleg plaatsgevonden. Na overleg tussen de verzoeker en reclamanten 7 heeft de verzoeker reclamant 6 in een op 11 juni 2013 gevoerd overleg bericht, dat de mogelijkheid tot het ruilen van grond tussen deze partijen naar zijn mening heel klein is geworden. Ook over de verwerving van het van reclamant 6 voor de uitvoering van het werk benodigde gedeelte is in dit overleg nog geen overeenstemming bereikt, mede door de verschillen van inzicht over de hoogte en de wijze van berekening van de schadeloosstelling. In dat licht achten Wij het noodzakelijk om over te gaan tot de aanwijzing van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 6 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 7 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. ondanks het gestelde in het ontwerpbesluit over de verbeteringen die het werk met zich mee zal brengen, zal de ruimte voor het loonbedrijf van reclamanten aanzienlijk verslechteren. Ook zal de leefomgeving voor de bewoners langs de Zuidelijke Dwarsweg nadelig worden beïnvloed, in ieder geval ter plaatse van de twee betrokken woningen;

  • 2. er is geen sprake van een spoedeisend belang. In het ontwerpbesluit wordt wel gesteld dat de urgentie van de onteigening aanwezig is, maar er wordt nergens onderbouwd waarom spoedig over de grond beschikt zou moeten worden, laat staan wat onder tijdig moet worden verstaan. Er is bovendien sprake van een lange lijst van belanghebbenden waarmee verzoeker nog steeds geen overeenstemming heeft bereikt;

  • 3. er is niet voldaan aan artikel 17 van de onteigeningswet. Reclamanten wijzen hierbij op het arrest van de Hoge Raad 29 maart 2013 (LJN: BY8665, Hoge Raad 12/04254), waarin volgens hen bevestigd is, dat er pas sprake kan zijn van onteigening wanneer de onteigenende partij voldoende invulling heeft gegeven aan zijn verplichting tot onderhandelen als er sprake is van vastgelopen onderhandelingen en verder onderhandelen geen zin meer heeft, omdat het beoogde doel (minnelijke verkrijging) niet meer kan worden bereikt. Dat doel kan volgens reclamanten hier juist wel worden bereikt. Een minnelijke regeling biedt een win-win situatie voor beide partijen;

  • 4. reclamanten willen als zodanig wel hun medewerking aan de realisering van de plannen verlenen, maar verlangen van de wederpartij een actieve opstelling om de schadeloosstelling en de bijkomende condities tijdig uit te discussiëren en te regelen, zodanig dat bij de totaaloplossing de verzoeker de beschikking heeft over de benodigde gronden en reclamanten de stagnatie van hun bedrijf tot een minimum kunnen beperken met voldoende perspectief op doorontwikkeling na de aanleg van de weg. Aanvankelijk verliepen de gesprekken met de verzoeker goed, waarna echter een periode volgde waarin partijen niet goed met elkaar omgingen, omdat de verzoeker de wensen van reclamanten afdeed als niet haalbaar. Inmiddels is er echter weer enige toenadering van de kant van verzoeker. Reclamanten verzoeken de verzoeker erop te wijzen dat hij actief gaat participeren en gaat werken aan het creëren van een eindoplossing. Reclamanten hebben belang bij continuering van hun bedrijf zodat zij hun klanten kunnen blijven bedienen en de werkgelegenheid in stand kunnen houden;

  • 5. als er al onteigend zou moeten worden, dan zijn reclamanten van mening dat er ook sprake moet zijn van algehele onteigening op grond van artikel 38 onteigeningswet. Er is immers sprake van een perceel waar minder dan een kwart van overblijft. Reclamanten staan open voor alternatieven, zij willen best ook ergens anders gevestigd worden mits dat planologische geregeld wordt en mits er rekening wordt gehouden met hun belangen.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 7 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1. Gebleken is, dat de besloten vennootschap Van der Spek B.V., eveneens beroep heeft ingesteld tegen de vaststelling van het inpassingsplan G bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling dit beroep deels gegrond verklaard en het inpassingsplan vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming “Agrarisch” met de aanduiding “agrarisch loonbedrijf”, voor zover betrekking hebbend op het perceel Zuidelijke Dwarsweg 13bis te Waddinxveen. Zelfvoorzienend in de zaak heeft de Afdeling bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van provinciale staten waarbij het inpassingsplan werd vastgesteld (het besluit van 10 november 2010, kenmerk 6266), voor zover het zojuist genoemd plandeel betreft. Voor het overige heeft de Afdeling het beroep van Van der Spek B.V. ongegrond verklaard.

Ad 2.

Met betrekking tot het gestelde over de urgentie van de onteigening overwegen Wij dat aan het urgentievereiste in het algemeen is voldaan, indien de verzoeker binnen vijf jaar na de datum van het besluit tot aanwijzing ter onteigening een begin maakt met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigend is. In dit verband wijzen Wij erop, dat Wij in het ontwerpbesluit hebben opgemerkt, dat de oplevering van het werk is voorzien in 2016. In de op 25 april 2013 gehouden hoorzitting is namens de verzoeker gereageerd op geluiden over mogelijk uitstel van het project naar de periode 2019-2021, zulks als gevolg van het wellicht later beschikbaar komen van de bijdrage van het Rijk. Gebleken is dat de door de verzoeker beschikbaar gestelde gelden voor de realisering van het project beschikbaar blijven, ondanks het mogelijk later beschikbaar komen van bedoelde Rijksbijdrage. Een eventuele latere bijdrage van het Rijk zal ook geen invloed hebben op de start en de planning van het project omdat de verzoeker dan het werk zal voorfinancieren. Op basis hiervan wil de verzoeker dan ook zo snel mogelijk starten met de uitvoeringswerkzaamheden. Gelet hierop achten Wij het voldoende aannemelijk dat verzoeker in ieder geval binnen de hiervoor genoemde termijn van vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is.

Ad 3 en 4.

Naar aanleiding van het gestelde omtrent artikel 17 van de onteigeningswet merken Wij op, dat hierin is bepaald, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst bij minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. In dit verband kan worden gewezen op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 in het algemeen hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg.

Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf november 2010 met reclamanten of hun vertegenwoordigers in overleg is over de verwerving van de benodigde (gedeelten van de) onroerende zaken. Bij brieven van 18 en 27 juli 2011 heeft de verzoeker reclamanten aanbiedingen gedaan gericht op de aankoop van die gedeelten, waarbij overigens in de brief van 27 juli 2011 wat betreft de onroerende zaak met grondplannummer 25 een grotere oppervlakte is genoemd dan welke thans in onderhavige procedure betrokken is. Nadien hebben partijen enkele malen overleg gevoerd en over en weer met elkaar gecorrespondeerd. Bij brief van 23 juli 2012 heeft de verzoeker reclamanten een bieding gedaan gericht op de aankoop van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaken en oppervlakten. Een en ander heeft echter niet tot overeenstemming geleid.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamanten 7 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamanten voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook mogen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. In dat kader is onder meer gezocht naar de mogelijkheid tot ruiling van grond met reclamant 6, de eigenaar van de naastgelegen onroerende zaak. De verzoeker en reclamanten 7 hebben hierover in april 2013 overleg gevoerd en contact gehad en ook op 4 juni 2013 nog over gesproken. De verzoeker heeft naar aanleiding hiervan geconstateerd dat de mogelijkheid tot het ruilen van grond tussen deze partijen naar zijn mening heel klein is geworden. Gewezen kan worden op hetgeen hierover ook is gesteld in reactie op de zienswijze van reclamant 6 hiervoor.

Gelet hierop heeft ook het voortgezette overleg niet tot een voor partijen aanvaardbare oplossing geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Ad 5.

Met betrekking tot de stelling van reclamanten dat, zo onteigening al aan de orde is, sprake moet zijn van algehele onteigening op de grondslag van artikel 38 van de onteigeningswet overwegen Wij als volgt. Het is, zoals Wij eerder overwogen in Ons besluit van 6 augustus 2009, no. 09.002010 (Nijmegen), de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechter om na deskundigenadvies een uitspraak te doen over de toepasbaarheid van artikel 38 en vervolgens de hoogte van de schadeloosstelling te bepalen. Terzake zijn Wij in het kader van de onderhavige administratieve procedure welke leidt tot het bij koninklijk besluit al dan niet aanwijzen van onroerende zaken ter onteigening niet bevoegd. Er kan naar Ons oordeel voor Ons dan ook geen verplichting bestaan om het gevoerde minnelijk overleg te bezien in het licht van een voorgenomen beroep op artikel 38 van de onteigeningswet.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 7 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 8 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. voor onteigening dient een dringende behoefte te bestaan aan verwezenlijking van het bestemmingsplan. In dit geval gaat het om de verkeersbestemming waarbinnen de Moordrechtboog kan worden gerealiseerd. De aanleg van deze boog wordt grotendeels gefinancierd door het Rijk. Recent is echter duidelijk geworden dat de Minister van Infrastructuur en Milieu bezuinigingen zal doorvoeren op het Infrastructuurfonds. De werkzaamheden aan de Moordrechtboog zullen daardoor met ten minste drie jaar worden opgeschort. De urgentietermijn van vijf jaar zal daardoor worden overschreden, de weg staat nu immers op de rol voor 2019-2021;

  • 2. er is geen noodzaak om de onroerende zaak met grondplannummer 37 te onteigenen nu deze vrijwel volledig wordt onteigend voor de aanleg van de zogeheten tunnelbak onder de Moordrechtboog door. Parallel aan de Zuidelijke Dwarsweg wordt hier een voorziening aangelegd die moet verzekeren dat het verkeer op die weg niet wordt belemmerd. Aan de noordoostzijde grenst de tunnelbak vrijwel direct aan de kavelgrens van de intensieve veehouderij van reclamanten en bedraagt de afstand ten opzichte van de bedrijfswoning slechts een gering aantal meters. De tunnelbak is niet noodzakelijk omdat een onderdoorgang onder de Moordrechtboog net zo goed kan worden gerealiseerd door de Zuidelijke Dwarsweg zelf te verlagen. Dat voor een tunnelbak op de gronden van reclamanten is gekozen heeft, zo hebben zij begrepen, te maken met financiële overwegingen. Een dergelijke keuze gaat echter ten koste van de gronden van reclamanten. Daarbij is van belang dat zij de gronden gebruiken voor het uitrijden van mest uit hun varkenshouderij;

  • 3. de noodzaak om tot aanleg van de Moordrechtboog over te gaan is achterhaald. De boog is immers ook ontworpen als ontsluiting voor de stedelijke ontwikkeling in de gehele Zuidplaspolder, die inmiddels op losse schroeven staat;

  • 4. onteigening van de gronden voor de Moordrechtboog leidt tot onaanvaardbare versnippering van de gronden van reclamanten. De varkenshouderij aan de Zuidelijke Dwarsweg staat in nauwe verbinding met het fokbedrijf aan de Bierhoogtweg. Als gevolg hiervan rijden reclamanten dagelijks meerdere malen heen en weer tussen deze vestigingen. Door aanleg van de tunnelbak is de bereikbaarheid van het bedrijf weliswaar gegarandeerd, maar dat neemt niet weg dat het bedrijf geïsoleerd komt te liggen. De onaanvaardbaarheid van het doorsnijden van de gronden klemt temeer omdat noordoostelijk van de Moordrechtboog de resterende weidegronden van reclamanten zijn bestemd voor een uit te werken groenbestemming. Deze is opgenomen in verband met de aanleg van het zogeheten Boogpark. Gevolg van deze bestemming is dat reclamanten de agrarische gronden niet langer zullen kunnen benutten. Daarom dienen, als al tot onteigening wordt overgegaan, ook deze gronden daarin te worden betrokken. In het verlengde hiervan geldt dat de verbinding die nu bestaat tussen de intensieve veehouderij enerzijds en de aangrenzende weidegronden anderzijds, straks letterlijk doorsneden zal worden. Het gevolg is dat de intensieve veehouderij feitelijk geheel solitair ten opzichte van het fokbedrijf in Zevenhuizen komt te liggen en dat is niet alleen verre van ideaal, maar landbouwkundig gezien ook onaanvaardbaar. Daarom kan niet alleen worden volstaan met de onteigening van de drie onroerende zaken. Van de onroerende zaak met grondplannummer 37 blijft ook een dermate klein deel over dat daar geen doelmatig gebruik meer van kan worden gemaakt. In het algemeen merken reclamanten nog op, dat hun intensieve veehouderij door de combinatie van de Moordrechtboog en het Boogpark zozeer in de ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt, dat deze geheel in de onteigening moet worden betrokken. Gelet op de ontwikkelingen in de afgelopen jaren en de omstandigheden ter plaatse, is het nodig dat reclamanten de intensieve veehouderij op de huidige locatie beëindigen en dat in de onteigening rekening wordt gehouden met een verplaatsing naar een locatie elders waar schaalvergroting mogelijk is.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 8 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij reeds hiervoor onder Ad 2 hebben overwogen naar aanleiding de zienswijze van reclamanten 7.

Ad 2 en 3.

Deze onderdelen zijn planologisch van aard. Het gestelde had uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Wij merken hierbij op, dat de van reclamanten benodigde onroerende zaken gelegen zijn binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. Reclamanten hebben tegen het besluit van de raad van de gemeente Zuidplas tot vaststelling van dit plan beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 18 juli 2012, nr. 201101194/1/R1, heeft de Afdeling dit beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van de gemeenteraad vernietigd voor zover betrekking hebbend op het – overigens niet in de onderhavige procedure betrokken – plandeel ter plaatse van het perceel aan de Zuidelijke Dwarsweg 8 met de bestemming “Agrarisch met waarden”. Voor het overige heeft de Afdeling het beroep van reclamanten ongegrond verklaard waarmee het bestemmingsplan in zoverre onherroepelijk is geworden. Overigens heeft de Afdeling bij dit laatste oordeel in aanmerking genomen het betoog van de gemeenteraad, dat de ontwikkelingen die zijn voorzien in het bestemmingsplan slechts in beperkte mate worden beïnvloed door de overige planologische ontwikkelingen in de Zuidplaspolder. Met betrekking tot de Moordrechtboog is gesteld dat deze niet alleen noodzakelijk is voor de overige ontwikkelingen in de Zuidplaspolder, maar ook voor het oplossen van problemen op het rijkswegennet, onder meer waar dit het Gouwe-aquaduct betreft, opdat de veiligheid op de A12 toeneemt en de filedruk vermindert. Gewezen kan ook worden op hetgeen Wij hiervoor hebben overwogen onder “Noodzaak en urgentie” welk onderdeel ook reeds was opgenomen in het aan reclamanten toegezonden ontwerpbesluit.

Ad 4.

Ook dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard en had uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wro. Gebleken is, dat reclamanten in hun zojuist onder Ad 2 en 3 bedoelde beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan onder meer hebben gewezen op de aantasting van hun bedrijfsvoering en hebben betoogd dat de raad van de gemeente Zuidplas meer onderzoek had moeten doen naar de samenhang met en de effecten van de voor de omliggende gronden geldende bestemmingsplannen. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat reclamanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bedrijfsvoering in gevaar komt door de in het plan voorziene ontwikkelingen voor het deel van de agrarische gronden waarop de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark is voorzien. Gelet hierop heeft de Afdeling geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat met het plan is gediend, dan aan het belang van reclamanten bij een voortzetting van de bedrijfsvoering in de huidige omvang op de desbetreffende onbebouwde agrarische gronden. De Afdeling heeft gelet daarop evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het niet als zodanig bestemmen van het gebruik van alle in het plangebied gelegen en in eigendom aan reclamanten toebehorende gronden, daarbij in aanmerking nemend dat in geval van onteigening sprake is van een volledige schadeloosstelling.

Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze merken Wij nog op, dat de in de onderhavige procedure van reclamanten betrokken gronden nodig zijn voor de aanleg van de Moordrechtboog. Aan de stelling dat ook de gronden van reclamanten met de uit te werken groenbestemming in de onderhavige procedure betrokken hadden moeten worden, moet hier voorbij worden gegaan. Daargelaten de omstandigheid dat het hier om een nog uit te werken bestemming gaat, is het in beginsel aan de verzoeker om onteigening om te bepalen welke onroerende zaken hij in een verzoek om onteigening wenst te betrekken, zulks afhankelijk van de mate van uitwerking van de planologische grondslag en de urgentie wat betreft de verwezenlijking van de bestemming. Voor het overige kan worden gewezen op hetgeen Wij reeds over de toepassing van artikel 38 van de onteigeningswet hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamanten 7, onder Ad 5.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 8 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 9 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

In de procedure is een gedeelte van 4 are en 75 centiare van de onroerende zaak met grondplannummer 30 betrokken. Om dit gedeelte in der minne te verkrijgen, heeft de verzoeker een bod gedaan aan zowel de eigenaren als de gebruiker, gebaseerd op reconstructie van het bedrijf in haar volledige omvang, welk bedrijf de gehele onroerende zaak in gebruik heeft. Door dit bod heeft de verzoeker erkend dat er op het resterende perceelsgedeelte na de aanleg van de nieuwe infrastructuur geen dierenhotel meer gevestigd kan blijven. Omdat reclamant Lindeman het restant van het perceel in eigendom behoudt, komt er derhalve onvoldoende vermogen vrij om de aankoop en/of stichtingskosten van een vervangend dierenhotel te financieren. Reclamanten wijzen er in hun zienswijze op, dat er nu een mogelijkheid is om een vervangend object in erfpacht te verkrijgen op basis waarvan wèl de mogelijkheid bestaat de verplaatsing van het dierenhotel financieel mogelijk te maken. Op het moment van schrijven van de zienswijze lijken partijen overeenstemming te hebben bereikt over zowel een minnelijke regeling als over een erfpachtovereenkomst over een geschikte vervangende locatie. Zowel de minnelijke overeenstemming als de erfpachtovereenkomst zijn echter nog niet formeel goedgekeurd en daarom dienen reclamanten zekerheidshalve een zienswijze in voor het geval minnelijke overeenstemming uit mocht blijven. Indien het dierenhotel zich als gevolg van onteigening van een gedeelte van de onroerende zaak niet op een andere locatie kan hervestigen, is de schadeloosstelling mogelijk op verkeerde gronden gebaseerd. Primair stellen reclamanten zich in dat geval op het standpunt dat de verzoeker de gehele onroerende zaak zal moeten verwerven, subsidiair dat de schadeloosstelling mogelijk gebaseerd moet worden op liquidatie van het bedrijf voor zover de verzoeker in zijn recht staat om slechts een gedeelte te onteigenen.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 9 overwegen Wij het volgende.

De zienswijze ziet in hoofdzaak op de hoogte en de wijze van berekening van de schadeloosstelling. De hoogte en de wijze van berekening van de schadeloosstelling staan echter in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, aangezien de bepaling daarvan is voorbehouden aan de onteigeningsrechter in het kader van de gerechtelijke procedure. In die procedure zal, indien het althans zover komt, ook de vraag aan de orde moeten komen of en in hoeverre de schadeloosstelling welke de verzoeker thans in het kader van het met reclamanten gevoerde overleg heeft geboden, gebaseerd is op juiste dan wel onjuiste gronden. In dit verband merken Wij nog op, dat de onteigeningswet belanghebbenden op grond van artikel 40 een volledige schadeloosstelling waarborgt.

Voor zover reclamanten zich op het standpunt stellen dat bij uitblijven van minnelijke overeenstemming over een vervangende bedrijfslocatie eventueel de gehele onroerende zaak waarop het dierenhotel is gevestigd zou moeten worden onteigend, wijzen Wij op hetgeen Wij reeds hiervoor in reactie op de zienswijze van reclamanten 7, onder Ad 5, hebben overwogen over de toepassing van artikel 38 van de onteigeningswet.

Voor zover reclamanten stellen dat de verzoeker heeft erkend dat er op het resterende perceelsgedeelte na de aanleg van de nieuwe infrastructuur geen dierenhotel meer gevestigd kan blijven, merken Wij op, dat de onroerende zaak van reclamanten is gelegen binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamant J.R. Lindeman heeft tegen het besluit tot vaststelling van dit plan beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dat kader hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland als verweer naar voren gebracht dat de bedrijfsvoering op de betrokken onroerende zaak kan worden voortgezet en dat het dierenpension bereikbaar blijft via de oostzijde door middel van de nieuwe verbinding die wordt gerealiseerd onder de Moordrechtboog door en via de westzijde door de ontsluiting naar de Bredeweg. De ontsluiting van het perceel kan aan de westzijde worden gerealiseerd en de huidige parkeerplaatsen kunnen worden gehandhaafd. Dit en de Wet geluidhinder en de Gezondheid- en Welzijnswet voor dieren in aanmerking nemend, heeft de Afdeling geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het inpassingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin heeft de Afdeling in het door reclamant J.R. Lindeman aangevoerde aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 9 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 10 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. bij het ontwerpbesluit ontbrak de grondplantekening. Hiermee is de aankondiging van de start van de procedure niet volledig en is niet voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel zoals omschreven in de Awb. Reclamant dan wel zijn gemachtigde moesten nu zelf de stukken bij de gemeente gaan inzien;

  • 2. in het kader van het minnelijk overleg is nimmer een passende oplossing geboden voor de ontsluiting van de resterende percelen. Het plan voorziet in een ontsluiting via een fietspad. Landbouwvoertuigen van circa 3 meter breed kunnen elkaar op dit pad niet passeren, ook niet bij de aanleg van passeerstroken waarbij er een doorgang van circa 5,5 meter ontstaat. Door het ontbreken van een deugdelijke oplossing voor de ontsluiting van de overblijvende percelen is het voor reclamant onmogelijk tot een minnelijke oplossing te komen. De huidige situatie in de ontwerpfase is ongewenst, omdat het landbouwverkeer over circa 850 meter gebruik zal moeten maken van het fietspad. Dit is geen duurzame en veilige oplossing voor de ontsluiting van de percelen. Daarbij komt dat in andere provincies landbouwverkeer juist van de fietspaden geweerd wordt. Te denken valt aan de provincie Zeeland. Uit stukken van die provincie blijkt dat landbouwverkeer en fietsers niet samengaan;

  • 3. het toekomstige fietspad sluit aan op de 5e Tochtweg. Hoe deze aansluiting tot in detail gerealiseerd wordt, was bij een laatste overleg nog niet bekend. Onder het viaduct over de 5e Tocht bevindt zich een hekwerk. Volgens informatie mag dit van Rijkswaterstaat niet worden verwijderd. Voor de gronden van reclamant is het echter van belang dat de aansluiting voor het hek plaatsvindt, aangezien hij er anders niet kan komen. Voor de gronden grenzend aan die van reclamant is het echter weer van belang dat de aansluiting achter het hek plaatsvindt, anders zijn deze niet bereikbaar. Dit is tegenstrijdig doch voor reclamant is het wel van groot belang hoe dit opgelost gaat worden.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 10 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Naar aanleiding van dit onderdeel merken Wij op, dat artikel 3:13 van de Awb een beperkte strekking heeft. In dit artikel is vastgelegd dat het bestuursorgaan het ontwerp van een te nemen besluit aan de belanghebbenden, onder wie begrepen de aanvrager, dient toe te zenden indien dat besluit tot één of meer belanghebbenden zal zijn gericht. Niet bepaald is dat met dit ontwerpbesluit ook stukken mee moeten worden gezonden. De bedoelde verplichting om belanghebbenden persoonlijk kennis te geven van het ontwerpbesluit is bedoeld om te waarborgen dat het de belanghebbende niet ontgaat dat een zodanig besluit is opgesteld en ter inzage wordt gelegd, samen met alle overige op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de grondtekening. Tevens wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit bij Onze Minister. Ons is gebleken dat aan de wettelijke vereisten ter zake is voldaan.

Ad 2.

Het gestelde omtrent de wijze waarop in de ontsluiting van de overblijvende percelen van reclamant is voorzien en de duurzaamheid en veiligheid van de gekozen oplossing, is in hoofdzaak van planologische aard. Een en ander had ter beoordeling kunnen staan in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wro. Wij merken hierbij op, dat de van reclamant benodigde onroerende zaken gelegen zijn binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. Reclamant heeft tegen de vaststelling van dit plan geen beroep ingesteld. Zoals hiervoor opgemerkt naar aanleiding van de zienswijze van de reclamanten 8, is het bestemmingsplan, althans ten aanzien van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaken, door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2012, nr. 201101194/1/R1, onherroepelijk geworden. Voor het overige merken Wij op, dat Ons uit de overgelegde stukken is gebleken dat de verzoeker om onteigening inderdaad de ontsluiting van de overblijvende percelen van reclamant gedeeltelijk via een aan te leggen fietspad voorziet. De aanleg van dit fietspad maakt deel uit van een ander en ouder plan waarvoor reclamant reeds gronden heeft afgestaan, namelijk het plan voor de verlegging van de aansluiting van de provinciale weg N456 op de A20 bij Moordrecht (gemeente Zuidplas). Dit valt buiten het kader van de onderhavige procedure ten behoeve van de aanleg van de Moordrechtboog en bovendien is dit plan al in uitvoering, zoals hiervoor opgemerkt onder “Noodzaak en urgentie”. Voor het overige wijzen Wij er op dat reclamant, voor zover hij meent schade te lijden door het bestemmingsplan dan wel het zojuist genoemde plan, op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening een verzoek om vergoeding van deze schade bij de gemeente Zuidplas kan indienen.

Ad 3.

Uit ingesteld onderzoek is Ons gebleken, dat het door reclamant bedoelde hekwerk op een zeker moment is geplaatst met het oog op de uitvoering van de werkzaamheden voor de verlegging van de aansluiting van de provinciale weg N456 op de A20 bij Moordrecht (gemeente Zuidplas), waarop zojuist onder Ad 2 is gedoeld. Het bedoelde hetwerk is echter niet meer aldaar aanwezig. In plaats daarvan zijn in verband met de uitvoering van de werkzaamheden voor zojuist bedoelde verlegging wel op enkele plaatsen bouwhekken aanwezig. De verzoeker om onteigening heeft verklaard, dat reclamant zijn gronden in deze situatie bereikt via een bouwweg van de aannemer die de werken uitvoert. Reclamant heeft volgens de verzoeker zelf een sleutel van het bouwhek dat het terrein waar gewerkt wordt afsluit van de openbare weg. Er bestaat dan ook geen belemmering voor reclamant om zijn gronden te bereiken. Reclamant onderhoudt volgens de verzoeker ook verder zelf contact met de aannemer over de uitvoering van de werkzaamheden. De verzoeker heeft verder aangegeven dat het niet logisch is dat in de toekomst op het onder Ad 2 bedoelde fietspad, dat reclamant kan gebruiken voor het bereiken van zijn gronden, (opnieuw) een hekwerk wordt geplaatst.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 10 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 11 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. reclamant wil de voor de aanleg van de werken benodigde gronden niet verkopen maar in opstalrecht aan de verzoeker uitgeven;

  • 2. uit informatie is gebleken dat er eigenlijk meer onteigend wordt dan strikt nodig is voor het werk. Dit geldt bijvoorbeeld voor de onroerende zaak met de grondplannummers 18.1, 18.2 en 18.3;

  • 3. de verzoeker heeft tot nu toe een bedrag van € 1,00 de massa aangeboden voor alle te onteigenen percelen, terwijl in de onteigening gronden betrokken zijn die een (veel) hogere waarde vertegenwoordigen.

Wij merken op, dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Ons bij brief van 27 mei 2013, kenmerk PZH-2013-411606824, hebben bericht geen prijs meer te stellen op de voortzetting van de onteigeningsprocedure met betrekking tot de onroerende zaken van reclamant vanwege het bereiken van minnelijke overeenstemming. Daarnaast heeft reclamant zijn zienswijze bij brief van 13 juni 2013, kenmerk RWS-2013/30482, ingetrokken. Aan de zienswijze van reclamant kan hier dan ook voorbij worden gegaan.

Overige overwegingen

Met brief van 10 januari 2013, kenmerk PZH-2013-364888366 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Ons te kennen gegeven wegens minnelijke verwerving niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure met betrekking tot de gedeeltelijk mede in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 1811, 1810, 1809, 1062, 1974, 1973, 1971, 4828 en sectie E, nrs. 418, 416, en kadastraal bekend gemeente Moordrecht, sectie D, nrs. 3475, 3117, 3502, 3091, 3503, 3271 en 3479 (grondplannummers 3, 4, 5, 8, 13, 14, 16, 31, 104, 106, 35.1, 35.2, 35.3, 40, 42, 43, 44, 45, 48.1 en 48.2). Deze onroerende zaken behoeven dan ook niet ter onteigening te worden aangewezen.

Met brief van 27 mei 2013, kenmerk PZH-2013-411606824, hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Ons te kennen gegeven wegens minnelijke verwerving niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure met betrekking tot de gedeeltelijk mede in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 3836, 4730, 4293 en 1970 en sectie E, nummer 706 (grondplannummers 2, 6, 18.1, 18.2, 18.3, 19 en 109). Deze onroerende zaken behoeven dan ook niet meer ter onteigening te worden aangewezen.

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de overige in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan bezwaarlijk kunnen worden gemist.

Ons is overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de gedeeltelijke toewijzing van het verzoek in de weg kunnen staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht, dat de provincie Zuid-Holland de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen derhalve, gelet op hetgeen Wij hierboven hebben overwogen, het verzoek van Provinciale Staten van Zuid-Holland tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet, gedeeltelijk toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2013, nr. RWS-2013/31166, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Gelezen het besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 5 september 2012, nr. 6499;

Gelezen de brieven van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 2 november 2012, kenmerk PZH-2012-338775281, 10 januari 2013, kenmerk PZH-2013-364888366, en 27 mei 2013, kenmerk PZH-2013-411606824;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 september 2013, nr. W14.13.0200/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 25 september 2013, nr. RWS-2013/44439, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Ten behoeve van de uitvoering van de inpassingsplannen “Extra Gouwekruising” en “Gouweknoop grondgebied Waddinxveen” van de provincie Zuid-Holland en het bestemmingsplan “Gouweknoop” van de gemeente Zuidplas, ten name van de provincie Zuid-Holland ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, zoals aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet binnen de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht, ter inzage hebben gelegen en voor zover die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Zulks onder de voorwaarden, dat niet zal worden overgegaan tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet, vóórdat het inpassingsplan “Extra Gouwekruising” onherroepelijk zal zijn met betrekking tot de in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken en dat dit aanwijzingsbesluit vervalt, indien het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan met betrekking tot die onroerende zaken in beroep zal worden vernietigd.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 30 september 2013

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

Lijst van de te onteigenen onroerende zaken.

Onteigeningsplan Moordrechtboog en aansluiting Extra Gouwekruising

Verzoekende instantie: Provincie Zuid-Holland

RWS-nr.2012-29

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Waddinxveen

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

7

00

10

95

wonen

terrein (grasland)

08

10

10

C 4191

Eigendom:

Quak, Jan Dirk,

Waddinxveen.

                   

9

00

57

05

wegen

01

59

40

C 5236

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

12

00

46

10

terrein (grasland)

02

47

50

C 1975

Eigendom:

Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, Katwijk ZH,

zetel: Waddinxveen.

                   

15

00

83

05

terrein (grasland)

01

31

50

C 1972

Eigendom:

Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, Katwijk ZH,

zetel: Waddinxveen.

                   

17

GEHEEL

wegen

01

24

29

C 4292

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

21

00

04

45

wonen (agrarisch)

terrein (grasland)

00

66

25

E 828

Eigendom:

Knook, Edward Peter Adriaan,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

22

00

30

55

terrein (grasland)

00

82

60

C 1097

Eigendom:

Knook, Edward Peter Adriaan,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

23

00

53

60

wonen

erf – tuin

00

99

30

C 1094

½ Eigendom:

van Bruggen, Marinus Anton,

gehuwd met: van den Bos, Hendrika,

Waddinxveen.

½ Eigendom:

van den Bos, Hendrika,

gehuwd met: van Bruggen, Marinus Anton,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

24

00

68

90

wonen

terrein (grasland)

01

15

20

C 1091

Eigendom:

Kortlever, Cornelis,

gehuwd met: Middelman, Teuntje Cornelia,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

25

01

21

85

terrein (grasland)

01

50

80

C 4845

Eigendom:

I.A. van der Spek Holding B.V.,

zetel: Waddinxveen.

                   

26

00

18

10

terrein (grasland)

00

35

00

C 5030

gedeeltelijk

½ Eigendom:

Van der Spek, Izaäc Anthonie,

gehuwd met: de Jong, Christina Cornelia,

Waddinxveen.

½ Eigendom: de Jong, Christina Cornelia,

gehuwd met: Van der Spek, Izaäc Anthonie,

Waddinxveen.

geschat

             
     
       

terrein (grasland)

00

29

90

C 5030

Eigendom:

         

geschat

gedeeltelijk

I.A. van der Spek Holding B.V.,

zetel: Waddinxveen.

               

28

00

19

80

wonen

terrein (grasland)

00

46

00

C 4900

Eigendom:

de Mik, Adriaan,

gehuwd,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

29

00

41

25

wonen

terrein (grasland)

01

78

30

C 1081

Eigendom:

Knook, Edward Peter Adriaan,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

30

00

04

75

bedrijvigheid (industrie)

erf – tuin

00

57

20

C 4827

4/5 Eigendom:

Lindeman, Jan Robert Victor,

gehuwd met: Contant, Marina Adriana,

Leidschendam.

1/5 Eigendom:

Sillem, Jan-Joris,

’s-Gravenhage.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

105

01

01

10

terrein (grasland)

01

73

10

E 417

Eigendom:

Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, Katwijk ZH,

zetel: Waddinxveen.

                   

107

00

04

15

terrein (grasland)

03

93

55

E 415

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

108

00

82

10

wegen

01

16

10

E 703

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

109

00

26

15

wegen

04

17

80

E 706

Eigendom:

De Staat (Infrastructuur en Milieu),

zetel: ’s-Gravenhage.

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Moordrecht

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

37

00

95

30

terrein (grasland)

01

18

68

D 3250

½ Eigendom:

Duijndam, Johannus Jozef,

Moordrecht,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

½ Eigendom:

Duijndam, Antonius Johannes,

gehuwd met: Agterof, Johanna Adriana Rosalia,

Zevenhuizen,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

                   

38

00

22

25

terrein (grasland)

01

95

20

D 149

½ Eigendom:

Duijndam, Johannus Jozef,

Moordrecht,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

½ Eigendom:

Duijndam, Antonius Johannes,

gehuwd met: Agterof, Johanna Adriana Rosalia,

Zevenhuizen,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

                   

39

00

23

70

terrein (grasland)

01

98

80

D 148

½ Eigendom:

Duijndam, Johannus Jozef,

Moordrecht,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

½ Eigendom:

Duijndam, Antonius Johannes,

gehuwd met: Agterof, Johanna Adriana Rosalia,

Zevenhuizen,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

                   

46

00

00

90

terrein (grasland)

00

88

74

D 3504

Eigendom:

Vergeer, Wilhelmus Leonardus,

gehuwd met: van Diemen, Maria Catharina,

Moordrecht.

                   

54

01

17

75

berging-stalling

(garage-schuur)

terrein (teelt-kweek)

01

96

85

D 3431

Eigendom:

Roos, Pieter,

gehuwd met: van Dooren, Sonja Esmaralda,

Moordrecht.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

                   

55

00

05

05

wonen

erf-tuin

00

12

97

D 3433

Eigendom:

Roos, Pieter,

gehuwd met: van Dooren, Sonja Esmaralda,

Moordrecht.

                   

56

00

39

65

terrein (grasland)

00

77

21

D 2984

Eigendom:

Vergeer, Wilhelmus Leonardus,

gehuwd met: van Diemen, Maria Catharina,

Moordrecht.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

                   

57

00

24

00

wonen

terrein (grasland)

01

39

43

D 3118

Eigendom:

Vergeer, Wilhelmus Leonardus,

gehuwd met: van Diemen, Maria Catharina,

Moordrecht.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

                   

58

00

14

20

openbaar vervoer

01

81

30

D 3443

Eigendom:

NS Vastgoed B.V.,

zetel: Utrecht.

                   

60

00

13

65

openbaar vervoer

01

55

00

D 3445

Eigendom:

NS Vastgoed B.V.,

zetel: Utrecht.

                   

72

00

25

75

wegen

00

79

10

D 3081

Eigendom:

de Haan, Jacob Ewoud,

gehuwd met: van der Zwaan, Esmeralda Catharina Johanna,

Moordrecht.

                   

73

00

33

15

terrein (akkerbouw)

02

03

43

D 3581

gedeeltelijk

Eigendom:

de Haan, Jacob Ewoud,

gehuwd met: van der Zwaan, Esmeralda Catharina Johanna,

Moordrecht.

Dit gedeeltelijk perceel is belast met opstalrechten nutsvoorzieningen:

1. De Staat (Defensie),

zetel: ’s-Gravenhage.

2. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

geschat

     
                   
 
     
       

wegen

00

62

05

D 3581

Eigendom:

Provincie Zuid-Holland,

zetel: ’s-Gravenhage.

         

geschat

gedeeltelijk

Dit gedeeltelijk perceel is belast met opstalrechten nutsvoorzieningen:

1. De Staat (Defensie),

zetel: ’s-Gravenhage.

2. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

Besluit van ....... houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Moordrechtboog en aansluiting Extra Gouwekruising)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan onteigening uit kracht van een koninklijk besluit plaatsvinden ten behoeve van de uitvoering van een bestemmings- of inpassingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Provinciale Staten van Zuid-Holland verzoeken Ons bij besluit van 5 september 2012, nr. 6499, om ten name van die provincie over te gaan tot aanwijzing van een aantal onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas. Op 2 november 2012 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland het besluit van provinciale staten aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

De mede op grond van dit aanwijzingsbesluit aan te leggen wegen zullen deel uitmaken van de provinciale infrastructuur. De uitvoering van de werken en werkzaamheden zal plaatsvinden in samenwerking tussen de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, ProRail en de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas. Daartoe is op 7 september 2012 een uitvoeringsovereenkomst gesloten tussen de provincie Zuid-Holland en de gemeente Zuidplas. De kosten van de werken zullen worden gedragen door de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Zuidplas.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, zijn begrepen in:

  • 1) Het inpassingsplan “Extra Gouwekruising” van de provincie Zuid-Holland, vastgesteld op 12 oktober 2011; verder te noemen: inpassingsplan E;

  • 2) Het inpassingsplan “Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen” van de provincie Zuid-Holland, vastgesteld op 10 november 2010 en vanaf 25 januari 2012 onherroepelijk van kracht; verder te noemen: inpassingsplan G;

  • 3) Het bestemmingsplan “Gouweknoop” van de gemeente Zuidplas, vastgesteld op 2 november 2010 en, voor zover hier van belang, onherroepelijk geworden op 18 juli 2012; verder te noemen: het bestemmingsplan.

Omdat het inpassingsplan E nog niet onherroepelijk is, zullen Wij aan dit besluit in zoverre voorwaarden verbinden die zien op het tijdstip waarop een dagvaarding ingevolge artikel 18 van de onteigeningswet kan worden uitgebracht en op het tijdstip van het vervallen van dit besluit.

Aan de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken zijn de volgende bestemmingen toegekend:

  •  in het inpassingsplan E: Verkeer, met daarop gedeeltelijk de dubbelbestemming Leiding-Water en gedeeltelijk de functieaanduiding “specifieke vorm van verkeer-faunapassage” ten behoeve van een faunapassage;

  •  in het inpassingsplan G: Verkeer met daarop gedeeltelijk de dubbelbestemming Waarde-Archologie en gedeeltelijk de functieaanduiding “(br)”;

  •  in het bestemmingsplan: Verkeer, Verkeer-Rail en Water, met daarop gedeeltelijk de dubbelbestemming Leiding ten behoeve van een riool- en waterleiding en gedeeltelijk de functieaanduiding “(br)”.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken en gegevens, met ingang van 7 maart 2013 tot en met 17 april 2013 in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas, en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb, hebben de burgemeesters van Waddinxveen en Zuidplas van het ontwerp koninklijk besluit en de terinzagelegging daarvan, op 6 maart 2013 openbaar kennis gegeven in het huis-aan-huisblad “Hart van Holland”. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 6 maart 2013, nr. 5447.

Verder is overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerpbesluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken zijn nodig om de provinciale deelprojecten Moordrechtboog en Extra Gouwekruising te kunnen realiseren. Het deelproject Extra Gouwekruising omvat de aanleg van een provinciale weg, evenwijdig aan de noordzijde van de A12. Deze weg zal de Goudse Poort (de aansluiting van de provinciale weg N452 op de A12 bij Gouda) op het grondgebied van de gemeente Waddinxveen verbinden met de nieuw aan te leggen Moordrechtboog. Het project Moordrechtboog omvat de aanleg van een provinciale weg die de A12 zal verbinden met de A20.

Beide deelprojecten maken deel uit van het provinciale project Parallelstructuur A12. Naast de Extra Gouwekruising en de Moordrechtboog, voorziet dit project ook nog in de in een latere fase aan te leggen Rottelaan, evenwijdig aan de noordzijde van de A12 tussen Zevenhuizen en Bleiswijk.

In combinatie met de al in uitvoering zijnde verlegging van de provinciale weg N456 en de aansluiting daarvan op de A20 bij Moordrecht, wordt met deze projecten beoogd de wegenstructuur van de zogenaamde Gouweknoop en omgeving te verbeteren met als doel de problemen op het hoofdwegennet op te lossen, de regionale bereikbaarheid te vergroten en gebiedsontwikkelingen te faciliteren.

Met de Moordrechtboog krijgt de A12 een rechtstreekse aansluiting op de A20. Daarmee wordt de huidige verkeersdruk op de provinciale weg N219 tussen Zevenhuizen/A12 en de A20 verminderd en zal het woon- en leefmilieu langs de Bredeweg en de Middelweg (N456) worden verbeterd.

De aanleg van de Extra Gouwekruising leidt ertoe dat het verkeer op de A12 uit de richting Den Haag voor de afrit Gouda niet langer in het Gouweaquaduct zal moeten “weven”. Daarmee zullen de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid ter plaatse gebaat zijn.

Daarnaast zal Gouda-West door de Extra Gouwekruising in combinatie met de Moordrechtboog, beter worden ontsloten en krijgt Waddinxveen een betere aansluiting op de A12 en de A20. Ook de gebiedsontwikkeling van de Zuidplaspolder zal zijn gebaat met de aanleg van het nieuwe wegenstelsel.

Ter uitvoering van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan zullen werken en werkzaamheden worden uitgevoerd voor de aanleg van de wegenstructuur met bijkomende werken.

Om bedoelde werken en werkzaamheden tijdig en volledig te kunnen realiseren wensen Provinciale Staten van Zuid-Holland de vrije beschikking te verkrijgen over de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken.

In de door verzoeker voorgestane wijze van planuitvoering, wordt inzicht verschaft door beide inpassingsplannen en het bestemmingsplan, met de daarbij behorende regels, toelichtingen en verbeeldingen.

Met de eigenaren van de in het verzoek om onteigening begrepen onroerende zaken is door verzoeker overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Nu het ten tijde van het verzoek niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn zou leiden tot vrijwillige eigendomsoverdracht van de onroerende zaken, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland besloten over te gaan tot een onteigeningsverzoek, om de tijdige verwezenlijking van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat met de werkzaamheden ter uitvoering van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan binnen een periode van vijf jaar na de datum van dit besluit een aanvang zal worden genomen. De oplevering van het werk is voorzien in 2016. Daarmee wordt voldaan aan het voor de beoordeling van de urgentie van de verzochte onteigening door Ons gehanteerde maximale tijdvak van vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn waarin het ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening ter inzage heeft gelegen, zijn bij Ons zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. de heer A. de Mik, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4900 (grondplannummer 28), verder te noemen reclamant 1;

  • 2. de heer E.P.A. Knook, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie E, nr. 828 en sectie C, nrs. 1097 en 1081 (grondplannummers 21, 22 en 29), verder te noemen reclamant 2;

  • 3. de heer M.A. van Bruggen en mevrouw H. van den Bos, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 1094 (grondplannummer 23), verder te noemen reclamanten 3;

  • 4. de Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, eigenares van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 1975 en 1972 en sectie E, nr. 417 (grondplannummers 12, 15 en 105), verder te noemen reclamante 4;

  • 5. de heer J.D. Quak, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4191 (grondplannummer 7), verder te noemen reclamant 5;

  • 6. de heer C. Kortlever, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 1091 (grondplannummer 24), verder te noemen reclamant 6;

  • 7. I.A. van der Spek Holding B.V., eigenares van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 4845 (grondplannummer 25) en de heer I.A. van der Spek en mevrouw C.C. de Jong, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nr. 5030 (ged.) (grondplannummer 26), verder te noemen reclamanten 7;

  • 8. de heren J.J. en A.J. Duijndam, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie D, nrs. 3250, 149 en 148 (grondplannummers 37, 38 en 39), mede namens de heer E.A.J. Dijndam en de Firma Gebroeders J.J. en A.J. Duijndam, verder te noemen reclamanten 8;

  • 9. de heren J.R.V. Lindeman en J.J. Sillem, eigenaren van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 4827 (grondplannummer 30), alsmede Dierdorado B.V., vertegenwoordigd door Fox T Management B.V., de heer J.R.V. Lindeman, Cavalry Management B.V. en de heer H. Lohbeck, zijnde de exploitanten van het op de onroerende zaak gevestigde dierenhotel Dierdorado, verder te noemen reclamanten 9;

  • 10. de heer J.E. de Haan, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Moordrecht, sectie D, nrs. 3081 en 3581 (ged.) (grondplannummers 72 en 73), verder te noemen reclamant 10;

  • 11. het hoofd van het District van Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid, namens de Staat, eigenaar van de gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 4293 en 1970 en sectie E, nr. 706 (grondplannummers 18.1, 18.2, 18.3, 19 en 109).

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet, zijn reclamanten in de gelegenheid gesteld om over hun zienswijzen te worden gehoord. Daartoe is op 25 april 2013 een hoorzitting gehouden in het gemeentehuis van Zuidplas. De reclamanten sub 6, 7, 10 en 11 hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Reclamant 1 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. hij gebruikt het in de procedure betrokken perceelsgedeelte in samenhang met meerdere percelen voor wonen en bedrijfsactiviteiten. Het gebruik kan door de ontneming van een groot gedeelte van de huiskavel inclusief de opstallen ter plaatse niet meer worden voortgezet. De beoogde verkeersweg, gelegen tussen de A12 en A20, wordt vrijwel zeker de drukste provinciale verbindingsweg in Nederland. Het is onmogelijk om hier te blijven wonen vanuit het oogpunt van welzijn en de milieu-, geluids- en verkeersoverlast die op zal treden;

  • 2. met de verzoeker om onteigening is overeenstemming bereikt over gehele aankoop van de onroerende zaak en de bijbehorende schadeloosstelling. Tot daadwerkelijke afronding van de zaak is het echter nog niet gekomen, het blijft bij een toezegging van de kant van de verzoeker. Aangezien er overeenstemming is, dient de verzoeker dit af te ronden, de noodzaak tot onteigening is daarom op geen enkele wijze aangetoond.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 1 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

De zienswijze dat reclamant het resterende gedeelte van zijn onroerende zaak door de realisering van het plan niet meer zal kunnen gebruiken en dat het vanuit het oogpunt van welzijn en optredende milieu-, geluids- en verkeersoverlast onmogelijk is om ter plaatse te blijven wonen, is planologisch van aard. Deze onderwerpen hadden uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de inpassingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Wij merken op, dat het van reclamant benodigde perceelsgedeelte gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamant heeft tegen het besluit tot vaststelling van dit plan door Provinciale Staten van Zuid-Holland beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, met onder meer de grond dat hij als gevolg van het inpassingsplan onevenredig in zijn belangen wordt geschaad nu aan een groot deel van zijn perceel de bestemmingen “Verkeer” en “Groen-uit te werken” zijn toegekend. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling het beroep van reclamant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat gemoeid is met de Moordrechtboog en het eveneens beoogde Boogpark, dan aan het belang van reclamant om op zijn perceel te kunnen blijven wonen en zijn bedrijf uit te oefenen. De Afdeling heeft hier wel bij betrokken de toezegging van provinciale staten om het gehele perceel van reclamant aan te kopen. Uit de Ons overgelegde stukken blijkt dat verzoeker zich inderdaad heeft ingespannen om de gehele onroerende zaak van reclamant aan te kopen. Gewezen kan worden op het hierna gestelde onder Ad 2. Overigens merken Wij op, dat de onteigeningswet slechts voorziet in de mogelijkheid tot onteigening van gronden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een werk of werkzaamheid ter realisatie van een (uitgewerkt) bestemmingsplan of inpassingsplan; in de onderhavige procedure is in dat kader alleen het gedeelte van de onroerende zaak van reclamant betrokken waaraan ingevolge het inpassingsplan G de bestemming “Verkeer” is toegekend, zulks ten behoeve van de aanleg van de Moordrechtboog. Het gedeelte waaraan de bestemming “Groen – Uit te werken” is toegekend en dat mogelijk nodig is voor de aanleg van het Boogpark, is niet in de onteigening betrokken.

Ad 2.

Uit de overgelegde stukken is Ons gebleken dat de verzoeker reclamant bij brieven van 13 mei 2011 en 13 juli 2011 biedingen heeft gedaan gericht op de verwerving van het gedeelte van de onroerende zaak dat nodig is voor de realisering van het werk en dat in de onderhavige procedure betrokken is. Daarnaast heeft de verzoeker reclamant, zowel op diens verzoek als op basis van zijn eigen voorkeur, bij de brief van 13 juli 2011 een bod gedaan gericht op de volledige verwerving van de betrokken onroerende zaak. Partijen hebben hierover verschillende malen overleg gevoerd, dat in september 2011 heeft geleid tot mondelinge overeenstemming over de aankoop door de verzoeker van de gehele onroerende zaak. De verzoeker heeft reclamant hierover bij brief van 26 juli 2012 nader bericht, doch hem tevens op de hoogte gesteld van de uitkomst van een op de onroerende zaak uitgevoerd bodemonderzoek, waaruit gebleken is dat deze ernstig verontreinigd is met asbest. De verzoeker heeft reclamant in verband daarmee gevraagd of hij, in goed overleg met het bevoegd gezag, bereid is om de onroerende zaak te saneren. In dat geval zou, zo heeft de verzoeker reclamant meegedeeld, de bestaande mondelinge overeenstemming kunnen worden omgezet in een koopovereenkomst, waarin tevens de afspraken met betrekking tot de sanering zijn opgenomen. Bij brief van 26 juli 2012 heeft de verzoeker reclamant nogmaals een aanbod gedaan gericht op de aankoop van de oppervlakte van de onroerende zaak die in onderhavige onteigeningsprocedure betrokken is.

Uit de Ons overgelegde stukken is niet gebleken dat de mondelinge overeenstemming na 26 juli 2012 en voorafgaand aan de datum van het verzoekbesluit heeft geleid tot een getekende overeenkomst en eigendomsoverdracht. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken op, dat Ons voorts uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. De verzoeker heeft reclamant, als uitkomst van dit overleg, op 26 oktober 2012 een (aangepaste) koopovereenkomst doen toekomen, waarin met de verontreiniging en sanering rekening is gehouden. Reclamant heeft daar op 10 januari 2013 op gereageerd en op 25 februari 2013 heeft overleg plaatsgevonden. De verzoeker heeft het in dit overleg besprokene nog in beraad. Gelet hierop en op de overgelegde stukken kan naar Ons oordeel de verzoeker een enigszins trage behandeling van deze kwestie wel worden tegengeworpen, doch onderkend moet worden dat er nog geen sprake is van een getekende overeenkomst en van eigendomsoverdracht. In dat licht achten Wij het noodzakelijk om over te gaan tot de aanwijzing van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak ter onteigening. Wij tekenen hierbij aan, dat het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 1 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 2 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

De ontneming van de huiskavel met alle opstallen leidt ertoe dat hij niet ter plaatse kan blijven wonen en daar evenmin de bedrijfsvoering kan voortzetten. Van overheidswege is hem uitvoerig onderzoek toegezegd naar de mogelijkheid tot verplaatsing van het woonhuis met bedrijfsgebouwen binnen het inpassingsplan- of bestemmingsplangebied naar andere percelen die hij in eigendom heeft of de mogelijkheid van een grondruil. Het blijft echter bij toezeggingen en reclamant heeft niets meer van de kant van de overheid vernomen. Omdat het project wordt uitgevoerd in samenwerking tussen onder andere de provincie Zuid-Holland, Rijkswaterstaat, de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas en de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Zuidplas, kan reclamant tot op heden ook alleen maar constateren dat op geen enkele wijze blijkt in hoeverre de overheid de gedane toezegging tot onderzoek naar een verplaatsing of grondruil binnen het plangebied voor hem mogelijk maakt. Reclamant constateert dat er formeel alleen een brief met bieding is verstuurd en daarna is direct het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De overheid heeft zich totaal niet actief ingespannen om zijn eigendommen op minnelijke wijze te verwerven, ook niet door de toezegging over de verplaatsing nader uit te werken en/of daar overleg over te voeren.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 2 overwegen Wij het volgende.

De van reclamant benodigde perceelsgedeelten zijn gelegen binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Uit de overgelegde stukken is Ons gebleken dat reclamant tegen het ontwerp van dit plan bij Provinciale Staten van Zuid-Holland een zienswijze heeft ingediend waarin hij verzocht heeft om voor enkele nader genoemde percelen een bestemmings- of wijzigingsbevoegdheid op te nemen voor het vestigen van distributie- en/of transportbedrijven. Reclamant heeft in deze zienswijze tevens verzocht om de realisatie van drie bouwkavels voor woonhuizen aan de Zuidelijke Dwarsweg te Waddinxveen mogelijk te maken. Bij brief van 26 november 2010 is reclamant namens provinciale staten meegedeeld dat de bereidheid bestaat tot onderzoek naar de mogelijkheden tot het realiseren van een woning en een bedrijf op andere locaties binnen het plangebied. Bij de vaststelling van het inpassingsplan is de zienswijze van reclamant echter, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft reclamant beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling het beroep deels gegrond verklaard en het inpassingsplan vernietigd voor zover het de aanduiding “bouwvlak” betreft, die rust op het plandeel met de bestemming “Wonen” voor zover betrekking hebbend op het perceel Zuidelijke Dwarsweg 11 te Waddinxveen. Zelfvoorzienend in de zaak heeft de Afdeling de situering van dit vlak aangepast en dit alsnog op de juiste wijze weergegeven op de bij de uitspraak behorende kaart 1. Voor het overige heeft de Afdeling het beroep van reclamant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling onder meer, naar aanleiding van het beroep van reclamant dat het plan, -nu hierin zijn woning is wegbestemd-, ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het op een ander perceel aan de Zuidelijk Dwarsweg realiseren van een nieuwe woning, geoordeeld dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen besluiten om aan dat perceel geen woonbestemming toe te kennen voor het realiseren van een nieuwe woning. Ook heeft de Afdeling geoordeeld, dat provinciale staten in redelijkheid hebben kunnen besluiten om aan een ander perceel van reclamant een bouwvlak toe te kennen voor maximaal één woning.

Gelet op bovenstaande is de verplaatsing van het woonhuis met bedrijfsgebouwen binnen het plangebied van planologische aard en is deze in de procedure op grond van de Wro aan de orde gesteld en geweest. In de onderhavige procedure kunnen verder geen zelfstandige uitspraken worden gedaan over de wijze waarop met het verzoek van reclamant tot verplaatsing in die procedure is omgegaan. Aan het hierover gestelde moet hier dan ook voorbij worden gegaan.

Voor het overige heeft de zienswijze van reclamant betrekking op het gevoerde minnelijk overleg. Naar aanleiding hiervan overwegen Wij vooreerst in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst bij minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan, indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen, is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Er moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kunnen Wij tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het inpassings- of bestemmingsplan zeker te stellen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf 25 oktober 2010 met reclamant in gesprek is over de verwerving van de benodigde onroerende zaken. Omdat reclamant, in afwachting van duidelijkheid over de afhandeling van zijn zienswijze tegen het ontwerp van het inpassingsplan, geen toestemming verleende voor een taxatie heeft de verzoeker om onteigening hem bij brief van 26 mei 2011 een bod gedaan op basis van een zichttaxatie. Hierbij is overigens wat betreft de onroerende zaak met grondplannummer 29 een andere oppervlakte genoemd dan in onderhavige procedure betrokken is. De adviseur van reclamant heeft bij brief van 16 juni 2011 op dit bod gereageerd en verzoeker onder meer verzocht om het inpassingsplan ten gunste van reclamant te wijzigen. Bij brief van 20 juli 2011 heeft de verzoeker reclamant een verbeterde aanbieding gedaan en hem medegedeeld dat de gewenste planologische wijzigingen publiekrechtelijk van aard zijn. Het verzoek van reclamant is, zo laat de verzoeker weten, nogmaals onder de aandacht gebracht van de afdeling Ruimte van de provincie. In een overleg op 12 juni 2012 heeft de namens de verzoeker optredende verwerver reclamant een hernieuwd aanbod gedaan, rekening houdend met de oppervlakten welke thans in de onderhavige procedure betrokken zijn. Dit bod is bij brief van 26 juli 2012 bevestigd. Partijen hebben op basis hiervan echter geen overeenstemming kunnen bereiken.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant 2 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamant voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit op een aantal momenten hebben voortgezet. In deze overleggen heeft reclamant ook zijn wens geuit om te komen tot ruiling van grond. De verzoeker heeft de mogelijkheden daartoe onderzocht. Ook dit voortgezette overleg heeft echter nog niet tot overeenstemming geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 2 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 3 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. op het perceel is een sierteeltbedrijf gevestigd en door de aanleg van de beoogde verkeersweg zullen reclamanten dit niet meer ter plaatse kunnen uitoefenen, aangezien al het land van het bedrijf onder de weg komt te liggen. Door de milieu-, verkeers- en geluidsoverlast ontstaat een situatie waarin dit allemaal ter plaatse niet meer mogelijk is. De beoogde verkeersweg wordt als verbindingsweg tussen de A12 en A20 ook de drukste verbindingsweg van Nederland. Reclamanten hebben van overheidswege nooit vernomen dat de gevolgen hiervan nader onderzocht zullen worden. Voor zover reclamanten bekend, is de overheid hier wel toe verplicht;

  • 2. de verzoeker om onteigening heeft alleen maar een brief met een bieding op het te onteigenen perceelsgedeelte gestuurd, waarop een mondelinge toelichting is gegeven. Daarna is direct het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De verzoeker heeft zich totaal niet actief opgesteld om de eigendom op minnelijke wijze te verwerven en/of overleg te voeren over bedrijfsverplaatsing, zodanig dat de economische bedrijfsvoering en het woongenot voor (het gezin van) reclamanten mogelijk blijven. De noodzaak tot onteigening is derhalve op geen enkele wijze aangetoond.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 3 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1. Hier kan verder worden opgemerkt, dat het van reclamanten 3 benodigde perceelsgedeelte eveneens gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamanten hebben tegen de vaststelling van dit plan beroep aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling dit beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van reclamanten, dat zij onder meer als gevolg van het plan in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat zij ernstig in hun woongenot worden aangetast, reeds geoordeeld dat provinciale staten in redelijkheid een zwaarder gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat met de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark gemoeid is, dan aan het belang van reclamanten om het bedrijf op de percelen uit te kunnen blijven oefenen. De Afdeling heeft hierbij betrokken dat provinciale staten te kennen hebben gegeven dat bij de verwerving van de benodigde gronden rekening zal worden gehouden met het feit dat reclamanten hun bedrijfsvoering niet kunnen voortzetten. Wij merken op, dat dit laatste ziet op het minnelijk overleg met reclamanten gericht op de verwerving van de benodigde gronden. Het verloop van dit overleg komt hierna onder Ad 2 aan de orde.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf 24 november 2010 met reclamanten in overleg is over de verwerving van het benodigde gedeelte van hun onroerende zaak. In vervolg op gevoerd overleg, waarin gediscussieerd is over een schadeloosstelling op basis van liquidatie dan wel reconstructie, heeft de verzoeker reclamanten bij brief van 9 november 2011 een aanbod gedaan. Op 12 juni 2012 hebben partijen overleg gevoerd, waarbij de namens de verzoeker optredende verwerver reclamanten een hernieuwd aanbod heeft gedaan, zulks op basis van reconstructie. Dit bod is bij brief van 26 juli 2012 bevestigd. Hierover is echter geen overeenstemming bereikt.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamanten 3 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamanten voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot de indiening van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken op, dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. Partijen hebben 1 oktober 2012, 30 november 2012 en 26 april 2013 verder overleg gevoerd. Ook dit overleg heeft echter niet tot overeenstemming geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 3 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamante 4 brengt in haar zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. door de aanleg van de verkeersweg ontstaat een versnippering van de overblijvende perceelsgedeelten. Deze blijven incourant achter. Reclamante heeft voorgesteld om na de inbreuk een herverkaveling met aangrenzende, reeds bij de overheid in eigendom zijnde percelen te laten plaatsvinden, waardoor zij na afname en verkleining van de percelen voor het overblijvende een aaneengesloten geheel verkrijgt. Een praktische oplossing is van overheidswege echter niet afgewerkt;

  • 2. de verzoeker om onteigening heeft alleen maar een brief met een bieding op de te onteigenen perceelsgedeelten gestuurd, waarop een mondelinge toelichting is gegeven. Daarna is direct het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De verzoeker heeft niet actief getracht om de eigendom op minnelijke wijze te verwerven en/of overleg gevoerd om aankoop tot stand te brengen zodanig dat economische verkaveling van de percelen voor reclamante mogelijk blijft.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamante 4 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel is planologisch van aard en had uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de inpassingsplanprocedure op grond van de Wro. Wij merken in dit verband op, dat de van reclamante benodigde onroerende zaken met de grondplannummers 12 en 15 gelegen zijn binnen de begrenzing van het inpassingsplan G en dat de onroerende zaak met grondplannummer 105 gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan E. Gebleken is dat reclamante tegen de besluiten tot vaststelling van deze plannen door Provinciale Staten van Zuid-Holland geen beroepen heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Overigens zij opgemerkt, dat het inpassingsplan E nog niet onherroepelijk is. Het inpassingsplan G is, zoals Wij hiervoor reeds hebben overwogen, wel onherroepelijk van kracht. Voor zover dit onderdeel van de zienswijze betrekking heeft op de wens van reclamante om te komen tot een herverkaveling van gronden, wijzen Wij op hetgeen Wij hierna zullen overwegen onder Ad 2.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf 14 december 2010 met reclamante in overleg is over de verwerving van de benodigde onroerende zaken. In vervolg op gevoerd overleg heeft de verzoeker reclamante bij brief van 13 mei 2011 een aanbod gedaan, overigens gericht op de aankoop van grotere oppervlakten van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaken. De verzoeker heeft reclamant bij deze brief tevens een ruiling van gronden aangeboden. Bij brief van 15 juli 2011 heeft de verzoeker reclamante een herzien bod gezonden, ook nog op grotere oppervlakten dan welke in deze procedure betrokken zijn. De verzoeker heeft reclamante tevens een ruiling van gronden aangeboden. Hierover heeft verder overleg plaatsgevonden. Vanwege het uitblijven van overeenstemming heeft de verzoeker reclamante bij brief van 18 juli 2012 opnieuw een aanbod gedaan, nu gericht op de aankoop van de oppervlakten van de onroerende zaken zoals die in onderhavige procedure betrokken zijn. Partijen hebben ook hierover geen overeenstemming kunnen bereiken.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamante 4 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamante voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet, waarbij ook verder gesproken is over de ruiling van gronden. Ook dit overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid, waarbij kan worden opgemerkt, dat de onteigeningswet niet verplicht tot het geven van compensatie in de vorm van vervangende gronden. Een oplossing in die vorm kan echter wel aan de orde komen in het te voeren minnelijk overleg. Uit het voorgaande blijkt dat dit ook het geval is geweest. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamante 4 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 5 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

De verzoeker om onteigening heeft alleen een brief met een bieding op het te onteigenen perceelsgedeelte gestuurd en een nadere toelichting daarop gegeven. Daarna is het verzoek ingediend om te kunnen onteigenen. De verzoeker heeft derhalve niet dan wel niet actief getracht om de eigendom op minnelijke wijze te verwerven. Een reëel tegenvoorstel van reclamant is door de verzoeker niet geaccepteerd. De noodzaak tot onteigening is derhalve op geen enkele wijze aangetoond.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 5 overwegen Wij het volgende.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker reclamant bij brief van 6 juli 2011 een aanbod heeft gedaan, overigens gericht op de aankoop van een grotere oppervlakte van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaak. Na diverse pogingen van de zijde van de verzoeker om in overleg te treden met reclamant, heeft op 19 oktober 2012 en 22 mei 2012 overleg tussen partijen plaatsgevonden. Bij brief van 4 juni 2012 heeft verzoeker reclamant een nieuw bod gedaan gericht op de aankoop van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaak en benodigde oppervlakte. Een en ander heeft echter niet tot overeenstemming geleid.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant 5 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamant voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet. In de periode augustus 2012 tot en met april 2013 heeft de verzoeker diverse pogingen gedaan om contact met reclamant te leggen, is er op diverse momenten sprake geweest van e-mailberichten over en weer en is er enkele malen overleg gevoerd. Ook dit overleg heeft nog niet tot overeenstemming geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 5 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 6 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. in het inpassingsplan “Gouweknoop, grondgebied Waddinxveen” is de woning van reclamant gelegen in de veiligheidszone van de aan te leggen afrit A12/Moordrechtboog. In verband daarmee maakt reclamant zich zorgen over zijn gezondheid en veiligheid en het woongenot. De woning wordt extra belast met geluid, fijnstof en verdere vervuiling. Consumptie uit de moestuin is niet meer mogelijk, wat ook uit de uitgevoerde milieueffectrapportage blijkt. De uitkomsten van het geluidsonderzoek zijn nog niet bekend. Het ter onteigening aan te wijzen gedeelte van de onroerende zaak van reclamant maakt voor meer dan de helft deel uit van het totale perceel, waardoor het woongenot en de schapenhouderij in hevige mate worden aangetast;

  • 2. om de in het vorige punt genoemde redenen is reclamant ook vanaf 26 oktober 2012 uitsluitend met de verzoeker in gesprek over de verkoop van zijn gehele onroerende zaak. De gesprekken zijn niet gevoerd om te komen tot de aankoop van het gedeelte dat in de onteigening betrokken is. In de gevoerde gesprekken gaf de verzoeker aan begrip te hebben voor deze situatie. Het uitgangspunt is geweest om de gehele eigendom aan de verzoeker te verkopen voor een bedrag waarvoor een vergelijkbaar object kan worden teruggekocht in de huidige woonomgeving. De verzoeker heeft echter in de gesprekken en correspondentie uitermate traag gehandeld. Op een voorstel van de makelaar van reclamant van 6 augustus 2012 heeft reclamant pas – en ook na telefonisch verzoek – op 5 maart 2013 een duidelijke reactie ontvangen. Op deze datum heeft de verzoeker voor het eerst duidelijkheid gegeven dat hij, in tegenstelling tot wat voorheen werd besproken, niet zal overgaan tot aankoop van de gehele onroerende zaak. Een schriftelijk bod gericht op de verwerving van de in onderhavige procedure betrokken oppervlakte (het deel met de schapen- en paardenstal) heeft de verzoeker op 13 maart 2013 gedaan en derhalve ruim na het verzoekbesluit. Hierover heeft de verzoeker geen overleg met reclamant gevoerd. Reclamant is dan ook van oordeel dat niet voldaan is aan de eisen zoals die zijn gesteld in de “Handreiking onteigeningen Titel IV 2010” van de voormalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu van 30 augustus 2010 en aan artikel 17 van de onteigeningswet.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 6 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1. Hier kan verder worden opgemerkt, dat de onroerende zaak van reclamant 6 gelegen is binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamant heeft geen beroep aangetekend tegen de vaststelling van dit inpassingsplan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het plan is door de hiervoor al genoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, onherroepelijk van kracht geworden.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg. Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker reclamant na voorafgaande contacten bij brief van 20 mei 2011 een aanbod heeft gedaan gericht op de aankoop van de in onderhavige procedure betrokken oppervlakte van de onroerende zaak. De verzoeker heeft reclamant hierbij bericht dat hij ook onderzoek doet naar de wens van reclamant tot aankoop van de gehele eigendom. De brief heeft reclamant echter in verband met onjuiste adressering niet bereikt, doch de verzoeker heeft de adviseur van reclamant een afschrift van de brief gezonden. Deze adviseur heeft bij brief van 30 mei 2011 namens reclamant afwijzend op de bieding gereageerd. Bij brief van 11 juli 2011 heeft de verzoeker het bod met de mededeling over het onderzoek naar de aankoop van de gehele onroerende zaak opnieuw aan reclamant gestuurd, nu gericht aan het juiste adres. Reclamant heeft dit bod bij brief van 27 juli 2011 afgewezen. Nadien verder gevoerd overleg heeft niet tot overeenstemming geleid, in verband waarmee de verzoeker reclamant nogmaals bij brief van 24 juli 2012 een bod heeft gedaan gericht op de aankoop van het in de onderhavige procedure betrokken gedeelte van de onroerende zaak. Een en ander heeft echter niet tot overeenstemming geleid.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant 6 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamant voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat partijen het overleg na het verzoekbesluit hebben voortgezet, waarbij ook (verder) gesproken is over aankoop van de gehele onroerende zaak. Dat de verzoeker uiteindelijk besloten heeft om toch niet tot gehele aankoop van deze zaak over te gaan, laat onverlet dat het minnelijk overleg nog niet tot een oplossing heeft geleid. In dit verband zij opgemerkt, dat de verzoeker reclamant bij brief van 11 maart 2013 heeft bericht dat het verzoek tot aankoop van de gehele onroerende zaak uitgebreid intern is besproken en dat de conclusie uit diverse milieuonderzoeken is, dat wonen in de nieuwe situatie nog steeds is toegestaan en dat de hiervoor vastgestelde normen niet worden overschreden. De verzoeker deelt reclamant in bedoelde brief mede dat hij daarom heeft besloten om vast te houden aan de gedeeltelijke verwerving van de onroerende zaak. Nu daarover geen overeenstemming is bereikt, achten Wij het noodzakelijk om over te gaan tot de aanwijzing van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 6 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 7 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. ondanks het gestelde in het ontwerpbesluit over de verbeteringen die het werk met zich mee zal brengen, zal de ruimte voor het loonbedrijf van reclamanten aanzienlijk verslechteren. Ook zal de leefomgeving voor de bewoners langs de Zuidelijke Dwarsweg nadelig worden beïnvloed, in ieder geval ter plaatse van de twee betrokken woningen;

  • 2. er is geen sprake van een spoedeisend belang. In het ontwerpbesluit wordt wel gesteld dat de urgentie van de onteigening aanwezig is, maar er wordt nergens onderbouwd waarom spoedig over de grond beschikt zou moeten worden, laat staan wat onder tijdig moet worden verstaan. Er is bovendien sprake van een lange lijst van belanghebbenden waarmee verzoeker nog steeds geen overeenstemming heeft bereikt;

  • 3. er is niet voldaan aan artikel 17 van de onteigeningswet. Reclamanten wijzen hierbij op het arrest van de Hoge Raad 29 maart 2013 (LJN: BY8665, Hoge Raad 12/04254), waarin bevestigd is, dat er pas sprake kan zijn van onteigening wanneer de onteigenende partij voldoende invulling heeft gegeven aan zijn verplichting tot onderhandelen als er sprake is van vastgelopen onderhandelingen en verder onderhandelen geen zin meer heeft, omdat het beoogde doel (minnelijke verkrijging) niet meer kan worden bereikt. Dat doel kan volgens reclamanten hier juist wel worden bereikt. Een minnelijke regeling biedt een win-win situatie voor beide partijen;

  • 4. reclamanten willen als zodanig wel hun medewerking aan de realisering van de plannen verlenen, maar verlangen van de wederpartij een actieve opstelling om de schadeloosstelling en de bijkomende condities tijdig uit te discussiëren en te regelen, zodanig dat bij de totaaloplossing de verzoeker de beschikking heeft over de benodigde gronden en reclamanten de stagnatie van hun bedrijf tot een minimum kunnen beperken met voldoende perspectief op doorontwikkeling na de aanleg van de weg. Aanvankelijk verliepen de gesprekken met de verzoeker goed, waarna echter een periode volgde waarin partijen niet goed met elkaar omgingen, omdat de verzoeker de wensen van reclamanten afdeed als niet haalbaar. Inmiddels is er echter weer enige toenadering van de kant van verzoeker. Reclamanten verzoeken de verzoeker erop te wijzen dat hij actief gaat participeren en gaat werken aan het creëren van een eindoplossing. Reclamanten hebben belang bij continuering van hun bedrijf zodat zij hun klanten kunnen blijven bedienen en de werkgelegenheid in stand kunnen houden;

  • 5. als er al onteigend zou moeten worden, dan zijn reclamanten van mening dat er ook sprake moet zijn van algehele onteigening op grond van artikel 38 onteigeningswet. Er is immers sprake van een perceel waar minder dan een kwart van overblijft. Reclamanten staan open voor alternatieven, zij willen best ook ergens anders gevestigd worden mits dat planologische geregeld wordt en mits er rekening wordt gehouden met hun belangen;

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 7 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1. Gebleken is, dat de besloten vennootschap Van der Spek B.V., eveneens beroep heeft ingesteld tegen de vaststelling van het inpassingsplan G bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 25 januari 2012, nr. 201102037/1/R4, heeft de Afdeling dit beroep deels gegrond verklaard en het inpassingsplan vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming “Agrarisch” met de aanduiding “agrarisch loonbedrijf”, voor zover betrekking hebbend op het perceel Zuidelijke Dwarsweg 13bis te Waddinxveen. Zelfvoorzienend in de zaak heeft de Afdeling bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van provinciale staten waarbij het inpassingsplan werd vastgesteld (het besluit van 10 november 2010, kenmerk 6266), voor zover het zojuist genoemd plandeel betreft. Voor het overige heeft de Afdeling het beroep van Van der Spek B.V. ongegrond verklaard.

Ad 2.

Met betrekking tot het gestelde over de urgentie van de onteigening overwegen Wij dat aan het urgentievereiste in het algemeen is voldaan, indien de verzoeker binnen vijf jaar na de datum van het besluit tot aanwijzing ter onteigening een begin maakt met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigend is. In dit verband wijzen Wij erop, dat Wij in het ontwerpbesluit hebben opgemerkt, dat de oplevering van het werk is voorzien in 2016. In de op 25 april 2013 gehouden hoorzitting is namens de verzoeker gereageerd op geluiden over mogelijk uitstel van het project naar de periode 2019-2021, zulks als gevolg van het wellicht later beschikbaar komen van de bijdrage van het Rijk. Gebleken is dat de door de verzoeker beschikbaar gestelde gelden voor de realisering van het project beschikbaar blijven, ondanks het mogelijk later beschikbaar komen van bedoelde Rijksbijdrage. Een eventuele latere bijdrage van het Rijk zal ook geen invloed hebben op de start en de planning van het project omdat de verzoeker dan het werk zal voorfinancieren. Op basis hiervan wil de verzoeker dan ook zo snel mogelijk starten met de uitvoeringswerkzaamheden. Gelet hierop achten Wij het voldoende aannemelijk dat verzoeker in ieder geval binnen de hiervoor genoemde termijn van vijf jaar een begin zal maken met de uitvoering van het werk en/of de werkzaamheden waarvoor onteigening noodzakelijk is.

Ad 3 en 4.

Naar aanleiding van het gestelde omtrent artikel 17 van de onteigeningswet merken Wij op, dat hierin is bepaald, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst bij minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. In dit verband kan worden gewezen op hetgeen Wij hiervoor naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 2 reeds hebben overwogen over het voorafgaand aan de administratieve fase van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg.

Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken gebleken dat de verzoeker vanaf november 2010 met reclamanten of hun vertegenwoordigers in overleg is over de verwerving van de benodigde (gedeelten van de) onroerende zaken. Bij brieven van 18 en 27 juli 2011 heeft de verzoeker reclamanten aanbiedingen gedaan gericht op de aankoop van die gedeelten, waarbij overigens in de brief van 27 juli 2011 wat betreft de onroerende zaak met grondplannummer 25 een grotere oppervlakte is genoemd dan welke thans in onderhavige procedure betrokken is. Nadien hebben partijen enkele malen overleg gevoerd en over en weer met elkaar gecorrespondeerd. Bij brief van 23 juli 2012 heeft de verzoeker reclamanten een bieding gedaan gericht op de aankoop van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaken en oppervlakten. Een en ander heeft echter niet tot overeenstemming geleid.

Gelet op bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamanten 7 voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Daarbij was het op het moment van het verzoekbesluit voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen met reclamanten voorlopig niet tot minnelijke eigendomsoverdracht zouden leiden. In dat licht hebben provinciale staten dan ook kunnen besluiten om over te gaan tot het indienen van het verzoek om onteigening, teneinde de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Naar aanleiding van het gestelde omtrent het verder en na het verzoekbesluit gevoerde overleg merken Wij op, dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat ook dit niet tot een voor partijen aanvaardbare oplossing heeft geleid. Het overleg tussen partijen dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat – met inachtneming van het door reclamanten genoemde arrest van de Hoge Raad – op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Ad 5.

Met betrekking tot de stelling van reclamanten dat, zo onteigening al aan de orde is, sprake moet zijn van algehele onteigening op de grondslag van artikel 38 van de onteigeningswet overwegen Wij als volgt. Het is, zoals Wij eerder overwogen in Ons besluit van 6 augustus 2009, no. 09.002010 (Nijmegen), de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechter om na deskundigenadvies een uitspraak te doen over de toepasbaarheid van artikel 38 en vervolgens de hoogte van de schadeloosstelling te bepalen. Terzake zijn Wij in het kader van de onderhavige administratieve procedure welke leidt tot het bij koninklijk besluit al dan niet aanwijzen van onroerende zaken ter onteigening niet bevoegd. Er kan naar Ons oordeel voor Ons dan ook geen verplichting bestaan om het gevoerde minnelijk overleg te bezien in het licht van een voorgenomen beroep op artikel 38 van de onteigeningswet.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 7 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 8 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. voor onteigening dient een dringende behoefte te bestaan aan verwezenlijking van het bestemmingsplan. In dit geval gaat het om de verkeersbestemming waarbinnen de Moordrechtboog kan worden gerealiseerd. De aanleg van deze boog wordt grotendeels gefinancierd door het Rijk. Recent is echter duidelijk geworden dat de Minister van Infrastructuur en Milieu bezuinigingen zal doorvoeren op het Infrastructuurfonds. De werkzaamheden aan de Moordrechtboog zullen daardoor met ten minste drie jaar worden opgeschort. De urgentietermijn van vijf jaar zal daardoor worden overschreden, de weg staat nu immers op de rol voor 2019-2021;

  • 2. er is geen noodzaak om de onroerende zaak met grondplannummer 37 te onteigenen nu deze vrijwel volledig wordt onteigend voor de aanleg van de zogeheten tunnelbak onder de Moordrechtboog door. Parallel aan de Zuidelijke Dwarsweg wordt hier een voorziening aangelegd die moet verzekeren dat het verkeer op die weg niet wordt belemmerd. Aan de noordoostzijde grenst de tunnelbak vrijwel direct aan de kavelgrens van de intensieve veehouderij van reclamanten en bedraagt de afstand ten opzichte van de bedrijfswoning slechts een gering aantal meters. De tunnelbak is niet noodzakelijk omdat een onderdoorgang onder de Moordrechtboog net zo goed kan worden gerealiseerd door de Zuidelijke Dwarsweg zelf te verlagen. Dat voor een tunnelbak op de gronden van reclamanten is gekozen heeft, zo hebben zij begrepen, te maken met financiële overwegingen. Een dergelijke keuze gaat echter ten koste van de gronden van reclamanten. Daarbij is van belang dat zij de gronden gebruiken voor het uitrijden van mest uit hun varkenshouderij;

  • 3. de noodzaak om tot aanleg van de Moordrechtboog over te gaan is achterhaald. De boog is immers ook ontworpen als ontsluiting voor de stedelijke ontwikkeling in de gehele Zuidplaspolder, die inmiddels op losse schroeven staat;

  • 4. onteigening van de gronden voor de Moordrechtboog leidt tot onaanvaardbare versnippering van de gronden van reclamanten. De varkenshouderij aan de Zuidelijke Dwarsweg staat in nauwe verbinding met het fokbedrijf aan de Bierhoogtweg. Als gevolg hiervan rijden reclamanten dagelijks meerdere malen heen en weer tussen deze vestigingen. Door aanleg van de tunnelbak is de bereikbaarheid van het bedrijf weliswaar gegarandeerd, maar dat neemt niet weg dat het bedrijf geïsoleerd komt te liggen. De onaanvaardbaarheid van het doorsnijden van de gronden klemt temeer omdat noordoostelijk van de Moordrechtboog de resterende weidegronden van reclamanten zijn bestemd voor een uit te werken groenbestemming. Deze is opgenomen in verband met de aanleg van het zogeheten Boogpark. Gevolg van deze bestemming is dat reclamanten de agrarische gronden niet langer zullen kunnen benutten. Daarom dienen, als al tot onteigening wordt overgegaan, ook deze gronden daarin te worden betrokken. In het verlengde hiervan geldt dat de verbinding die nu bestaat tussen de intensieve veehouderij enerzijds en de aangrenzende weidegronden anderzijds, straks letterlijk doorsneden zal worden. Het gevolg is dat de intensieve veehouderij feitelijk geheel solitair ten opzichte van het fokbedrijf in Zevenhuizen komt te liggen en dat is niet alleen verre van ideaal, maar landbouwkundig gezien ook onaanvaardbaar. Daarom kan niet alleen worden volstaan met de onteigening van de drie onroerende zaken. Van de onroerende zaak met grondplannummer 37 blijft ook een dermate klein deel over dat daar geen doelmatig gebruik meer van kan worden gemaakt. In het algemeen merken reclamanten nog op, dat hun intensieve veehouderij door de combinatie van de Moordrechtboog en het Boogpark zozeer in de ontwikkelingsmogelijkheden wordt beperkt, dat deze geheel in de onteigening moet worden betrokken. Gelet op de ontwikkelingen in de afgelopen jaren en de omstandigheden ter plaatse, is het nodig dat reclamanten de intensieve veehouderij op de huidige locatie beëindigen en dat in de onteigening rekening wordt gehouden met een verplaatsing naar een locatie elders waar schaalvergroting mogelijk is.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 8 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor reeds hiervoor onder Ad 2 hebben overwogen naar aanleiding de zienswijze van reclamanten 7.

Ad 2 en 3.

Deze onderdelen zijn planologisch van aard. Het gestelde had uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Wij merken hierbij op, dat de van reclamanten benodigde onroerende zaken gelegen zijn binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. Reclamanten hebben tegen het besluit van de raad van de gemeente Zuidplas tot vaststelling van dit plan beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij uitspraak van 18 juli 2012, nr. 201101194/1/R1, heeft de Afdeling dit beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van de gemeenteraad vernietigd voor zover betrekking hebbend op het – overigens niet in de onderhavige procedure betrokken – plandeel ter plaatse van het perceel aan de Zuidelijke Dwarsweg 8 met de bestemming “Agrarisch met waarden”. Voor het overige heeft de Afdeling het beroep van reclamanten ongegrond verklaard waarmee het bestemmingsplan in zoverre onherroepelijk van kracht is geworden. Overigens heeft de Afdeling bij dit laatste oordeel in aanmerking genomen het betoog van de gemeenteraad, dat de ontwikkelingen die zijn voorzien in het bestemmingsplan slechts in beperkte mate worden beïnvloed door de overige planologische ontwikkelingen in de Zuidplaspolder. Met betrekking tot de Moordrechtboog is gesteld dat deze niet alleen noodzakelijk is voor de overige ontwikkelingen in de Zuidplaspolder, maar ook voor het oplossen van problemen op het rijkswegennet, onder meer waar dit het Gouwe-aquaduct betreft, opdat de veiligheid op de A12 toeneemt en de filedruk vermindert. Gewezen kan ook worden op hetgeen Wij hiervoor hebben overwogen onder “Noodzaak en urgentie” welk onderdeel ook reeds was opgenomen in het aan reclamanten toegezonden ontwerpbesluit.

Ad 4.

Ook dit onderdeel van de zienswijze is planologisch van aard en had uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wro. Gebleken is, dat reclamanten in hun zojuist onder Ad 2 en 3 bedoelde beroep tegen de vaststelling van het bestemmingsplan onder meer hebben gewezen op de aantasting van hun bedrijfsvoering en hebben betoogd dat de raad van de gemeente Zuidplas meer onderzoek had moeten doen naar de samenhang met en de effecten van de voor de omliggende gronden geldende bestemmingsplannen. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling reeds geoordeeld dat reclamanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de bedrijfsvoering in gevaar komt door de in het plan voorziene ontwikkelingen voor het deel van de agrarische gronden waarop de aanleg van de Moordrechtboog en het Boogpark is voorzien. Gelet hierop heeft de Afdeling geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat met het plan is gediend, dan aan het belang van reclamanten bij een voortzetting van de bedrijfsvoering in de huidige omvang op de desbetreffende onbebouwde agrarische gronden. De Afdeling heeft gelet daarop evenmin aanleiding gezien voor het oordeel dat de gemeenteraad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het niet als zodanig bestemmen van het gebruik van alle in het plangebied gelegen en in eigendom aan reclamanten toebehorende gronden, daarbij in aanmerking nemend dat in geval van onteigening sprake is van een volledige schadeloosstelling.

Naar aanleiding van dit onderdeel van de zienswijze merken Wij nog op, dat de in de onderhavige procedure van reclamanten betrokken gronden nodig zijn voor de aanleg van de Moordrechtboog. Aan de stelling dat ook de gronden van reclamanten met de uit te werken groenbestemming in de onderhavige procedure betrokken hadden moeten worden, moet hier voorbij worden gegaan. Daargelaten de omstandigheid dat het hier om een nog uit te werken bestemming gaat, is het in beginsel aan de verzoeker om onteigening om te bepalen welke onroerende zaken hij in een verzoek om onteigening wenst te betrekken, zulks afhankelijk van de mate van uitwerking van de planologische grondslag en de urgentie wat betreft de verwezenlijking van de bestemming. Voor het overige kan worden gewezen op hetgeen Wij reeds over de toepassing van artikel 38 van de onteigeningswet hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamanten 7, onder Ad 5.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 8 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 9 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren:

In de procedure is een gedeelte van 4 are en 75 centiare van de onroerende zaak met grondplannummer 30 betrokken. Om dit gedeelte in der minne te verkrijgen, heeft de verzoeker een bod gedaan aan zowel de eigenaren als de gebruiker, gebaseerd op reconstructie van het bedrijf in haar volledige omvang, welk bedrijf de gehele onroerende zaak in gebruik heeft. Door dit bod heeft de verzoeker erkend dat er op het resterende perceelsgedeelte na de aanleg van de nieuwe infrastructuur geen dierenhotel meer gevestigd kan blijven. Omdat reclamant Lindeman het restant van het perceel in eigendom behoudt, komt er derhalve onvoldoende vermogen vrij om de aankoop en/of stichtingskosten van een vervangend dierenhotel te financieren. Reclamanten wijzen er in hun zienswijze op, dat er nu een mogelijkheid is om een vervangend object in erfpacht te verkrijgen op basis waarvan wèl de mogelijkheid bestaat de verplaatsing van het dierenhotel financieel mogelijk te maken. Op het moment van schrijven van de zienswijze lijken partijen overeenstemming te hebben bereikt over zowel een minnelijke regeling als over een erfpachtovereenkomst over een geschikte vervangende locatie. Zowel de minnelijke overeenstemming als de erfpachtovereenkomst zijn echter nog niet formeel goedgekeurd en daarom dienen reclamanten zekerheidshalve een zienswijze in voor het geval minnelijke overeenstemming uit mocht blijven. Indien het dierenhotel zich als gevolg van onteigening van een gedeelte van de onroerende zaak niet op een andere locatie kan hervestigen, is de schadeloosstelling mogelijk op verkeerde gronden gebaseerd. Primair stellen reclamanten zich in dat geval op het standpunt dat de verzoeker de gehele onroerende zaak zal moeten verwerven, subsidiair dat de schadeloosstelling mogelijk gebaseerd moet worden op liquidatie van het bedrijf voor zover de verzoeker in zijn recht staat om slechts een gedeelte te onteigenen.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamanten 9 overwegen Wij het volgende.

De zienswijze ziet in hoofdzaak op de hoogte en de wijze van berekening van de schadeloosstelling. De hoogte en de wijze van berekening van de schadeloosstelling staan echter in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, aangezien de bepaling daarvan is voorbehouden aan de onteigeningsrechter in het kader van de gerechtelijke procedure. In die procedure zal, indien het althans zover komt, ook de vraag aan de orde moeten komen of en in hoeverre de schadeloosstelling welke de verzoeker thans in het kader van het met reclamanten gevoerde overleg heeft geboden, gebaseerd is op juiste dan wel onjuiste gronden. In dit verband merken Wij nog op, dat de onteigeningswet belanghebbenden op grond van artikel 40 een volledige schadeloosstelling waarborgt.

Voor zover reclamanten zich op het standpunt stellen dat de verzoeker om onteigening eventueel de gehele onroerende zaak waarop het dierenhotel gevestigd is zou moeten onteigenen, wijzen Wij op hetgeen Wij reeds hiervoor in reactie op de zienswijze van reclamanten 7, onder Ad 5, hebben overwogen over de toepassing van artikel 38 van de onteigeningswet.

Voor zover reclamanten stellen dat de verzoeker heeft erkend dat er op het resterende perceelsgedeelte na de aanleg van de nieuwe infrastructuur geen dierenhotel meer gevestigd kan blijven, merken Wij op, dat de onroerende zaak van reclamanten is gelegen binnen de begrenzing van het inpassingsplan G. Reclamant J.R. Lindeman heeft tegen het besluit tot vaststelling van dit plan beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dat kader hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland als verweer naar voren gebracht dat de bedrijfsvoering op de betrokken onroerende zaak kan worden voortgezet en dat het dierenpension bereikbaar blijft via de oostzijde door middel van de nieuwe verbinding die wordt gerealiseerd onder de Moordrechtboog door en via de westzijde door de ontsluiting naar de Bredeweg. De ontsluiting van het perceel kan aan de westzijde worden gerealiseerd en de huidige parkeerplaatsen kunnen worden gehandhaafd. Dit en de Wet geluidhinder en de Gezondheid- en Welzijnswet voor dieren in aanmerking nemend, heeft de Afdeling geen aanleiding gezien voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het inpassingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Evenmin heeft de Afdeling in het door reclamant J.R. Lindeman aangevoerde aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamanten 9 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 10 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. bij het ontwerpbesluit ontbrak de grondplantekening. Hiermee is de aankondiging van de start van de procedure niet volledig en is niet voldaan aan het zorgvuldigheidsbeginsel zoals omschreven in de Awb. Reclamant dan wel zijn gemachtigde moesten nu zelf de stukken bij de gemeente gaan inzien;

  • 2. in het kader van het minnelijk overleg is nimmer een passende oplossing geboden voor de ontsluiting van de resterende percelen. Het plan voorziet in een ontsluiting via een fietspad. Landbouwvoertuigen van circa 3 meter breed kunnen elkaar op dit pad niet passeren, ook niet bij de aanleg van passeerstroken waarbij er een doorgang van circa 5,5 meter ontstaat. Door het ontbreken van een deugdelijke oplossing voor de ontsluiting van de overblijvende percelen is het voor reclamant onmogelijk tot een minnelijke oplossing te komen. De huidige situatie in de ontwerpfase is ongewenst, omdat het landbouwverkeer over circa 850 meter gebruik zal moeten maken van het fietspad. Dit is geen duurzame en veilige oplossing voor de ontsluiting van de percelen. Daarbij komt dat in andere provincies landbouwverkeer juist van de fietspaden geweerd wordt. Te denken valt aan de provincie Zeeland. Uit stukken van die provincie blijkt dat landbouwverkeer en fietsers niet samengaan;

  • 3. het toekomstige fietspad sluit aan op de 5e Tochtweg. Hoe deze aansluiting tot in detail gerealiseerd wordt, was bij een laatste overleg nog niet bekend. Onder het viaduct over de 5e Tocht bevindt zich een hekwerk. Volgens informatie mag dit van Rijkswaterstaat niet worden verwijderd. Voor de gronden van reclamant is het echter van belang dat de aansluiting voor het hek plaatsvindt, aangezien hij er anders niet kan komen. Voor de gronden grenzend aan die van reclamant is het echter weer van belang dat de aansluiting achter het hek plaatsvindt, anders zijn deze niet bereikbaar. Dit is tegenstrijdig doch voor reclamant is het wel van groot belang hoe dit opgelost gaat worden.

Met betrekking tot de zienswijze van reclamant 10 overwegen Wij het volgende.

Ad 1.

Naar aanleiding van dit onderdeel merken Wij op, dat artikel 3:13 van de Awb een beperkte strekking heeft. In dit artikel is vastgelegd dat het bestuursorgaan het ontwerp van een te nemen besluit aan de belanghebbenden, onder wie begrepen de aanvrager, dient toe te zenden indien dat besluit tot één of meer belanghebbenden zal zijn gericht. Niet bepaald is dat met dit ontwerpbesluit ook stukken mee moeten worden gezonden. De bedoelde verplichting om belanghebbenden persoonlijk kennis te geven van het ontwerpbesluit is bedoeld om te waarborgen dat het de belanghebbende niet ontgaat dat een zodanig besluit is opgesteld en ter inzage wordt gelegd, samen met alle overige op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de grondtekening. Tevens wordt de belanghebbende op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit bij Onze Minister. Ons is gebleken dat aan de wettelijke vereisten ter zake is voldaan.

Ad 2.

Het gestelde omtrent de wijze waarop in de ontsluiting van de overblijvende percelen van reclamant is voorzien en de duurzaamheid en veiligheid van de gekozen oplossing, is planologisch van aard. Een en ander had uitsluitend ter beoordeling kunnen staan in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wro. Wij merken hierbij op, dat de van reclamant benodigde onroerende zaken gelegen zijn binnen de begrenzing van het bestemmingsplan. Reclamant heeft tegen de vaststelling van dit plan geen beroep ingesteld. Zoals hiervoor opgemerkt naar aanleiding van de zienswijze van de reclamanten 8, is het bestemmingsplan, althans ten aanzien van de in onderhavige procedure betrokken onroerende zaken, door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2012, nr. 201101194/1/R1, onherroepelijk van kracht geworden. Voor het overige merken Wij op, dat Ons uit de overgelegde stukken is gebleken dat de verzoeker om onteigening inderdaad de ontsluiting van de overblijvende percelen van reclamant gedeeltelijk via een aan te leggen fietspad voorziet. De aanleg van dit fietspad maakt deel uit van een ander en ouder plan waarvoor reclamant reeds gronden heeft afgestaan, namelijk het plan voor de verlegging van de aansluiting van de provinciale weg N456 op de A20 bij Moordrecht (gemeente Zuidplas). Dit valt buiten het kader van de onderhavige procedure ten behoeve van de aanleg van de Moordrechtboog en bovendien is dit plan al in uitvoering, zoals hiervoor opgemerkt onder “Noodzaak en urgentie”.

Ad 3.

Reclamant heeft dit onderdeel van de zienswijze eerst naar voren gebracht in de op

25 april 2013 gehouden hoorzitting. Wij merken in dit verband op, dat de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen ingevolge artikel 3:16, eerste lid, van de Awb zes weken bedraagt. Deze termijn vangt ingevolge het tweede lid van genoemd artikel aan met ingang van de dag waarop het ontwerpbesluit ter inzage is gelegd. Het ontwerp heeft in dit geval, samen met de onteigeningsstukken, vanaf 7 maart 2013 ter inzage gelegen, zodat belanghebbenden tot en met 17 april 2013 de mogelijkheid hadden tot het naar keuze mondeling of schriftelijk naar voren brengen van zienswijzen. Gelet hierop is bedoeld onderdeel van de zienswijze van reclamant niet-ontvankelijk te achten en moet hieraan voorbij worden gegaan.

Alles overziende geeft de zienswijze van reclamant 10 Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 11 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1. reclamant wil de voor de aanleg van de werken benodigde gronden niet verkopen maar in opstalrecht aan de verzoeker uitgeven;

  • 2. uit informatie is gebleken dat er eigenlijk meer onteigend wordt dan strikt nodig is voor het werk. Dit geldt bijvoorbeeld voor de onroerende zaak met de grondplannummers 18.1, 18.2 en 18.3;

  • 3. de verzoeker heeft tot nu toe een bedrag van € 1,00 de massa aangeboden voor alle te onteigenen percelen, terwijl in de onteigening gronden betrokken zijn die een (veel) hogere waarde vertegenwoordigen.

Wij merken op, dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Ons bij brief van 27 mei 2013, kenmerk PZH-2013-411606824, hebben bericht geen prijs meer te stellen op de voortzetting van de onteigeningsprocedure met betrekking tot de onroerende zaken van reclamant vanwege het bereiken van minnelijke overeenstemming. Daarnaast heeft reclamant zijn zienswijze bij brief van 13 juni 2013, kenmerk RWS-2013/30482, ingetrokken. Aan de zienswijze van reclamant kan hier dan ook voorbij worden gegaan.

Overige overwegingen

Met brief van 10 januari 2013, kenmerk PZH-2013-364888366 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Ons te kennen gegeven wegens minnelijke verwerving niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure met betrekking tot de gedeeltelijk mede in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 1811, 1810, 1809, 1062, 1974, 1973, 1971, 4828 en sectie E, nrs. 418, 416, en kadastraal bekend gemeente Moordrecht, sectie D, nrs. 3475, 3117, 3502, 3091, 3503, 3271 en 3479 (grondplannummers 3, 4, 5, 8, 13, 14, 16, 31, 104, 106, 35.1, 35.2, 35.3, 40, 42, 43, 44, 45, 48.1 en 48.2). Deze onroerende zaken behoeven dan ook niet meer ter onteigening te worden aangewezen. De bij dit besluit behorende lijst van ter onteigening aangewezen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Met brief van 27 mei 2013, kenmerk PZH-2013-411606824, hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland Ons te kennen gegeven wegens minnelijke verwerving niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure met betrekking tot de gedeeltelijk mede in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Waddinxveen, sectie C, nrs. 3836, 4730, 4293 en 1970 en sectie E, nummer 706 (grondplannummers 2, 6, 18.1, 18.2, 18.3, 19 en 109). Deze onroerende zaken behoeven dan ook niet meer ter onteigening te worden aangewezen. De bij dit besluit behorende lijst van ter onteigening aangewezen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van de inpassingsplannen en het bestemmingsplan bezwaarlijk kunnen worden gemist.

Ons is overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de toewijzing van het verzoek in de weg kunnen staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht, dat de provincie Zuid-Holland de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij kunnen derhalve, met inachtneming van hetgeen Wij hierboven hebben overwogen, het verzoek van Provinciale Staten van Zuid-Holland tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet, toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 2 juli 2013, nr. RWS-2013/31166, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Gelezen het besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van 5 september 2012, nr. 6499;

Gelezen de brieven van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 2 november 2012, kenmerk PZH-2012-338775281, 10 januari 2013, kenmerk PZH-2013-364888366, en 27 mei 2013, kenmerk PZH-2013-411606824;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van........ nr........./IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van ......, nr. RWS-2013/, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Ten behoeve van de uitvoering van de inpassingsplannen “Extra Gouwekruising” en “Gouweknoop grondgebied Waddinxveen” van de provincie Zuid-Holland en het bestemmingsplan “Gouweknoop” van de gemeente Zuidplas, ten name van de provincie Zuid-Holland ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, zoals aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet binnen de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht, ter inzage hebben gelegen en voor zover die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Zulks onder de voorwaarden, dat niet zal worden overgegaan tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet, vóórdat het inpassingsplan “Extra Gouwekruising” onherroepelijk van kracht zal zijn met betrekking tot de in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken en dat dit aanwijzingsbesluit vervalt, indien het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan met betrekking tot die onroerende zaken in beroep zal worden vernietigd.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

P.M.: Publicatie advies overeenkomstig Wet op de Raad van State.

Lijst van de te onteigenen onroerende zaken.

Onteigeningsplan Moordrechtboog en aansluiting Extra Gouwekruising

Verzoekende instantie: Provincie Zuid-Holland

RWS-nr.2012-29

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Waddinxveen

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

7

00

10

95

wonen

terrein (grasland)

08

10

10

C 4191

Eigendom:

Quak, Jan Dirk,

Waddinxveen.

                   

9

00

57

05

wegen

01

59

40

C 5236

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

12

00

46

10

terrein (grasland)

02

47

50

C 1975

Eigendom:

Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, Katwijk ZH,

zetel: Waddinxveen.

                   

15

00

83

05

terrein (grasland)

01

31

50

C 1972

Eigendom:

Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, Katwijk ZH,

zetel: Waddinxveen.

                   

17

G E H E E L

wegen

01

24

29

C 4292

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

21

00

04

45

wonen (agrarisch)

terrein (grasland)

00

66

25

E 828

Eigendom:

Knook, Edward Peter Adriaan,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

22

00

30

55

terrein (grasland)

00

82

60

C 1097

Eigendom:

Knook, Edward Peter Adriaan,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

23

00

53

60

wonen

erf – tuin

00

99

30

C 1094

½ Eigendom:

van Bruggen, Marinus Anton,

gehuwd met: van den Bos, Hendrika,

Waddinxveen.

½ Eigendom:

van den Bos, Hendrika,

gehuwd met: van Bruggen, Marinus Anton,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

24

00

68

90

wonen

terrein (grasland)

01

15

20

C 1091

Eigendom:

Kortlever, Cornelis,

gehuwd met: Middelman, Teuntje Cornelia,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

25

01

21

85

terrein (grasland)

01

50

80

C 4845

Eigendom:

I.A. van der Spek Holding B.V.,

zetel: Waddinxveen.

                   

26

00

18

10

terrein (grasland)

00

35

00

C 5030

gedeeltelijk

½ Eigendom:

Van der Spek, Izaäc Anthonie,

gehuwd met: de Jong, Christina Cornelia,

Waddinxveen.

½ Eigendom: de Jong, Christina Cornelia,

gehuwd met: Van der Spek, Izaäc Anthonie,

Waddinxveen.

geschat

     
       

terrein (grasland)

00

29

90

C 5030

gedeeltelijk

Eigendom:

I.A. van der Spek Holding B.V.,

zetel: Waddinxveen.

geschat

     

28

00

19

80

wonen

terrein (grasland)

00

46

00

C 4900

Eigendom:

de Mik, Adriaan,

gehuwd,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

29

00

41

25

wonen

terrein (grasland)

01

78

30

C 1081

Eigendom:

Knook, Edward Peter Adriaan,

Waddinxveen.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

30

00

04

75

bedrijvigheid (industrie)

erf – tuin

00

57

20

C 4827

4/5 Eigendom:

Lindeman, Jan Robert Victor,

gehuwd met: Contant, Marina Adriana,

Leidschendam.

1/5 Eigendom:

Sillem, Jan-Joris,

’s-Gravenhage.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

105

01

01

10

terrein (grasland)

01

73

10

E 417

Eigendom:

Ontwikkelingsmaatschappij Distripark A12 BV, Katwijk ZH,

zetel: Waddinxveen.

                   

107

00

04

15

terrein (grasland)

03

93

55

E 415

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

108

00

82

10

wegen

01

16

10

E 703

Eigendom:

Gemeente Waddinxveen, zetel: Waddinxveen.

                   

109

00

26

15

wegen

04

17

80

E 706

Eigendom:

De Staat (Infrastructuur en Milieu),

zetel: ’s-Gravenhage.

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Moordrecht

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

37

00

95

30

terrein (grasland)

01

18

68

D 3250

½ Eigendom:

Duijndam, Johannus Jozef,

Moordrecht,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

½ Eigendom:

Duijndam, Antonius Johannes,

gehuwd met: Agterof, Johanna Adriana Rosalia,

Zevenhuizen,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

                   

38

00

22

25

terrein (grasland)

01

95

20

D 149

½ Eigendom:

Duijndam, Johannus Jozef,

Moordrecht,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

½ Eigendom:

Duijndam, Antonius Johannes,

gehuwd met: Agterof, Johanna Adriana Rosalia,

Zevenhuizen,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

                   

39

00

23

70

terrein (grasland)

01

98

80

D 148

½ Eigendom:

Duijndam, Johannus Jozef,

Moordrecht,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

½ Eigendom:

Duijndam, Antonius Johannes,

gehuwd met: Agterof, Johanna Adriana Rosalia,

Zevenhuizen,

verkregen ten behoeve van vennootschap onder firma:

Fa. Gebr. J.J. en A.J. Duijndam,

zetel: Zevenhuizen.

                   

46

00

00

90

terrein (grasland)

00

88

74

D 3504

Eigendom:

Vergeer, Wilhelmus Leonardus,

gehuwd met: van Diemen, Maria Catharina,

Moordrecht.

                   

54

01

17

75

berging-stalling

(garage-schuur)

terrein (teelt-kweek)

01

96

85

D 3431

Eigendom:

Roos, Pieter,

gehuwd met: van Dooren, Sonja Esmaralda,

Moordrecht.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

                   

55

00

05

05

wonen

erf-tuin

00

12

97

D 3433

Eigendom:

Roos, Pieter,

gehuwd met: van Dooren, Sonja Esmaralda,

Moordrecht.

                   

56

00

39

65

terrein (grasland)

00

77

21

D 2984

Eigendom:

Vergeer, Wilhelmus Leonardus,

gehuwd met: van Diemen, Maria Catharina,

Moordrecht.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

                   

57

00

24

00

wonen

terrein (grasland)

01

39

43

D 3118

Eigendom:

Vergeer, Wilhelmus Leonardus,

gehuwd met: van Diemen, Maria Catharina,

Moordrecht.

Dit perceel is gedeeltelijk belast met een opstalrecht nutsvoorzieningen:

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

                   

58

00

14

20

openbaar vervoer

01

81

30

D 3443

Eigendom:

NS Vastgoed B.V.,

zetel: Utrecht.

                   

60

00

13

65

openbaar vervoer

01

55

00

D 3445

Eigendom:

NS Vastgoed B.V.,

zetel: Utrecht.

                   

72

00

25

75

wegen

00

79

10

D 3081

Eigendom:

de Haan, Jacob Ewoud,

gehuwd met: van der Zwaan, Esmeralda Catharina Johanna,

Moordrecht.

                   

73

00

33

15

terrein (akkerbouw)

02

03

43

D 3581

Eigendom:

         

geschat

gedeeltelijk

de Haan, Jacob Ewoud,

gehuwd met: van der Zwaan, Esmeralda Catharina Johanna,

Moordrecht.

Dit gedeeltelijk perceel is belast met opstalrechten nutsvoorzieningen:

1. De Staat (Defensie),

zetel: ’s-Gravenhage.

2. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

               
       

wegen

00

62

05

D 3581

Eigendom:

         

geschat

gedeeltelijk

Provincie Zuid-Holland,

zetel: ’s-Gravenhage.

Dit gedeeltelijk perceel is belast met opstalrechten nutsvoorzieningen:

1. De Staat (Defensie),

zetel: ’s-Gravenhage.

2. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard,

zetel: Rotterdam.

ADVIES RAAD VAN STATE

No.W14.13.0200/IV 's-Gravenhage, 6 september 2013

Krachtens Koninklijke machtiging heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu met een schrijven van 2 juli 2013, no.RWS-2013/31165, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voordracht met ontwerpbesluit houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Moordrechtboog en aansluiting Extra Gouwekruising).

  • 1. Naar aanleiding van het onderdeel van de zienswijze van reclamant 6 dat betrekking heeft op het met hem gevoerde minnelijke overleg wordt er in het ontwerpbesluit onder meer op gewezen dat het minnelijk overleg met deze eigenaar na het verzoekbesluit (van 5 september 2012) is voortgezet. Daarbij is volgens het ontwerpbesluit ook aankoop van de gehele onroerende zaak besproken. Daarop bevindt zich de niet in het onteigeningsplan begrepen woning van reclamant. Vervolgens wordt vermeld dat de verzoeker op 11 maart 2013 aan reclamant heeft bericht dat deze mogelijkheid uitgebreid intern is besproken en de conclusie uit diverse milieuonderzoeken is dat wonen in de nieuwe situatie nog steeds is toegestaan en de hiervoor vastgestelde normen niet worden overschreden. In die brief deelt de verzoeker mee dat daarom is besloten aan de gedeeltelijke verwerving van de onroerende zaak vast te houden.

    Uit het onderhandelingsdossier dat betrekking heeft op de verwerving van de benodigde gronden van reclamanten 7 (buren van reclamant 6) kan worden opgemaakt dat in het overleg met deze eigenaren nog steeds, in ieder geval tot en met 1 mei 2013, is getracht de mogelijkheid van een ruil met de resterende gronden van reclamant 6 te onderzoeken. Evenwel wordt in het ontwerpbesluit bij de behandeling van de zienswijze van reclamanten 7 opgemerkt dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat ook het na het verzoekbesluit gevoerde overleg niet tot een voor partijen aanvaardbare oplossing heeft geleid.

    De posities van de genoemde reclamanten in het minnelijk overleg in samenhang beziend, merkt de Afdeling het volgende op.

    Gelet op de uit het onderhandelingsdossier op te maken stand van het met reclamanten 7 gevoerde minnelijke overleg, komt het voor dat de conclusie dat uit de overgelegde stukken is gebleken dat ook het na het verzoekbesluit gevoerde overleg met deze eigenaren niet tot een voor partijen aanvaarde oplossing heeft geleid voorbarig is. In ieder geval is nog niet onderzocht of het thans mogelijk is tot een ruil met de naburige resterende gronden van reclamant 6 te komen. In verband hiermee zal ook moeten worden onderzocht of langs deze weg alsnog minnelijke overeenstemming met reclamanten 6 kan worden bereikt, omdat deze volledige aankoop van hun perceel wensen.

    De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit op dit punt nader te motiveren en de lijst van de te onteigenen percelen zo nodig aan te passen.

  • 2. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de ontsluiting van de resterende gronden van reclamant 10 als gevolg van de aanleg van de in het inpassingsplan opgenomen Moordrechtboog zal dienen plaats te vinden over een fietspad. In de aanleg daarvan wordt voorzien in een eerder vastgesteld en in uitvoering genomen bestemmingsplan. Tijdens de op 25 april 2013 gehouden hoorzitting heeft reclamant 10 de wijze van uitvoering van die ontsluiting aan de orde gesteld, omdat voor hem onduidelijk is, wat bij de aansluiting van het fietspad op de 5e Tochtweg met het bestaande hekwerk onder het aanwezige viaduct zal gebeuren. Van de daarbij te maken keuze zal afhangen, of en hoe zijn gronden straks via het fietspad bereikbaar zullen zijn. Omdat dit onderdeel van de zienswijze van reclamant eerst naar voren is gebracht op de hierboven vermelde hoorzitting, wordt in het ontwerpbesluit opgemerkt dat dat te laat is. In zoverre wordt reclamant niet-ontvankelijk geacht en wordt dit onderdeel van zijn zienswijze niet behandeld. Hierover merkt de Afdeling het volgende op.

    In zijn schriftelijke zienswijze heeft reclamant 10 naar voren gebracht dat in het kader van het minnelijk overleg nimmer een passende oplossing voor de ontsluiting van zijn resterende percelen is geboden. Hij heeft aldus de voorziene ontsluiting van zijn gronden over eerder vermeld fietspad aan de orde gesteld. De door hem op de zitting gemaakte opmerkingen over de uitvoering van de aansluiting van dit fietspad op de 5e Tochtweg en daarbij voor hem optredende complicaties van het onder het viaduct aanwezige hekwerk moeten als nadere toelichting op die zienswijze worden gezien. Uit het verhandelde op de hoorzitting en de andere stukken kan althans niet worden opgemaakt dat de door reclamant uiteengezette specifieke uitvoeringsproblemen hem in de periode, waarin hij een zienswijze kon indienen, bekend waren of konden zijn. De Afdeling adviseert in het ontwerpbesluit bij de beoordeling van het met reclamant gevoerde minnelijke overleg alsnog aandacht aan het opgeworpen punt te besteden.

    De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit op dit punt aan te vullen en zo nodig aan te passen.

  • 3. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

    De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vicepresident van de Raad van State,

J.P.H. Donner

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.13.0200/IV

  • Nu naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1 betreffende het gevoerde minnelijke overleg wordt opgemerkt dat “er nog geen sprake is van een getekende overeenkomst en van eigendomsoverdracht” (blz. 6, negende en achtste regel van onderen) het ontwerpbesluit op dit punt op actualiteit onderzoeken.

  • Op blz. 7 in de zevende regel van onderen tussen “provinciale staten” en “in redelijkheid hebben kunnen besluiten” voegen: gelet op de ter plaatse aanwezige leidingen met veiligheidszones.

  • Op blz. 8 in de derde regel van onderen “kunnen besluiten” vervangen door: mogen besluiten. Hetzelfde doen op blz. 10, zesde regel van het tweede tekstblok, blz. 11, zesde regel van het laatste tekstblok, blz. 12, zeventiende regel van onderen, blz. 14, zesde regel van het tweede tekstblok, en blz. 16, tiende regel van onderen.

  • Telkens “onherroepelijk van kracht” wijzigen in: onherroepelijk (bijvoorbeeld op blz. 11, tiende regel van het tekstblok onder Ad 1.)

  • Telkens wanneer wordt verwezen naar de eerder bij reclamant 2 gebruikte algemene standaardoverwegingen betreffende het te voeren minnelijk overleg schrijven: in het algemeen hebben overwogen (bijvoorbeeld op blz. 12, elfde regel van boven).

  • Op blz. 11 in de eerste regel onder Ad1 “Dit onderdeel is van planologische aard” vervangen door: Dit onderdeel is in hoofdzaak van planologische aard. Verder in deze regel “uitsluitend” schrappen.

  • Op blz. 12 in de zeventiende en achttiende regel van boven “19 oktober 2012” vervangen door: 19 oktober 2011 (het logboek bevat een kennelijke schrijffout).

  • Op blz. 14 de zin in de tiende, elfde en twaalfde regel van het tweede tekstblok (“Dat onderzoeker … oplossing heeft geleid.”) schrappen. De zin daarop beginnen met: Verzoeker heeft reclamant bij brief van 11 maart 2013 bericht.

  • Op blz. 14 in de laatste regel tussen “waarin” en “bevestigd is” voegen: volgens hen. (Dit ter voorkoming van misverstand over de onjuistheid van het betoog). In samenhang hiermee op blz. 16 de tussen streepjes geplaatste zinsnede in de vierde en derde regel van onderen schrappen.

  • Op blz. 20 in het derde tekstblok de zinsnede “Voor zover reclamanten … zou moeten onteigenen,” vervangen door: Voor zover reclamanten zich op het standpunt stellen dat bij uitblijven van minnelijke overeenstemming over een vervangende bedrijfslocatie eventueel de gehele onroerende zaak waarop het dierenhotel is gevestigd zou moeten worden onteigend,.

  • Op blz. 21 in de laatste regel tussen “is” en “planologisch van aard” voegen: in hoofdzaak van. Verder in die regel “uitsluitend” schrappen.

  • Op blz. 22 aan het slot van het eerste tekstblok op de mededeling dat daar bedoelde andere plan al in uitvoering is de zin laten volgen: Hierdoor zijn de mogelijkheden om door middel van minnelijk overleg tot een oplossing te komen, beperkt. Voorts verwijzen naar de vaststelling van schadeloosstelling in de gerechtelijke procedure en de mogelijkheid om een verzoek om vergoeding van planschade te doen.

  • Op blz. 23 in de voorlaatste zin van de eerste tekstblok van de “Overige overwegingen” “niet meer” vervangen door: niet. Vervolgens de laatste zin van dit tekstblok en van het tweede tekstblok schrappen. In het derde tekstblok van deze overwegingen in de eerste regel voor “in het onteigeningsplan” tussenvoegen: overige. In de eerste regel van het vierde tekstblok tussen “aan de” en “toewijzing van” voegen: gedeeltelijke. Tot slot in het laatste tekstblok “Wij kunnen” vervangen door: Wij zullen en “met inachtneming van” vervangen door: gelet op.

Nader rapport

Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Directie Communicatie, Personeel en Recht, Afdeling BJV Publiekrecht

Datum: 25 september 2013

Nummer: RWS-2013/44439

Onderwerp

Nader rapport inzake het ontwerpbesluit houdende de aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten behoeve van de inpassingsplannen “Extra Gouwekruising” en “Gouweknoop grondgebied Waddinxveen” van de provincie Zuid-Holland en het bestemmingsplan “Gouweknoop” van de gemeente Zuidplas, in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas

div. bijlagen

Aan de Koning

Hierbij bied ik Uwe Majesteit aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 6 september 2013, no. W14.13.0200/IV, inzake bovenvermeld ontwerpbesluit, houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet ten behoeve van de uitvoering van de inpassingsplannen “Extra Gouwekruising” en “Gouweknoop grondgebied Waddinxveen” van de provincie Zuid-Holland en het bestemmingsplan “Gouweknoop” van de gemeente Zuidplas, in de gemeenten Waddinxveen en Zuidplas.

Het deelproject Extra Gouwekruising omvat de aanleg van een provinciale weg, evenwijdig aan de noordzijde van de A12. Deze weg zal de Goudse Poort (de aansluiting van de provinciale weg N452 op de A12 bij Gouda) op het grondgebied van de gemeente Waddinxveen verbinden met de nieuw aan te leggen Moordrechtboog. Het project Moordrechtboog omvat de aanleg van een provinciale weg die de A12 zal verbinden met de A20.

Beide deelprojecten maken deel uit van het provinciale project Parallelstructuur A12. Naast de Extra Gouwekruising en de Moordrechtboog, voorziet dit project ook nog in de in een latere fase aan te leggen Rottelaan, evenwijdig aan de noordzijde van de A12 tussen Zevenhuizen en Bleiswijk. In combinatie met de al in uitvoering zijnde verlegging van de provinciale weg N456 en de aansluiting daarvan op de A20 bij Moordrecht, wordt met deze projecten beoogd de wegenstructuur van de zogenaamde Gouweknoop en omgeving te verbeteren met als doel de problemen op het hoofdwegennet op te lossen, de regionale bereikbaarheid te vergroten en gebiedsontwikkelingen te faciliteren.

De in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken zijn nodig om de provinciale deelprojecten Moordrechtboog en Extra Gouwekruising te kunnen realiseren.

De Afdeling geeft U in overweging een besluit te nemen nadat rekening is gehouden met een tweetal inhoudelijke opmerkingen over het aan de Afdeling voorgelegde ontwerpbesluit.

Ten eerste adviseert de Afdeling om nader te onderzoeken of het thans mogelijk is om tot een ruil met de naburige resterende gronden van de in het besluit onder 6 genoemde reclamant te komen en te onderzoeken of langs deze weg alsnog met deze reclamant tot overeenstemming kan worden gekomen, omdat deze volledige aankoop van zijn onroerende zaak wenst. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de verzoeker om onteigening met reclamant 6 en met de reclamanten 7 (de eigenaren van bedoelde naburige resterende gronden) geen overeenstemming heeft kunnen bereiken over een grondruil. Het ontwerpbesluit heb ik hierop aangepast en aangevuld. Ten tweede adviseert de Afdeling om in het besluit alsnog aandacht te schenken aan het door de reclamant genoemd onder 10 in het kader van het minnelijk overleg opgeworpen punt over een hekwerk. Het ontwerpbesluit heb ik naar aanleiding hiervan eveneens aangepast en aangevuld.

Met de door de Afdeling gemaakte redactionele opmerkingen is in het ontwerpbesluit rekening gehouden.

Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Naar boven