Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens)

Rechtskarakter: Aanwijzing i.d.z.v. artikel 130 lid 4 Wet RO

Van: College van procureurs-generaal

Aan: Hoofden van de OM-onderdelen

Registratienummer: 2013A014

Datum inwerkingtreding: 01-09-2013

Publicatie in Stcrt.:PM

Vervallen: Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (2010A016gp)

Relevante beleidsregels: Aanwijzing OM-afdoening (2013A008)

Aanwijzing Wet politiegegevens (2013A013)

Aanwijzing Slachtofferzorg (2010A029)

Wetsbepalingen: Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, titel 2A

Bijlage(n): –

I

Samenvatting

II

Bevoegdheid en mandaatverlening

III

Verstrekking van informatie op grond van artikel 39f Wjsg

1.

Uitgangspunten

2.

Contra-indicatie

3.

De ontvangers

4.

Verstrekking aan overige ontvangers

IV

Rechten van betrokkene op inzage

V

Rechtsbescherming

VI

Bijzondere onderwerpen

1.

Wettelijke verplichting tot verstrekking van informatie

2.

Wetenschappelijk onderzoek

3.

Verstrekking van rechterlijke uitspraken

4.

Inzageverzoeken ten aanzien van gegevens van overledenen

5.

Justitiële gegevens

6.

Verstrekking aan journalisten

7.

Overgangsregeling

I Samenvatting

Deze aanwijzing geeft aan in welke gevallen, onder welke voorwaarden en aan wie het Openbaar Ministerie informatie kan verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. De aanwijzing is een uitwerking van titel 2A van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) met uitsluiting van het beheer van strafvorderlijke gegevens zoals bedoeld in artikel 39a lid 2 Wjsg. Voor de verstrekking binnen de strafrechtspleging geldt onverminderd hetgeen hierover is bepaald in onder andere artikel 39e Wjsg en het Wetboek van Strafvordering.

II Mandaatbesluit

Het College van procureurs-generaal is de ‘verantwoordelijke’ voor de verwerking van strafvorderlijke gegevens (art. 39a lid 1 Wjsg). Dat betekent dat het College verantwoordelijk en beslissingsbevoegd is voor alle verstrekkingen.

Mandaat hoofden OM-onderdelen

Het College mandateert de bevoegdheden zoals gegeven in titel 2A van de Wjsg tot het verwerken van strafvorderlijke en justitiële gegevens aan de hoofden van de parketten, het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal, de directeur van de Dienstverleningsorganisatie Openbaar Ministerie en de directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. Mandaat voor de beslissing op bezwaarschriften wordt enkel verleend aan het hoofd Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal. Mandaat tot het behandelen van beroepschriften wordt verleend aan de medewerkers van de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken. Bij de beslissingen die worden genomen op grond van dit mandaat dient de onderhavige Aanwijzing in acht te worden genomen. Met verleend mandaat wordt gelijk gesteld de verlening van volmacht en machtiging. In de ondertekening van besluiten die op grond van bovenstaand mandaat zijn genomen dient steeds tot uitdrukking te worden gebracht dat het betreffende besluit namens het College is genomen.

Ondermandaat

De bovengenoemde hoofden en directeuren kunnen ondermandaat verlenen aan onder hen ressorterende medewerkers die belast zijn met het verwerken van strafvorderlijke gegevens.

III Verstrekking van informatie op grond van artikel 39f Wjsg

Artikel 39f van de Wjsg biedt de mogelijkheid om strafvorderlijke gegevens te verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doelen. De doelen betreffen onder andere het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, het handhaven van de openbare orde en veiligheid en het beoordelen van de noodzaak tot het nemen van rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregelen.

Het Openbaar Ministerie heeft de verantwoordelijkheid om een effectieve bijdrage te leveren aan een rechtvaardige en veilige samenleving. Het verstrekken van strafvorderlijke informatie aan anderen – binnen de geldende wettelijke kaders – kan daartoe een belangrijke bijdrage leveren. Zo is informatieoverdracht nodig bij de samenwerking met partners om de handhaving te versterken, alsmede bij het verlenen van hulp aan slachtoffers.

In dit hoofdstuk zal worden aangegeven welke beginselen ten grondslag liggen aan een verstrekking op grond van artikel 39f, in welke gevallen een contra-indicatie bestaat om te verstrekken en aan wie of welke instantie strafvorderlijke gegevens kunnen worden verstrekt.

1. Uitgangspunten

Geen plicht, maar een bevoegdheid

De Wjsg kent geen verplichting om aan derden strafvorderlijke gegevens te verstrekken, maar schept een bevoegdheid. De grenzen van die bevoegdheid zijn uitgewerkt in de Wet en deze aanwijzing. Dit betekent dat een verzoeker geen recht op informatie kan ontlenen aan artikel 39f Wjsg. Er zal altijd een afweging dienen plaats te vinden.

Geen service

Het verstrekken van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden is alleen mogelijk als het past binnen de taakuitoefening van het Openbaar Ministerie en voor zover dit noodzakelijk is wegens een zwaarwegend algemeen belang (zie hierna onder hoofdstuk IV § 4). Dat betekent dat strafvorderlijke gegevens niet mogen worden verstrekt op grond van het enkele belang dat de derde daarbij heeft.

Passieve en actieve verstrekking

Het Openbaar Ministerie kan zowel actief (op eigen initiatief) als passief (op verzoek) informatie verstrekken voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden.

Bij alle vormen van verstrekking van strafvorderlijke gegevens moet rekening gehouden worden met het feit dat het Openbaar Ministerie niet alleen een grondslag moet hebben om te verstrekken, maar dat er tevens een grondslag voor de ontvanger moet zijn om te ontvangen. De beantwoording van de vraag of er een grond is om te ontvangen, is aan het Openbaar Ministerie (art. 39f lid 2 aanhef en sub a Wjsg).

Belangenafweging: subsidiariteit, proportionaliteit, noodzakelijkheid

Alvorens tot verstrekking wordt overgegaan wordt steeds een afweging gemaakt van het belang dat de ontvanger heeft bij het verkrijgen van de informatie ten opzichte van de belangen van opsporing en vervolging en het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). Indien de uitkomst van een strafrechtelijk onderzoek nog onzeker is, dient meer terughoudendheid te worden betracht bij een verstrekking aan derden. Aan de andere kant betekent dit dat bij een bewijsbare zaak eerder de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen gerechtvaardigd is. Bij deze belangenafweging dienen de beginselen van noodzakelijkheid, subsidiariteit en proportionaliteit te worden betrokken.

Indien het doel van de ontvanger op een andere, minder inbreuk op de privacy makende, manier dan via verstrekking van strafvorderlijke gegevens door het Openbaar Ministerie aan verzoeker kan worden bereikt, blijft verstrekking achterwege (subsidiariteit). Als zich bijvoorbeeld in een dossier informatie bevindt van de Kamer van Koophandel (KvK), dan zal door een verzoeker in beginsel eerst moeten worden bezien of deze informatie direct van de KvK kan worden verkregen.

Verstrekking van méér informatie dan nodig voor het nastreven van een van de in art. 39f Wjsg genoemde doeleinden, dient te allen tijde achterwege te blijven (proportionaliteit). Uitgangspunt moet zijn dat niet meer wordt verstrekt dan nodig is voor het doel van de verstrekking. Het is op basis van de Wjsg niet aan de ontvanger om te bepalen welke strafvorderlijke gegevens deze nodig heeft, maar aan het Openbaar Ministerie.

Ook de vorm van verstrekking is van belang. Als door de wijze van verstrekken een onnodige of onevenredige inbreuk op de privacy van een betrokkene wordt veroorzaakt, wordt bekeken of een alternatieve verstrekking mogelijk is, bijvoorbeeld door te anonimiseren, delen weg te laten, een samenvatting te geven of enkel mededeling te doen van de relevante informatie.

Tot slot moet de verstrekking noodzakelijk zijn met het oog op het doel waarvoor deze wordt gevraagd (noodzakelijkheidsvereiste). In geval de informatie interessant is om te weten (nice te know), maar niet noodzakelijk om bijvoorbeeld de beoogde rechtspositionele maatregel te nemen (need to know) kan niet tot verstrekking worden overgegaan.

2. Contra-indicatie

Wanneer een zaak is geëindigd met een sepot of een vrijspraak of wanneer nog geen definitieve vervolgingsbeslissing is genomen, geldt als uitgangspunt dat geen informatie wordt verstrekt tenzij er sprake is van een zwaarwegend belang dat de verstrekking in dat geval rechtvaardigt.

Een dergelijk zwaarwegend belang is in ieder geval aanwezig in de volgende situaties.

  • Door middel van het verstrekken van informatie kan ernstig en acuut gevaar worden afgewend;

  • Het gedrag (nalaten daaronder begrepen) dat voorwerp is geweest van strafrechtelijk onderzoek past niet binnen een integere uitoefening van een overheidsfunctie;

  • Het gedrag (nalaten daaronder begrepen) dat voorwerp is geweest van strafrechtelijk onderzoek is relevant voor de vraag of een rechtspositionele dan wel tuchtrechtelijke maatregel moet worden genomen tegen iemand die als zelfstandige, werknemer, vrijwilliger of stagiaire een gevoelige functie bekleedt, indien dat vastgestelde handelen twijfels doet rijzen over zijn behoorlijk (beroepsmatig) functioneren;

  • Het verstrekken van informatie maakt het treffen van noodzakelijke organisatorische of bestuurlijke maatregelen mogelijk;

  • Het gedrag dat naar voren komt uit het strafrechtelijk onderzoek levert civielrechtelijk aansprakelijkheid op tussen het slachtoffer/de betrokkene en de (gewezen) verdachte.

In het geval dat in een zaak nog geen definitieve vervolgingsbeslissing genomen is, dient tevens sprake te zijn van een spoedeisend belang.

3. De ontvangers

Op basis van art. 39f lid 1 Wjsg kunnen voor de aldaar genoemde doelen in ieder geval aan de volgende personen en instanties strafvorderlijke gegevens worden verstrekt.

a) het voorkomen en opsporen van strafbare feiten

Ten behoeve van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

  • I KNVB en buitenlandse voetbalorganisaties;

  • II Hulpverleningsinstanties op het terrein van de criminaliteitspreventie;

  • III Ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 Sv;

  • IV Burgemeesters, Commissarissen der Koningin en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie;

  • V Overheidsinstellingen (anders dan genoemd onder IV) en de particuliere werkgever, vrijwilligersorganisatie en opleidingsinstantie als het gaat om bepaalde 'gevoelige' bedrijven/ instellingen (zoals op het gebied van vervoer en transport, telecommunicatie en internet, beveiliging, financiën, onderzoek, onderwijs, kinderactiviteiten, energie, voedselvoorziening, kunst en oudheden);

  • VI Dienst voor het Wegverkeer;

  • VII (Openbaar-)vervoersbedrijven;

  • VIII Beroepsorganisaties (ten behoeve van het handhaven van een veroordeling tot ontzetting uit het bekleden van ambten of bepaalde ambten of het uitoefenen van bepaalde beroepen en van een veroordeling tot een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde geen beroep uitoefent waarin hij werkt met een bepaalde doelgroep of dat de veroordeelde zich onthoudt van het verrichten van bepaalde (beroeps)werkzaamheden).

b) het handhaven van de orde en veiligheid

Ten behoeve van het handhaven van de orde en veiligheid kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

  • I KNVB en buitenlandse voetbalorganisaties;

  • II Burgemeesters, Commissarissen der Koningin, en de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie;

  • III Overheidsinstellingen (anders dan genoemd onder II) en de particuliere werkgever, vrijwilligersorganisaties en opleidingsinstanties als het gaat om bepaalde 'gevoelige' bedrijven/ instellingen (bijvoorbeeld op het gebied van vervoer en transport, telecommunicatie en internet, beveiliging, financiën, onderzoek, onderwijs, kinderactiviteiten, energie, voedselvoorziening, kunst en oudheden);

  • IV Ambtenaren als bedoeld in art. 2 Politiewet 2012 en ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee;

  • V Verhuurders van roerende of onroerende zaken geschikt voor bewoning of de uitoefening van een beroep of bedrijf;

  • VI Nutsbedrijven;

  • VII (Openbaar-)vervoersbedrijven.

c) het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving

Ten behoeve van het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

  • I Bestuursorganen (waaronder de Belastingdienst, bedrijfsverenigingen, uitkeringsinstanties, subsidieverstrekkers, inspecties, bijzondere opsporingsdiensten, De Nederlandsche Bank, Stichting Autoriteit Financiële Markten, de Pensioen- en Verzekeringskamer);

  • II OLAF (Office Européen De Lutte Anti-Fraude/Europees Bureau voor fraudebestrijding);

  • III Curatoren (ten behoeve van een correcte afwikkeling van een faillissement in geval van faillissementsfraude);

  • IV Bewindvoerders voorzover het strafbare feiten betreft waarvan de inhoud raakt aan de wettelijke verplichtingen van de onder bewind gestelde c.q. van de bewindvoerder;

  • V Toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

d) het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing

Ten behoeve van het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

  • I Alle (lokale) overheidsinstanties (voor zover geen bijzondere wettelijke bepaling van kracht is).

e) het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel

Ten behoeve van de beoordeling van de vraag of een rechtspositionele dan wel tuchtrechtelijke maatregel moet worden getroffen tegen een werknemer, vrijwilliger, stagiair of een lid van een beroepsgroep, die/dat wordt verdacht van of is veroordeeld wegens een strafbaar feit waarvan duidelijk is dat twijfels kunnen doen rijzen over zijn behoorlijk (beroepsmatig) functioneren, dan wel ten aanzien van wie is gebleken van handelen dat gevaarzetting voor anderen oplevert of de integriteit van de overheid of die beroepsgroep aantast, kunnen over betrokkene strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan ten minste de volgende instanties:

  • I De (semi-)overheid als werkgever;

  • II Werkgevers van ambtenaren als bedoeld in artikel 142 Sv;

  • III EU-instellingen en internationale organisaties (zoals de NAVO);

  • IV De particuliere werkgever, vrijwilligersorganisaties en opleidingsinstanties als het gaat om bepaalde 'gevoelige' bedrijven/instellingen (bijvoorbeeld op het gebied van vervoer en transport, telecommunicatie en internet, beveiliging, financiën, onderzoek, onderwijs, kinderactiviteiten, energie, voedselvoorziening, kunst en oudheden);

  • V Instanties belast met toezicht op vrije beroepen, zoals de (plaatselijke) Deken van de Orde van Advocaten, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, het Nederlands Instituut voor Register Accountants en de Inspectie voor de gezondheidszorg.

f) het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn
  • f.1) Voorzover noodzakelijk voor het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, kunnen daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

    • I Slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn;

    • II Slachtofferhulp Nederland;

    • III Ambtenaren als bedoeld in de artikelen 141 en 142 Sv;

    • IV Bureau maatschappelijk werk;

    • V Raad voor de Kinderbescherming;

    • VI Vertrouwensartsen;

    • VII Gezondheidsdiensten en -instellingen;

    • VIII Buro’s voor Jeugdzorg;

    • IX Slachtoffer in Beeld.

  • f.2) Ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

    • I Degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51b Sv betrekking heeft;

    • II Verzekeraars van direct betrokkenen;

    • III Uitkeringsinstanties;

    • IV Stichting Processen-Verbaal, met inachtneming van de Aanwijzing Verkeersongevallen;

    • V Buma/Stemra en Brein in geval van overtredingen van intellectuele eigendomsrechten;

    • VI Arbodiensten;

    • VII Ambtenaren als bedoeld in artikel 3 van de Politiewet en ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee.

g) Het verrichten van een privaatrechtelijke rechtshandeling door een persoon of instantie die met een publieke taak is belast.

Voor het nemen van een beslissing die in het kader van artikel 5a van de Wet Bibob door de overheid (rechtspersoon) wordt genomen kunnen de daarvoor benodigde gegevens worden verstrekt aan.

  • I Alle (lokale) overheidsinstanties.

4. Verstrekking aan overige ontvangers

Zoals hierboven is vermeld, kan het Openbaar Ministerie aan de bovengenoemde personen en instanties strafvorderlijke gegevens verstrekken onder de voorwaarden die de Wjsg en deze aanwijzing stellen. Dat wil niet zeggen dat het niet tevens tot de taak van het Openbaar Ministerie kan behoren om, ter nastreving van de doelen die art. 39f stelt, aan andere personen of instanties informatie te verstrekken.

IV Rechten van betrokkene op inzage

Artikel 39i Wjsg verplicht het Openbaar Ministerie ertoe om eenieder op diens verzoek binnen zes weken – met een mogelijkheid tot verdaging van vier weken – mee te delen of deze persoon betreffende strafvorderlijke gegevens zijn vastgelegd en zo ja welke. Het recht op kennisneming biedt betrokkene de mogelijkheid om er achter te komen of over hem gegevens in een strafdossier of een geautomatiseerd systeem zijn vastgelegd en om te beoordelen of die gegevens juist zijn.

Dit recht is niet absoluut. De mededeling of en zo ja, welke strafvorderlijke gegevens zijn vastgelegd kan op grond van artikel 39l Wjsg achterwege blijven als dat noodzakelijk is in het belang van:

  • a). de voorkoming van de belemmering van gerechtelijke procedures;

  • b). het voorkomen, opsporen en vervolgen van strafbare feiten;

  • c). de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden;

  • d). de veiligheid van de staat.

Aan het recht op kennisneming kan op verschillende manieren worden voldaan, bijvoorbeeld door een mededeling of inzage in de betreffende gegevens. Artikel 39i Wjsg verplicht in ieder geval niet tot afgifte van stukken.

Het verzoek kan worden gericht aan het OM-onderdeel waar de informatie waarschijnlijk verwerkt is.

V Rechtsbescherming

Verzoek op basis van artikel 39f Wjsg

De beslissing om aan derden op basis van artikel 39f Wjsg strafvorderlijke gegevens te verstrekken is geen besluit in de zin van de Awb. Dat heeft tot gevolg dat zowel voor de verzoeker als de betrokkene géén bezwaar en beroep openstaat op basis van de Awb.

Indien betrokkene meent dat de verstrekking weliswaar rechtmatig is, maar dat om redenen van bijzondere persoonlijke aard tot een andere afweging moet worden gekomen, kan betrokkene op basis van artikel 39q Wjsg verzet aantekenen. De beslissing op verzet, is een beslissing in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep kan worden aangetekend. Indien de betrokkene van mening is dat er onrechtmatig informatie wordt verwerkt, kan deze de Staat aansprakelijk stellen op basis van art. 6:162 BW (onrechtmatige daad). Geen van bovenstaande procedures schort de beslissing om te verstrekken op.

Verzoek op basis van art. 39i Wjsg

De beslissing op een verzoek op basis van art. 39i Wjsg is een besluit in de zin van de Awb waartegen bezwaar en beroep open staan.

VI Bijzondere onderwerpen

1. Wettelijke verplichting tot verstrekking van informatie

Naast de Wjsg vormt een wettelijke verplichting een grondslag om te verstrekken. Wettelijke verplichtingen om informatie te verstrekken zijn veelal opgenomen in de wet waarop het orgaan ten behoeve waarvan wordt verwerkt, is gebaseerd (zoals de Wet op de Nationale ombudsman).

2. Wetenschappelijk onderzoek

Verstrekking van strafvorderlijke gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek is mogelijk op basis van art. 39g jo. art. 15 Wjsg. Dergelijke verzoeken kunnen worden ingediend bij de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken van het Parket-Generaal.

3. Verstrekking van rechterlijke uitspraken

De informatie die een rechterlijke uitspraak bevat, is strafvorderlijke informatie. Een vonnis of arrest valt echter (tevens) onder de bepaling van art. 365 Sv die ook geldt voor de politierechter (art. 367 Sv), de kantonrechter (art. 398 Sv) en de rechter in hoger beroep (art. 415 Sv). De rechter die het vonnis of arrest heeft gewezen beslist op het verzoek tot verstrekking daarvan. Het Openbaar Ministerie verstrekt enkel het resultaat van een strafzaak. Onder het resultaat van een strafzaak wordt verstaan: de kwalificatie van het bewezen verklaarde en de opgelegde straf of maatregel (en eventueel de datum van de uitspraak), dan wel de mededeling dat er sprake is van een vrijspraak of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

4. Inzageverzoeken ten aanzien van gegevens van overledenen

Gegevens van overledenen zijn geen persoonsgegevens. Als het strafrechtelijk onderzoek ziet op een overledene dan zijn diens gegevens dan ook geen strafvorderlijke gegevens. Als gegevens van een overledene in het onderzoek zijn betrokken, en dit onderzoek tevens ziet op gegevens van andere (natuurlijke) personen valt de verwerking wel onder de Wjsg.

Ten aanzien van overledenen biedt de Wbp in het geheel geen grondslag om te verstrekken en de Wjsg slechts in het geval dat andere personen betrokken zijn. In geval de Wbp en Wjsg geen grondslag bieden geldt de algemene geheimhoudingsverplichting die op basis van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO) op de officier van justitie en advocaat-generaal rust. Deze bepaling verzet zich in beginsel tegen verstrekking van informatie. Genoemde geheimhoudingsplicht is niet van toepassing, wanneer de taak van de officier van justitie of advocaat-generaal tot verstrekking verplicht (art. 13 jo. 144 Wet RO). Kortom: wanneer verstrekking van informatie noodzakelijk is voor een goede taakuitoefening, is verstrekking mogelijk.

In ieder geval kan in zijn algemeenheid tot de taak van het Openbaar Ministerie worden gerekend om zo open mogelijk te zijn naar nabestaanden. Voor het overige kan voor een concrete invulling van de taak aansluiting worden gezocht bij de verstrekkingscategorieën en andere beginselen uit deze aanwijzing. Deze aanwijzing geeft immers, door het noemen van categorieën van ontvangers en zorgvuldigheidsvereisten, een invulling aan de taakomschrijving die ook vereist is voor verwerking van strafvorderlijke gegevens op basis van de Wjsg (vergelijk hoofdstuk IV, paragraaf 3 vraag 3 en art. 39b lid 1 Wjsg).

Zorgvuldige afweging is ook bij de beoordeling van verzoeken om informatie over overledenen aangewezen, omdat die informatie onder omstandigheden andere personen kan schaden. Ook kan het voorkomen dat informatie over (de levensstijl van) een overledene nabestaanden kan schaden doordat wegens het bekend worden van die informatie (leden van) de familie in een kwaad daglicht komt/komen te staan.

5. Justitiële gegevens

In beginsel verstrekt de Justitiële Informatiedienst te Almelo justitiële gegevens. Artikel 8a van de Wjsg geeft het Openbaar Ministerie ook een bevoegdheid justitiële gegevens (justitiële documentatie/historische overzichten) te verstrekken aan derden in die gevallen waarin op grond van 39f Wjsg strafvorderlijke gegevens aan derden kunnen worden verstrekt. Daarbij gelden dezelfde criteria als bij de verstrekking van strafvorderlijke gegevens. Per geval dient te worden nagegaan of de verstrekking van justitiële gegevens (mede) aangewezen is. Daarbij dient nadrukkelijk de noodzakelijkheid van de verstrekking door het Openbaar Ministerie te worden afgewogen en geldt dat artikel 8a Wjsg in beginsel geen grondslag biedt voor het structureel verstrekken van justitiële gegevens aan derden. Het artikel ziet niet op de justitiële documentatie waarover het Openbaar Ministerie de beschikking heeft gekregen in het kader van de behandeling van een strafzaak.

6. Verstrekking aan journalisten

Een journalist maakt, gezien zijn functie, informatie waarover hij beschikt veelal openbaar. Openbaarmaking is geen doel van de Wjsg. Als een journalist een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen doet, is daarom de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing. Zie de Aanwijzing voorlichting opsporing en vervolging.

7. Overgangsrecht

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben onmiddellijke gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.

Naar boven