Rectificatie besluit opsporingsvergunning koolwaterstoffen Terschelling Noord, Ministerie van Economische Zaken

DGETM/EM/12049202

Procesverloop:

  • Ascent Resources Netherlands B.V. (hierna: Ascent) heeft per brief van 21 december 2010 een aanvraag ingediend voor een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen, ingevolge artikel 6, van de Mijnbouwwet (hierna: Mbw), voor het gebied genaamd Terschelling-Noord. De aangevraagde geldigheidsduur van de vergunning is twee jaar. Op 3 februari 2011 heeft Ascent het aangevraagde gebied gewijzigd. De oppervlakte van het aangevraagde gebied bedraagt 23,84 km2;

  • de opsporingsvergunning is op 13 april 2011 gepubliceerd in het Europees Publicatieblad (2011/C 115/08). Op 6 mei 2011 is van deze uitnodiging melding gemaakt in de Staatscourant (Staatscourant 2011, nr. 8001). Binnen de termijn van dertien weken na publicatie van de aanvraag in het Europees Publicatieblad zijn geen concurrerende aanvragen ingediend;

  • Staatstoezicht op de mijnen (hierna: Sodm) heeft op verzoek van de toenmalige Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (thans: Minister van Economische Zaken) op 17 november 2011 advies uitgebracht (kenmerk: 11164032);

  • TNO adviesgroep EZ (hierna: TNO) heeft op verzoek van de toenmalige Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op 23 augustus 2011 advies uitgebracht (kenmerk AGE 11-10.057);

  • Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Friesland (hierna: GS) zijn op grond van artikel 16 Mbw om advies gevraagd. GS heeft bij brief van 18 januari 2012 advies uitgebracht over deze aanvraag

  • De Mijnraad is op grond van artikel 105, derde lid, Mbw om advies gevraagd en heeft per brief van 29 mei 2012, advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/ 12041273).

Overwegingen:

  • voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt verleend, geldt op het tijdstip van het in werking treden ervan, niet een door een ander gehouden opsporings- of winningsvergunning voor koolwaterstoffen. Hiermee is voldaan aan artikel 7, eerste lid, Mbw;

  • het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt verleend, bevat geen voorkomen waarvoor, bij het in werking treden ervan, een door een ander gehouden opslagvergunning geldt. Hiermee is voldaan aan artikel 7, tweede lid, Mbw;

  • de technische en financiële mogelijkheden van Ascent alsmede de technische en financiële mogelijkheden van Ascent geven geen aanleiding tot het weigeren van de gevraagde opsporingsvergunning. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, Mbw;

  • de manier waarop aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten geeft geen aanleiding de vergunning te weigeren. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, Mbw;

  • aanvrager heeft niet onder een eerdere vergunning bij activiteiten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, of artikel 25, eerste lid, Mbw blijk gegeven van een gebrek aan efficiëntie of verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder c, Mbw;

  • de vergunning kan worden geweigerd indien onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46, 47 en 102. Voor het niet kunnen voldoen aan deze verplichtingen zijn geen aanwijzingen (artikel 9, tweede lid, Mbw);

  • TNO beoordeelt het aangeboden werkprogramma in relatie tot het aangevraagde gebied adequaat en beoordeelt de kwaliteit van de geologische onderbouwing van de aanvraag als goed. De aangevraagde duur van twee jaar lijkt TNO toereikend voor de opsporingsactiviteiten. TNO adviseert aan de aanvrager een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen te verlenen;

  • Sodm heeft advies uitgebracht over de technische capaciteiten van Ascent. Deze aanvrager is houder van verschillende opsporingsvergunningen. SodM heeft geen ervaringen met deze aanvrager opgedaan die resulteren in twijfel over de technische capaciteiten van deze maatschappij;

  • GS van de provincie Friesland vragen in hun advies aandacht voor het volgende:

    • 1. GS kan GDF niet beoordelen op technisch en financieel gebied;

    • 2. het Streekplan Fryslân; er kan geen nieuwe gaswinning op de Waddeneilanden komen;

    • 3. in het MER moet aandacht worden besteed aan: het Werelderfgoed Waddenzee en Natura 2000 gebied Noordzeekustzone. Er moet onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen voor de ecosystemen van de Ecologische Hoofd Structuur;

    • 4. een monitorings-programma voor het toetsen van effecten van bodemdaling op het eiland Terschelling tijdens winningsactiviteiten;

    • 5. de recreatieve belevingswaarde van het gebied.

Algemeen

In veel van de naar voren gebrachte onderwerpen worden de onderwerpen ruimtelijke ordening, milieu en natuur genoemd. Deze onderwerpen komen niet aan de orde bij de verlening van een opsporingsvergunning, maar spelen een rol bij de besluitvorming over opvolgende vergunningen.

Het betreft een aanvraag om een opsporingsvergunning. Dit is een vergunning die aan de vergunninghouder enkel het alleenrecht geeft om in het in de vergunning bepaalde gebied delfstoffen op te sporen, oftewel onderzoek te doen naar de aanwezigheid van delfstoffen, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat. Kortom, er mogen nog geen delfstoffen, qua volume van enige betekenis, worden onttrokken aan de ondergrond. Indien de vergunninghouder ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden een boring zal doen, dan dient hij te voldoen aan eisen die aan boringen gesteld worden in de mijnbouwwet en -regelgeving en andere toepasselijke wetgeving, zoals op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu en natuur.

Technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager, nummer 1:

Op basis van de thans beschikbare gegevens, de adviezen van Sodm en TNO en de aanvraag beschikt de Minister van Economische Zaken niet over informatie waaruit zou blijken dat de financiële capaciteiten en technische capaciteiten van Ascent ontoereikend zouden zijn.

Streekplan Fryslân, m.e.r.-plicht, Werelderfgoed Waddenzee, Natura 2000 en Ecologische Hoofd Structuur, recreatie, nummers 2, 3 en 5:

Een opsporingsvergunning is geen m.e.r.-plichtig besluit. Indien de vergunninghouder een boring zal doen, dan dient hij te voldoen aan eisen die gesteld worden in de Mbw en -regelgeving en andere toepasselijke wetgeving, zoals op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu en natuur, met inbegrip van de m.e.r.-regelgeving.

De onderwerpen Streekplan Fryslân, Natura-2000, en toerisme en/ of recreatie vallen buiten het kader van deze vergunning. Deze onderwerpen kunnen een rol spelen bij de besluitvorming over opvolgende, meer uitvoeringsgerichte vergunningen. Zo wordt het onderwerp milieu beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning, die nodig kan zijn voor een mijnbouwwerk voor de opsporing en winning van koolwaterstoffen. Ook het belang van veiligheid is een criterium dat wordt beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning die nodig kan zijn voor een mijnbouwwerk.

De vergunninghouder moet voldoen aan de in zo’n vergunning opgenomen voorschriften en/of de algemene wettelijke regels die van toepassing zijn op de activiteit, waaronder regels met betrekking milieu en veiligheid.

Sodm houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften en regels.

Het onderwerp natuur wordt beoordeeld in het kader van de natuurwetgeving;

Winningsactiviteiten, nummer 4:

Alvorens met de winningsactiviteiten kan worden begonnen, is de instemming van de Minister van Economische Zaken met een winningsvergunning voor koolwaterstoffen, ingevolge artikel 6 Mbw en een winningsplan, overeenkomstig artikel 34, derde lid, Mbw in samenhang met artikel 24, van het Mijnbouwbesluit en een omgevingsvergunning nodig. Voor de beoordeling of met een winningsplan kan worden ingestemd, wordt getoetst aan planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen en risico van schade ten gevolge van bodembeweging. Het monitoren van het winningsproces komt aan de orde bij de beoordeling omtrent de instemming met het winningsplan.

  • de Mijnraad adviseert een opsporingsvergunning aan Ascent te verlenen voor het aangevraagde gebied, voor de duur van twee jaar;

  • gelet op de Mbw, de aanvraag en de uitgebrachte adviezen kan verlening van de opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen voor het aangevraagde gebied Terschelling-Noord plaatsvinden, voor een geldigheidsduur van twee jaar, onder het stellen van hierna genoemde beperkingen en voorschriften:

Gelet op:

de artikelen 6, 7, 9, 11, eerste tot en met derde lid en vierde lid, eerste volzin, artikel 12, 13, eerste lid, 15, 16 en 105, derde lid, van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 1.3.1 van de Mijnbouwregeling.

Artikel 1

Aan Ascent Resources Netherlands B.V. (hierna: de vergunninghouder) wordt een opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen verleend voor het gebied genaamd Terschelling-Noord.

Artikel 2

De vergunning geldt voor het gebied gelegen in de provincie Friesland en in de territoriale zee en wordt als volgt begrensd:

  • De lijn, zoals deze is beschreven in de bijlage van de Mijnbouwwet van het onder c genoemde snijpunt naar het punt B;

  • Vervolgens de rechte lijnen tussen de puntenparen B-C, C-D en D-E;

  • Vervolgens de rechte lijn van het punt E over het punt A tot het snijpunt met de lijn zoals deze is beschreven in de bijlage van de Mijnbouwwet.

De coördinaten van deze punten zijn:

Punt

X

Y

A

146247,00

606380,00

B

151335,37

608214,05

C

151333,38

605516,38

D

153281,09

601853,26

E

150834,00

601086,00

Bovenstaande coördinaten zijn weergegeven volgens het coördinatiestelsel van de Rijksdriehoekmeting, zoals vermeld in artikel 1.2.2, eerste lid, onder a, van de Mijnbouwregeling.

Op basis van deze grensbeschrijving is de oppervlakte 23,48 km2.

Artikel 3

De vergunninghouder geeft uitvoering aan het werkprogramma dat onderdeel uitmaakt van de op 21 december 2010 en 3 februari 2011 ingediende aanvraag.

Artikel 4

Deze vergunning geldt vanaf het tijdstip waarop zij in werking is getreden tot twee jaar na het tijdstip waarop zij onherroepelijk is geworden.

Artikel 5

Deze beschikking treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beschikking is bekendgemaakt.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Economische Zaken, namens deze: J.C. De Groot directeur Energiemarkt

Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen 6 weken na de dag, waarop dit besluit is verzonden, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven