Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2013, 12981Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 8 mei 2013, nr. WJZ/13046344, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij in verband met invoering van een verbod op het voor handen hebben van bepaalde hoeveelheden van recreatieve visserij afkomstige kabeljauw en zeebaars (‘bag limit’)

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 3, vierde lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977;

Besluit:

ARTIKEL I

Onder plaatsing van de aanduiding ‘1.’ voor de bestaande tekst worden aan artikel 120 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het is verboden op zee, in het zeegebied, in de kustwateren, in de visserijzone of in de onmiddellijke nabijheid van die wateren meer dan 25 stuks dan wel meer dan 20 kilogram kabeljauw, zeebaars of kabeljauw en zeebaars voorhanden te hebben.

  • 3. Het is verboden zeebaars of kabeljauw aan te landen die is gefileerd of is ontdaan van de kop.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op zeebaars en kabeljauw die aantoonbaar afkomstig is van een vissersvaartuig.

  • 5. Het tweede en derde lid zijn tevens van toepassing op of in de onmiddellijke nabijheid van met de wateren, genoemd in het tweede lid, in open verbinding staand binnenwater, tot ten hoogste 30 kilometer landinwaarts.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 8 mei 2013

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma.

TOELICHTING

1. Doel en strekking

Met deze regeling wordt een beperking aan het voorhanden mogen hebben van op zee door anderen dan beroepsvissers gevangen kabeljauw en zeebaars opgenomen in de Uitvoeringsregeling zeevisserij. De regeling heeft tot doel grootschalige illegale verkoop van kabeljauw en zeebaars tegen te gaan.

2. Achtergrond

Het is verboden van recreatieve visserij afkomstige vis in de handel te brengen ingevolge artikel 55, tweede lid, van Verordening nr. 1224/20091. Artikel 55, eerste lid, van die verordening draagt de lidstaten op er voor te zorgen dat de recreatievisserij op hun grondgebied plaatsvindt op een wijze die strookt met de doelstellingen en de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Het geven van uitvoering aan deze Europeesrechtelijke verplichting door het verkoopverbod uit de verordening effectief te handhaven is niet eenvoudig gebleken. Uit onderzoek blijkt dat er sterke aanwijzingen zijn dat een kleine groep recreatieve vissers op grote schaal het verkoopverbod overtreedt. Daarnaast wordt de handhavingspraktijk in ernstige mate bemoeilijkt doordat alleen handhavend opgetreden kan worden als op heterdaad wordt vastgesteld dat de vis die in bezit is van de recreatieve visser ook daadwerkelijk te koop wordt aangeboden. Om het verkoopverbod effectief te kunnen handhaven is het dan ook nodig een beperking te stellen aan de hoeveelheid zelfgevangen vis die de recreatieve visser voor eigen gebruik voorhanden mag hebben, een zogenoemde baglimit. Met een verbod om ‘handelshoeveelheden’ voorhanden te hebben kunnen evident onwenselijke gevallen bij de bron – de recreatieve visser – worden aangepakt. Een vergelijkbare limiet is al van toepassing op het handmatig rapen van schelpdieren (artikel 48, onder b, van de Uitvoeringsregeling visserij).

3. Werking van de regeling

Het verbod geldt zowel op zee en in het zeegebied, de kustwateren en de visserijzone, als in de nabijheid van die wateren. Derhalve kan ook handhavend worden opgetreden als grote hoeveelheden kabeljauw of zeebaars aan land zijn gebracht. Met het vijfde lid wordt het verbod tevens van toepassing op de binnenwateren die met de genoemde wateren in directe verbinding staan, bijvoorbeeld de Nieuwe Waterweg of het Kanaal door Zuid-Beveland, tot een afstand van 30 kilometer landinwaarts. Daarmee wordt beoogd tegen te gaan dat overtreders zich eenvoudig aan het verbod kunnen onttrekken door de binnenwateren op te varen en vanaf die wateren de vis aan land te brengen.

Het totaalgewicht aan zeebaars, kabeljauw of een combinatie van beide mag de 20 kilogram en het totaal aantal exemplaren de 25 stuks niet te boven gaan. Een overtreding vindt plaats indien de hoeveelheid aangetroffen zeebaars en kabeljauw tezamen genomen één van beide of beide normen overschrijdt. Het is derhalve niet toegestaan 7 kilogram kabeljauw en 14 kilogram zeebaars voorhanden te hebben of 20 stuks kabeljauw en 8 stuks zeebaars. De norm van 20 kilogram geldt voor hele vissen, eventueel ontdaan van ingewanden. Het derde lid bevat tevens, ten behoeve van de herkenning van de vis bij controle en handhaving, een verbod om zeebaars of kabeljauw aan te landen die is ontdaan van de kop of is gefileerd.

Aannemelijk is dat met de gestelde limieten van 20 kilogram en 25 stuks de recreatieve visser minimaal wordt beperkt in de uitoefening van zijn hobby, doordat hij voldoende vis voor eigen gebruik voorhanden mag hebben.

De gekozen gewichtslimiet is daarnaast vergeleken met de meest recente gegevens over de totale vangsten van zeebaars en kabeljauw door recreanten per vistrip. Deze gegevens zijn verzameld in het kader van de Europese Datacollectie Verordening. Hieruit blijkt dat in slechts 0,2% van de vistrips meer dan 20 kilogram kabeljauw en zeebaars werd gevangen. De reguliere individuele recreatieve visser die uitsluitend voor eigen consumptie zeebaars of kabeljauw voorhanden heeft zal er dus slechts zeer zelden in slagen meer te vangen dan hij voorhanden mag hebben. Aannemelijk is dan ook dat degene die wél meer voorhanden heeft, dit doet met het oogmerk de vis in de handel te brengen. Een algemeen verbod op het voorhanden hebben van ‘handelshoeveelheden’ zeebaars en kabeljauw ondersteunt dus effectief het verkoopverbod, maar doet, uitzonderlijke gevallen daargelaten, geen afbreuk aan de vrijheid van de sportvisser de door hem gevangen vis mee te nemen voor eigen gebruik. De gewichtslimiet sluit goed aan bij de limiet die geldt in de Belgische wateren voor recreatieve aanlanding van kabeljauw en zeebaars.

Vanzelfsprekend geldt de beperking van deze regeling niet voor de beroepsvisserij (vierde lid). De beroepsvisser brengt in overeenstemming met de communautaire voorschriften voor aanlanding, registratie etc. uiteraard hoeveelheden zeebaars en kabeljauw aan land die de in deze regeling opgenomen limieten vér overschrijden. Het vierde lid bepaalt dan ook dat het verbod niet van toepassing is op vis die aantoonbaar afkomstig is van een vissersvaartuig. Op basis van de Visserijwet 1963 en het Reglement zee- en kustvisserij 1977 is een vissersvaartuig een vissersvaartuig dat bestemd is voor de commerciële exploitatie van vis en dat als zodanig geregistreerd staat in het visserijregister. Op deze wijze is geregeld dat beroepsvissers uitgesloten zijn van de werking van het verbod.

4. Handhaving

Deze regeling heeft een basis in artikel 3, vierde lid, van het Reglement zee- en kustvisserij. Dit artikel is gebaseerd op artikel 3a, tweede lid, van de Visserijwet 1963 dat expliciet ziet op voorschriften die dienstbaar zijn aan de naleving van voorschriften die strekken tot uitvoering van – kort gezegd – internationale verplichtingen. Als hierboven uiteengezet staat dit verbod nadrukkelijk in het teken van het tegengaan van overtredingen van het verkoopverbod zoals dat voortvloeit uit de verordening en met het oog op de handhaving is opgenomen in artikel 120 van de Uitvoeringsregeling zeevisserij. Overtreding van krachtens artikel 3a, tweede lid, van de Visserijwet 1963 vastgestelde voorschriften is als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1a, onder 3° van de Wet op de economische delicten. Op grond van artikel 6, eerste lid, onder 4°, van de Wet op de economische delicten is het strafmaximum hechtenis van 6 maanden, taakstraf of geldboete van de vierde categorie (€ 19.500,–),

5. Consultatie

Er is overleg gevoerd met diverse betrokken sectorpartijen en er is gekeken naar de regelgeving op het gebied van recreatieve zeevisserij in enkele ons omringende landen. Bij de uitwerking van de regeling is aangesloten bij de limiet die in België al geldt voor recreatief gevangen kabeljauw en zeebaars. Een ontwerp van deze regeling is in de periode 17 december 2012 tot en met 17 januari 2013 voor consultatie aan de eerder in het proces betrokken sectorpartijen voorgelegd. Op de hierop binnengekomen reacties, voor zover betrekking hebbend op het onderwerp van de voorgenomen wijzigingen in de Uitvoeringsregeling zeevisserij, wordt hieronder ingegaan.

Verschillende respondenten hebben aangegeven de voorgestelde limieten van 20 kilogram en 25 stuks kabeljauw en zeebaars niet passend te vinden. De Nederlandse Charterboot Vereniging vindt een limiet voor kabeljauw van minimaal 35 kilogram gewenst omdat zij bij een lagere limiet teruglopende inkomsten vreest als gevolg van wegblijvende klanten. De Nederlandse Vissersbond vindt daarentegen de voorgestelde limieten te hoog en wenst een halvering van het toegestane aantal en gewicht omdat zij vreest dat 20 kilogram kabeljauw of zeebaars een te hoge verkoopwaarde vertegenwoordigt. Zoals in het voorgaande is aangegeven, is het gekozen aantal het resultaat van een zorgvuldige afweging tussen het kiezen van een limiet die nodig is om een effectieve handhaving te garanderen enerzijds en het zo weinig mogelijk willen belemmeren van de recreatieve visserij anderzijds. Deze reacties hebben daarom geen aanleiding gegeven tot aanpassing van de limieten.

Sportvisserij Nederland en de Bootvisvereniging Zuid-West Nederland stellen dat de illegale handel door invoering van een limiet op het voorhanden hebben van zeebaars en kabeljauw niet zal worden teruggedrongen, maar dat deze hooguit zal verplaatsen naar bijvoorbeeld het overladen van de recreatief gevangen vis op zee. Het overladen van vis op zee is op basis van de huidige regelgeving eveneens verboden en de handhavende instanties kunnen hierop al handhavend optreden. Hierin brengt deze regeling geen verandering. Sportvisserij Nederland stelt verder in haar reactie dat de regeling een nationale kop zou bevatten, terwijl een nationale kop niet noodzakelijk werd geacht om de handel in illegaal gevangen vis aan banden te leggen. Het verbod, dat is vervat in deze regeling vloeit weliswaar niet rechtstreeks voort uit Europese regelgeving maar is wel dringend gewenst ter ondersteuning van het wel Europese verkoopverbod en moet als zodanig eerder gezien worden als het op juiste wijze invulling geven aan Europeesrechtelijke verplichtingen dan als onwenselijke nationale kop.

6. Regeldruk

De wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij treft burgers die recreatief op zee of in de kustwateren vissen. De wijziging heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten of nalevingskosten. In het eerste deel van deze toelichting is de wenselijkheid van het invoeren van het verbod uiteengezet. De beperking is zo gesteld dat de recreatieve visser zo min mogelijk wordt getroffen, maar wel streng genoeg is om grootschalige illegale verkoop te ontmoedigen.

7. Inwerkingtreding

Ingevolge het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten treedt een ministeriële regeling in werking met ingang van 1 januari, 1 april, 1 juli of 1 oktober. Uitzondering hierop is mogelijk op grond van een viertal gronden. Om te komen tot een effectieve rechtshandhaving van het verkoopverbod van in het kader van recreatieve visserij gevangen kabeljauw en zeebaars is het met het oog op de aanvang van het sportvisseizoen op zee gewenst de wijziging van de Uitvoeringsregeling zeevisserij op korte termijn in werking te laten treden en daarbij af te wijken van de vaste verandermomenten. De strekking van de regeling is op hoofdlijnen reeds aangekondigd en gecommuniceerd.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. Dijksma.


X Noot
1

Verordening (EG) Nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006.