Beschikking van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, houdende ontheffing van het verbod VFR-vluchten uit te voeren beneden de minimum VFR-vlieghoogte die plaatsvinden binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, maar niet boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen

Datum: 24 april 2013

Nummer: ILT-2013/13516

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Defensie;

Gezien het verzoek om ontheffing d.d. 15 april 2013 van Aeroheli GmbH & Co. KG. Contactpersoon: de heer D. Franzke. Adres: Am Flugplatz 3, 03058 Neuhausen, Duitsland; tel.: +49(0)35605 428823; e-mail: info@aeroheli.de;

Overwegende:

  • dat de vereiste maatschappelijke relevantie blijkt uit de opdrachten van N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij voor het uitvoeren van inspectievluchten van pijpleidingen;

  • dat de ontheffing zich beperkt tot gebieden buiten aaneengesloten bebouwing, omdat de betrokken helikopters 1-motorig zijn;

  • dat de ontheffing zich beperkt tot plaatselijke luchtverkeersleidingsgebieden (CTR’s), omdat laagvliegen voor onder andere pijplijninspecties al is geregeld in de Vrijstellingsregeling LVR;

Gelet op artikel 45, vijfde lid, van het Luchtverkeersreglement;

BESLUIT:

Artikel 1

Deze beschikking is van toepassing op de helikopters van het type Robinson R-44 Raven II met registratie D-HFCH, D-HFCW, AS350N met als registratie D-HAIF of Guimbal Cabri G2 met registratie D-HAIG, dan wel een gelijkwaardige vervangende helikopter, in gebruik bij Aeroheli GmbH & Co. KG waarmee VFR-vluchten worden uitgevoerd in Zuid-Holland, Brabant en Limburg ten behoeve van het inspecteren van het pijpleidingnetwerk (olieleidingen), in opdracht van de N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij.

Artikel 2

Aan de gezagvoerders van de helikopters, bedoeld in artikel 1, wordt van 1 mei 2013 tot en met 30 april 2014 ontheffing verleend van het verbod, genoemd in artikel 45, eerste lid, onder b, van het Luchtverkeersreglement, om VFR-vluchten uit te voeren die plaatsvinden binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied beneden de minimum VFR-vlieghoogte, maar niet boven gebieden met aaneengesloten bebouwing, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenverzamelingen, gedurende de daglichtperiode, zoals gepubliceerd in de in artikel 60, onder a, bedoelde luchtvaartgids, met inachtneming van de volgende voorschriften en beperkingen:

  • a. de gezagvoerder is in het bezit van een geldig CPL of ATPL;

  • b. de minimum toegestane vlieghoogte bedraagt 60 meter (200 ft) boven de grond of het water, doch ten minste 30 meter (100 ft) boven de hoogste hindernis gelegen binnen een afstand van 100 meter van de helikopter;

  • c. de vliegroute, vlieghoogte en vliegsnelheid worden zodanig gekozen dat:

    • 1. overlast aan derden zoveel mogelijk wordt vermeden;

    • 2. er niet wordt gevlogen beneden de minimum VFR-vlieghoogte over vogelreservaten, zoals gepubliceerd in de luchtvaartgids;

    • 3. vee niet wordt verstoord;

    • 4. geluidsgevoelige objecten, zoals dierentuinen, ziekenhuizen etc., worden gemeden;

    • 5. ingeval van een noodlanding het risico voor inzittenden en derden zoveel mogelijk wordt beperkt;

  • d. er wordt uitsluitend gevlogen beneden de minimum VFR-vlieghoogte gedurende de periode dat dit noodzakelijk is voor het doel van de vlucht;

  • e. vóór en ná de vlucht is de opdracht van de opdrachtgever ter inzage aanwezig zodat deze kan worden gecontroleerd door de afdeling luchtvaart van de politie of de Inspectie Leefomgeving en Transport;

  • f. er worden geen passagiers vervoerd tijdens de inspectievlucht, anders dan benodigd voor het inspecteren van de gaspijpleiding;

  • g. voor deze vluchten wordt de procedure gevolgd voor ‘Survey projects’, zoals die is gepubliceerd op de site van de Operationele Helpdesk LVNL: http://www.lvnl-ohd.nl/ ;

  • h. er dient, na het ingediende vliegplan, eerst een klaring te zijn verkregen van de betrokken plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst voor vluchten die plaatsvinden binnen het plaatselijke luchtverkeersleidingsgebied; de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst is niet verantwoordelijk voor het vrij blijven van bebouwing;

  • i. deze ontheffing is niet geldig voor het gebruik van de Aerodrome Traffic Zone (ATZ) welke gelegen is in het militair plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied. Buiten de openstellingsuren van het militair plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied dient er vrijgebleven te worden van de ATZ;

  • j. tijdens het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;

  • k. vóór de aanvang van de vlucht wordt ingelicht:

  • l. de meldkamer van de afdeling luchtvaart van de politie (tel.: 020-5025693 of fax: 020-5025699 of e-mail dlvplvt@klpd.politie.nl) en worden de volgende gegevens verstrekt:

    • naam gezagvoerder, registratie en model/type helikopter;

    • route en periode van de voorgenomen vlucht;

  • m. vóór aanvang van de vlucht die gaat plaatsvinden in een militair plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, wordt gecoördineerd met de plaatselijke militaire luchtverkeersleiding en bij geen gehoor met de Supervisor van AOCS NM (tel.: 0577-458700); aan de voorwaarden door hen gesteld wordt strikt de hand gehouden;

  • n. vóór aanvang van de vlucht die gaat plaatsvinden in een civiel plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, wordt gecoördineerd met de operationele helpdesk; tel.: 020-4062201; fax: 020-4063672; e-mail: ops_helpdesk@lvnl.nl; aan de voorwaarden door hen gesteld wordt strikt de hand gehouden;

  • o. voor het maken van beeldopnamen dient de cameraman in het bezit te zijn van een op naam gestelde luchtopnamevergunning, verkregen bij het Ministerie van Defensie, MIVD/ACIV/BIV, Sectie Luchtfotografie, Postbus 20701, 2500 ES Den Haag; e-mail: indussec@mindef.nl; fax: 070-4419204.

Artikel 3

  • 1. De aanvrager draagt er zorg voor dat de gezagvoerder en de cameraman of pijpleidinginspecteur bekend zijn met de inhoud van deze beschikking.

  • 2. Bij het niet of niet volledig nakomen van de voorschriften en beperkingen, genoemd in artikel 2, kan dat aanleiding zijn deze ontheffing in te trekken.

Artikel 4

Deze beschikking treedt in werking met ingang van 1 mei 2013 en vervalt met ingang van 1 mei 2014, tenzij deze voortijdig wordt ingetrokken.

DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU, namens deze, DE INSPECTEUR ILT/LUCHTVAART, M. van Velzen Senior Inspecteur

Bezwaarmogelijkheid

Indien u het niet eens bent met deze beslissing kunt u hiertegen, op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht, binnen zes weken na de datum waarop deze beslissing is verzonden schriftelijk bezwaar aantekenen.

Het bezwaarschrift moet worden ondertekend en moet ten minste bevatten:

  • de naam en het adres van de indiener;

  • de dagtekening;

  • een omschrijving van de beschikking waartegen het bezwaar is gericht;

  • de gronden van het bezwaar.

Het bezwaarschrift kunt u richten aan:

Inspectie Leefomgeving en Transport

Team Juridische Zaken

Postbus 16191

2500 BD Den Haag

Naar boven