Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
overigStaatscourant 2012, 8910Interne regelingen

Verordening Schadeschap Luchthaven Schiphol 2012

(tekst na in werking treden wijzigingen 2012)

Artikel 1 (begripsbepalingen)

In deze procedureverordening wordt verstaan onder

a. De regeling:

de gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol, ingevolge de artikelen 94 en 95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

b. Het dagelijks bestuur:

het dagelijks bestuur van het Schadeschap Luchthaven Schiphol, als bedoeld in hoofdstuk V van de gemeenschappelijke regeling Schadeschap Luchthaven Schiphol.

c. De besliscommissie:

de commissie als bedoeld in artikel 19 van de gemeenschappelijke regeling Schadeschap luchthaven Schiphol.

d. Adviescommissie:

een adviesorgaan als bedoeld in artikel 7 lid 1 van deze verordening.

e. Verzoeker:

de indiener van het verzoek als bedoeld in artikel 3.

Artikel 2 (het recht op schadevergoeding)

  • 1. Een besluit houdende toekenning van schadevergoeding kan niet eerder worden genomen dan nadat de schadeveroorzakende besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden.

  • 2. De vergoeding wordt bepaald in geld.

Artikel 3 (het verzoek om schadevergoeding)

  • 1. Het verzoek om schadevergoeding wordt zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is schriftelijk bij de besliscommissie ingediend.

  • 2. Het verzoek wordt ondertekend en bevat tenminste:

    • a. de naam en het adres van de verzoeker;

    • b. de dagtekening;

    • c. een aanduiding van het besluit of het handelen dat de schade naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt;

    • d. zo redelijkerwijs mogelijk een opgave van de aard en de omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade;

    • e. een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van verzoeker vergoed dient te worden.

  • 3. De verzoeker verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

Artikel 4 (ontvangstbevestiging)

De besliscommissie bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk, doch tenminste binnen twee weken na de ontvangst ervan en stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

Artikel 5 (aanvulling gegevens)

Indien naar het oordeel van de besliscommissie niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in lid 2 en 3 van artikel 3 stelt zij de verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een termijn van acht weken na verzending van de brief, waarin hem op het verzuim is gewezen.

Artikel 6 (vereenvoudigde behandeling van het verzoek)

  • 1. De besliscommissie neemt het verzoek niet in behandeling indien het niet overeenkomstig het hiervoor bepaalde in artikel 3 en 5 is ingediend.

  • 2. De besliscommissie beslist op het verzoek, zonder dat onderzoek is verricht door een adviescommissie als bedoeld in artikel 7, indien naar haar oordeel zodanig onderzoek niet nodig is om op het verzoek te beslissen.

  • 3. Een besluit om het verzoek niet in behandeling te nemen, dan wel een besluit op het verzoek, zonder dat ter voorbereiding daarvan een adviescommissie is ingeschakeld, wordt bekend gemaakt door toezending of uitreiking aan de verzoeker:

    • a. binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, dan wel

    • b. binnen vier weken nadat het verzoek is aangevuld, of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

  • 4. De besliscommissie kan de termijn van acht weken genoemd in lid 3a éénmaal met ten hoogste acht weken verlengen. De besliscommissie stelt de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 7 ( adviescommissie)

  • 1. Indien geen toepassing wordt gegeven aan het hiervoor bepaalde in lid 1 en 2 van artikel 6 stelt de besliscommissie een adviescommissie in. Deze adviescommissie heeft tot taak de besliscommissie van advies te dienen over het op het verzoek te nemen besluit.

  • 2. Een adviescommissie bestaat uit één onafhankelijke deskundige, die door de besliscommissie wordt benoemd. Indien de inhoud van een verzoek daartoe aanleiding geeft, kan de besliscommissie twee of drie onafhankelijke deskundigen benoemen. Indien een adviescommissie uit twee of drie leden bestaat, wijst de besliscommissie de voorzitter aan.

  • 3. Voor de benoeming van de deskundigen maakt de besliscommissie een keuze uit de door het dagelijks bestuur vast te stellen lijst van deskundigen.

  • 4. De besliscommissie stelt de verzoeker in kennis van haar voornemen om een adviescommissie in te stellen. De kennisgeving bevat per te benoemen deskundige een opgave van diens naam, diens beroep en de plaats waar deze zijn werkzaamheden pleegt te verrichten. De belanghebbende kan binnen twee weken na verzending van de kennisgeving bedenkingen uiten tegen dit voornemen.

  • 5. Een adviescommissie wordt ingesteld uiterlijk zes weken na het verstrijken van de termijn bedoeld in lid 3 van artikel 6, waarbinnen de besliscommissie een besluit om het verzoek niet in behandeling te nemen, dan wel een besluit op het verzoek, zonder dat ter voorbereiding daarvan een adviescommissie is ingeschakeld, bekend kan maken, dan wel indien het bepaalde in lid 4 van artikel 6 toepassing heeft gevonden, uiterlijk zes weken na het verstrijken van de onder lid 4 van artikel 6 genoemde termijn.

  • 6. De besliscommissie is bevoegd de benoeming van één of meer deskundigen terzake van de advisering ten aanzien van een concreet verzoek te beëindigen en de adviesopdracht aan deze deskundige of deskundigen te beëindigen, indien de wijze van taakvervulling door de betreffende deskundige of deskundigen daartoe naar het oordeel van de besliscommissie aanleiding geeft. De besliscommissie benoemt in voorkomend geval zo nodig een andere deskundige, of andere deskundigen.

Artikel 8 (het onderzoek door een adviescommissie)

  • 1. Tenzij de besliscommissie een adviescommissie een bijzondere adviesopdracht geeft, stelt een adviescommissie ter voldoening aan haar taak als bedoeld in artikel 7, eerste lid, een onderzoek in naar:

    • a. de vraag of de door verzoeker in het verzoek gestelde schade een gevolg is van een of meer van de in artikel 9 van de regeling bedoelde besluiten en/of rechtmatige feitelijke handelingen;

    • b. de omvang van de schade;

    • c. de vraag of de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven;

    • d. de vraag of vergoeding van schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd;

    • e. de vraag of het handelen of nalaten door of namens verzoeker in het kader van de behandeling van het verzoek gevolgen moet hebben voor de omvang van de toe te kennen vergoeding, waaronder de vergoeding van wettelijke rente.

  • 2. Een adviescommissie brengt rapport uit over haar bevindingen. Zij adviseert de besliscommissie, indien het onderzoek als bedoeld in het eerste lid daartoe aanleiding geeft, over de hoogte van de uit te keren schadevergoeding.

  • 3. De besliscommissie stelt een adviescommissie, al dan niet op haar verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De verzoeker verschaft een adviescommissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Een adviescommissie stelt daartoe aan verzoeker een termijn.

  • 5. Een adviescommissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent een adviescommissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van de besliscommissie.

  • 6. Een adviescommissie kan een plaatsopneming houden, indien zij dit nodig acht.

Artikel 9 (procedure adviescommissie)

  • 1. Een adviescommissie stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

  • 2. Een adviescommissie stelt de verzoeker en de besliscommissie in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting. Beiden kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. De adviescommissie verzendt de uitnodiging voor het geven van een mondelinge toelichting tenminste twee weken voor de datum waarop de toelichting verlangd wordt.

  • 3. Meegebrachte deskundigen worden in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven.

  • 4. Van de toelichtingen wordt een verslag opgemaakt. Het verslag wordt aan de verzoeker en de besliscommissie toegezonden.

  • 5. Het advies wordt uiterlijk zes maanden nadat een adviescommissie is ingesteld aan de verzoeker en de besliscommissie toegezonden. Indien binnen deze termijn geen advies kan worden uitgebracht, deelt een adviescommissie dit aan de verzoeker en de besliscommissie mee voor het einde van de adviestermijn en onder opgaaf van de reden(en). Zij geeft daarbij een zo kort mogelijke termijn, waarbinnen het advies aan de verzoeker en aan de besliscommissie zal worden toegezonden. Deze termijn bedraagt maximaal zes maanden. De adviestermijn kan in verband met het bepaalde in artikel 2, eerste lid, worden verlengd tot zes maanden na de dag waarop de schadeveroorzakende besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden.

  • 6. De termijn voor advisering wordt opgeschort met ingang van de dag waarop een adviescommissie krachtens artikel 8, vierde lid, de verzoeker uitnodigt het verzoek aan te vullen, tot de dag waarop het verzoek is aangevuld, of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

Artikel 10 (het besluit op het verzoek om schadevergoeding)

  • 1. De verzoeker maakt eventuele bedenkingen tegen het advies uiterlijk zes weken na de verzending daarvan schriftelijk aan de besliscommissie kenbaar.

  • 2. De besliscommissie beslist uiterlijk 12 weken na de verzending van het advies op het verzoek, tenzij de besliscommissie, overeenkomstig het bepaalde in het derde lid een adviescommissie opdraagt nader te adviseren omtrent het op het verzoek te nemen besluit. Zij kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. De beslissing tot verlenging wordt schriftelijk aan de verzoeker medegedeeld, onder opgaaf van redenen.

  • 3. De besliscommissie is bevoegd uiterlijk 12 weken na de verzending van het advies op het verzoek, een adviescommissie op te dragen nader te adviseren omtrent het op het verzoek te nemen besluit, zulks met inachtneming van door de besliscommissie gestelde vragen.

  • 4. Een adviescommissie stelt haar nader advies vast binnen zes weken na verzending van de opdracht om nader te adviseren. Zij zendt het nader advies terstond toe aan de verzoeker en aan de besliscommissie. Een adviescommissie kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Van de beslissing tot verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de verzoeker en de besliscommissie.

  • 5. De besliscommissie beslist uiterlijk 6 weken na de verzending van het nader advies op het verzoek. Zij kan deze termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Van de beslissing tot verlenging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de verzoeker.

  • 6. De motivering van het besluit op het verzoek wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Ter motivering kan worden volstaan met een verwijzing naar het advies van een adviescommissie. Indien het besluit afwijkt van het advies wordt dit met redenen voor de afwijking in de motivering vermeld. De bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de verzoeker.

Artikel 11 (betaling)

Het dagelijks bestuur draagt binnen zes weken na toezending of uitreiking van het besluit van de besliscommissie zorg voor de betaling van de te vergoeden schade, mits het beschikbaar gestelde declaratieformulier tijdig en deugdelijk is ingevuld en door de besliscommissie is ontvangen.

Artikel 12 (voorschot)

  • 1. De verzoeker kan de besliscommissie verzoeken hem een voorschot te verlenen. De besliscommissie beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek. Indien daartoe naar het oordeel van de besliscommissie aanleiding bestaat, wordt een adviescommissie over het verzoek gehoord.

  • 2. De besliscommissie kent een voorschot toe indien daartoe naar haar oordeel aanleiding bestaat. Bij haar besluit omtrent bevoorschotting betrekt de besliscommissie in ieder geval, of de verzoeker naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 2 lid 2 van deze verordening. en of verzoeker een voldoende urgent financieel belang heeft om tot bevoorschotting over te gaan.

  • 3. Als de besliscommissie beslist tot het verlenen van een voorschot wordt daarmee geen aanspraak, als bedoeld in artikel 2 van deze verordening erkend.

  • 4. Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. De besliscommissie kan daarvoor zekerheidstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie, verlangen.

  • 5. De besliscommissie kan ambtshalve na het besluit als bedoeld in artikel 10 van deze verordening, hangende de bezwaar- en/of de beroepsprocedure overgaan tot het toekennen van een voorschot, onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in lid 4.

Artikel 13 (hardheidsclausule)

Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een besluit, dat onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, kan van het hiervoor gestelde in artikel 2 lid 1 worden afgeweken.

Artikel 14 (citeertitel en in werking treding)

  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als: ’Verordening Schadeschap luchthaven Schiphol 2012’.

  • 2. Deze gewijzigde verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na publicatie van de gewijzigde verordening in de Staatscourant en is van toepassing op de behandeling van alle verzoeken, tenzij een adviescommissie terzake van een verzoek reeds een concept-advies aan verzoeker en besliscommissie heeft toegezonden.

Vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur op 14 januari 1999 en gewijzigd in de vergadering van het Algemeen Bestuur van 25 april 2012.

Tj.P.J. Talsma, Voorzitter.

G. Bekebrede, Secretaris.

TOELICHTING

Het Schadeschap Luchthaven Schiphol fungeert als één loket voor de behandeling van alle verzoeken en vergoeding van planschade en nadeelcompensatie in verband met de uitbreiding van Schiphol en daarmee samenhangende overheidsbesluiten en overheidswerken.

Artikel 9 van de gemeenschappelijke regeling, waarbij het Schadeschap is opgericht, behelst een overzicht van de desbetreffende overheidsbesluiten en werken.

De onderhavige verordening is een ’procedure-verordening’. Zij regelt het verloop van de behandeling van een beslissing op aanvragen om schadevergoeding.

Overeenkomstig het tweede lid van artikel 10 van de gemeenschappelijke regeling zijn artikelen 3 tot en met 10 van de Regeling Nadeelcompensatie Rijkswaterstaat dienovereenkomstig in deze verordening verwerkt.

In 2012 is deze verordening gewijzigd. In een rapport van 3 oktober 2011, getiteld ‘Onderzoek naar de juridische doelmatigheid van de besluitvorming van het Schadeschap Luchthaven Schiphol’ hebben prof. mr. B.J. van Ettekoven en mr. dr. M.K.G. Tjepkema desgevraagd aanbevelingen en suggesties gedaan die er toe strekken de juridische doelmatigheid van de besluitvorming van het Schadeschap te verbeteren. Zij hebben onder meer de aanbeveling gedaan de Verordening Schadeschap luchthaven Schiphol op enige punten aan te passen. De te dezen relevante aanbevelingen houden het volgende in:

‘5. Aanpassen verordening t.a.v. dubbelslag conceptadvies/definitief advies

Aanbeveling: wijzig de Verordening in die zin dat de AC niet standaard twee adviezen moet uitbrengen.

Toelichting: Uit het dossieronderzoek is gebleken dat veel termijnoverschrijdingen plaatsvinden in de adviesfase. Het gaat hierbij zowel om de tijd die gemoeid is met het tot stand komen van het conceptadvies als met het opstellen van het definitief advies nadat BC en verzoeker op het conceptadvies hebben kunnen reageren. Verzoekers om schadevergoeding beschouwen deze reactiemogelijkheid in het algemeen als waardevol. Zij zien het als een belangrijke en laagdrempelige gelegenheid om iets van zich te laten horen; waar velen van hen huiverig zijn om in bezwaar te gaan tegen het besluit van de BC laten zij de kans veelal niet voorbijgaan om op het advies te reageren.

De vraag is echter of de verwerking van de reactie van verzoekers niet op een doelmatiger manier kan plaatsvinden. Overwogen zou kunnen worden om voor een systeem te kiezen dat vergelijkbaar is met de advisering van deskundigen ten behoeve van de rechtbank. Volgens art. 8:47 Awb kan de bestuursrechter een deskundige benoemen die direct aan hem rapporteert. Partijen worden daarna in de gelegenheid gesteld hun commentaar te leveren op het rapport van de deskundige. Alleen als de reactie daartoe noopt wordt deze teruggekoppeld aan de deskundige. Bij het Schadeschap zou op vergelijkbare wijze de adviesfase in beginsel kunnen eindigen met het tot stand komen van het advies van de AC dat naar beide partijen toegaat. Eventuele reacties zouden direct kunnen worden doorgeleid naar de Besliscommissie, via het bureau van het Schadeschap, waar de reacties worden meegenomen bij het opstellen van het conceptbesluit. Op deze werkwijze zou een uitzondering kunnen worden gemaakt als de BC (nader) advies van de AC noodzakelijk acht. In die mogelijkheid zou de Verordening dan ook moeten voorzien.

Met een dergelijke handelwijze kan veel tijdswinst worden geboekt. In de huidige opzet is in elke zaak, hoe simpel ook, de AC twee keer aan zet: één keer met het conceptadvies en één keer met definitief advies. In de bezwaarfase komt de AC soms nog voor een derde keer aan bod. Naar de mening van de onderzoekers is met dit voorstel de juridische zorgvuldigheid ten behoeve van de beslissing van de BC voldoende gewaarborgd. Immers, niet alleen de AC heeft naar de aanvraag gekeken, bij het voorbereiden van het besluit voor de BC heeft ook een ambtenaar van het Schadeschap de verschillende reacties in kaart gebracht. Als er bijzonderheden zijn kan de BC de zaak voor nader advies voorleggen aan de AC. Zeker in relatief eenvoudige zaken kan met de voorgestelde werkwijze veel tijdswinst worden geboekt bij het nemen van het primaire besluit.

6. Aanpassen verordening t.a.v. verplicht inschakelen AC; creëren van mogelijkheid enkelvoudige commissie te benoemen i.p.v. drie deskundigen

Aanbeveling: wijzig de Verordening in die zin dat meer mogelijkheden ontstaan om te besluiten zonder inschakeling van de AC, dan wel met inschakeling van een AC van één of twee deskundigen.

Toelichting: In de Verordening (artikel 7) is de commissie van drie deskundigen als regel voorgeschreven. Deze handelwijze dateert uit de planschadepraktijk van eind jaren 90, toen veel met ‘commissies van drie’ werd gewerkt. Tegenwoordig wordt echter vaak volstaan met inschakeling van één taxateur. Krachtens de Verordening kan de BC in eenvoudige gevallen volstaan met de benoeming van één deskundige. Alleen in ‘kennelijk’-zaken kan van inschakeling van de AC worden afgezien. Het komt de doelmatigheid ten goede indien de BC in zaken waarin inschakeling van een AC geen toegevoegde waarde heeft, ook als geen sprake is van een ‘kennelijk’-geval, kan besluiten op de aanvraag zonder AC-advies. Verder moet de BC er in alle gevallen, dus niet alleen in eenvoudige zaken, voor kunnen kiezen een enkelvoudige commissie te benoemen, bijvoorbeeld als de zaak draait om de beantwoording van een juridische vraag. Ook als dat een moeilijke vraag is, moet met een AC van één juridisch deskundige kunnen worden volstaan. Indien een AC wordt benoemd worden thans standaard twee waarderingsdeskundigen (taxateurs) aangezocht. Dat is niet steeds noodzakelijk. Het moet mogelijk zijn ‘slechts’ één taxateur in te schakelen. De zorgvuldigheid zal hier niet onder hoeven lijden. Wel zal het leiden tot een kostenbesparing en tot tijdwinst. Het verdient daarom aanbeveling de Verordening zo te wijzigen dat het inschakelen van een commissie van één lid (jurist of taxateur) mogelijk wordt, en een commissie van twee leden (jurist-voorzitter en één taxateur).

(..)

9. Verminder aantal adviescommissies

Aanbeveling: onderzoek of met een geringer aantal AC’s kan worden volstaan; haal zaken weg bij AC’s die niet bereid of in staat zijn tijdig te adviseren; deel zaken toe aan de AC’s die hebben bewezen binnen de termijnen goed werk te kunnen leveren.

Toelichting: Het werken met 14 of 15 AC’s leidt tot onnodige logistieke bewegingen en afstemmingsproblemen. Bij goed georganiseerde AC’s met adequate ondersteuning moeten tussen de 5 en 10 commissies het werk aankunnen. Daarbij wordt er van uitgegaan dat alleen wordt gewerkt met voorzitters die garanderen dat zij zaken binnen de termijn zullen afdoen en die hebben bewezen op tijd te kunnen adviseren. Als zaken jarenlang bij een AC liggen, dienen die zaken, na een waarschuwing, daar te worden weggehaald en toebedeeld aan adequaat werkende AC’s. Nieuwe zaken moeten niet meer aan AC’s worden toebedeeld die geen boodschap hebben aan tijdigheid. Als tevoren duidelijk wordt gemaakt dat het menens is met de factor tijd, als duidelijk wordt gemaakt welke slag bestuur en Besliscommissie willen maken en wat daar voor nodig is, dan behoeft niet te worden gevreesd dat alle AC’s opstappen. Het aanspreken van een voorzitter van een AC op tijdige(r) advisering heeft niets te maken met onafhankelijkheid.’

Het Algemeen bestuur van het Schadeschap heeft besloten gevolg te geven aan deze aanbevelingen.

Artikelsgewijs

Voor zover nodig wordt hierna nog een toelichting gegeven bij de gewijzigde artikelen.

Artikel 6

Tweede lid en derde lid: Overeenkomstig de hiervoor genoemde aanbevelingen wordt de besliscommissie meer ruimte geboden om te beslissen op aanvraag zonder advies van een adviescommissie. De besliscommissie zal in het bijzonder van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken, indien in een concreet geval de verwachting gerechtvaardigd is dat advisering geen toegevoegde waarde zal hebben. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan gevallen die op relevante punten vergelijkbaar zijn met gevallen waarover door de adviescommissie reeds is geadviseerd. Ook kan worden gedacht aan de afhandeling van soortgelijke zaken waarin door de bestuursrechter uitspraak is gedaan.

Artikel 7

Tweede lid: Overeenkomstig de hiervoor genoemde aanbevelingen wordt voortaan als uitgangspunt genomen dat een adviescommissie uit één deskundige bestaat. De besliscommissie is echter bevoegd, indien zij daartoe aanleiding ziet, een adviescommissie bestaande uit 2 of 3 onafhankelijke deskundigen aan te stellen. In de regel zal bepalend zijn, of het in een concreet geval aangewezen is dat verschillende expertises bij de advisering betrokken worden. Indien een lid van een enkelvoudige adviescommissie meent dat inschakeling van een tweede of derde deskundige is aangewezen, kan dit lid de besliscommissie gemotiveerd verzoeken de ingestelde adviescommissie uit te breiden door een of twee andere deskundigen te benoemen naast het reeds benoemde lid. de besliscommissie past alsdan de leden 2, 3, 4 en 5 van artikel 7 overeenkomstig toe.

Zesde lid: Ofschoon aangenomen kan worden dat de besliscommissie ook onder de werking van de oude verordening bevoegd was de benoeming van één of meer deskundigen te beëindigen en de adviesopdracht aan deze deskundige of deskundigen te beëindigen, wordt zulks ten behoeve van de duidelijkheid expliciet geregeld in de verordening. Hiermee wordt zeker gesteld dat gevolg kan worden gegeven aan de hiervoor genoemde aanbeveling, dat zaken weg dienen te worden gehaald bij adviescommissies die niet bereid of in staat zijn tijdig te adviseren, of anderszins niet goed functioneren.

Artikel 8

Eerste lid: Het nieuwe eerste lid biedt de besliscommissie, mede om redenen van doelmatigheid, de bevoegdheid om de opdracht tot advisering te beperken tot een enkele vraag, of tot enige op het betreffende verzoek toegespitste vragen.

Het eerste lid, aanhef en onder e strekt ertoe het advies mede betrekking te doen hebben op de consequenties van het eerst in een later stadium beschikbaar komen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de advisering. Wanneer de omstandigheden die tot het later beschikbaar komen van deze gegevens in de risicosfeer van verzoeker liggen, kan dat bijvoorbeeld consequenties hebben voor de periode waarover eventueel een verplichting tot vergoeding van wettelijke rente zal bestaan.

Het vierde lid ziet op gevallen waarin tijdens het onderzoek van een adviescommissie blijkt dat behoefte bestaat aan aanvulling van de aanvraag.

Artikel 9

Tweede lid: In de nadeelcompensatiepraktijk is het niet ongebruikelijk dat verzoeker en een of meer vertegenwoordigers van het betrokken bestuursorgaan tijdens één zitting in elkaars aanwezigheid worden gehoord en dat zij in de gelegenheid worden gesteld om op elkaars stellingen te reageren. In de praktijk leidt deze handelwijze tot niet onaanzienlijke vertragingen, zulks onder meer omdat het in de praktijk lastig blijkt te zijn om een datum en een tijdstip vast te stellen waarop alle betrokkenen aanwezig kunnen zijn. Daarbij komt dat ook op andere, meer doelmatige wijze, aan de bedoelingen van dit horen kan worden voldaan. In de nadeelcompensatiepraktijk is het voorts gebruikelijk dat in gevallen waarin een adviescommissie uit meerdere personen bestaan, alle leden van een adviescommissie bij het horen aanwezig zijn. Om de hiervoor reeds vermelde reden, leidt ook dat in de praktijk tot vertragingen. De praktijk leert overigens ook dat sommige verzoekers, zeker wanneer zij niet worden bijgestaan door professionele hulpverleners, een hoorzitting waarbij de volledige adviescommissie en een vertegenwoordiging van het college aanwezig zijn, als enigszins ‘bedreigend’ ervaren. Benadrukt wordt dat het binnen de grenzen van deze verordening mogelijk is dat één lid van een adviescommissie de verzoeker in de gelegenheid stelt een mondelinge toelichting te geven, zonder dat een vertegenwoordiging van het bestuursorgaan daarbij aanwezig behoeft te zijn (en omgekeerd). Een belangrijke voorwaarde is dan wel dat een deugdelijk en inzichtelijk verslag wordt gemaakt van de door de verzoeker en de besliscommissie gegeven toelichting en dat de andere partij in de gelegenheid wordt gesteld op deze toelichting te reageren, voordat geadviseerd wordt. Het voordeel is ook dat wanneer bijvoorbeeld gevraagd wordt om vergoeding van schade in de vorm van inkomens- of winstderving een lid van een adviescommissie met specifieke expertise op het gebied van berekening van inkomensschade in bilateraal overleg met de aanvrager om inlichtingen en een toelichting kan vragen. Bij kwesties waarin wordt verzocht om compensatie van waardevermindering van een onroerende zaak, zou een lid van de commissie met taxatie-expertise het horen voor zijn rekening kunnen nemen.

Artikel 10

Door middel van de wijziging van de artikelen 9 en 10 wordt gevolg gegeven aan de aanbeveling om een adviescommissie niet standaard twee adviezen uit te laten brengen. Indien de overeenkomstig het eerste lid van artikel 10 ingediende bedenkingen daartoe aanleiding geven, of indien de besliscommissie zelf behoefte heeft aan aanvulling van de advisering, dan is de besliscommissie op grond van het bepaalde in het derde lid van artikel 10 bevoegd een adviescommissie op te dragen nader te adviseren omtrent het op het verzoek te nemen besluit.

Overgangsrecht

Deze gewijzigde verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na publicatie van de gewijzigde verordening in de Staatscourant en is van toepassing op de behandeling van alle verzoeken, tenzij een adviescommissie terzake van een verzoek reeds een concept-advies aan verzoeker en besliscommissie heeft toegezonden. Wanneer op moment van inwerkingtreding van deze gewijzigde verordening reeds een concept-advies is verzonden geldt eerbiedigende werking.