Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur OCW, IPO en VNG

Inleiding

De drie overheidslagen in Nederland voeren allen cultuurbeleid. De overheden hebben ieder een eigen autonomie en beleidsverantwoordelijkheid. Om de samenhang in het cultuurbeleid te bevorderen, is tijdig, constructief overleg tussen rijk, provincies en gemeenten wenselijk. Met het oog daarop hebben de bewindspersoon van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap belast met Cultuur, hier na te noemen OCW, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) overeenstemming bereikt over een algemeen kader voor de beleidsafstemming en voor het afsluiten van cultuurconvenanten tussen OCW en provincies en/of gemeenten.

Dit in aansluiting en aanvulling op de tussen Rijk, IPO en VNG overeengekomen Algemene Code interbestuurlijke verhoudingen.

Taakverdeling

Algemeen

Bij de uitruiloperaties in de jaren tachtig inzake podiumkunsten en musea en de stelselwijziging van 2007 zijn afspraken gemaakt over de verantwoordelijkheidsverdeling. Het Rijk is verantwoordelijk voor de landelijke culturele basisinfrastructuur, inclusief de aansturing van de cultuurfondsen, en voor de financiering van het beheer van de rijkscollectie1. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor accommodaties voor podiumkunsten, en voor de financiering van het beheer van gemeentelijke collecties. Daarnaast geldt het ringenmodel voor gemeentelijk cultuurbeleid. 2

Cultuur is een kerntaak van provincies waar dit de lokale belangen overstijgt. Provincies zijn verantwoordelijk voor bovengemeentelijke coördinatie op regionaal niveau. Provincies zetten zich in voor de diversiteit en spreiding van culturele voorzieningen in de regio en zijn verantwoordelijk voor de financiering van provinciale collecties.

De beslissingen over het cultuuraanbod dat wordt ondersteund door het Rijk worden na overleg met medebestuurders genomen. Dit vormt de basis van het convenantoverleg tussen de overheden.

Cultureel erfgoed

Het rijk richt zich op een goed  functionerend systeem van zorg voor cultureel erfgoed (materieel en immaterieel) met bijbehorende wettelijke taken, financieel kader en kennisfunctie. Het rijk is verantwoordelijk voor het nakomen en doorwerken van internationale verplichtingen. Provincies zetten zich in voor het behoud en de ontwikkeling van het erfgoed en verbinden erfgoedbeleid met het ruimtelijk beleid. In hun structuurvisie kunnen provincies erfgoed borgen als provinciaal belang. Provincies hebben een regierol en zijn verantwoordelijk voor de gebiedsgerichte monumentenzorg op provinciaal niveau, voor de provinciale monumenten en voor de provinciale steunfunctie monumentenzorg, archeologie en musea. Gemeenten zijn als bevoegd gezag op grond van de Monumentenwet 1988 en de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht verantwoordelijk voor instandhouding van de aangewezen rijksmonumenten binnen de gemeentegrens. Daarnaast kunnen zij autonoom een eigen gemeentelijk Monumentenbeleid opstellen. In het bestemmingsplan zal de gemeente de borging van zowel gemeentelijke- als rijksmonumenten zoveel als mogelijk vorm geven. En in een cultuurhistorische paragraaf zal zij het lokale erfgoed (zowel gebouwde monumenten als archeologische waarden) ten behoeve van het bestemmingsplan analyseren en waarderen.

Het rijk heeft een bestelverantwoordelijkheid voor een goed functionerend systeem van archiefzorg op grond van de Archiefwet. Rijk, gemeenten en na aanpassing van de Archiefwet ook de provincies zijn zorgdrager voor de eigen archiefbescheiden

Voor het openbaar bibliotheekwerk wordt de taakverdeling, mede met het oog op de digitalisering, herijkt en bij wet vastgelegd.

Cultuureducatie

Aangezien rijk, gemeenten en provincies ieder verantwoordelijk zijn voor een deel van een zeer verweven keten ligt het voor de hand de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de kennismaking met cultuur van alle kinderen en jongeren als uitgangspunt te blijven nemen.

Rijk

Het rijk zorgt voor:

  • a) de bekostiging en het wettelijk kader van het onderwijs;

  • b) de opdracht aan culturele instellingen met rijksfinanciering;

  • c) de landelijke ondersteuning (innovatie, kennis en netwerken);

Provincies

Provincies spelen een rol in de tweedelijns ondersteuning, in het bevorderen van de kwaliteit door deskundigheidsbevordering en in de regionale spreiding.

Gemeenten

De feitelijke kennismaking met cultuur vindt plaats in gemeenten, in een nauw samenspel van scholen en cultuuraanbieders (met en zonder subsidie). De gemeente heeft daarbij de regie en faciliteert:

  • een breed en samenhangend cultureel aanbod voor scholen

  • bemiddeling van het aanbod

  • aansluiting binnenschools-buitenschools

  • afspraken met scholen (bijvoorbeeld in het kader van de Lokale educatieve agenda)

Beleidsafstemming

Het rijkscultuurbeleid en de inzet van middelen daarvoor wordt elke vier jaar op hoofdlijnen vastgelegd (artikel 3 WsC). Voorafgaand aan de hoofdlijnennota brengt de Raad voor Cultuur een analyse uit van de verschillende sectoren in de cultuur en de stand van de cultuur in het land. OCW, IPO en VNG hebben tevoren overleg over de vragen die aan de Raad zullen worden gesteld. De hoofdlijnennota heeft betrekking op beleidsmatige prioriteiten en de verdeling van middelen over sectoren, fondsen en eventuele programma’s.

Voor de totstandkoming van de hoofdlijnennota vindt overleg plaats tussen OCW, IPO en VNG.

Het advies van de Raad voor Cultuur wordt in dit overleg betrokken.

Naast de hoofdlijnennota vindt beleidsafstemming plaats over stelselaangelegenheden. Aan het begin van elke kabinetsperiode wordt een bestuurlijke agenda vastgesteld.

OCW, IPO en VNG streven er naar tenminste een keer per jaar bestuurlijk overleg te voeren over de hoofdlijnen van het cultuurbeleid en stelselaangelegenheden op landelijk niveau.

Basisinfrastructuur en cultuurconvenanten

Iedere vier jaar vindt op rijksniveau een beoordeling van de instellingen plaats, die kan leiden tot heroverwegingen in de subsidiering van de landelijke basisinfrastructuur.

Voorafgaande aan deze beoordeling vindt overleg tussen OCW, IPO en VNG plaats over aspecten van landelijk belang zoals concrete gevolgen voor stelsel en (her)verdeling over sectoren en land.

Afspraken over de toewijzing van financiële middelen voor de landelijke basisinfrastructuur, en over functies en activiteiten, gemaakt tussen OCW, provincie(s) en/of gemeente(n) worden vastgelegd in de cultuurconvenanten. De convenanten kunnen ook afspraken bevatten over programmatische samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van (immaterieel) erfgoed. Uitvoering door het rijk van dergelijke programma’s kan worden belegd bij één of meer cultuurfondsen.

Voor de totstandkoming van de cultuurconvenanten vindt, naar aanleiding van het advies van de Raad voor Cultuur, overleg plaats tussen OCW en de betrokken provincies en gemeenten.

Hierbij worden de fondsen, die als zelfstandig bestuursorgaan autonoom functioneren, betrokken.

In dit overleg kunnen de convenantpartners hun politiek-bestuurlijke prioriteiten kenbaar maken, eventueel tegen de achtergrond van aan hen uitgebrachte adviezen.

Na de vaststelling van de budgetten kunnen de cultuurconvenanten tussen rijk, provincie(s) en/of gemeente(n) worden getekend. Fondsen kunnen medeondertekenen bij subsidiebesluiten waar sprake is van cofinanciering met provincie(s) en/of gemeente(n).

Partijen bij de cultuurconvenanten zijn: rijk, provincies en die gemeenten die in bijlage 1 worden genoemd. Buiten de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag, die vanwege hun productietaak ieder afzonderlijk een cultuurconvenant met het rijk sluiten, nemen gemeenten in landsdelig verband deel aan een cultuurconvenant.

Convenanten

Ten aanzien van instellingen of activiteiten waarover in een cultuurconvenant afspraken zijn vastgelegd streven OCW en provincie(s)/gemeente(n) er naar:

  • a. de inrichting van de aanvraag en de begroting

  • b. de procedure die leidt tot de samenstelling van het bestuur c.q. van de zakelijke en de (artistieke) leiding

  • c. de inrichting van het jaarverslag en de jaarrekening zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen.

Voorts kan er overleg worden gevoerd over:

  • d. de aan de instelling te stellen eisen

  • e. de geografische spreiding van de activiteiten en prestaties binnen en buiten het primaire verzorgingsgebied

  • f. voorgenomen wijzigingen in het beschikbare financiële volume.

De uitkomsten uit vorengenoemd overleg hebben een openbaar karakter.

Om de gezamenlijke verantwoordelijkheid vorm te geven, zullen partijen elkaar tijdig informeren over het beleid ten aanzien van de door hen (mede) gefinancierde culturele instellingen of activiteiten. Bij tussentijdse wijzigingen in het beleid of de financiering

wordt voorafgaand overleg gepleegd.3

Gezamenlijke programma’s

Om specifieke en concrete beleidsdoelen te bereiken kunnen programmasubsidies worden ingezet. Over de beleidskaders van landelijke programma’s die door OCW in samenwerking met gemeente(n) en/of provincie(s) worden uitgevoerd vindt nader overleg plaats tussen OCW, IPO en/of VNG. Over de uitvoering, specifieke invulling en cofinanciering van programma’s vindt nader overleg plaats tussen OCW en de betrokken gemeente(n), en/of provincie(s). Afspraken kunnen worden vastgelegd in de cultuurconvenanten van OCW met de G3 en de landsdelen.

Tot besluit

Een evaluatie van de werking van de cultuurconvenanten zal plaatsvinden in het overleg dat IPO en VNG met OCW voeren in relatie tot de hoofdlijnennota.

OCW, IPO en VNG komen overeen dat het algemeen kader tot wederopzegging toe van kracht zal blijven.

Den Haag, 16 april 2012

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, H. Zijlstra.

Het Interprovinciaal Overleg, namens deze: J.W. Remkes, Voorzitter Interprovinciaal Overleg.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, namens deze: R.J.J.M. Pans, voorzitter directieraad.

BIJLAGE 1 DEELNEMENDE PARTIJEN

Ten aanzien van de aan een convenant deelnemende partijen gelden de volgende uitgangspunten.

De 3 steden:

Amsterdam, Rotterdam en Den Haag.

De 5 landsdelen:

  • landsdeel Midden bestaat uit de provincies Utrecht en Flevoland en de overleggemeente(n) plus uit te nodigen gemeente(n) uit deze provincies

  • landsdeel Noord bestaat uit de provincies Groningen, Friesland/Fryslân, Drenthe en de overleggemeente(n) plus uit te nodigen gemeente(n) uit deze provincies

  • landsdeel Oost bestaat uit de provincies Gelderland en Overijssel en de overleggemeente(n) plus uit te nodigen gemeente(n) uit deze provincies

  • landsdeel Zuid bestaat uit de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland en de overleggemeente(n) plus uit te nodigen gemeente(n) uit deze provincies

  • landsdeel West bestaat uit de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland en de overleggemeente(n) plus uit te nodigen gemeente(n) uit deze provincies

Toelichting:

Uitgangspunt is dat in een landsdeel in alle gevallen provincies en gemeenten vast vertegenwoordigd zijn.

  • A. Overleggemeente

    Criterium is dat het daarbij gaat om gemeenten die in de periode 2009-2012 standplaats zijn van het grootste deel van de instellingen in de landelijke basisinfrastructuur. Dit zijn Utrecht, Groningen, Enschede, Arnhem, Eindhoven, Maastricht.

    Omdat met ieder van de 3 grote steden apart overleg wordt gevoerd, worden in landsdeel West de gemeenten Haarlem en Leiden als overleggemeenten beschouwd. In landsdeel Zuid wordt samengewerkt in de vorm van Brabantstad; voor de overlegstructuur zijn Tilburg en ’s-Hertogenbosch als overleggemeenten toegevoegd.

  • B. Uit te nodigen gemeenten

    De landsdelen zijn zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van de delegatie. Uitgangspunt is dat de overige uit te nodigen gemeenten ten minste één instelling in de landelijke basisinfrastructuur hebben en/of deelnemen aan een gemeenschappelijk cultuurprogramma met het Rijk. Bij voorkeur zijn dit gemeenten groter dan 90.000 inwoners met een alomvattend cultuurbeleid.


X Noot
1

Museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat, of die aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd, zoals gedefinieerd in de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen.

X Noot
2

Het ringenmodel kent drie soorten gemeenten. Gemeenten groter dan 90.000 inwoners met een alomvattend beleid, gemeenten groter dan 30.000 tot en met 90.000 inwoners met een uitgebreid beleid en gemeenten tot en met 30.000 inwoners met een kernachtig beleid.

X Noot
3

Het convenantenoverleg concentreert zich feitelijk rond afspraken over instellingen op het terrein van de kunsten. Gegeven het bestendige beleid dat elke overheidslaag de eigen collectie beheert en de eigen museale instellingen in stand houdt, behoeft dit onderwerp minder aandacht in het convenantenoverleg.

Naar boven