Beleidsregel beoordelingsperiodes en onvoldoende gegevens veiligheidsonderzoeken

5 januari 2012

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene Wet Bestuursrecht alsmede de artikelen 8, 10 en 13 van de Wet veiligheidsonderzoeken,

Besluit:

Artikel 1

  • 1. In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

    a. wet:

    de Wet veiligheidsonderzoeken;

    b. verklaring:

    de verklaring, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet;

    c. vertrouwensfunctie:

    een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet als zodanig is aangewezen;

    d. aanmelding:

    de aanmelding voor een veiligheidsonderzoek, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de wet;

    e. veiligheidsonderzoek:

    het veiligheidsonderzoek, bedoeld in artikel 7 van de wet;

    f. hernieuwd veiligheidsonderzoek:

    het hernieuwd veiligheidsonderzoek, bedoeld in artikel 9 van de wet;

    g. betrokkene:

    de persoon die belast is met een vertrouwensfunctie, alsmede de persoon, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de wet, die de werkgever wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie, alsmede de persoon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de wet, die belast is met de vervulling van een functie die nadien als vertrouwensfunctie is aangewezen;

    h. partner:

    de echtgenoot of geregistreerd partner van de betrokkene, degene met wie de betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad, alsmede degene ten aanzien waarvan uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat deze een duurzame affectieve relatie met de betrokkene onderhoudt, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad.

  • 2. Deze beleidsregel bevat regels die worden toegepast bij de uitoefening van de bevoegdheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot het weigeren of intrekken van een verklaring op grond van de artikelen 8 en 10 van de wet.

  • 3. Deze beleidsregel is van toepassing op veiligheidsonderzoeken naar personen die de werkgever wil belasten met een vertrouwensfunctie en op veiligheidsonderzoeken naar personen die reeds een vertrouwensfunctie vervullen. Deze beleidsregel is tevens van toepassing op veiligheidsonderzoeken naar personen, naar aanleiding van een verzoek in de zin van artikel 13 van de wet door een andere mogendheid of volkenrechtelijke organisatie.

Artikel 2

  • 1. De gegevens betreffende de betrokkene die in aanmerking worden genomen zijn afhankelijk van het type veiligheidsonderzoek. Bij een A veiligheidsonderzoek worden in beginsel de gegevens over een periode van tien jaar direct voorafgaande aan de aanmelding beoordeeld, bij een B of C veiligheidsonderzoek in beginsel over een periode van acht jaar.

  • 2. Met betrekking tot de partner van de betrokkene (indien van toepassing), worden in beginsel de gegevens over een periode van vijf jaar direct voorafgaande aan de aanmelding beoordeeld.

Artikel 3

Het weigeren van een verklaring, bedoeld in artikel 8 van de wet, en het intrekken van een verklaring, bedoeld in artikel 10 van de wet, kan plaatsvinden:

  • a. indien de betrokkene en/of diens partner direct voorafgaand aan de aanmelding voor een veiligheidsonderzoek of aan de start van het hernieuwde veiligheidsonderzoek niet gedurende een aaneengesloten periode van respectievelijk tien dan wel acht jaar (voor betrokkene) of vijf jaar (voor de partner van betrokkene) in Nederland verbleef en

  • b. het voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst niet mogelijk is over de ontbrekende periode, wegens het niet aanwezig zijn van een daartoe geëigende samenwerkingsrelatie op het gebied van veiligheidsonderzoeken met een collega-dienst van het land of de landen waar de betrokkene en/of diens partner verblijf heeft gehouden, voldoende gegevens over de betrokkene en/of diens partner te verkrijgen.

Artikel 4

De Beleidsregel veiligheidsonderzoeken voor de politie (Stcrt. 2001, 241) en de Beleidsregel onvoldoende gegevens bij veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens (Stcrt. 2001, 59) vervallen bij inwerkingtreding van deze beleidsregel.

Artikel 5

Ten aanzien van veiligheidsonderzoeken die zijn ingesteld vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregel is het dan vigerende beleid van toepassing.

Artikel 6

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 februari 2012.

Artikel 7

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel beoordelingsperiodes en onvoldoende gegevens veiligheidsonderzoeken.

Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.W.E. Spies.

TOELICHTING

Algemeen

Met het oog op een uniforme en transparante toepassing van de wet is het wenselijk en mogelijk algemene regels te stellen omtrent de beoordelingsperiodes in veiligheidsonderzoeken en omtrent de situatie dat binnen de beoordelingsperiodes onvoldoende gegevens zijn over de betrokkene en/of de partner.

De beleidsregel geeft aan welke beoordelingsperiodes worden gehanteerd voor zowel betrokkene als de partner bij de verschillende veiligheidsonderzoeken. Tevens geeft de beleidsregel aan op welke wijze de bevoegdheid tot het weigeren of intrekken van een verklaring van geen bezwaar (verder: verklaring) in verband met de vervulling van een vertrouwensfunctie in relatie tot het ontbreken van gegevens wordt ingevuld. Deze beleidsregel ziet slechts op beoordelingsperiodes en het ontbreken van gegevens. Dit laat onverlet dat in veiligheidsonderzoeken ook op andere informatie wordt gelet, zoals overige persoonlijke gedragingen en omstandigheden (artikel 7, tweede lid, onder d, van de wet).

Bij de totstandkoming van de beleidsregel zijn de reeds bestaande beleidsregels op het terrein van de veiligheidsonderzoeken geraadpleegd: de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens, de Beleidsregel onvoldoende gegevens bij veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens, de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie en de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Koninklijke Marechaussee. De Beleidsregel veiligheidsonderzoeken voor de politie en de Beleidsregel onvoldoende gegevens bij veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens komen met het publiceren van deze beleidsregel te vervallen.

Onvoldoende waarborgen / onvoldoende gegevens

Voor de vervulling van een vertrouwensfunctie is een verklaring vereist. Een dergelijke verklaring houdt in dat er uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen de vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaald persoon. Over het al dan niet afgeven van een verklaring wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (verder: de minister) beslist op basis van een door de AIVD uitgevoerd veiligheidsonderzoek.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de wet heeft de minister, in overeenstemming met de minister die verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waartoe een vertrouwensfunctie, gezien de aard daarvan, behoort, de bevoegdheid de afgifte van een verklaring te weigeren, indien er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een verantwoord oordeel te geven. De minister is daarnaast op grond van artikel 10, eerste lid, van de wet bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat er onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen. Als een verklaring wordt ingetrokken op grond van het ontbreken van gegevens gebeurt dat op grond van onvoldoende waarborgen voor een betrouwbare functievervulling, nu artikel 10 van de wet geen grondslag biedt voor het intrekken van een verklaring op grond van het ontbreken van gegevens. Indien een vertrouwensfunctionaris bijvoorbeeld een nieuwe partner krijgt die heeft verbleven in een land c.q. landen waarmee de AIVD geen samenwerkingsrelatie heeft, kan door de AIVD in een hernieuwd veiligheidsonderzoek onvoldoende onderzoek worden gedaan naar gegevens als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet. Dit kan ertoe leiden dat er onvoldoende waarborgen zijn dat de betrokkene de vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Beoordelingsperiodes (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris

Uit de kwalificatie van de vertrouwensfunctie, welke is gebaseerd op de mogelijke schade die de(kandidaat-)vertrouwensfunctionaris kan aanrichten aan de Nationale Veiligheid, volgt voor welk soort veiligheidsonderzoek de persoon in aanmerking komt: een A, B, of een C onderzoek. Een A onderzoek is het meest diepgaand en wordt slechts ingesteld voor de meest kwetsbare vertrouwensfuncties en een C onderzoek is het minst diepgaande onderzoek. Voor bepaalde sectoren, te weten de burgerluchtvaart, de politie en de Dienst Koninklijk Huis, zijn specifieke vertrouwensfuncties vastgesteld. Onder mandaat van de AIVD, voert respectievelijk de Koninklijke Marechaussee, de Nederlandse politie en de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging een deel van de veiligheidsonderzoeken uit die zijn toegespitst op kwetsbaarheden in de betreffende vertrouwensfuncties. Zogenaamde P onderzoeken voor de politie en KH onderzoeken voor de Dienst Koninklijk Huis zijn varianten van een B veiligheidsonderzoek.

De beoordelingsperiode verschilt per onderzoek. In beginsel wordt bij een A veiligheidsonderzoek een periode van tien jaar beoordeeld en voor een B- of C onderzoek een periode van acht jaar. Voor de partner in een veiligheidsonderzoek wordt een beoordelingstermijn van vijf jaar gehanteerd. Indien de betrokkene en/of diens partner in verband zijn gebracht met het dreigen met, voorbereiden of plegen van terroristische activiteiten kan een langere beoordelingsperiode dan hiervoor genoemd worden gehanteerd. Ook ingeval justitiële gegevens bekend worden waarvan de pleegdatum buiten de beoordelingstermijn valt kunnen deze toch bij de besluitvorming worden betrokken indien het gaat om zeer ernstige strafbare feiten. Tenslotte kunnen justitiële gegevens zoals hiervoor bedoeld als aanvullende beoordelingsfactor gebruikt worden als er tevens recente justitiële gegevens zijn waarvan de pleegdatum van het strafbare feit wel binnen de te beoordelen termijn valt.

De termijn van tien jaar is afgeleid van het NAVO-beveiligingsverdrag. In dit verdrag zijn de NAVO-landen overeengekomen bij de zwaarste veiligheidsonderzoeken, welke de A-onderzoeken zijn, standaard een periode van tien jaar te onderzoeken. Gelet op de aard en zwaarte van de B- en C onderzoeken is voor acht jaar gekozen als algemeen aanvaardbare termijn waarbinnen veiligheidsrisico’s geacht worden te kunnen zijn uitgesloten. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft meermaals geoordeeld dat een termijn van acht jaar niet onredelijk moet worden geacht, in verband met het zwaarwegende belang van de nationale veiligheid (zie uitspraak van 29 juli 2009, kenmerk 200900091/1).

Conform artikel 9 van de wet kan een hernieuwd veiligheidsonderzoek plaatsvinden na het verstrijken van vijf jaar of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van een verklaring of indien er sprake is van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen. Bij de eerste soort hernieuwde veiligheidsonderzoeken worden in beginsel de gegevens betreffende de betrokkene en diens partner betrokken over de periode na de afgifte van de verklaring van geen bezwaar, maar niet langer dan de voor het betreffende veiligheidsonderzoek geldende beoordelingstermijn. Een dergelijk hernieuwd onderzoek kan pas dan worden ingesteld als (telkens) een periode van minimaal vijf jaar is verstreken.

Partnerbeleid

In de beleidsregel wordt de partner van de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris expliciet genoemd, aangezien de partner ook bij het veiligheidsonderzoek wordt betrokken. Een partner wordt bij het veiligheidsonderzoek betrokken indien er sprake is van de echtgenoot of geregistreerd partner van de betrokkene (in de zin van art. 3:46 en art. 4:8 Burgerlijk Wetboek), degene waarmee de betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad, alsmede degene ten aanzien waarvan uit het veiligheidsonderzoek blijkt dat deze een duurzame affectieve relatie met de betrokkene onderhoudt, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste of tweede graad.

Uitgangspunt is dat het artikel over de beoordelingsperiodes van tien en acht jaar zou kunnen gelden zowel voor de betrokkene als voor de partner. Het standpunt dat personen met wie de betrokkene een affectieve relatie heeft, zoals de partner, betrokken worden in het veiligheidsonderzoek, evenals het standpunt dat voor de betrokkene en de partner een zelfde beoordelingstermijn van tien en acht jaar kan worden gehanteerd, is bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 15 januari 2007 (kenmerk 200606586/2). Hoewel van belang, kan de invloed van de partner op het gedrag van de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris als afgeleide worden beschouwd. Daarom wordt het redelijk geacht de beoordelingstermijn voor de partner te beperken en is gekozen voor een beoordelingstermijn van vijf jaar.

Voor het onderhouden van een affectieve relatie, hoeft de betrokkene niet samen te wonen met zijn of haar partner. Beïnvloeding van een partner kan immers ook plaatsvinden indien partijen niet samenleven, maar er wel sprake is van een affectieve relatie tussen partijen. Zeker als de betrokkene van oordeel is dat er sprake is van een affectieve relatie moet er van worden uitgegaan dat er sprake is van een partner. Voor de vraag echter of er sprake is van beïnvloeding, is niet van belang hoe lang de relatie duurt.

In ieder geval is sprake van een partner, als de betrokkene deze partner opgeeft in het aanvraagformulier veiligheidsonderzoeken. Deze redenering is ook van toepassing als de partner niet in het aanvraagformulier veiligheidsonderzoeken is vermeld, maar als dit tijdens het onderzoek zelf duidelijk wordt of als door de betrokkene tijdens het gesprek wordt aangegeven dat hij/zij een partner heeft. Ook is er sprake van een partner indien uit het onderzoek blijkt dat partijen feitelijk samenwonen, ongeacht of een van beide partijen tevens formeel een ander adres heeft.

Artikel 3

Volgens artikel 8, tweede lid van de wet kan een verklaring worden geweigerd, indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om een oordeel te kunnen geven over de vraag of er voldoende waarborgen zijn dat de betrokkene de plichten, welke voortvloeien uit de vertrouwensfunctie, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. In artikel 2 van deze beleidsregel worden de beoordelingsperiodes voor de verschillende veiligheidsonderzoeken genoemd. Onder het begrip ‘ontbrekende periode’ wordt verstaan de periode die betrokkene buiten Nederland heeft verbleven. In beginsel wordt een periode van minimaal drie maanden aaneengesloten verblijf in het buitenland binnen de beoordelingsperiode van het betreffende veiligheidsonderzoek aangemerkt als een ontbrekende periode. Dit kan een grond voor weigering zijn als het verblijf in de ontbrekende periode plaats had in een land of landen waarmee de AIVD in het kader van veiligheidsonderzoeken geen samenwerkingsrelatie kent.

De lengte van een dergelijke periode van verblijf in het buitenland is zodanig dat het ontbreken van relevante informatie over deze periode tot de conclusie leidt dat daarmee onvoldoende waarborgen bestaan dat de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris de plichten, welke voortvloeien uit de vertrouwensfunctie, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

Indien de betrokkene of diens partner in de te beoordelen periode in het buitenland heeft verbleven, zal de AIVD proberen om door medewerking van een collega-dienst inlichtingen in te winnen. Op de AIVD rust de inspanningsverplichting om binnen de grenzen van het redelijke al datgene te doen wat nodig is om de voor een verantwoorde oordeelsvorming benodigde gegevens over een kandidaat vertrouwensfunctionaris te verkrijgen.

De inspanningsverplichting bestaat eruit dat door de AIVD in het concrete geval is bezien of er een samenwerkingsrelatie met de desbetreffende buitenlandse collega-dienst ten aanzien van het inwinnen van inlichtingen betreffende persoonsgegevens bestaat. Indien dit niet het geval is, zal in beginsel de verklaring worden geweigerd. Voor het beantwoorden van de vraag of er voldoende waarborgen zijn dat de betrokkene de plichten uit de vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen, zijn namelijk de gegevens als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, b en c van de wet cruciaal. Indien deze gegevens niet aanwezig zijn, of niet kunnen worden verkregen, dan zijn er in principe onvoldoende gegevens om een oordeel te kunnen vellen over de vraag of er voldoende waarborgen zijn dat de betrokkene de plichten uit de vertrouwensfunctie onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

In beginsel wisselt de AIVD in het kader van veiligheidsonderzoeken slechts gegevens uit met collega-diensten waarmee op basis van verdragen een langdurige samenwerkingsrelatie op beveiligingsgebied bestaat. In dit verband moet worden gedacht aan het WEU-verdrag, het NAVO-verdrag en bilaterale beveiligingsverdragen.

Daarnaast heeft de AIVD een relatie met tal van collega-diensten zonder dat deze samenwerking op basis van een verdrag is geregeld. Uitgangspunt bij deze samenwerking is dat de AIVD alleen informatie uitwisselt over individuele personen met diensten van landen die aan de naleving van mensenrechten de vereiste prioriteit geven en waar geen vraagtekens kunnen worden gezet bij de professionaliteit, de betrouwbaarheid en de democratische inbedding van de dienst in het betreffende land. Deze criteria zijn tevens beschreven in Toezichtsrapport 22A van de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Dit betekent in de praktijk dat de AIVD buiten de sfeer van verdragsverplichtingen slechts met een beperkt aantal diensten op het gebied van veiligheidsonderzoeken samenwerkt. Benadrukt dient te worden dat bij de uitwisseling van informatie het reciprociteitsbeginsel een belangrijke rol speelt. De hiervoor geformuleerde uitgangspunten verhinderen veelal niet dat de AIVD persoonsgegevens aan een collega-dienst kan vragen, maar verzetten zich wel geregeld tegen het verstrekken van persoonsgegevens door de AIVD aan een collega-dienst. Is dit laatste niet mogelijk, dan ontvangt de AIVD als gevolg van het reciprociteitsbeginsel ook geen persoonsgegevens van de betreffende collega-dienst.

Naast het inwinnen van informatie over een vertrouwenskandidaat bij een collega-dienst, op grond van de inspanningsverplichting, kan de AIVD bezien of er nog andere informatie beschikbaar is. Er is een aantal middelen beschikbaar, die echter maar ten dele alternatieve informatie kunnen genereren. Genoemd worden het inschakelen van diplomatieke vertegenwoordigingen en het werken met buitenlandse verklaringen omtrent het gedrag. In de praktijk zijn deze middelen echter niet of slechts beperkt bruikbaar voor het verkrijgen van gegevens zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, b en c van de wet.

Diplomatieke vertegenwoordigingen kunnen niet functioneren als alternatief voor het verzoek om een naslag bij de collega-dienst. Indien de AIVD op grond van bovengenoemde criteria geen mogelijkheden heeft om door medewerking van een collega-dienst inlichtingen over een kandidaat vertrouwensfunctionaris in te winnen, vormen deze criteria mutatis mutandis ook een beletsel om eigen of buitenlandse diplomatieke vertegenwoordigingen in te schakelen. Deze vertegenwoordigingen zullen immers sowieso op hun beurt de inlichtingen- en veiligheidsdiensten van het betrokken land moeten inschakelen. Dit niet alleen omdat de door deze diensten verzamelde gegevens een essentieel onderdeel vormen van het veiligheidsonderzoek, maar ook omdat de toegang tot justitiële gegevens in het kader van een veiligheidsonderzoek in de praktijk uitsluitend door tussenkomst van deze diensten wordt verkregen. De verstrekking van justitiële gegevens is overal aan strikte regels gebonden, waarvan niet vrijelijk kan worden afgeweken.

Wat betreft het werken met buitenlandse verklaringen omtrent het gedrag moet worden opgemerkt dat de AIVD de individuele waarde van dergelijke verklaringen niet kan inschatten. Dergelijke verklaringen worden naar haar aard slechts voor een bepaald doel afgegeven waarbij in het algemeen geen acht wordt geslagen op de gegevens van inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dergelijke verklaringen bevatten dan ook geen concrete gegevens op grond waarvan de AIVD zijn eigen gevolgtrekkingen over het al dan niet afgeven van een verklaring van geen bezwaar kan maken. Een buitenlandse verklaring omtrent het gedrag kan op zich dan ook nimmer de toelating tot een vertrouwensfunctie rechtvaardigen.

Dat sprake is van onvoldoende gegevens, indien de betrokkene voorafgaand aan de aanmelding in het buitenland heeft verbleven én de genoemde samenwerkingsrelatie ontbreekt, terwijl geen andere betrouwbare kanalen voor verkrijging van gelijkwaardige informatie voorhanden waren, is door de Raad van State bij uitspraak van 3 december 2003 (kenmerk 200301416) en later ook op 11 juni 2008 (kenmerk 200707194/1) bevestigd.

Artikel 4

De Beleidsregel veiligheidsonderzoeken voor de politie komt bij inwerkingtreding van deze beleidsregel te vervallen. Bij veiligheidsonderzoeken bij de politie zal deze beleidsregel voortaan van toepassing zijn.

Er treden geen wijzigingen op ten aanzien van de standaard beoordelingstermijn voor veiligheidsonderzoeken bij de politie. Wel vervalt de verkorte beoordelingstermijn bij verblijf in het buitenland waarover de AIVD geen relevante gegevens kan verkrijgen. Wanneer er over een bepaalde periode van verblijf in het buitenland geen gegevens kunnen worden verkregen, bestaan er onvoldoende waarborgen dat de (kandidaat-) vertrouwensfunctionaris de plichten, welke voortvloeien uit de vertrouwensfunctie, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Daarom wordt de beoordelingstermijn ook in die gevallen gehandhaafd.

De specifieke situatie van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens rechtvaardigt het handhaven van een op deze sector toegespitste beleidsregel voor de beoordeling van justitiële gegevens. Echter, gelet op de wens de beoordelingsperiodes van de verschillende veiligheidsonderzoeken op B niveau zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming te brengen, geldt deze beleidsregel eveneens voor de situatie dat bij veiligheidsonderzoeken in de burgerluchtvaart onvoldoende gegevens zijn. Dit betekent dat de Beleidsregel onvoldoende gegevens bij veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavenskomt te vervallen.Er treden geen wijzigingen op ten aanzien van de standaard beoordelingstermijn voor veiligheidsonderzoeken in de burgerluchtvaart. Wel vervalt de verkorte beoordelingstermijn bij verblijf in het buitenland waarover de AIVD geen relevante gegevens kan verkrijgen. Wanneer er over een bepaalde periode van verblijf in het buitenland geen gegevens kunnen worden verkregen, bestaan er onvoldoende waarborgen bestaan dat de (kandidaat-)vertrouwensfunctionaris de plichten, welke voortvloeien uit de vertrouwensfunctie, onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen. Daarom wordt de beoordelingstermijn ook in die gevallen gehandhaafd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J.W.E. Spies.

Naar boven