Besluit van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 29 maart 2012, nr. WBV 2012/6, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/8 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

(8) Het asielbeleid ten aanzien van de DRC

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (hierna te noemen de DRC). Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken (BuZa) over de situatie in de DRC.

2 Besluitmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit de DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43 Vw.

3 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
3.1 Tutsi’s

Uit de ambtsberichten is een beeld naar voren gekomen van een langzaam verbeterende positie van Tutsi’s in de DRC. De positie van Tutsi’s wijkt inmiddels niet meer wezenlijk af van de positie van andere groepen in het land.

De Tutsi’s uit de DRC worden niet langer aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van C2/3.1.5.

Dit betekent dat aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van Tutsi’s die na onderhavige beleidswijziging worden ingediend, weer op louter individuele gronden zullen worden beoordeeld. Het enkel aanwezig zijn van geringe indicaties is niet langer voldoende voor verlening van een vergunning.

Omdat op deze grond verleende vergunningen pas kunnen worden ingetrokken zodra sprake is van een wijziging van omstandigheden die een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft, worden zij (vooralsnog) niet herbeoordeeld. Op basis van informatie uit toekomstige ambtsberichten zal worden bezien wanneer van een zodanige situatie sprake is.

Indien wordt besloten tot een herbeoordeling, wordt een eventuele aanvraag voor verlenging of een aanvraag voor onbepaalde tijd enkel afgewezen, indien er geen overige grond voor verlenging, dan wel verlening bestaat.

3.2 Veiligheidssituatie in Noord- en Zuid-Kivu, Haut- en Bas Uélé

Uit de twee meest recente ambtsberichten valt af te leiden dat de situatie in Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé zodanig ernstig is, dat deze voldoet aan de vereisten van artikel 15c, van de richtlijn 2004/83/EG.

Voor personen afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé is een vestigingsalternatief aanwezig in Kinshasa, indien de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG.

3.3 Vrouwen

Het algemene beleid, zoals onder andere weergegeven in C2/2.11, C2/3.2 en C14/4.3 is van toepassing.

Uit de ambtsberichten blijkt dat seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes op grote schaal voorkomt in de DRC.

Hoewel de daders van seksueel geweld in de DRC vooral soldaten, politieagenten en strijders van overgebleven rebellenbewegingen zijn, wordt een steeds groter deel van het seksueel geweld, zowel in de conflictgebieden als in andere delen van het land, gepleegd door burgers.

Slachtoffers van verkrachting leven in schaamte. Zij lopen het risico verstoten te worden door hun familie. Het is voor de meeste vrouwen in de DRC onmogelijk om bescherming in te roepen tegen seksueel geweld. Het is moeilijk om aangifte te doen van seksueel geweld. Het risico is aanwezig dat het doen van aangifte van verkrachting zich tegen het slachtoffer keert. Vrouwen die aangifte komen doen van seksueel geweld worden soms door de politie beticht van hekserij en lopen het risico zelf bestraft te worden, met name wanneer de dader van het seksueel geweld invloedrijk is.

Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in de DRC, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming.

3.4 Homoseksuelen

Zoals in veel Afrikaanse landen rust in de DRC een zwaar sociaal-cultureel taboe op homoseksualiteit, waardoor nauwelijks over het onderwerp kan worden gesproken. Door het gebrek aan beschermende wetgeving, aan formele en informele acceptatie en door het slechte functioneren van het politieapparaat kan een homoseksueel geen bescherming inroepen tegen gevallen van discriminatie door medeburgers, de politie of andere overheidsinstanties. In de DRC is homoseksualiteit niet expliciet strafbaar. Het WvSr noemt wel ‘misdaden tegen het familieleven’ (met een maximum gevangenisstraf van vijf jaar), welke bepaling gebruikt kan worden tegen homoseksuelen.

Als er geen vervolging plaatsvindt in de zin van een directe onmenselijke behandeling kan discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/2.3.2 is van toepassing.

Indien een Congolese asielzoeker die zich beroept op discriminatie vanwege homoseksualiteit, aannemelijk kan maken dat de ondervonden discriminatie een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren dan kan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet van de vreemdeling verlangd dat hij zich tot de autoriteiten heeft gewend voor bescherming.

Het enkele feit dat iemand homoseksueel is, is onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

4 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2 is van toepassing.

5 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit de DRC komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

6 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
6.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Gezien de huidige situatie in de DRC, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen, met uitzondering van asielzoekers van wie de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. Asielzoekers die uit die provincies komen en een gegronde, individuele persoonlijke vrees hebben, wordt geen vlucht- of vestigingsalternatief tegengeworpen.

6.2 Veilig land van herkomst

De DRC wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

6.3 Veilig derde land / land van eerder verblijf

De DRC wordt niet beschouwd als veilig derde land.

6.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

Verder zijn er nog de volgende aandachtspunten.

Zowel leden van het leger, de politie en de veiligheidsdienst, als leden van (voormalige) rebellenmilities hebben zich in de DRC op grote schaal schuldig gemaakt aan het schenden van de mensenrechten. Met name de strijdende partijen in het oosten van de DRC maken zich schuldig aan foltering en andere oorlogsmisdrijven. Om die reden dient men er in het bijzonder op bedacht te zijn of betrokkene zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als omschreven in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Vorenstaande kan ook van belang zijn bij minderjarigen, aangezien met name de rebellengroeperingen en sommige fracties van het nationale leger gebruik maken dan wel gebruik hebben gemaakt van kindsoldaten.

7 Opvangmogelijkheden Amv’s

Traditioneel werden weeskinderen altijd opgevangen door familieleden of mensen in de omgeving. Het aantal straatkinderen is echter in de afgelopen jaren flink toegenomen. Voor Amv’s is adequate opvang in de DRC voorhanden. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door de familie van één van beide ouders. In het opvangcentrum van de Congregatie der Salesianen (Don Bosco) zijn twaalf opvangplaatsen geregeld voor uit Nederland terugkerende Amv’s. Voor meer informatie over opvangmogelijkheden voor Amv’s wordt verwezen naar het meest recente ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.

Minderjarige asielzoekers van Congolese nationaliteit komen daarom niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

8 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit de DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 29 maart 2012

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, namens deze: de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken, L. Mulder.

TOELICHTING

Algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in december 2010 en in juli 2011 een algemeen ambtsbericht over de Democratische Republiek Congo uitgebracht. Deze ambtsberichten beslaan de periode van december 2009 tot en met mei 2011. Deze ambtsberichten hebben aanleiding gegeven tot de volgende wijziging van het beleid.

Tutsi worden niet langer aangeduid als kwetsbare minderheidsgroep. De ambtsberichten geven aan dat, volgens verschillende bronnen, Tutsi in de Kivu-provincies of daarbuiten, geen groter risico lopen om slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen dan andere etnische groepen. Uit de voorgaande ambtsberichten is een beeld naar voren gekomen van een langzaam verbeterende positie van Tutsi in de DRC, waarbij hun positie inmiddels niet meer wezenlijk afwijkt van die van andere bevolkingsgroepen. Hoewel de positie van Tutsi nog immer zorgelijk is, verschilt hun positie tegen de achtergrond van de algehele veiligheidssituatie in de DRC niet voldoende van andere groepen om reeds bij geringe indicaties schending van artikel 3 EVRM aan te nemen. Zij dienen in het vervolg net als hun landgenoten weer op louter individuele gronden aannemelijk te maken dat schending van 3 EVRM dreigt bij terugkeer.

Uit het meest recente ambtsbericht valt af te leiden dat de situatie in Noord- en Zuid Kivu zodanig ernstig is, dat deze voldoet aan de vereisten van artikel 15c, van de richtlijn 2004/83/EG.

Tevens blijkt uit het meest recente ambtsbericht dat de gewapende beweging Lord’s Resistance Army (LRA) zich in Haut-en Bas Uélé schuldig maakt aan tal van wreedheden, waarbij sprake is van willekeurig geweld. Gebleken is dat de overheid gedurende de verslagperiode onvoldoende in staat is gebleken om bescherming te bieden tegen de acties van de LRA. Op grond hiervan wordt dan ook aangenomen dat ook in Haut-en Bas Uélé sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c, van de richtlijn 2004/83/EG.

Voor personen afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé is een vlucht- en/of vestigingsalternatief aanwezig in Kinshasa.

Ten aanzien van de DRC wordt in beginsel aangenomen dat indien sprake is van een gegronde, individuele persoonlijke vrees, er in beginsel geen sprake is van een vlucht- en/of vestigingsalternatief. Een vlucht- of vestigingsalternatief wordt echter wel aanwezig geacht voor personen afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid-Kivu en Haut- en Bas Uélé, indien de vrees enkel en alleen een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG en er geen sprake is van een persoonlijke en individuele vrees. Van hen wordt geacht dat zij zich in Kinshasa kunnen vestigen.

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, namens deze: de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken, L. Mulder.

Naar boven