Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
overigStaatscourant 2012, 6483Besluiten van algemene strekking

Examenregeling Wet op de architectentitel

12 december 2011

Het bestuur van het bureau architectenregister,

gelet op artikel 12b, derde lid, van de Wet op de architectentitel;

stelt de volgende regels met betrekking tot het examen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten vast:

HOOFDSTUK I BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

de wet:

de Wet op de architectentitel;

het bureau:

het bureau architectenregister, bedoeld in artikel 2a van de wet;

het examen:

het examen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten of interieurarchitecten, bedoeld in artikel 12b van de wet;

de examencommissie:

de commissie, belast met het afnemen van het examen en met het vaststellen van de uitslag daarvan, bedoeld in artikel 12b, derde lid, onderdeel d, van de wet;

de kandidaat:

degene die aan het examen deelneemt of daaraan wenst deel te nemen.

HOOFDSTUK II TOELATING

Artikel 2

  • 1. De kandidaat dient een verzoek om deelname aan het examen in bij het bureau door middel van een formulier waarvan het model door het bureau wordt vastgesteld. Het verzoek moet zijn ingediend voor aanvang van het examenjaar waarin de kandidaat aan het examen wenst deel te nemen.

  • 2. Na te hebben vastgesteld dat de kandidaat gedurende ten minste zeven jaar als ontwerper werkzaam is geweest op het gebied waarop hij het examen wenst af te leggen, stelt het bureau het verzoek om deelname aan het examen in handen van de examencommissie.

HOOFDSTUK III HET EXAMEN VOOR ARCHITECTEN

§ 1. Omvang en inrichting van het examen

Artikel 3

Het examen bestaat uit twee onderdelen.

Artikel 4
  • 1. In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de examencommissie drie (mede) door hem vervaardigde en gerealiseerde architectonische ontwerpen voor en licht deze mondeling toe.

  • 2. Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen stelt de examencommissie vast of de kandidaat beschikt over:

    • a. het vermogen tot architectonische vormgeving die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoet;

    • b. inzicht in de relatie tussen mensen en gebouwen en tussen gebouwen en hun omgeving, alsmede in de noodzaak om gebouwen en ruimtes af te stemmen op menselijke behoeften en maatstaven, en

    • c. technische bekwaamheid als ontwerper om binnen het door de opdrachtgever gestelde budget en de wettelijke bepalingen te voldoen aan het programma van eisen van de opdrachtgever.

Artikel 5

De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede onderdeel van het examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.

Artikel 6

Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een architectonisch ontwerp.

Artikel 7

Aan de hand van de scriptie stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of hij beschikt over:

  • a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de architectuur, aanverwante kunstvormen en menswetenschappen, evenals van de maatschappelijke en culturele stromingen, voor zover die van belang zijn voor het vakgebied van de architectonische vormgeving;

  • b. passende kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van belang zijn voor de kwaliteit van de architectonische vormgeving, en

  • c. inzicht in het architectenberoep en de rol van de architect in de maatschappij.

Artikel 8

Aan de hand van het vervaardigde architectonisch ontwerp en een daarbij behorende toelichting stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of het resultaat van het ingevolge artikel 4, tweede lid, verrichte onderzoek wordt bevestigd en voorts of hij beschikt over:

  • a. het vermogen een ruimtelijk en materieel ontwerp te vervaardigen waarin een programma van eisen in een situatieve context is gerealiseerd;

  • b. inzicht in en vaardigheid met methoden van onderzoek en voorbereiding bij het vervaardigen van een architectonisch project;

  • c. het vermogen een voor een opgave passende constructieve hoofdopzet te ontwerpen en inzicht in de constructieve aspecten van het ontwerp;

  • d. passende kennis van natuurkundige en technologische vraagstukken die samenhangen met de functie van een gebouw met het oog op het verschaffen van comfort en bescherming tegen weersomstandigheden en andere omgevingsaspecten;

  • e. de vaardigheid om een architectonisch ontwerp in beeld, geschrift en woord voor anderen inzichtelijk te maken;

  • f. passende kennis van stedenbouwkunde, planologie en daarbij gebruikte technieken en de vaardigheid om die kennis toe te passen;

  • g. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een architectonisch ontwerp.

§ 2. Vrijstellingen

Artikel 9
  • 1. De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het eerste onderdeel van het examen, indien hij dat onderdeel reeds eerder met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 2. De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het tweede onderdeel van het examen wat betreft het schrijven van de scriptie, indien hij ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds eerder of op andere wijze aan de eisen, gesteld in artikel 7, te hebben voldaan.

§ 3. De examencommissie

Artikel 10
  • 1. Er is een examencommissie die bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden.

  • 2. De voorzitter en leden van de examencommissie worden benoemd en ontslagen door het bestuur van het bureau. De benoeming geldt voor een periode van ten hoogste vier jaar en kan na het verstrijken daarvan aansluitend één keer voor ten hoogste vier jaar worden verlengd.

  • 3. De examencommissie bestaat in meerderheid uit personen die werkzaam zijn of zijn geweest op het vakgebied van de architectuur.

Artikel 11
  • 1. De examencommissie draagt zorg voor de organisatie van het examen en voor de goede gang van zaken tijdens het examen.

  • 2. De examencommissie kan zich bij zijn werkzaamheden door een of meer deskundigen laten bijstaan.

  • 3. Het bureau voorziet in de bijstand die de examencommissie bij haar werkzaamheden behoeft.

Artikel 12

Het lidmaatschap van de examencommissie eindigt:

  • a. door het verstrijken van de termijn waarvoor de benoeming is geschied, of

  • b. door ontslag, al of niet op eigen verzoek.

Artikel 13
  • 1. De examencommissie kan een examenreglement vaststellen, waarin nadere regels worden gesteld omtrent de omvang en inrichting van het examen.

  • 2. Het examenreglement en elke wijziging daarvan wordt, na goedkeuring door het bestuur van het bureau, gepubliceerd op de website van het bureau.

Artikel 14

De examencommissie reikt aan de kandidaat die het examen met goed gevolg heeft afgelegd een getuigschrift uit.

Artikel 15
  • 1. De kandidaat kan bij de examencommissie bezwaar maken tegen een door de commissie vastgestelde beoordeling van een afgelegd examenonderdeel.

  • 2. De examencommissie kan besluiten een adviescommissie in te stellen die haar adviseert over de op een bezwaarschrift te nemen beslissing.

  • 3. Een adviescommissie als bedoeld in het tweede lid bestaat uit een voorzitter die geen deel uitmaakt van of werkzaam is bij het bureau en twee leden die werkzaam zijn of zijn geweest op het vakgebied van de architectuur.

  • 4. Indien de examencommissie de bestreden beoordeling herroept, maakt zij aan de kandidaat tevens bekend welke gevolgen aan die herroeping zijn verbonden.

Artikel 16

Het bestuur van het bureau kent aan de voorzitter en leden van de examencommissie, aan deskundigen als bedoeld in artikel 11 en aan de voorzitter en leden van een adviescommissie als bedoeld in artikel 15, tweede lid, volgens door het bestuur te stellen regelen een algemene vergoeding, alsmede een vergoeding voor reis- en verblijfskosten toe.

HOOFDSTUK IV HET EXAMEN VOOR STEDENBOUWKUNDIGEN

§ 1. Omvang en inrichting van het examen

Artikel 17

Het examen bestaat uit twee onderdelen.

Artikel 18
  • 1. In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de examencommissie een door de commissie te bepalen aantal (mede) door hem vervaardigde stedenbouwkundige ontwerpen voor en licht deze mondeling toe.

  • 2. Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen stelt de examencommissie vast of de kandidaat beschikt over:

    • a. het vermogen om op verschillende schaalniveaus ruimtelijke concepten en stedenbouwkundige ontwerpen te vervaardigen die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoen;

    • b. het vermogen om informatie vanuit andere bij de ruimtelijke ordening betrokken disciplines te betrekken in een stedenbouwkundig ontwerp, en

    • c. het vermogen om in de ontwikkeling van een ruimtelijk concept de relatie tussen mensen en ruimten en de afstemming daarvan op menselijke behoeften en maatstaven te betrekken.

Artikel 19

De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede onderdeel van het examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.

Artikel 20
  • 1. Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het vervaardigen van een stedenbouwkundig ontwerp en uit het schrijven van een argumentatie, bestaande uit een plantoelichting en een onderzoekstoelichting met betrekking tot het ontwerp.

  • 2. De examencommissie bepaalt welke onderdelen in de argumentatie, bedoeld in het eerste lid, aan bod dienen te komen.

Artikel 21

Aan de hand van het door de kandidaat vervaardigde ontwerp met plantoelichting en de argumentatie, stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of het resultaat van het ingevolge artikel 18, tweede lid, verrichte onderzoek wordt bevestigd en voorts of hij beschikt over:

  • a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de stedenbouw en van de relatie met andere bij de ruimtelijke ordening en ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines;

  • b. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht;

  • c. inzicht in het beroep van stedenbouwkundige en de rol van de stedenbouwkundige in de maatschappij;

  • d. vaardigheden op de gebieden van stedenbouwkundig onderzoek, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met fysieke, structurele en historische analyse van stedenbouwkundige verschijnselen en oplossingen;

  • e. de vaardigheid om een plan en ontwerp in beeld, geschrift en woord voor anderen inzichtelijk te maken;

  • f. passende kennis van de ruimtelijke planning, de organisatie, de middelen en instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningniveaus in Nederland;

  • g. passende kennis van de maatschappijwetenschappen, de economie, de sociale en historische geografie en de ecologie;

  • h. passende kennis van de stedenbouwfysica, het ruimtelijke ordeningsrecht en het stedenbouwkundig recht;

  • i. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een stedenbouwkundig ontwerp.

§ 2. Vrijstellingen

Artikel 22

De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het eerste onderdeel van het examen, indien hij dat onderdeel reeds eerder met goed gevolg heeft afgelegd.

§ 3. De examencommissie

Artikel 23

De artikelen 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK V HET EXAMEN VOOR TUIN- EN LANDSCHAPSARCHITECTEN

§ 1. Omvang en inrichting van het examen

Artikel 24

Het examen bestaat uit twee onderdelen.

Artikel 25
  • 1. In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de examencommissie drie (mede) door hem vervaardigde tuin- en landschapsarchitectonische ontwerpen voor en licht deze mondeling toe.

  • 2. Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen stelt de examencommissie vast of de kandidaat beschikt over:

    • a. het vermogen om op verschillende schaalniveaus ruimtelijke plannen en concepten voor de ontwikkeling en inrichting van de buitenruimte te vervaardigen die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoen;

    • b. vaardigheid om ruimtelijke plannen en concepten in beeld, woord en geschrift voor anderen inzichtelijk te maken.

Artikel 26

De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede onderdeel van het examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.

Artikel 27

Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een in overleg met de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een ontwerp voor de ontwikkeling en inrichting van de buitenruimte met een daarbij behorende toelichting.

Artikel 28

Aan de hand van de scriptie stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of hij beschikt over:

  • a. passende kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie van de tuin- en landschapsarchitectuur in samenhang met de beeldende kunst en de andere architectonische disciplines, en

  • b. inzicht in het beroep van tuin- en landschapsarchitect en de rol van tuin- en landschapsarchitect in de maatschappij.

Artikel 29

Aan de hand van het vervaardigde ontwerp en de daarbij behorende toelichting stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of het resultaat van het ingevolge artikel 25, tweede lid, verrichte onderzoek wordt bevestigd en voorts of hij beschikt over:

  • a. passende kennis van en inzicht in de opbouw en ontwikkeling van de buitenruimte en de abiotische, biotische en antropogene processen die daaraan ten grondslag liggen, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;

  • b. passende kennis van en inzicht in de materiële en immateriële betekenis van de buitenruimte en de effecten van verandering daarin voor de mens en de samenleving;

  • c. passende kennis van en inzicht in het ontwerp en de uitvoering van beplantingen en de civieltechnische aspecten van de buitenruimte, alsmede vaardigheid om die kennis toe te passen;

  • d. passende kennis van de architectuur en stedenbouwkunde en hun relatie met de landschapsarchitectuur;

  • e. passende kennis van en inzicht in natuur-, ruimtelijke ordenings-, landinrichtings- en milieuwetgeving, de bijbehorende processen en de procedures van besluitvorming;

  • f. passende kennis van en inzicht in het planvormingsproces in zijn belangrijkste componenten en de vaardigheid om die kennis toe te passen;

  • g. passende kennis van en inzicht in de technieken om plannen te doen concretiseren.

§ 2. Vrijstellingen

Artikel 30
  • 1. De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het eerste onderdeel van het examen, indien hij dat onderdeel reeds eerder met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 2. De examencommissie aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het tweede onderdeel van het examen wat betreft het schrijven van de scriptie, indien hij ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds eerder of op andere wijze aan de eisen, gesteld in artikel 28, te hebben voldaan.

§ 3. De examencommissie

Artikel 31

De artikelen 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VI HET EXAMEN VOOR INTERIEURARCHITECTEN

§ 1. Omvang en inrichting van het examen

Artikel 32

Het examen bestaat uit twee onderdelen.

Artikel 33
  • 1. In het eerste onderdeel legt de kandidaat aan de examencommissie drie (mede) door hem vervaardigde en gerealiseerde interieurarchitectonische ontwerpen voor en licht deze mondeling toe.

  • 2. Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen stelt de examencommissie vast of de kandidaat beschikt over:

    • a. het vermogen tot het ontwerpen van interieurs die zowel aan esthetische als aan technische en functionele eisen voldoen;

    • b. het vermogen om in het ontwerp-proces ten dienste van interieurvormgeving de relatie tussen mensen en ruimten te betrekken en

    • c. technische bekwaamheid als ontwerper om binnen het gestelde budget en de wettelijke bepalingen te voldoen aan een programma van eisen.

Artikel 34

De kandidaat wordt slechts toegelaten tot het tweede onderdeel van het examen, indien hem door de examencommissie schriftelijk is medegedeeld dat het eerste onderdeel met goed gevolg is afgelegd.

Artikel 35

Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een door de kandidaat in overleg met de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een interieurontwerp dat moet voldoen aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen.

Artikel 36

Aan de hand van de scriptie stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of hij beschikt over:

  • a. passende kennis van de geschiedenis en de theorie van de interieurarchitectuur, de architectuur en aanverwante kunstvormen, technologie en menswetenschappen;

  • b. inzicht in het beroep van interieurarchitect en in de positie en rol van de interieurarchitect in het veld van de vormgevende disciplines.

Artikel 37

Aan de hand van het vervaardigde interieurontwerp en een daarbij behorende toelichting stelt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat vast of het resultaat van het ingevolge artikel 33, tweede lid, verrichte onderzoek wordt bevestigd en voorts of hij beschikt over:

  • a. het vermogen om een interieurontwerp te vervaardigen waarin een programma van eisen is gerealiseerd en dat voldoet aan kwaliteitseisen ten aanzien van esthetiek, functie en techniek;

  • b. inzicht in en vaardigheid met methoden van onderzoek en voorbereiding bij het vervaardigen van een project;

  • c. passende kennis van en inzicht in bouwkundige constructies en technische installaties, alsmede de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen;

  • d. passende kennis van en inzicht in de eigenschappen en duurzaamheid van bouw- en afwerkingsmaterialen, producten en technieken ten behoeve van de afwerking, inrichting, meubilering en stoffering van het interieur;

  • e. passende kennis van en inzicht in de factoren die de veiligheid, de gezondheid en het welbevinden van gebruikers van gebouwen en interieurs beschermen en bevorderen en de daarmee samenhangende wet- en regelgeving;

  • f. passende kennis van de organisatorische, financiële en juridische aspecten die betrekking hebben op het ontwerp en de realisatie daarvan;

  • g. de vaardigheid om een interieurontwerp in beeld, geschrift en woord voor anderen inzichtelijk te maken;

  • h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en realisatie van een interieurontwerp.

§ 2. Vrijstellingen

Artikel 38
  • 1. De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het eerste onderdeel van het examen, indien hij dat onderdeel reeds eerder met goed gevolg heeft afgelegd.

  • 2. De examencommissie kan aan de kandidaat op diens verzoek vrijstelling verlenen van het tweede onderdeel van het examen wat betreft het schrijven van de scriptie, indien hij ten genoegen van de examencommissie aantoont reeds eerder of op andere wijze aan de eisen, gesteld in artikel 36, te hebben voldaan.

§ 3. De examencommissie

Artikel 39

De artikelen 10 tot en met 16 zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VII SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

  • 1. Deze regeling wordt met daarbij behorende toelichting gepubliceerd in de Staatscourant en op de website van het bureau.

  • 2. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin ze wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012.

Artikel 41

Deze regeling kan worden aangehaald als: Examenregeling Wet op de architectentitel.

Den Haag, 12 december 2011

De voorzitter van het bestuur van het bureau architectenregister, A. Rijckenberg.

TOELICHTING

I. Algemeen

1. De grondslag van de Examenregeling en de relatie met het Examenbesluit Wet op de architectentitel

Artikel 12b, eerste lid, van de Wet op de architectentitel, zoals deze is gewijzigd bij de met ingang van 1 januari 2011 in werking getreden Wet van 4 maart 2010 tot wijziging van de Wet op de architectentitel, schrijft voor dat het bureau architectenregister ten minste eenmaal per jaar de gelegenheid biedt tot het afleggen van een examen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. Tevens is in dat eerste lid bepaald dat het bureau voor elk van de vier genoemde disciplines een afzonderlijke examencommissie instelt. Toegang tot dit examen hebben, blijkens het tweede lid van artikel 12b van de wet, personen die ten genoegen van het bureau aantonen gedurende ten minste zeven jaar als ontwerper werkzaam te zijn geweest op het gebied waarop zij het examen wensen af te leggen. Degene die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, wordt blijkens het vierde lid van artikel 12b van de wet op diens verzoek ingeschreven in het architectenregister.

In aansluiting op het vorenstaande, bepaalt het derde lid van artikel 12b van de wet dat het bureau regels dient vast te stellen met betrekking tot deze examens. Die regels dienen in elk geval betrekking te hebben op de eisen voor toelating tot het afleggen van het examen, de omvang en inrichting van het examen, de eisen voor het verkrijgen van vrijstelling van bepaalde onderdelen van het examen, de commissie die is belast met het afnemen van het examen en de vergoeding van de leden van de commissie. De onderhavige regeling strekt tot uitvoering van het derde lid van artikel 12b van de wet.

Deze regeling komt in de plaats van het Examenbesluit Wet op de architectentitel, een Algemene Maatregel van Bestuur van 20 november 1990, genomen op voordracht van de toenmalige Ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Onderwijs en Wetenschappen. In dat besluit waren, ter uitvoering van de artikelen 25 en 26 van de Wet op de architectentitel, regels gegeven omtrent de omvang en inrichting van de examens voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten. Artikel 12b van de huidige wet draagt het bureau architectenregister in feite op het vigerende Examenbesluit Wet op de architectentitel ‘om te vormen’ tot een examenregeling van het bureau. De wetgever heeft daarbij voor ogen gehad dat het Examenbesluit en de daarop gebaseerde examenreglementen als uitgangspunt zullen gelden voor de door het bureau op te stellen regels (memorie van toelichting bij het voorstel van de wet van 4 maart 2010, Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 32 016, nr. 3).

In deze regeling is dan ook zo veel mogelijk aangesloten bij het Examenbesluit. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om, waar nodig, de tekst van het Examenbesluit te actualiseren. Voorts zijn daarin enkele wijzigingen aangebracht die zijn ingegeven door voortschrijdend inzicht en door de ervaringen van de ‘oude’ examencommissies. Ook dienden enkele regels anders te worden geformuleerd als gevolg van het feit dat de grondslag voor het opstellen van de examenregeling op enkele punten anders is geformuleerd dan die voor het Examenbesluit.

2. De hoofdlijnen van de Examenregeling

De examens voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten hebben, evenals in het Examenbesluit het geval was, dezelfde structuur. Als gevolg hiervan is een aantal artikelen die in het hoofdstuk betreffende het architectenexamen zijn geregeld, van (overeenkomstige) toepassing op de drie andere examens.

De examens zijn bedoeld om personen die niet of niet met goed gevolg een van de in de artikelen 9 tot en met 12 van de wet aangegeven opleidingen hebben doorlopen, doch op grond van hun praktijkervaring menen te beschikken over de vereiste vaardigheid, kennis en kunde, de mogelijkheid te bieden zich als architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect of interieurarchitect in het architectenregister te laten inschrijven. Gelet op de voor inschrijving in het architectenregister geldende opleidingseisen, betekent dit dat de beoordeling in het kader van het examen op een daarmee vergelijkbaar academisch niveau plaatsvindt en dat van de kandidaten een vergelijkbare professionele houding ten opzichte van onafhankelijkheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt verwacht.

Toelating tot het examen is slechts mogelijk indien de kandidaat aantoont te beschikken over een relevante praktijkervaring op het gebied waarop hij het examen wenst af te leggen. Het examen bestaat uit twee onderdelen. Tijdens het eerste onderdeel onderzoekt de examencommissie aan de hand van door de kandidaat te presenteren werk uit de vakpraktijk of hij over een toereikend vormgevend vermogen beschikt om het tweede examenonderdeel met gerede kans op slagen af te leggen. Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie c.q. (plan)toelichting en het vervaardigen van een ontwerp.

De in de onderhavige regeling aan de examenkandidaten gestelde eisen zijn geënt op de begintermen voor de beroepspraktijk, zoals die door de verantwoordelijke bewindslieden zijn vastgelegd in de Nadere regeling inrichting opleidingen architect, stedenbouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect van 14 april 2006.

3. Consultatie en overleg

Het ontwerp van de Examenregeling is opgesteld in overleg met de examencommissies die waren belast met het afnemen van de examens voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten en interieurarchitecten op grond van het Examenbesluit Wet op de architectentitel.

Ingevolge artikel 4, eerste en tweede lid, van de wet dient het bureau bij de voorbereiding van de regels, bedoeld in artikel 12b, derde lid, van de wet de beroepsorganisaties, de onderwijsinstellingen en de ongeorganiseerden te betrekken. Hieraan is op de volgende wijze invulling gegeven.

De ontwerp-regeling is voor commentaar voorgelegd aan de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), de Beroepsvereniging van Nederlandse Stedebouwkundigen en Planologen (BNSP), de Nederlandse Vereniging voor Tuin- en Landschapsarchitectuur (NVTL) en de Beroepsvereniging van Nederlandse Interieurarchitecten (BNI) alsmede aan de onderwijsinstellingen die opleidingen aanbieden op het gebied van architectuur, stedenbouw, tuin- en landschapsarchitectuur en interieurarchitectuur waarvan het diploma toegang biedt tot het architectenregister. Het ontvangen commentaar heeft ertoe geleid dat in de regeling enkele aanpassingen zijn aangebracht. Voorts is de toelichting op enkele punten verduidelijkt.

Vervolgens zijn alle ingeschrevenen in het architectenregister via de website van het bureau opgeroepen om te reageren op de concept-Examenregeling en de daarbij behorende toelichting. De reacties van de ingeschrevenen hebben geleid tot het aanbrengen van enkele verduidelijkingen in de toelichting.

Met ambtenaren van de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft overleg plaatsgevonden over de inhoud van de Examenregeling. Dit overleg heeft geleid tot enkele redactionele en wetstechnische aanpassingen.

II. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

In artikel 12b, tweede lid, van de Wet op de architectentitel is bepaald dat voor deelname aan het examen een examengeld moet worden betaald. Het bureau stelt ingevolge artikel 8 van de wet de vergoeding vast voor de toelating tot en het afleggen van het examen (examengeld). Uit de examengelden dienen de kosten te worden betaald die voortvloeien uit de werkzaamheden van de examencommissies, de deskundigen als bedoeld in artikel 11 en adviescommissies als bedoeld in artikel 15, tweede lid. Ook dienen daaruit de werkzaamheden te worden bekostigd die het bureau verricht ter ondersteuning van de examencommissies (artikel 11, derde lid).

Het examengeld wordt elk jaar opnieuw vastgesteld. Het bureau kan daardoor bij de vaststelling van het examengeld rekening houden met de ervaringen die in het voorgaande jaar met het afnemen van de examens zijn opgedaan. Alvorens tot vaststelling van het examengeld over te gaan, raadpleegt het bureau de examencommissies. Ingevolge artikel 17 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen dient het tarief voor het examengeld te worden goedgekeurd door de voor de Wet op de architectentitel verantwoordelijke minister.

In artikel 12b, tweede lid, van de Wet op de architectentitel is eveneens vastgelegd dat degene die wenst deel te nemen aan het examen tot het afleggen daarvan wordt toegelaten indien ten genoegen van het bureau is aangetoond dat hij gedurende ten minste zeven jaar werkzaam is geweest op het gebied waarop hij het examen wenst af te leggen. Dit sluit niet uit dat het bureau bij de beoordeling van de zeven jaar ervaring overleg kan plegen met de examencommissie. Het besluit over de toelating is echter een besluit van het bureau, hetgeen betekent dat tegen een negatief besluit ingevolge artikel 21, eerste lid, van de wet bezwaar en beroep kan worden ingesteld overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht. Indien het bureau besluit dat een kandidaat niet tot het examen wordt toegelaten, wordt het reeds betaalde examengeld gerestitueerd.

De kandidaat kan de in het tweede lid genoemde werkervaring aantonen door het overleggen van een lijst van werken die hij gedurende een tijdvak van ten minste zeven jaar heeft ontworpen. Uit die lijst moet kunnen worden afgeleid dat de kandidaat gedurende de genoemde periode als ontwerper werkzaam is geweest. Deze ervaring kan als zelfstandig werkend ontwerper zijn opgedaan, maar ook in een samenwerkingsverband of als medewerker van een bureau. Als de werken niet zelfstandig zijn ontworpen, dient uit de lijst te blijken voor welke werkzaamheden de kandidaat verantwoordelijk is geweest. Indien de kandidaat werkzaam is (geweest) op een bureau, dient een en ander te worden gestaafd door een verklaring van de werkgever.

De kandidaat behoeft zijn ervaring niet in een aaneensluitende periode van zeven jaar te hebben opgedaan. Het is ook mogelijk dat de ervaring over verschillende perioden is opgebouwd, mits de totale periode ten minste zeven jaar bedraagt.

Het onderzoek of een kandidaat aan de toelatingseis voldoet, heeft voornamelijk een kwantitatief karakter. De kwalitatieve beoordeling van door de kandidaat verrichte werkzaamheden vindt eerst op grond van artikel 4 door de examencommissie plaats.

Het bureau dient op grond van de door de kandidaat te overleggen documentatie vast te stellen dat de werkervaring onmiskenbaar betrekking heeft op het gebied waarop de kandidaat het examen wenst af te leggen. De werkervaring kan wel gedeeltelijk ook op het gebied van een andere ontwerpende discipline betrekking hebben, maar voor de toelating dient vast te staan dat ten minste zeven jaar betrekking heeft op het gebied van de ontwerpende discipline waarop de kandidaat het examen wenst af te leggen.

Artikel 3

De twee onderdelen van het examen staan los van elkaar, in die zin dat voor beide onderdelen een afzonderlijke vergoeding (examengeld) in rekening wordt gebracht. Een kandidaat die het eerste examenonderdeel met goed gevolg heeft afgelegd, kan er voor kiezen om het tweede onderdeel niet aansluitend, doch in een volgend examenjaar af te leggen. Hij zal de examencommissie in dat volgende examenjaar dan op grond van artikel 9 moeten verzoeken om vrijstelling van het eerste onderdeel.

Artikel 4

In het eerste examenonderdeel wordt de kandidaat in de gelegenheid gesteld drie door hem zelf te selecteren architectonische ontwerpen aan de examencommissie voor te leggen en toe te lichten. De kandidaat moet de ontwerpen zelfstandig hebben vervaardigd. Indien de kandidaat een ontwerp wenst te presenteren dat hij als werknemer van een architectenbureau heeft vervaardigd, zal hij moeten aantonen dat het ontwerp daadwerkelijk (mede) van zijn hand is. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een schriftelijke verklaring van de werkgever waarin wordt bevestigd dat de kandidaat als ontwerper verantwoordelijk is geweest voor het ontwerp en de realisatie of voor een deel daarvan en, zo ja, voor welk deel. De te presenteren ontwerpen moeten daadwerkelijk (mede) onder leiding van de kandidaat, in bouw zijn gerealiseerd. Als een ontwerp niet aan een van deze eisen voldoet, zal de examencommissie moeten vaststellen dat niet aan artikel 4, eerste lid, is voldaan.

De examencommissie onderzoekt aan de hand van de drie door de kandidaat gepresenteerde ontwerpen en de daarbij gegeven toelichting of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij beschikt over voldoende vermogen tot architectonische vormgeving die aan esthetische, technische en functionele eisen voldoet (tweede lid, onderdeel a). Het beeldend vormgeven aan een ontwerpopgave is de hoofdtaak van de architect en onderscheidt hem van andere partijen in het ontwerp- en bouwproces. Een architect dient dit vormgevend vermogen te kunnen inzetten op verschillende schaalniveaus en in verschillende stadia van het bouwproces.

Van een architect mag worden verlangd dat hij inzicht heeft in de relatie tussen een gebouw en de gebruiker en de relatie die het gebouw aangaat met de omgeving. Ook dient hij inzicht te hebben in de passendheid van afmetingen van ruimten en de plaatsing van programmaonderdelen ten opzichte van elkaar (tweede lid, onderdeel b).

Het is voor een architect van belang dat hij een relatie weet te leggen tussen het door de opdrachtgever gestelde budget en de globale financiële gevolgen van zijn ontwerp. Ook moet een architect in staat zijn te beoordelen of zijn ontwerpvoorstellen passen binnen de door de overheid gestelde bouwvoorschriften. Ingevolge het tweede lid, onderdeel c, wordt de kandidaat hierop getoetst.

Door aan de in het tweede lid, onderdelen a, b en c, genoemde criteria te toetsen, beoordeelt de examencommissie tevens of de kandidaat geacht kan worden met een redelijke kans van slagen deel te nemen aan het tweede examenonderdeel, met name aan het ontwerpdeel: het vervaardigen van een architectonisch ontwerp dat aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen moet voldoen.

Artikel 6

Uit dit artikel blijkt dat het tweede examenonderdeel uit twee delen bestaat: het schrijven van een scriptie en het vervaardigen van een ontwerp. Scriptie en ontwerp vormen gelijkwaardige componenten in het tweede examenonderdeel. Dit artikel bepaalt daarmee de volgorde waarin de beide delen dienen plaats te vinden: eerst dient de scriptie te worden geschreven en daarna vindt het ontwerpdeel van het examen plaats. Uit de artikelen 7 en 8 blijkt dat de gesprekken die de examencommissie met de kandidaat voert over en naar aanleiding van de scriptie en het ontwerp plaatsvinden nadat het ontwerpdeel is afgerond.

Artikel 7

De scriptie dient de examencommissie in staat te stellen te beoordelen of de kandidaat beschikt over passende kennis van de architectuurgeschiedenis en -theorie en van de beeldende kunsten, alsmede over inzicht in het architectenberoep en in de rol van de architect in de maatschappij.

Kennis van de architectuurgeschiedenis en -theorie stelt de architect in staat actuele ontwikkelingen in de architectuur, cultuur en maatschappij te begrijpen en daar in het architectonisch ontwerp op te reageren (onderdeel a).

Kennis van de beeldende kunsten draagt bij aan de bewustwording van de culturele context waarbinnen een architectonisch project gestalte dient te krijgen (onderdeel b).

Bij het vervaardigen van een architectonisch ontwerp dient de architect niet alleen rekening te houden met de belangen van zijn opdrachtgever, maar zal hij ook oog moeten hebben voor de belangen van de samenleving die met zijn schepping te maken zal krijgen. De kandidaat zal daarom moeten beschikken over een goed inzicht in de ontwerptechnische en maatschappelijke betekenis van het architectenberoep (onderdeel c).

Artikel 8

Het in een beperkte tijd door de kandidaat vervaardigde architectonische ontwerp, alsmede het naar aanleiding daarvan met de kandidaat te voeren gesprek, vormen voor de examencommissie het uitgangspunt om te kunnen beoordelen of de examenkandidaat de vereiste kennis, inzicht en vaardigheid op adequate wijze weet te vertalen in een architectonisch ontwerp dat voldoet aan de gestelde eisen. Dit deel van het examen vormt feitelijk gezien het zwaartepunt van het architectenexamen.

Uit het architectonisch ontwerp dient allereerst te blijken dat de kandidaat inderdaad, zoals in het eerste onderdeel door de examencommissie vermoed, in voldoende mate beschikt over het vermogen tot ruimtelijk en architectonisch ontwerp (onderdeel a). Daarnaast toetst de commissie aan de hand van het ontwerp of de kandidaat voldoet aan de in de onderdelen b tot en met g genoemde criteria.

Van de kandidaat wordt verwacht dat hij een actieve rol kan spelen om vragen en wensen van een opdrachtgever om te zetten in een adequaat programma van eisen. (onderdeel b).

De constructie vormt een wezenlijk onderdeel van een bouwwerk en dient zodanig uitgevoerd te zijn dat deze op veilige en duurzame wijze in stand kan worden gehouden. Door de ontwikkelingen in de techniek heeft het uitrekenen en dimensioneren van constructies zich ontwikkeld tot een afzonderlijke discipline, die van de constructeur. De kandidaat moet inzicht hebben in de principes van het constructief ontwerp en daarover zonder moeite met de specialist kunnen overleggen (onderdeel c).

Het realiseren van een gewenst binnenmilieu, waarbij zaken als licht, geluid, temperatuur, vochtigheid en luchtkwaliteit een rol spelen, vormt een belangrijk aspect van een bouwwerk. Het op de juiste plaats en wijze inzetten van materialen en technische systemen om dit binnenmilieu tot stand te brengen en te kunnen handhaven, vormt een integraal onderdeel van het ontwerp. De kandidaat moet beschikken over de vereiste kennis om met specialisten op dit terreinen te kunnen overleggen en in staat zijn voorstellen te doen op bouwfysisch en installatietechnisch gebied (onderdeel d).

De visuele en verbale weergave van een ontwerp is voor een architect van belang, niet alleen om een ontwerp te kunnen presenteren, maar ook om in de verschillende stadia van het ontwerpproces een beoordeling van het plan of een planonderdeel te kunnen geven (onderdeel e).

Stedenbouw en planologie vormen de context waarbinnen een architectonisch ontwerp tot stand kan komen. Van de kandidaat wordt verwacht dat hij over passende kennis beschikt van de ruimtelijke planning, de organisatie, middelen en instrumenten van de ruimtelijke ordening en van de verschillende planningniveaus in Nederland en dat jij die kennis weet in te zetten bij de realisatie van zijn ontwerp (onderdeel f).

De kandidaat dient de benodigde kennis te hebben om in de verschillende fasen van het bouwproces een actieve rol te kunnen vervullen en daarover met diverse specialisten te kunnen communiceren. Ook dient hij kennis te hebben van de, door de overheid ontwikkelde, procedures op verschillende niveaus die bepalend zijn voor de totstandkoming van een plan (onderdeel g).

Artikel 9

Het eerste lid biedt de kandidaat de mogelijkheid vrijstelling te vragen van de verplichting drie architectonische ontwerpen aan de examencommissie te presenteren. De examencommissie kan bijvoorbeeld vrijstelling verlenen aan een kandidaat die in een eerder examenjaar reeds drie ontwerpen heeft gepresenteerd en op grond daarvan door de examencommissie is toegelaten tot het tweede examenonderdeel, maar daarvoor niet is opgegaan of daarvoor niet is geslaagd.

Van de verplichting een scriptie te schrijven (tweede lid) kan bijvoorbeeld vrijstelling worden verleend als de kandidaat aantoont reeds eerder in vakbladen op het vakgebied van de architectuur te hebben gepubliceerd en de examencommissie van mening is dat die publicitaire activiteiten haar voldoende inzicht bieden om vast te stellen dat de kandidaat voldoet aan de in artikel 7 genoemde criteria. Het schrijven van een scriptie in het kader van een door de kandidaat gevolgde opleiding zal in de regel als zodanig onvoldoende aanleiding zijn de examenkandidaat vrij te stellen van het schrijven van de scriptie in het kader van het examen.

Artikel 10

Artikel 12b, eerste lid, van de wet schrijft voor dat het bureau voor elk van de vier disciplines een examencommissie instelt. In het eerste lid van dit artikel is hieraan voor het architectenexamen uitvoering gegeven. Daarin is ook de omvang van de examencommissie vastgelegd.

Op grond van het tweede lid worden, anders dan onder het Examenbesluit Wet op de architectentitel, de voorzitter en leden van de examencommissie benoemd door het bestuur van het bureau architectenregister en niet meer door de voor het vakgebied van de architectuur verantwoordelijke bewindspersoon. Benoemingen gelden voor een periode van ten hoogste vier jaar, met de mogelijkheid van termijnverlenging van nog eens maximaal vier jaar. Dit laatste betekent dat een herbenoeming dus ook voor een kortere termijn dan vier jaar kan plaatsvinden. Met het oog op de continuïteit in het functioneren van de examencommissie, biedt het tweede lid de mogelijkheid dat, bijvoorbeeld op grond van een door de examencommissie op te stellen rooster van aftreden. een commissielid voor een kortere periode dan vier jaar wordt benoemd.

Artikel 11

De situatie kan zich voordoen dat de examencommissie op een bepaald onderdeel of een specifiek aspect van het vakgebied behoefte gevoelt aan bijstand of ondersteuning door een vakdeskundige. Vooral in het geval de examencommissie uit drie leden bestaat, kan deze behoefte zich doen gevoelen. Met het oog hierop is in het tweede lid aan de examencommissie de mogelijkheid geboden zich door een vakdeskundige te laten bijstaan. De vakdeskundige wordt door de examencommissie aangesteld en valt wat de vergoeding voor zijn of haar werkzaamheden betreft, onder hetzelfde regime als voor de commissieleden zelf geldt. Een vakdeskundige maakt geen onderdeel uit van de examencommissie.

In het derde lid is geregeld dat het bureau aan de examencommissie alle administratieve en praktische ondersteuning verleent die ze behoeft. Dit was onder vigeur van het Examenbesluit Wet op de architectentitel ook reeds het geval.

Artikel 13

Het eerste lid biedt de examencommissie de mogelijkheid zelf in een examenreglement nadere regels te stellen omtrent de omvang en inrichting van het examen. Hierbij kan worden gedacht aan regels omtrent de gang van zaken tijdens het examen, de termijnen waarbinnen het eerste en tweede onderdeel moeten zijn afgelegd, de mogelijkheid een verlengd examen of een herexamen af te leggen, de wijze van beoordeling van de examenonderdelen en omtrent de wijze waarop de kandidaten worden geïnformeerd over de (wijze van) beoordeling. Het staat de examencommissie vrij ook over andere aspecten betreffende de omvang en inrichting van het examen, al naar gelang de behoefte daartoe blijkt, nadere regels te stellen. Indien de examencommissie besluit een examenreglement op te stellen, zal daarin moeten zijn bepaald dat de examenkandidaten voor aanvang van het examen zijn geïnformeerd over de inhoud van het reglement.

Met het oog op de flexibiliteit van de nadere regeling van de examenprocedure, is de goedkeuring van het reglement en van wijzigingen daarvan in het tweede lid opgedragen aan het bestuur van het bureau architectenregister en niet aan de verantwoordelijke bewindspersoon. Het bestuur dient er bij zijn goedkeuring op te letten dat de nadere regels van de examencommissie niet in strijd komen met de Examenregeling.

Artikel 15

In het eerste lid is geregeld dat een kandidaat tegen een negatieve beoordeling door de examencommissie bezwaar kan instellen bij de commissie.

Met het oog op een zorgvuldige en onpartijdige beoordeling van een bezwaarschrift tegen een beslissing van de examencommissie, stelt het tweede lid de examencommissie in de gelegenheid een adviescommissie in te stellen die haar adviseert over de op een bezwaarschrift te nemen beslissing.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een adviescommissie als bedoeld in het tweede lid moet voldoen.

De voorzitter en leden van een adviescommissie als bedoeld in het tweede lid, ontvangen dezelfde vergoedingen voor hun werkzaamheden en hun reis- en verblijfskosten als de voorzitters en leden van de examencommissies. Dit is vastgelegd in artikel 16.

Artikel 16

De regeling die in dit artikel is vervat met betrekking tot de toekenning van vergoedingen aan de leden van de examencommissie en deskundigen die hen bijstaan is gelijkluidend aan die welke in het Examenbesluit Wet op de architectentitel was opgenomen, met dien verstande dat nu niet meer de verantwoordelijke minister, doch het bestuur van het bureau architectenregister de desbetreffende regelen vaststelt. Wat de voor de vergoeding voor reis- en verblijfskosten te stellen regelen betreft, zal aansluiting worden gezocht bij hetgeen gangbaar is voor rijksambtenaren (Reisbesluit).

Artikel 17

Zie de toelichting op artikel 3.

Artikel 18

Een stedenbouwkundige krijgt in zijn beroepspraktijk in de regel te maken met andersoortige opgaven en andere schaalniveaus dan bijvoorbeeld de architect. Bovendien strekken projecten waaraan een stedenbouwkundige werkt zich veelal over een langere reeks van jaren uit, waardoor het niet ondenkbaar is dat een kandidaat die zich aanmeldt voor deelname aan het examen voor stedenbouwkundigen, minder goed in staat zal zijn om drie afgeronde en gerealiseerde projecten aan de examencommissie te presenteren. Om die reden is in het eerste lid, anders dan bij de architecten, aan de examencommissie voor stedenbouwkundigen overgelaten zelf het aantal en de aard van de door de examenkandidaat te presenteren stedenbouwkundige projecten te bepalen.

Evenals bij het architectenexamen, zullen de door de kandidaat te presenteren projecten van zijn hand dienen te zijn. Indien meerdere personen aan het project hebben gewerkt, zal de kandidaat moeten aantonen welke gedeelten van een project door hem zijn ontworpen. Dit kan bijvoorbeeld door middel van een brief van de leidinggevende van de examenkandidaat waarin expliciet is aangegeven tot hoever het auteurschap van de kandidaat reikt.

De examencommissie onderzoekt aan de hand van de door de kandidaat gepresenteerde projecten allereerst of hij beschikt over het voor een stedenbouwkundige essentiële vermogen om op verschillende schaalniveaus te ontwerpen (tweede lid, onderdeel a). In dit vermogen manifesteert zich de kern van de stedenbouwkundige discipline. Een stedenbouwkundige dient in staat te zijn kennis van andere voor de ruimtelijke vormgeving relevante disciplines, met name de architectuur en landschapsarchitectuur, bij het vervaardigen van het stedenbouwkundig ontwerp te betrekken (tweede lid, onderdeel b). Het is voor een stedenbouwkundige van belang dat hij in staat is de belangen van de betrokken partijen en de verschillende invalshoeken die bij het vervaardigen van een stedenbouwkundig project of ontwerp aan de orde komen, te onderkennen en te integreren. De kandidaat wordt op de aanwezigheid van dit vermogen getoetst (tweede lid, onderdeel c).

Door aan de in het tweede lid genoemde criteria te toetsen, beoordeelt de examencommissie tevens of de kandidaat geacht kan worden met een redelijke kans van slagen deel te nemen aan het tweede examenonderdeel: het vervaardigen van een stedenbouwkundig ontwerp en het schrijven van een daarop betrekking hebbende toelichting.

Artikel 20

Anders dan in het Examenbesluit Wet op de architectentitel, is er bij het examen voor stedenbouwkundigen voor gekozen om de kandidaat niet een scriptie te laten schrijven, doch een plantoelichting en een argumentatie bij het ontwerp. Deze argumentatie kan bijvoorbeeld een inventarisatie betreffen of een koppeling aan de theorie van de stedenbouw en stedenbouwkundig onderzoek. In het tweede lid is aan de examencommissie de bevoegdheid verleend aan de kandidaat aan te geven welke onderdelen of elementen in de argumentatie aan de orde dienen te komen. Deze onderdelen kunnen voor elke kandidaat verschillend zijn. De plantoelichting en argumentatie moeten de examencommissie in staat stellen te beoordelen of de kandidaat beschikt over passende kennis van de geschiedenis en theorie van de stedenbouw, inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht en over inzicht in het beroep van stedenbouwkundige en de rol die hij in de maatschappij vervult (artikel 21, onderdelen a tot en met c).

Artikel 21

Het in een beperkte tijd en onder toezicht door de kandidaat zelfstandig vervaardigde stedenbouwkundig ontwerp met daarop betrekking hebbende toelichting, alsmede het daarover met de examenkandidaat te voeren gesprek, vormen voor de examencommissie het uitgangspunt om te beoordelen of de kandidaat de vereiste kennis, inzicht en vaardigheden op adequate wijze kan integreren in een alomvattend ontwerp.

Uit het stedenbouwkundig ontwerp dient allereerst te blijken dat de kandidaat inderdaad beschikt over de vermogens die in het kader van het eerste examenonderdeel zijn getoetst en met name of de kandidaat beschikt over het voor een stedenbouwkundige essentiële ontwerpend vermogen op verschillende schaalniveaus. Daarnaast toetst de commissie aan de hand van het ontwerp of de kandidaat voldoet aan de in artikel 21, onderdelen d tot en met i, genoemde vaardigheden en kennis die ten dienste moeten staan aan met name het eerdergenoemde ontwerpend vermogen.

Voor de beroepspraktijk van stedenbouwkundige zijn vaardigheid met het verrichten van ontwerpend stedenbouwkundig onderzoek en inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken van groot belang. De examencommissie toetst dan ook of de kandidaat over deze vaardigheid en dit inzicht beschikt (onderdeel d).

Evenals bij het architectenexamen, wordt in het examen voor stedenbouwkundigen getoetst of de kandidaat in staat is een plan en ontwerp visueel en verbaal helder voor anderen weer te geven en in de verschillende stadia van het planproces een beoordeling van het plan of een planonderdeel te kunnen geven (onderdeel e).

Voorts zijn adequate kennis van de ruimtelijke planning, ruimtelijke ordening en de planningniveaus in Nederland essentieel voor het functioneren van een stedenbouwkundige (onderdeel f), evenals

passende kennis van de fysieke aspecten die van invloed zijn op het stedenbouwkundig ontwerpen zoals waterbeheer, ecologie, kabels, leidingen en andere beperkende factoren, het ruimtelijke ordeningsrecht en het stedenbouwkundig recht (onderdeel h).

Een stedenbouwkundige dient in staat te zijn kennis vanuit andere disciplines, zoals maatschappijwetenschappen, economie en sociale geografie, in te zetten bij het vervaardigen van een stedenbouwkundig ontwerp (onderdeel g).

De stedenbouwkundige dient kennis en inzicht te hebben in het ‘krachtenspel’ dat bij de totstandkoming van een stedenbouwkundig ontwerp wordt bepaald door procedures en processen van besluitvorming en verantwoordelijkheden van overheden en particulieren. De examencommissie beoordeelt of deze kennis en dit inzicht bij de kandidaat aanwezig zijn (onderdeel i).

Artikel 22

Dit artikel biedt de kandidaat de mogelijkheid vrijstelling te vragen van het aan de examencommissie presenteren van stedenbouwkundige projecten. De examencommissie kan deze vrijstelling bijvoorbeeld verlenen wanneer de kandidaat in een eerder afgelegd examen reeds enkele projecten aan de commissie heeft gepresenteerd en op grond daarvan door de commissie is toegelaten tot het tweede examenonderdeel, maar daarvoor niet is opgegaan of is gezakt.

Gelet op de samenhang tussen het stedenbouwkundig ontwerp en de daarbij te schrijven toelichting en argumentatie, kan de examencommissie van het schrijven daarvan geen vrijstelling verlenen.

Artikel 23

Zie de toelichting op de artikelen 10 tot en met 16. De van overeenkomstige toepassingverklaring van die artikelen, die betrekking hebben op de examencommissie, betekent onder meer dat de examencommissie voor stedenbouwkundigen in meerderheid dient te bestaan uit personen die werkzaam zijn of zijn geweest op het gebied van de stedenbouw.

Artikel 24

Zie de toelichting op artikel 3.

Artikel 25

In het eerste onderdeel van het examen voor tuin- en landschapsarchitecten wordt de kandidaat door de examencommissie in de gelegenheid gesteld drie ontwerpen op het gebied van de tuin- en landschapsarchitectuur aan de commissie te presenteren. Deze drie door de kandidaat zelf te selecteren ontwerpen zullen aanwijsbaar van zijn hand moeten zijn. Dit sluit niet uit dat een ontwerp in teamverband tot stand is gekomen of dat verschillende personen aan (delen van) het ontwerp hebben meegewerkt, mits door de kandidaat duidelijk kan worden gemaakt voor welk onderdeel hij zelf verantwoordelijk is geweest. Dit kan zo nodig door een werkgeversverklaring of door een verklaring van een betrokkene worden bevestigd. Anders dan bij het architectenexamen hoeven de ontwerpen niet daadwerkelijk gerealiseerd te zijn. Dit heeft te maken met het feit dat met planprocessen in de landschapsarchitectuur veel tijd gemoeid kan zijn.

De examencommissie onderzoekt aan de hand van de door de kandidaat gepresenteerde ontwerpen en de daarop verstrekte toelichting of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij in voldoende mate beschikt over het vermogen om uiteenlopende ruimtelijke problemen op verschillende schaalniveaus in zowel het landelijk gebied als de stedelijke context ontwerpend op te lossen. Het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde begrip ‘buitenruimte’ omvat zowel het landschap als de stedelijke omgeving. Het in dat onderdeel omschreven vermogen vormt de kern van de discipline tuin- en landschapsarchitectuur. De examencommissie moet de aanwezigheid van dit vermogen aan de hand van de drie door de kandidaat gepresenteerde ontwerpen kunnen vaststellen.

Tevens onderzoekt de examencommissie in het eerste examenonderdeel of de kandidaat beschikt over de vaardigheid om een plan of concept visueel en verbaal op zodanige wijze weer te geven dat de intenties en consequenties daarvan voor anderen inzichtelijk zijn (tweede lid, onderdeel b).

Door aan de in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde criteria te toetsen, beoordeelt de examencommissie tevens of de kandidaat geacht kan worden met een redelijke kans van slagen deel te nemen aan het tweede examenonderdeel, waarin, naast het schrijven van een scriptie, een verschillende schaalniveaus bestrijkend landschapsontwerp moet worden vervaardigd.

Artikel 27

Anders dan bij het architectenexamen kent dit artikel aan de examencommissie voor tuin- en landschapsarchitecten de mogelijkheid toe om de examenkandidaat zelf een voorstel te laten doen voor het onderwerp van de te schrijven scriptie. De examencommissie beoordeelt aan de hand van een door de kandidaat in te dienen voorstel of de scriptie voldoende grondslag zal bieden om te kunnen beoordelen of aan de in artikel 28 genoemde criteria wordt voldaan.

Artikel 28

Een tuin- en landschapsarchitect dient te beschikken over de cultureel/maatschappelijke referentie om een ontwerp te kunnen vervaardigen dat een unieke oplossing biedt voor een uniek probleem. Hiervoor is de in onderdeel a genoemde kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie van de landschapsarchitectuur onmisbaar. De examencommissie beoordeelt aan de hand van de scriptie en het daarover met de kandidaat te voeren gesprek of deze kennis en dit inzicht in voldoende mate bij hem aanwezig zijn.

Voor het goed functioneren van een tuin- en landschapsarchitect is het van belang dat hij inzicht heeft in de rol die hij als ontwerper van de buitenruimte vervult en zich bewust is van de maatschappelijke consequenties van zijn ingrepen. Ook dient hij in staat te zijn samen te werken met ontwerpers uit andere disciplines en zich daarbij bewust te zijn van de taak en functie van de tuin- en landschapsarchitect. De kandidaat wordt op de aanwezigheid van dit inzicht getoetst (onderdeel b).

Artikel 29

Het in een beperkte tijd en onder toezicht door de kandidaat zelfstandig vervaardigde landschapsontwerp en het daarover met de kandidaat te voeren gesprek vormen voor de examencommissie het uitgangspunt om te kunnen beoordelen of hij de voor een tuin- en landschapsarchitect vereiste kennis, inzicht en vaardigheden op adequate wijze weet te vertalen in een ontwerp dat aan de gestelde eisen voldoet. Dit onderdeel vormt feitelijk gezien het zwaartepunt van het examen voor tuin- en landschapsarchitecten.

Uit het vervaardigde ontwerp dient allereerst te blijken dat de kandidaat, zoals in het eerste onderdeel door de examencommissie vermoed, in voldoende mate beschikt over het voor een tuin- en landschapsarchitect vereiste vormgevend vermogen en de vaardigheid een concept voor anderen inzichtelijk te maken. Daarnaast toetst de commissie aan de hand van het ontwerp of de kandidaat voldoet aan de in de onderdelen a tot en met g genoemde kennis, die ten dienste moet staan aan het ontwerpend vermogen.

Van een tuin- en landschapsarchitect mag worden verwacht dat hij kennis heeft van het krachtenveld dat de achtergrond vormt van het landschap (abiotische, biotische en antropogene processen) en inzicht heeft in de aspecten die ten grondslag liggen aan en samenhangen met het fenomeen landschap en de wisselwerking tussen genoemde processen. Bovendien dient hij te beschikken over de vaardigheid om de verworven kennis en inzicht in te zetten bij het vervaardigen van zijn plannen en concepten. De kandidaat wordt op de aanwezigheid van genoemde kennis, inzicht en vaardigheid getoetst (onderdeel a).

Het is voor een tuin- en landschapsarchitect van belang dat hij beschikt over passende kennis van en inzicht in de ruimtelijke effecten van zijn ingrepen in het landschap. Beheersing van de beplantingsleer is voor een tuin- en landschaparchitect onmisbaar. Ook dient hij te beschikken over kennis en inzicht in de civieltechnische aspecten die van invloed kunnen zijn op de realisatie van zijn ontwerp (onderdelen b en c).

Een tuin- en landschapsarchitect dient in staat te zijn kennis van andere voor de ruimtelijke vormgeving relevante disciplines, met name de architectuur en stedenbouwkunde, te integreren in het ontwerp voor de ontwikkeling en inrichting van de buitenruimte. De examencommissie toetst of deze kennis bij de kandidaat aanwezig is (onderdeel d).

Adequate kennis van en inzicht in de relevante regelgeving die een rol kunnen spelen bij het vervaardigen van een ontwerp en van besluitvormingsprocedures en -processen die van invloed kunnen zijn op de realisatie daarvan zijn onmisbaar voor het functioneren van een tuin- en landschapsarchitect (onderdeel e).

Voor het goed functioneren als tuin- en landschapsarchitect is de systematische beheersing van het planvormingsproces in haar belangrijkste componenten van belang. De commissie toetst of hiervan bij de kandidaat sprake is (onderdeel f).

Onderdeel g brengt tot uitdrukking dat de kandidaat ook de technische kennis en inzicht moet hebben om een plan tot realisatie te brengen. Het is van essentieel belang om bij het vervaardigen van een ontwerp rekening te houden met de ‘maakbaarheid’ ervan.

Artikel 30

Zie de toelichting op artikel 9.

Artikel 31

De van overeenkomstige toepassingverklaring van de artikelen met betrekking tot de examencommissie betekent onder meer dat de examencommissie in meerderheid dient te bestaan uit personen die werkzaam zijn of zijn geweest op het gebied van de tuin- en landschapsarchitectuur.

Artikel 33

In het eerste onderdeel van het examen voor interieurarchitecten dient de examenkandidaat drie (mede) door hem vervaardigde interieurontwerpen aan de examencommissie voor te leggen en toe te lichten. De ontwerpen moeten in principe door de kandidaat zelfstandig zijn vervaardigd en onder zijn leiding zijn gerealiseerd. Als een ontwerp in teamverband op een bureau tot stand is gekomen, dient de kandidaat, bijvoorbeeld door middel van een werkgeversverklaring, aan te tonen voor welk onderdeel hij als ontwerper verantwoordelijk is geweest.

De examencommissie onderzoekt aan de hand van de door de kandidaat gepresenteerde ontwerpen en de daarop gegeven toelichting of hij in voldoende mate beschikt over het vermogen om interieurs te ontwerpen die aan esthetische, technische en functionele eisen voldoen (tweede lid, onderdeel a). Dit vermogen vormt de kern van de discipline van de interieurarchitect.

Anders dan bij de andere ontwerpende disciplines staat voor de interieurarchitect de relatie tussen de specifieke gebruiker en de specifieke (verblijfs)ruimte centraal. Uit het door de kandidaat gepresenteerde werk zal moeten blijken dat hij over de vaardigheid beschikt om deze relatie in zijn werk tot uitdrukking te brengen.

Tevens wordt beoordeeld of de examenkandidaat beschikt over voldoende vaardigheid in het uitwerken, detailleren en materialiseren van een ontwerp in technische zin, of hij een relatie weet te leggen tussen het door de opdrachtgever gestelde budget en de globale financiële gevolgen van het ontwerp en of hij in staat is te beoordelen of het ontwerp past binnen de van toepassing zijnde bouw- en andere voorschriften (tweede lid, onderdeel c).

Artikel 35

Dit artikel biedt de mogelijkheid dat de examencommissie het thema van de scriptie aanreikt en dat de kandidaat in overleg met de commissie een voorstel doet voor een binnen dat thema gekozen onderwerp. Het onderwerp van de scriptie moet de commissie in staat stellen te beoordelen of de kandidaat aan de in artikel 36 genoemde criteria voldoet.

Artikel 36

Kennis van de geschiedenis en theorie van de (interieur)architectuur en aanverwante kunstvormen, technologie en menswetenschappen verschaft de interieurarchitect de (culturele) context voor het vervaardigen van interieurontwerpen. Deze kennis stelt hem in staat de actuele ontwikkelingen in de (interieur)architectuur, cultuur en maatschappij te begrijpen en daarop bij het ontwerpen adequaat te reageren. De examencommissie beoordeelt aan de hand van de scriptie en het daarover met de kandidaat te voeren gesprek of hij in voldoende mate over die kennis beschikt (onderdeel a).

Een interieurarchitect dient inzicht te hebben in wat zijn beroep inhoudt en welke rol hij vervult in het maatschappelijk veld, met name waar het betreft zijn positionering in het veld van de vormgevende disciplines. Uit de scriptie en het daarover met de examencommissie te voeren gesprek zal moeten blijken dat de kandidaat voldoende inzicht heeft in zijn ‘positionering’ (onderdeel b).

Artikel 37

Het in beperkte tijd en onder toezicht door de kandidaat zelfstandig vervaardigde interieurontwerp en het daarover met hem te voeren gesprek vormen voor de commissie het uitgangspunt om te beoordelen of hij de vereiste kennis, inzicht en vaardigheden op adequate wijze bij het ontwerpen weet in te zetten. Dit deel van het examen vormt feitelijk gezien het zwaartepunt van het examen voor interieurarchitecten.

Uit het door de kandidaat vervaardigde interieurontwerp dient in de eerste plaats te blijken dat hij inderdaad, zoals in het eerste examenonderdeel vermoed, in staat is om een interieurontwerp te vervaardigen dat beantwoordt aan het gestelde programma van eisen en dat voldoet aan esthetische, functionele en technische eisen (onderdeel a).

Daarnaast toetst de examencommissie aan de hand van het ontwerp of de kandidaat voldoet aan de in de onderdelen b tot en met h genoemde kennis, inzicht en vaardigheden.

Van een interieurarchitect mag worden verwacht dat hij beschikt over onderzoekend vermogen en in staat is de resultaten van zijn onderzoek in te zetten bij (het voorbereiden van) zijn ontwerpactiviteiten (onderdeel b).

Kennis van en inzicht in bouwkundige constructies, bouwtechnieken en technische installaties en de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen zijn belangrijk voor het functioneren van een interieurarchitect. Uit het door de kandidaat vervaardigde ontwerp zal moeten blijken dat hij deze aspecten in het ontwerpproces voldoende beheerst (onderdeel c).

De interieurarchitect moet beschikken over gedegen kennis van en inzicht in de kwaliteiten van de materialen die hij inzet bij de inrichting en afwerking van het interieur. Daarbij is van belang dat hij in staat blijkt de verschillende materialen in samenhang toe te passen. De examencommissie beoordeelt aan de hand van het ontwerp of de kandidaat over deze kennis en inzicht beschikt (onderdeel d).

Kennis van de wettelijke randvoorwaarden die van invloed zijn op de veiligheid, gezondheid en het welzijn van de gebruikers van een gebouw zijn essentieel voor het vervaardigen van een interieurontwerp. Tot deze randvoorwaarden behoren onder meer het Bouwbesluit, de Arbo-wetgeving en de regelgeving met betrekking tot toegankelijkheid. Uit het ontwerp zal moeten blijken of de kandidaat in voldoende mate over de vereiste kennis en inzicht beschikt (onderdeel e).

De interieurarchitect moet in staat zijn om op voet van gelijkheid met de verschillende bij de uitvoering betrokken partijen te kunnen communiceren. Met het oog daarop moet hij op de hoogte zijn van de daarvoor relevante regelgeving. Ook moet hij in staat zijn een begroting op te stellen en de uitvoeringskosten te bewaken en dient hij kennis te hebben van de organisatorische aspecten van de realisatie van zijn ontwerp (onderdeel f).

Daarnaast onderzoekt de examencommissie of de examenkandidaat beschikt over de benodigde presentatie- en communicatievaardigheden, waartoe ook behoort de vaardigheid om digitale tekeningen te maken (onderdeel g).

De interieurarchitect dient te beschikken over kennis van en inzicht in het krachtenspel dat bij de voorbereiding en realisatie van zijn interieurontwerp wordt bepaald door de verschillende besluitvormingsprocedures en -processen. De examencommissie toetst of de kandidaat over de hiervoor vereiste kennis, inzicht en vaardigheden beschikt (onderdeel h).

Artikel 38

Zie de toelichting op artikel 9.

Artikel 39

Zie de toelichting op de artikelen 10 tot en met 16. De van overeenkomstige toepassingverklaring van de artikelen over de examencommissie betekent onder meer dat de examencommissie in meerderheid dient te bestaan uit personen die werkzaam zijn of zijn geweest op het gebied van de interieurarchitectuur.

Artikel 40

Ingevolge artikel 4, derde lid, van de wet dient deze regeling te worden goedgekeurd door de bewindslieden van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Nadat goedkeuring is verleend, wordt de regeling in de Staatscourant gepubliceerd en op de website van het bureau architectenregister geplaatst. Dit laatste is vastgelegd in het eerste lid.

In het koninklijk besluit van 13 december 2010, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van een aantal onderdelen van de wet van 4 maart 2010 tot wijziging van de Wet op de architectentitel, is vastgelegd dat artikel 12b van de wet, dat aan het bureau opdraagt regels vast te stellen met betrekking tot het examen, in werking zal treden met ingang van 1 januari 2012. Met ingang van dezelfde datum zullen de artikelen 25 en 26 van de wet, die de grondslag bieden voor het Examenbesluit Wet op de architectentitel, zijn ingetrokken. Ten einde te voorkomen dat er bij het vervallen van het ‘oude’ architectenexamen tijdelijk geen mogelijkheid zal bestaan om het examen voor architecten, stedenbouwkundigen, tuin- en landschapsarchitecten of interieurarchitecten af te leggen, is in het tweede lid bepaald dat deze regeling eveneens met ingang van 1 januari 2012 in werking treedt.

De voorzitter van het bestuur van het bureau architectenregister, A. Rijckenberg.