Bekendmaking opruiming motorjacht de Nithya in het Wilhelminakanaal

Aankondiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wrakkenwet, kennisgeving als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wrakkenwet

In het Wilhelminakanaal ter hoogte van de overnachtingshaven te Oirschot (nabij kilometer 45.000), is op 25 januari 2012 omstreeks 14.27 uur het motorjacht de Nithya, eigendom van mevrouw J.C.L. van de Vliet, gezonken en aan de waterbodem geraakt. Opruiming van dit voorwerp op grond van de Wrakkenwet was noodzakelijk in verband met het waarborgen van een veilige afwikkeling van het scheepvaartverkeer in het Wilhelminakanaal. In dit verband is van belang dat op het moment van het zinken van het vaartuig sprake was van een sterke toename van verkeersbewegingen in het Wilhelminakanaal ter hoogte van Oirschot omdat het Wilhelminakanaal tijdelijk fungeerde als omvaarroute in verband met de stremming van de vaarweg bij sluis 0 in de Zuid-Willemsvaart.

Na het zinken van het vaartuig dreven voorwerpen uit het vaartuig in de vaarweg. De bevestigingsmaterialen waarmee het vaartuig aan de kade was bevestigd, stonden op grote spanning, onder meer door de vergrote langsstroming door het intensieve scheepvaartverkeer in de vaarweg. Hierdoor deed zich het acute gevaar voor dat het vaartuig los zou geraken en in de vaarweg van het doorgaande scheepvaartverkeer zou komen met het risico op aanvaring in en stremming van de vaarweg. Bovengenoemde omstandigheden maakten een onverwijlde opruiming noodzakelijk. Tevens is door directe berging van het vaartuig geborgd dat geen (gas)olie of andersoortige verontreinigende stoffen in het water van de vaarweg zijn gekomen.

Met ingang van 25 januari 2012 is bovengenoemd voorwerp onder de werking van de Wrakkenwet geplaatst. Gelet op artikel 2, tweede lid van de Wrakkenwet is het zonder mijn vergunning verboden van het voorwerp de nog aanwezige zaken te verwijderen. Dit verbod vervalt indien tot genoegen van de vaarwegbeheerder zekerheid wordt gesteld ter hoogte van een nader overeen te komen bedrag voor de voldoening van de ter zake van opruiming te maken kosten in de ruimste zin van het woord.

Onder deze kosten worden in ieder geval begrepen de kosten voor berging, vervoer en eventuele bewaring van het voorwerp.

De minister van Infrastructuur en Milieu, namens deze, de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Noord-Brabant, J.G. Robberse.

MEDEDELINGEN:

Mogelijkheid tot het indienen van een bezwaarschrift en verzoek om een voorlopige voorziening.

Bezwaar

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen dit besluit binnen zes weken na de dag waarop dit besluit is bekendgemaakt, een bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de minister van Infrastructuur en Milieu en worden gezonden aan de hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat Noord-Brabant, t.a.v. afdeling BBV, Postbus 90157, 5200 MJ ’s-Hertogenbosch. Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en ten minste het volgende te bevatten:

  • a. de naam en het adres van de indiener;

  • b. de dagtekening;

  • c. een vermelding van de datum en het kenmerk van het besluit waartegen het bezwaarschrift zich richt;

  • d. een opgave van de redenen waarom men zich niet met het besluit kan verenigen.

Voorlopige voorziening

Indien een bezwaarschrift is ingediend, is het mogelijk om daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Een dergelijk verzoek dient te worden gericht aan de Voorzieningenrechter van de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de indiener van het bezwaarschrift zijn woonplaats heeft. Het verzoek dient te worden ondertekend en ten minste het volgende te bevatten:

  • a. de naam en het adres van de verzoeker;

  • b. de dagtekening;

  • c. een vermelding van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en de datum en het kenmerk van het besluit;

  • d. de gronden van het verzoek (motivering).

Bij het verzoek dient voorts een afschrift van het bezwaarschrift te worden overgelegd. Zo mogelijk wordt tevens een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd. Naar aanleiding van het verzoek kan de Voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffiekosten geheven. De griffier van de betrokken rechtbank wijst de verzoeker na de indiening van diens verzoek op de verschuldigdheid van het griffierecht en bericht de verzoeker binnen welke termijn en op welke wijze het verschuldigde griffierecht moet worden voldaan.

Naar boven