Deelreglement Ontwikkeling van de Stichting Nederlands Fonds voor de Film

24 oktober 2012

INHOUDSOPGAVE

ALGEMEEN

2

– definities –

2

– toepasselijkheid reglementen –

3

– subsidiesoorten –

3

– slate funding –

3

– aanvrager –

3

– aanvraag –

4

– beoordeling ontwikkelingssubsidie –

4

– onderlinge verhouding subsidies –

4

– samenwerkingsprojecten –

4

– verfilmings – en exploitatierechten –

5

– betrokkenheid van regisseurs en scenaristen –

5

– verplichtingen subsidieontvanger –

5

BIJZONDERE BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN DE CATEGORIEËN

5

Speelfilm

5

– subsidiabele activiteit –

5

– subsidiabele activiteit scenario –ontwikkeling –

5

– besteding scenario –ontwikkeling –

5

– subsidiabele activiteit projectontwikkeling –

5

– voorwaarden projectontwikkeling –

6

– verplichtingen projectontwikkeling –

6

– verplichtingen scenarist als aanvrager scenario –ontwikkeling –

6

Documentaire

6

– subsidiabele activiteit –

6

Animatie

6

– subsidiabele activiteit –

6

Filmisch experiment

6

– subsidiabele activiteit –

6

– Beoordelingscriterium –

7

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

7

Algemene toelichting

8

Artikel 1 (definities)

8

Artikel 3 (subsidiesoorten)

9

Artikel 4 (slate funding)

9

Artikel 5 (aanvrager)

9

Artikel 9 (samenwerkingprojecten)

9

Artikel 11 (betrokkenheid van regisseurs en scenaristen)

10

Artikel 12 (verplichtingen subsidieontvanger)

10

Artikel 13 (subsidiabele activiteit speelfilm)

10

Artikel 14 (subsidiabele activiteit scenario –ontwikkeling)

10

Artikel 15 (besteding scenario –ontwikkeling)

10

Artikel 16 (subsidiabele activiteit projectontwikkeling)

10

Artikel 18 (verplichtingen projectontwikkeling)

11

Artikel 21 (animatie/subsidiabele activiteit)

11

Artikel 22 (filmisch experiment/subsidiabele activiteit)

11

Artikel 23 (filmisch experiment/beoordelingscriterium)

11

Artikel 24 (Overgangs – en slotbepalingen)

11

De Stichting Nederlands Fonds voor de Film,

Gelet op het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht;

Gelet op artikel 10, lid 4, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid;

Gelet op artikel 2 van het Algemeen Reglement;

Besluit:

ALGEMEEN

Artikel 1 – definities –

In dit reglement wordt verstaan onder:

animatic:

opeenvolging van meestal getekende storyboard-beelden die het scenario weergeven, dezelfde lengte als de te produceren animatiefilm heeft en minimaal van dialogen is voorzien;

animatie:

een filmproductie die een kunstmatige filmtechniek hanteert waarbij door het na elkaar afspelen van verschillende stilstaande beelden de illusie van beweging ontstaat;

bestuur:

de directeur/bestuurder van het Fonds;

bioscoopuitbreng:

de landelijke distributie van een filmproductie, die na de première minimaal drie weken gelijktijdig in drie of meer bioscopen of filmtheaters met een dagelijkse vertoning voor een betalend publiek in Nederland wordt uitgebracht;

categorie:

een soort filmproductie;

debutant:

een scenarist, regisseur of producent die nog geen filmproductie binnen de desbetreffende categorie in de professionele film- en televisiesector gerealiseerd en uitgebracht heeft;

documentaire:

een non-fictie filmproductie geschikt voor bioscoopvertoning die een aspect van de werkelijkheid belicht waarbij de eigen visie van de regisseur wordt vormgegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen in een persoonlijke stijl;

documentairescript:

de inhoudelijke opzet voor een documentaire met daarin opgenomen de visie van de regisseur op het onderwerp, de stijl, de vorm en de ontwikkeling binnen de vertelling;

ervaren:

een producent, regisseur of scenarist waarvan twee of meer filmproducties binnen de desbetreffende categorie in de professionele film - en televisiesector gerealiseerd en uitgebracht zijn;

filmconsulent:

een gespecialiseerde filmprofessional die voor een beperkte periode door het Fonds is aangesteld om te adviseren over aanvragen bij het fonds;

filmisch experiment:

een filmproductie die naar het oordeel van het bestuur binnen de genres speelfilm, documentaire, animatie en korte film onderzoekend en/of grensverleggend is dan wel experimentele of kunstzinnige filmproducties of een filmproductie met een duidelijk aanwijsbaar filmische component waarin het visueel verhalende en de inzet van nieuwe mediatoepassingen (E-cultuur) samenkomen;

filmproductie:

een cinematografisch werk;

het Fonds:

Stichting Nederlands Fonds voor de Film;

internationale coproductie:

een in de Nederlandse bioscoop en/of filmtheaters uit te brengen internationaal gecoproduceerde filmproductie. Bij een minoritaire coproductie is de Nederlandse producent in beperkte mate beslissingsbevoegd en verantwoordelijk en brengt deze tevens minder dan vijftig procent van de financiering van de filmproductie bijeen. Bij een majoritaire coproductie is de Nederlandse producent hoofdverantwoordelijk en beslissingsbevoegd en brengt deze tevens meer dan vijftig procent van de financiering van de filmproductie bijeen;

korte film:

een filmproductie met een vertoningsduur tot 60 minuten

New Screen NL:

het programma voor nieuw talent, alsmede voor filmisch experiment en voor de korte (animatie) film van debuterende en ervaren regisseurs;

ontwikkeling:

alle werkzaamheden verbonden aan de ontwikkeling van een filmproductie tot aan de productie ervan;

producent:

de natuurlijke persoon die de productiemaatschappij rechtsgeldig vertegenwoordigt en binnen de organisatie van de productiemaatschappij beleidsmatig, bedrijfsmatig en inhoudelijk eindverantwoordelijk is;

productiemaatschappij:

een rechtspersoon die op continue basis bedrijfsactiviteiten ontplooit met als hoofddoel de productie en exploitatie van filmproducties en/of mediaproducties. De rechtspersoon is ten tijde van de subsidieaanvraag minimaal twee jaar gevestigd en actief geweest in Nederland, een Lidstaat van de Europese Unie, of in een Staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of in Zwitserland;

programma:

een samengesteld subsidieprogramma van het Fonds met een specifieke doelstelling;

projectontwikkeling:

de uitwerking van de zakelijke en productionele opzet van een filmproductie ter voorbereiding op de eventuele realisering;

regisseur:

een natuurlijk persoon die de artistieke regie voert over de uitvoering van een filmproductie;

scenario:

een beschrijving van opeenvolging van scènes en geschreven tekst met dialoog geschikt om te verfilmen tot een filmproductie;

scenarist:

de schrijver van een synopsis, treatment of scenario;

Screen NL:

het programma voor speelfilms, lange animatiefilms en lange documentaires, waaronder ook internationale coproducties, dat zich primair richt op regisseurs die hun tweede of volgende film willen maken;

scriptcoach:

een in zijn vakgebied gespecialiseerde dramaturg, scripteditor of ervaren scenarioschrijver gespecialiseerd in het begeleiden van scenaristen in het schrijven van een scenario;

slate funding:

de financiering van een pakket van filmproducties;

speelfilm:

een filmproductie in het genre fictie met een vertoningduur van tenminste 60 minuten, die primair bestemd is voor bioscoopuitbreng;

storyboard:

een opeenvolging van op papier uitgewerkte shots van scènes uit een scenario bestaande uit tekeningen aangevuld met uitgeschreven informatie zoals de personages, het perspectief en een korte beschrijving en de duur van elk shot;

synopsis:

een korte omschrijving van het verhaal en de belangrijkste personages van het te schrijven scenario;

treatment:

een per scène of cluster van scènes, geconcentreerd geschreven weergave van het te schrijven scenario, zonder dialogen.

Artikel 2 – toepasselijkheid reglementen –

  • 1. Dit deelreglement is van toepassing op financiële bijdragen die het bestuur verstrekt voor ontwikkeling in de categorieën speelfilm, documentaire, animatie en filmisch experiment en, met inachtneming van artikel 9, de samenwerkingsprojecten met andere instellingen die tot ontwikkeling van deze filmproducties strekken.

  • 2. Het Algemeen Reglement is van toepassing naast en in aanvulling op dit deelreglement.

Artikel 3 – subsidiesoorten –

  • 1. Het bestuur hanteert de volgende subsidiesoorten:

    • a. projectsubsidies

    • b. slate funding

  • 2. Ten behoeve van alle in artikel 2 genoemde categorieën verstrekt het bestuur projectsubsidies.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid kan het bestuur in de categorie speelfilm slate funding verstrekken ten behoeve van scenario-ontwikkeling.

Artikel 4 – slate funding –

  • 1. Het bestuur kan een subsidieronde uitschrijven met betrekking tot slate funding ten behoeve van scenario-ontwikkeling. Het bestuur maakt deze subsidieronde en de daaraan verbonden voorwaarden, de periode waarop deze van toepassing is, alsmede de termijnen waarbinnen hierop kan worden ingeschreven, bekend op de website van het Fonds: www.filmfonds.nl.

  • 2. Het bestuur verbindt aan een slate in ieder geval de volgende voorwaarden:

    • a) een slate bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf filmplannen die tot een (eerste versie van) scenario ontwikkeld worden;

    • b) de filmplannen worden door verschillende regisseurs en scenaristen uitgevoerd;

    • c) de regisseurs en scenaristen hebben zich met eerdere speelfilms qua publieksbereik en/of artistiek succes bewezen;

    • d) de filmplannen zijn qua filmgenre en doelgroep gevarieerd.

  • 3. Het bestuur stelt per aanvraagronde het subsidieplafond voor slate funding ten behoeve van scenario-ontwikkeling vast.

  • 4. Een productiemaatschappij die slate funding toegewezen heeft gekregen komt gedurende een in de desbetreffende aanvraagronde aangegeven periode, niet meer in aanmerking voor een ontwikkelingsbijdrage zoals bedoeld in artikel 3 lid 2.

Artikel 5 – aanvrager –

  • 1. Een aanvraag in de zin van dit reglement wordt gedaan door een productiemaatschappij, die door een producent wordt vertegenwoordigd.

  • 2. Indien aan de aanvraag een debuterend regisseur is verbonden kan een aanvraag alleen worden ingediend door een productiemaatschappij, die vertegenwoordigd wordt door een producent met naar het oordeel van het bestuur aantoonbare ervaring in de professionele film en televisie praktijk in de voor de aanvraag relevante categorie.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan in de categorie filmisch experiment en documentaire een regisseur onder nadere voorwaarden een aanvraag voor een ontwikkelingssubsidie indienen.

  • 4. Het bestuur kan daarnaast ten behoeve van scenario-ontwikkeling in de categorie speelfilm een aanvraagronde uitschrijven waarbij een scenarist, die aantoonbare ervaring heeft in de professionele film- en televisiepraktijk en reeds twee scenario’s heeft geschreven van gerealiseerde en in de Nederlandse bioscoop uitgebrachte speelfilms en/of een aanvraagronde in de categorie speelfilm waarbij een beginnende scenarist, een aanvraag kan doen.

  • 5. Een aanvraag voor slate fundingwordt gedaan door een productiemaatschappij, die gedurende de voorliggende vijf kalenderjaren of langer op continue basis speelfilms produceert. De productiemaatschappij wordt vertegenwoordigd door een producent die voorafgaand aan de aanvraag hoofdverantwoordelijk is geweest voor de realisering en exploitatie van minimaal vijf majoritaire speelfilms waarmee qua bezoekersaantallen (bioscoop en verdere exploitatie) en/of internationaal (festival)succes goede resultaten bereikt zijn.

Artikel 6 – aanvraag –

  • 1. Per programma en categorie wordt een aanvraag digitaal ingediend, waarbij een schriftelijke, door de aanvrager ondertekende, kopie van deze digitale aanvraag aan het Fonds wordt overgelegd.

  • 2. Met uitzondering van de aanvragen voor slatefunding zoals bedoeld in artikel 4 of aanvragen waarvoor een specifieke subsidieronde wordt uitgeschreven zoals bedoeld in artikel 5 lid 4, kunnen aanvragen voor ontwikkeling in beginsel het gehele jaar worden ingediend. Informatie over indienrondes en eventuele indienstops wordt gepubliceerd op de website van het Fonds (www.filmfonds.nl).

  • 3. Aanvragen voor een specifieke ontwikkelingsfase van eenzelfde filmproductie kunnen, na een afwijzend besluit daarover, eenmaal opnieuw worden ingediend. Een aanvraag voor een specifieke ontwikkelingsfase van eenzelfde filmproductie, die tweemaal door het bestuur is afgewezen, wordt niet meer in behandeling genomen.

Artikel 7 – beoordeling ontwikkelingssubsidie –

Voor toekenning van de aanvraag dient het oordeel over de kwaliteit van de filmproductie positief te zijn. De kwaliteit van de filmproductie wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingscriteria in artikel 5 van het Algemeen Reglement.

Artikel 8 – onderlinge verhouding subsidies –

  • 1. Het verstrekken van een subsidie voor ontwikkeling bindt het bestuur in geen geval tot het verlenen van enige andere bijdrage voor dezelfde filmproductie.

  • 2. Indien de filmproductie voor de ontwikkeling waarvan subsidie is verleend wordt gerealiseerd, dan maken de met de ontwikkeling gemoeide kosten onderdeel uit van de productiekosten.

Artikel 9 – samenwerkingsprojecten –

  • 1. Het bestuur kan in samenwerking met andere (subsidieverlenende) instellingen subsidies verstrekken ten behoeve van de ontwikkeling van filmproducties en daartoe samenwerkingsovereenkomsten met deze instellingen en/of uitvoeringsovereenkomsten met de aanvragers aangaan.

  • 2. Het bestuur kent een ontwikkelingssubsidie in het kader van een samenwerking zoals bedoeld in het eerste lid voor zover mogelijk en relevant overeenkomstig dit reglement toe. Het bestuur kan daarbij afwijken van het bepaalde in dit deelreglement.

  • 3. Het bestuur publiceert op de website van het Fonds: www.filmfonds.nl de nadere voorwaarden, procedures en werkwijze met betrekking tot samenwerkingsprojecten zoals bedoeld in dit artikel.

Artikel 10 – verfilmings- en exploitatierechten –

Voor verlening van subsidie voor de ontwikkeling dient de aanvrager van een subsidie aan te tonen, al dan niet door middel van overdracht of een exclusieve licentie of een – verlengbare – exclusieve optie daarop, enig rechthebbende te zijn van de exclusieve verfilmings- en exploitatierechten op het te vervaardigen scenario of storyboard of – voor zover van toepassing – op het bestaande werk.

Artikel 11 – betrokkenheid van regisseurs en scenaristen –

Het bestuur kan gelet op de doelmatige besteding van middelen voorwaarden dan wel beperkingen stellen aan de betrokkenheid van regisseurs en scenaristen.

Artikel 12 – verplichtingen subsidieontvanger –

Aan de verlening van een financiële bijdrage voor ontwikkeling worden de volgende verplichtingen verbonden:

  • a. De ontvanger van de subsidie doet onverwijld een melding aan het bestuur zodra aannemelijk is dat de ontwikkeling waarvoor subsidie is verleend niet, of niet tijdig of niet geheel zal worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan;

  • b. de ontvanger van de subsidie toont op de in het besluit tot subsidieverlening aangegeven wijze – uiterlijk binnen twaalf maanden of binnen de in het besluit tot subsidieverlening aangegeven termijn aan – dat de ontwikkeling waarvoor de subsidie is verleend is verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

  • c. de ontvanger van de subsidie dient aan te tonen dat deze tegen betaling van een billijke vergoeding beschikt over de exclusieve verfilmings – en exploitatierechten.

BIJZONDERE BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN DE CATEGORIEËN

Speelfilm

Artikel 13 – subsidiabele activiteit –
  • 1. Aanvragen kunnen worden gedaan voor de ontwikkeling van een speelfilm.

  • 2. Een aanvraag kan voor deze categorie gedaan worden voor:

    • scenario-ontwikkeling;

    • projectontwikkeling.

Artikel 14 – subsidiabele activiteit scenario- ontwikkeling –
  • 1. Een subsidie voor scenario-ontwikkeling wordt verleend voor het schrijven van één of meerdere versies van het scenario of een onderdeel daarvan.

  • 2. Indien een bijdrage als in voorgaand lid wordt aangevraagd kan daarnaast een bijdrage worden aangevraagd voor scriptcoaching.

  • 3. Indien een bijdrage wordt aangevraagd voor een of meerdere versies van het scenario waarbij meerdere schrijvers betrokken zijn kan daarnaast een bijdrage worden aangevraagd voor een coauteur.

Artikel 15 – besteding scenario-ontwikkeling –

De subsidie is primair bestemd voor (de) scenarist(en), eventueel betrokken scriptcoaches en coauteurs die het scenario, dan wel een of meerdere versies daarvan, ten behoeve waarvan deze bijdrage is verstrekt, vervaardigen.

Artikel 16 – subsidiabele activiteit projectontwikkeling –
  • 1. Subsidie voor projectontwikkeling wordt verleend voor de uitwerking van de zakelijke en productionele opzet van een filmproductie ter voorbereiding op de eventuele realisering.

  • 2. Indien voorzien van gedegen onderbouwing kunnen in ieder geval de kosten van de volgende onderdelen voor projectontwikkelingsubsidie in aanmerking komen:

    • de uitwerking van coproductie- en cofinancieringsmogelijkheden via buitenlandse fondsen, economische en fiscale financieringsvormen, coproducenten, sponsoring en andere vormen van (private) financiering;

    • de casting en de selectie van gespecialiseerde crewleden;

    • de basis voor het production design (w/o moodboards) en locatieonderzoek

    • cameratests en/of het storyboard

    • de eerste uitwerking van special en/of visual effects

    • de uitwerking van een breakdown en productieplanning;

    • de uitwerking van een gedetailleerde begroting;

    • het opstellen van een onderbouwd crossmediaal marketing- en distributieplan.

Artikel 17 – voorwaarden projectontwikkeling –

Subsidie voor projectontwikkeling wordt uitsluitend verleend indien:

  • a. het scenario naar het oordeel van het bestuur van dusdanig niveau is dat realisering van de filmproductie een reële mogelijkheid is, en,

  • b. realisering van de filmproductie zakelijk en productioneel onderzocht dient te worden, en,

  • c. ten tijde van indiening van de aanvraag een regisseur aan het project is verbonden.

Artikel 18 – verplichtingen projectontwikkeling –

In aanvulling op de verplichtingen genoemd in artikel 12 wordt een verslag door de aanvrager overgelegd van de vorderingen van de zakelijke ontwikkeling van de filmproductie binnen de in de beschikking genoemde termijn.

Artikel 19 – verplichtingen scenarist als aanvrager scenario- ontwikkeling –
  • 1. De scenarist zoals bedoeld in artikel 5, vierde lid, van dit reglement is verplicht tijdens de ontwikkeling van het scenario een productiemaatschappij hierbij te betrekken die de mogelijkheden van realisering van de filmproductie zal onderzoeken. De scenarist zal de productiemaatschappij in de gelegenheid stellen daartoe (een exclusieve optie op) de exclusieve verfilmings- en exploitatierechten te verwerven.

  • 2. Naast de verplichtingen genoemd in artikel 12 wordt tevens een verslag van het werkproces in de Nederlandse taal opgeleverd binnen de in de beschikking genoemde termijn.

Documentaire

Artikel 20 – subsidiabele activiteit –

Aanvragen kunnen gedaan worden voor de ontwikkeling en researchkosten van een

documentairescript alsmede voor het maken van eerste (proef)opnamen indien dat naar mening van het bestuur, voor de desbetreffende filmproductie noodzakelijk is.

Animatie

Artikel 21 – subsidiabele activiteit –
  • 1. Aanvragen kunnen gedaan worden voor de ontwikkeling van een scenario c.q. (moving) storyboard voor een animatiefilm met een vertoningsduur tot 60 minuten.

  • 2. Op animatiefilms met een beoogde vertoningsduur van tenminste 60 minuten zijn de bepalingen 13 t/m 18 van de categorie speelfilm van toepassing.

  • 3. Voor animatiefilms van tenminste 60 minuten kan subsidie voor het maken van een animatic worden aangevraagd.

Filmisch experiment

Artikel 22 – subsidiabele activiteit –

Aanvragen kunnen worden gedaan voor de ontwikkeling van een scenario c.q. storyboard van een

filmisch experiment alsmede voor het maken van eerste (proef)opnamen indien dat naar mening van het bestuur, voor de desbetreffende filmproductie noodzakelijk is.

Artikel 23 – Beoordelingscriterium –

Bij de beoordeling van een subsidieaanvraag beoordeelt het bestuur, in aanvulling op de criteria van Artikel 5 van het Algemeen Reglement of de filmproductie in de categorie filmisch experiment naar het oordeel van het bestuur bijdraagt aan de creatieve en technische innovatie van de cinematografie. Voor een toekenning dient ook de beoordeling van dit criterium positief te zijn.

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

  • 1. In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet, beslist het bestuur.

  • 2. Het bestuur kan om zwaarwegende redenen afwijken van dit reglement, voor zover dergelijke afwijkingen verenigbaar zijn met het beoordelingskader voor staatssteun aan de filmsector, zoals dat wordt gehanteerd door de Europese Commissie.

  • 3. Dit reglement is vastgesteld door het bestuur met goedkeuring van de Raad van Toezicht op 24 oktober 2012

  • 4. Dit Deelreglement treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

  • 5. Het Deelreglement Ontwikkeling zoals dat is vastgesteld op 9 maart 2011 is per 1 januari 2013 ingetrokken.

  • 6. Op alle aanvragen die door het Fonds voor 1 januari 2013 zijn ontvangen blijft het Deelreglement Ontwikkeling zoals dit gold tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 7. Dit reglement wordt aangehaald als Deelreglement Ontwikkeling van de Stichting Nederlands Fonds voor de film.

  • 8. Dit reglement wordt bekendgemaakt middels kennisgeving in de Staatscourant

    en op de website van het Nederlands Fonds voor de Film (www.filmfonds.nl).

De Stichting Nederlands Fonds voor de Film.

TOELICHTING

Algemene toelichting

Subsidie wordt verleend aan filmproducties op grond van het Algemeen Reglement en de betreffende deelreglementen. Met ingang van 2013 kent het Fonds drie programma’s met een specifiek profiel voor ontwikkeling, realisering en distributie van filmproducties van zowel ervaren als beginnende makers:

  • – New Screen NL het programma voor nieuw talent, filmisch experiment en voor de korte (animatie) film van debuterende en ervaren regisseurs, en

  • – Screen NL voor speelfilms, lange animatiefilms en lange documentaires waaronder ook internationale coproducties. Screen NL richt zich primair op ervaren regisseurs die hun tweede of volgende film willen maken, en

  • – Screen NL Plus waarbij (semi)automatische bijdragen worden verstrekt voor de realisering van bioscoopfilms voor een groot publiek en voor de distributie van filmproducties.

Per programma is een hoofd verantwoordelijk voor de uitvoering van de reglementen en een zorgvuldig proces van subsidieverlening. Voor de beoordeling van, en advisering over, aanvragen – aan de hand van de geldende reglementen en binnen de gestelde kaders – betrekt het Fonds vanaf 2013 filmconsulenten. Het subsidiebureau draagt daarbij zorg voor de projectanalyse, waarbij de productionele en zakelijke aspecten van een aanvraag worden getoetst. Het subsidiebureau adviseert tevens over de hoogte van een mogelijke bijdrage. Filmconsulenten hebben een bepaalde expertise en werken primair binnen het programma Screen NL of New Screen NL. In voorkomende gevallen adviseert het hoofd en/of eventuele externe adviseurs het bestuurover aanvragen. Besluiten over aanvragen worden genomen door het bestuur van het Fonds.

De nieuwe werkwijze van het Fonds binnen vaste programma’s sluit aan bij de vereenvoudiging en actualisering van de reglementen in 2011. Uitgangspunt daarbij was de reglementen aan te doen sluiten op de verschillende fasen van het productieproces: ontwikkeling, realisering en distributie en binnen de reglementen meer mogelijkheden te bieden voor nieuw talent en ervaren makers.

Het deelreglement Ontwikkeling beschrijft in het algemene deel onder meer de werkwijzen, procedures, vereisten en verplichtingen van de aanvrager die gelden voor alle subsidies voor ontwikkeling. In het tweede deel zijn per categorie bijzondere bepalingen vastgelegd. Op deze categorieën zijn de bepalingen van het algemene deel onverkort van toepassing.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1 (definities)

Het Fonds onderscheidt de volgende soorten van filmproductie: de categorieën speelfilm, documentaire, animatie en filmisch experiment.

Van de definitie van documentaire zijn uitgezonderd audiovisuele werken die louter tot doel hebben informatie te verstrekken of louter beschrijvend zijn, zoals bijvoorbeeld een voorlichtingsfilm, informatieve film, bedrijfsfilm, een reportage, een zuiver wetenschappelijke of didactische mediaproductie, een subsidie voor het journaal of voor een actualiteitenprogramma. Documentaires hebben in de regel, op een enkele uitzondering na, een vertoningsduur van tenminste 60 minuten.

Binnen de definitie filmisch experiment vallen niet alleen de filmproducties die binnen hun genre experimenteren en grensverleggend zijn, maar ook (speel)films die hun oorsprong voornamelijk vinden in de beeldende kracht van het medium film en die de grenzen tussen kunst en film verkennen.

Onder E-cultuur worden audiovisuele werken verstaan met een duidelijk aanwijsbare filmische component, waarin het visueel verhalende en de inzet van nieuwe media-toepassingen samenkomen. In deze werken is sprake van een meer of minder interactieve verhalende structuur waarbij het beeld in het middelpunt van de beleving van de kijker staat en de E-cultuur component van wezenlijke invloed is op de vorm en inhoud van de filmproductie. E-cultuur filmproducties met louter promotionele doeleinden komen niet in aanmerking voor een bijdrage van het Fonds op grond van dit deelreglement.

De producent is, als eindverantwoordelijke, tevens de eigenaar/aandeelhouder van de productiemaatschappij.

Indien de aanvrager een productiemaatschappij is zal ten genoegen van het bestuur moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de elementen van de definitie van productiemaatschappij.

Artikel 3 (subsidiesoorten)

Het Fonds verstrekt op grond van dit reglement hoofdzakelijk projectsubsidies maar kan besluiten om uitsluitend voor scenario-ontwikkeling een aparte aanvraagronde voor slate funding uit te schrijven waarvoor aanvragers zich mogen aanmelden.

Artikel 4 (slate funding)

Het Fonds maakt de subsidieronde en de daaraan verbonden voorwaarden bekend op de website van het Fonds. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op het minimum dan wel maximum aantal slates die gesteund kunnen worden, of het aantal filmplannen per slate, de maximale bijdrage waaruit de slate funding bestaat, welke opleveringseisen gesteld worden of de staat van dienst van de aanvrager.

Artikel 5 (aanvrager)

Bij de beoordeling of een producent, regisseur of scenarist debuterend, beginnend of ervaren is wordt gekeken naar de eerder gerealiseerde en professioneel uitgebrachte filmproducties binnen dezelfde categorie waarvoor een aanvraag wordt ingediend. Zo wordt bij de categorie speelfilm gekeken naar eerder gerealiseerde en in de bioscoop uitgebrachte speelfilms.

De natuurlijke persoon, die de productiemaatschappij rechtsgeldig vertegenwoordigt en namens deze leiding geeft aan de ontwikkeling van de filmproductie dient naar het oordeel van het bestuur aantoonbare ervaring in de professionele film/televisie praktijk te hebben als producent. De ontwikkeling van de filmproductie waar het Fonds een mogelijke bijdrage aan levert vindt plaats voor eigen rekening en risico van de productiemaatschappij en de betrokken producent.

Ten aanzien van slatefunding dienen de eerder door de producent gerealiseerde en in Nederland uitgebrachte speelfilms van de producent goede resultaten behaald te hebben. Hieronder wordt verstaan dat meerdere films erin zijn geslaagd om meer dan honderdduizend bezoekers in de Nederlandse bioscoop te bereiken en/of in artistiek opzicht succesvol te zijn geweest door op toonaangevende internationale filmfestivals deel uit te maken van de hoofdcompetitie en/of prijzen te winnen.

In de categorie filmisch experiment kan een regisseur die zijn of haar film zelf produceert ook een aanvraag indienen. De aanvrager moet dan wel aantoonbare, relevante ervaring hebben in de professionele film/ televisie praktijk, media of beeldende kunst. De hoogte van de subsidiebedragen voor dit soort subsidies is gelimiteerd. Indien de aanvrager een regisseur is die zijn of haar filmproductie zelf produceert en de geschatte totale productiekosten bij eventuele realisering een in het Financieel & Productioneel Protocol nader aangegeven bedrag overschrijden moet er in de fase van ontwikkeling reeds worden samengewerkt met een ervaren producent of moet de aanvrager naar het oordeel van het Fonds zelf genoeg aantoonbare productie-ervaring hebben.

Ten behoeve van de research in de categorie documentaire kan, indien het bestuur daartoe een aanvraagronde heeft uitgeschreven, een ervaren regisseur ook zelf een aanvraag indienen. Het Fonds hanteert in beginsel de regel dat een regisseur ervaren is als deze aantoonbare ervaring heeft in de professionele Nederlandse film en televisie praktijk en als regisseur verantwoordelijk is geweest voor minimaal twee geproduceerde lange documentaires met een bioscoopuitbreng of landelijke televisie-uitzending.

Ten behoeve van scenario-ontwikkeling in de categorie speelfilm kan, indien het bestuur daartoe een aanvraagronde heeft uitgeschreven, een ervaren scenarist ook zelf een aanvraag indienen. Het Fonds hanteert in beginsel de regel dat een scenarist ervaren is als deze aantoonbare ervaring heeft in de professionele Nederlandse film en televisie praktijk en als hoofdscenarist verantwoordelijk is geweest voor minimaal twee geproduceerde speelfilms die in de Nederlandse bioscoop zijn uitgebracht. Indien de scenarist echter bij de aanvraag gemotiveerd kan aantonen dat hij beschikt over aantoonbare andere, maar vergelijkbare ervaring in Nederland kan het bestuur besluiten dat deze scenarist voor deze aanvraag ook als ervaren scenarist wordt aangemerkt.

Artikel 9 (samenwerkingprojecten)

Het bestuur kent ontwikkelingssubsidies in het kader van samenwerkingsprojecten met andere (subsidieverlenende) instellingen voor zover mogelijk en relevant overeenkomstig dit reglement toe. Met name waar het gaat om procedures en werkwijzen kan het bestuur in deze gevallen van dit reglement afwijken.

Artikel 11 (betrokkenheid van regisseurs en scenaristen)

De balans en samenwerking in de driehoek producent, scenarist en regisseur dient optimaal te zijn om te komen tot zo sterk mogelijke filmplannen, die niet alleen creatief en zakelijk overtuigen maar ook de aansluiting zoeken bij een publiek. Indien het Fonds ziet dat dezelfde makers betrokken zijn bij meerdere aanvragen, kan het Fonds voorwaarden stellen aan de betrokkenheid van deze makers teneinde een optimale voortgang van de ontwikkeling en realisering van filmproducties te waarborgen.

Vanuit doelmatigheidsoverwegingen kan het bestuur besluiten dat bepaalde regisseurs en scenaristen in beperkte mate bij de ontwikkeling van onderscheidenlijke projecten betrokken kunnen zijn. Zo is het bestuur van mening dat een producent en creatief verantwoordelijke regisseur van één filmproductie in principe niet verenigd kunnen zijn in één persoon. Verder kan een regisseur of scenarist aan maximaal drie aanvragen tegelijkertijd verbonden zijn.

Artikel 12 (verplichtingen subsidieontvanger)

Eventuele in de aanvraag op te nemen maximale bedragen en percentages, die gehanteerd mogen worden staan vermeld in het aanvraagformulier en in het Financieel & Productioneel Protocol op de website van het Fonds.

Artikel 13 (subsidiabele activiteit speelfilm)

Onder scenario-ontwikkeling wordt mede de uitwerking van een synopsis en treatmentontwikkeling verstaan.

Artikel 14 (subsidiabele activiteit scenario-ontwikkeling)

De subsidie voor scenario-ontwikkeling wordt verleend voor het schrijven van één of meerdere versies van het scenario. Dit houdt in dat voor alle stadia van ontwikkeling van een speelfilm subsidie kan worden verleend: van de uitwerking van een synopsis of treatment tot het herschrijven van een scenario. Onder scenario-ontwikkeling worden tevens verstaan de kosten gemaakt voor optierechten op de verfilmingrechten van een bestaand werk zij het dat deze vanuit de overheadvergoeding of eigen middelen van de producent gefinancierd moeten worden.

Artikel 15 (besteding scenario-ontwikkeling)

De subsidie is primair bestemd voor (de) scenarist(en) en eventueel betrokken scriptcoaches en co-auteurs. Voor extra ondersteuning door een scriptcoach en/of coauteur kan in het geval van projectsubsidie ook apart een aanvraag worden ingediend. Bij slatefunding dienen deze kosten binnen het totaalbudget voor scenario-ontwikeling meegenomen te worden. De maximale subsidiebedragen en percentages worden in het Financieel & Productioneel Protocol vermeld.

Artikel 16 (subsidiabele activiteit projectontwikkeling)

De uitwerking van de zakelijke en productionele opzet van een filmproductie ter voorbereiding op de eventuele realisering wordt in twee fasen aangevraagd:

In fase 1 dient het vooronderzoek, cruciaal voor de eventuele realisering, plaats te vinden. Het gaat daarbij niet alleen om het onderzoeken van vorm en inhoud, maar tevens de productionele haalbaarheid, co-financieringsmogelijkheden en andere zakelijke kwesties. In fase 1 dient een belangrijke stap voor het productierijp maken van de filmproductie genomen te worden. Deze fase kan zowel volgen op, als samenvallen met het stadium van de scenario-ontwikkeling. In dat laatste geval dient het scenario in dat stadium reeds voldoende potentie te hebben. In principe maken de kosten voor scenario-ontwikkeling geen onderdeel uit van projectontwikkeling, maar het is wel mogelijk om in deze fase een beperkt aandeel van de subsidie te reserveren voor herschrijfwerkzaamheden indien deze noodzakelijk zijn voor het productierijp maken van de filmproductie.

In fase 2 kan een aanvullende bijdrage voor projectontwikkeling aangevraagd worden. In dat geval moet het scenario productierijp zijn. Deze fase van projectontwikkeling is primair bedoeld voor de verdere en concrete productionele en zakelijke uitwerking ter voorbereiding op eventuele realisering.

Artikel 18 (verplichtingen projectontwikkeling)

De aanvrager dient een verslag over de resultaten van de projectontwikkeling binnen de in de beschikking gestelde termijn op te leveren. Indien de aanvrager een vervolg aanvraag indient voor een bijdrage in het kader van de realisering van dezelfde filmproductie, dient het verslag of statusrapport van de projectontwikkeling te worden verwerkt in deze aanvraag.

Artikel 21 (animatie/subsidiabele activiteit)

Aanvragen voor een animatiefilm met een vertoningsduur van 60 minuten of meer die bestemd is voor vertoning in de bioscoop vallen onder de categorie Speelfilm.

Artikel 22 (filmisch experiment/subsidiabele activiteit)

Bij de ontwikkelingsaanvraag moet rekening worden gehouden met de beelddragers waarop de filmproductie, indien gerealiseerd, wordt vastgelegd. Toepassing van alle beschikbare beelddragers is toegestaan binnen deze categorie, mits het eindresultaat geschikt is voor vertoning aan een publiek in bioscopen of filmtheaters, dan wel in musea, galeries of vergelijkbare publieke locaties of via het internet en/of festivals.

Artikel 23 (filmisch experiment/beoordelingscriterium)

Bij de beoordeling aan de hand van dit criterium is van belang in welke mate de filmproductie innovatief is. Hierbij wordt beoordeeld in hoeverre de filmproductie vernieuwend, uitzonderlijk en voorbeeldstellend van karakter is. Daarbij kan het gaan om nieuwe werkwijzen op technisch en creatief gebied waardoor de filmproductie een kwalitatieve en/of professionele toevoeging is aan het culturele aanbod in Nederland. Dit beoordelingscriterium dient, aanvullend op de beoordelingscriteria genoemd in artikel 5 van het Algemeen Reglement, positief beoordeeld te worden voor een toekenning in de categorie filmisch experiment.

Artikel 24 (Overgangs- en slotbepalingen)

De peildatum die van belang is voor het overgangsregime is de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening. Op aanvragen die vanaf 1 januari 2013 zijn ingediend is dit deelreglement van toepassing.

Naar boven