Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 19 december 2012, nummer WBV 2012/25, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Algemene inhoudsopgave/Deel A Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 1.

B

Algemene inhoudsopgave/Deel C Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden als aangegeven in bijlage 2.

C

Het deel A wordt opnieuw vastgesteld. De tekst komt te luiden als aangegeven in bijlage 3.

D

Het deel C wordt opnieuw vastgesteld. De tekst komt te luiden als aangegeven in bijlage 4.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2013.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 december 2012

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, namens deze: L. Mulder, Directeur-generaal Vreemdelingenzaken.

BIJLAGE 1

DEEL A

A1 Toegang

  • 1. Inleiding

  • 2. Bevoegdheid

  • 3. Voorwaarden

  • 4. Bewijsmiddelen

    • 4.1 Document voor grensoverschrijding

    • 4.2 Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens

    • 4.3 Visum

    • 4.4 Reisdoel

    • 4.5 Middelen van bestaan

    • 4.6 Deponeren retourticket en garantiesom

    • 4.7 Garantstelling door derde

    • 4.8 Aannemelijk maken Nederlanderschap

    • 4.9 Procedure vervallen en inhouding document voor grensoverschrijding

    • 4.10 Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland

    • 4.11 Diplomatieke en consulaire koeriers

    • 4.12 Passagierende zeelieden

    • 4.13 Adoptiekind, adoptiefkind en pleegkind

  • 5. Visa

    • 5.1 Wijzigen van visa

    • 5.2 Kosten van visa

    • 5.3 Terugkeervisa

    • 5.4 Visum voor verblijf van langere duur (mvv) (type D)

  • 6. Vrije termijn

  • 7. Toezicht aan de buitengrens

    • 7.1 Controle

    • 7.2 Toegang onder voorwaarden

    • 7.3 Weigeren van toegang

    • 7.4 Ondersteuning van doorgeleiding via Nederland bij verwijdering door de lucht

  • 8. Bijzondere categorieën

  • 9. Verplichtingen voor vervoerders

A2 Toezicht

  • 1. Inleiding

  • 2. Staande houden, overbrengen en ophouden

  • 3. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus

  • 4. Rechtsbijstand

  • 5. Verhoor

  • 6. Verlenging en einde ophouding

  • 7. Kennisgeving aan derden

  • 8. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten

  • 9. Binnentreden

  • 10. Verplichtingen in het kader van toezicht

    • 10.1 Verlenen van medewerking aan identificatie

    • 10.2 Verplichting tot het verstrekken van gegevens

    • 10.3 Meldplicht

    • 10.4 Veiligheidsfouillering

  • 11. Toezicht op bewijsmiddelen

  • 12. Signaleringen

    • 12.1 Inleiding

    • 12.2 Opneming van signaleringen

    • 12.3 Aanvang termijn signalering

    • 12.4 Gevolgen signalering bij het aantreffen aan de grens of binnen Nederland

    • 12.5 Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen

    • 12.6 Aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

    • 12.7 Bezit geldige verblijfstitel en signalering

    • 12.8 Opheffing van signaleringen

      • 12.8.1 Verzoek opheffing van een signalering in het (N)SIS

      • 12.8.2 Verzoek opheffing van een signalering in het OPS

    • 12.9 Toegang verlenen ondanks signalering

  • 13. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten

A3 Vertrek en uitzetting

  • 1. Inleiding

  • 2. Zelfstandig vertrek

  • 3. Vertrektermijnen

  • 4. Reisdocumenten

    • 4.1 Aanvragen van een geldig document voor grensoverschrijding

    • 4.2 Contact met de diplomatieke vertegenwoordiging

    • 4.3 Moment van aanvraag

    • 4.4 Gedragslijn als geen geldig document voor grensoverschrijding kan worden verkregen

    • 4.5 Gebruik van een EU-staat

    • 4.6 Het stellen van aantekeningen in geldige documenten voor grensoverschrijding van de vreemdeling

    • 4.7 Het inhouden van bewijsmiddelen

  • 5. Vertrek met behulp van de IOM

  • 6. Uitzetting

    • 6.1 Uitgeprocedeerde Amv’s

    • 6.2 Verwijdering van gezinsleden uit Nederland

    • 6.3 Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

    • 6.4 Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

    • 6.5 Aanlevering van de vreemdeling voor de uitzetting

    • 6.6 Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting

    • 6.7 Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

    • 6.8 Overdracht in het kader van de Verordening 343/2003

    • 6.9 Bericht van vertrek of ontruiming

    • 6.10 Gedragslijn als uitzetting niet mogelijk is

  • 7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen

    • 7.1 Aanvraag op grond van artikel 64 Vw

      • 7.1.1 Raadplegen BMA

      • 7.1.2 Inwilliging

      • 7.1.3 Handelswijze bij een inreisverbod

    • 7.2 Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag op grond van artikel 64 Vw

      • 7.2.1 Inwilliging

    • 7.3 Medische aspecten parallel aan de asielprocedure

      • 7.3.1 Inwilliging

    • 7.4 Procedure bij zwangerschap/ bevalling

    • 7.5 Procedure bij TBC

    • 7.6 Procedure in geval van vreemdelingenbewaring

    • 7.7 Rechtsmiddelen

  • 8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

  • 9. Verhaal van kosten van uitzetting

  • 10. Vreemdelingen in de strafrechtketen

  • 11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname

A4 Het inreisverbod en de ongewenstverklaring

  • 1. Inleiding

  • 2. Het inreisverbod

    • 2.1 Gronden voor het inreisverbod

    • 2.2 Geen inreisverbod

    • 2.3 Duur van het inreisverbod

    • 2.4 Procedurele aspecten

      • 2.4.1 Voorbereiding van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

      • 2.4.2 Uitreiking van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

    • 2.5 Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod

      • 2.5.1 De vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod

      • 2.5.2 Beoordeling van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod

      • 2.5.3 Aanvraag tot opheffing van het inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid

      • 2.5.4 Tijdelijke opheffing van het inreisverbod

  • 3. Ongewenstverklaring

    • 3.1 Gronden voor ongewenstverklaring

    • 3.2 Procedurele aspecten

    • 3.3 Voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring

    • 3.4 Uitreiking van het besluit tot ongewenstverklaring

    • 3.5 Opheffing van de ongewenstverklaring

      • 3.5.1 Inleiding

      • 3.5.2 De vorm en inhoud van de aanvraag

    • 3.6 Beoordeling van de aanvraag

    • 3.7 Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

      • 3.7.1 Vorm van de aanvraag

      • 3.7.2 Inhoud van de aanvraag

      • 3.7.3 Beoordeling van de aanvraag

      • 3.7.4 Voorwaarden aan deBinnenkomst, toezicht en vertrek tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

      • 3.7.5 Binnenkomst, toezicht en vertrek

    • 3.8 EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden

A5 Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

  • 1. Inleiding

  • 2. Algemeen

    • 2.1 Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen

    • 2.2 Aanmelding vreemdeling

    • 2.3 Het lichten van vreemdelingen

    • 2.4 Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen

  • 3. Vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw

    • 3.1 Gronden voor vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw

    • 3.2 Gezinnen met minderjarigen

  • 4. Beschikbaar houden op grond van art. 55, lid 1 Vw

  • 5. Vrijheidsbeperking op grond van art. 56 Vw

  • 6. Vrijheidsontneming op grond van artikel 59 Vw

    • 6.1 Vrijheidsontneming van vreemdelingen met rechtmatig verblijf

    • 6.2 Vrijheidsontneming van Dublinclaimanten

    • 6.3 Vrijheidsontneming na tweede of volgende asielaanvraag

    • 6.4 Gehoor

    • 6.5 Bijstand van een raadsman

    • 6.6 De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

    • 6.7 Hernieuwde vrijheidsontneming op een andere bewaringsgrond

    • 6.8 De duur

    • 6.9 Voorlopige voorziening

    • 6.10 Tenuitvoerlegging

    • 6.11 Plaatsing in een justitiële inrichting

    • 6.12 Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie

    • 6.13 Tenuitvoerlegging strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming

    • 6.14 Beëindiging vrijheidsontneming

  • 7. De behandeling van beroep

BIJLAGE 2

DEEL C

C1 Asiel algemeen

  • 1. Inleiding

  • 2. Aanvraagprocedures

    • 2.1 Algemeen

    • 2.2 De rust- en voorbereidingstermijn

    • 2.3 De algemene asielprocedure

    • 2.4 De verlengde asielprocedure

    • 2.5 Eerste en Nader gehoor

    • 2.6 Voornemenprocedure

    • 2.7 Het geven van de beschikking

  • 3. Beoordelen van de asielaanvraag

C2 De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

  • 1. Inleiding

  • 2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

  • 3. Internationale bescherming

    • 3.1 Algemeen

    • 3.2 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap

    • 3.3 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw, foltering of onmenselijke behandeling

  • 4. Nationale bescherming

    • 4.1 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c Vw, in redelijkheid kan terugkeer niet worden verlangd

    • 4.2 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d Vw, categoriale bescherming

    • 4.3 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e en f Vw, afgeleide verblijfsvergunning

  • 5. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (imperatief)

  • 5.1 Een ander land is verantwoordelijk (artikel 30, eerste lid sub a Vw)

  • 5.2 De vreemdeling is al in procedure (artikel 30, eerste lid sub c Vw)

  • 6. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (facultatief)

    • 6.1 Er is geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

    • 6.2. De specifieke afwijzingsgronden

      • 6.2.1 Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden

      • 6.2.2 Niet onverwijld gemeld

      • 6.2.3 Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd

      • 6.2.4 Veilig land van herkomst en veilig derde land

      • 6.2.5 Land van eerder verblijf

      • 6.2.6 Verblijfsalternatief

      • 6.2.7 Openbare orde of nationale veiligheid

      • 6.2.8 Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag

      • 6.2.9 Europese lijst van veilige landen van herkomst

  • 7. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

  • 8. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

    • 8.1 De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achter gehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid

    • 8.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag blijkt alsnog van toepassing

    • 8.3 Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid

    • 8.4 De grond voor verlening is komen te vervallen

    • 8.5 De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd

  • 9. Rechtsmiddelen

C3 Moratoria

  • 1. Inleiding

  • 2. Besluitmoratorium

  • 3. Vertrekmoratorium

C4 Tijdelijke bescherming

  • 1. Inleiding

  • 2. Tijdelijke bescherming

C5 Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

  • 1. Inleiding

  • 2. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

  • 3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

  • 4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

C6 Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen

  • 1. Inleiding

  • 2. Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen

C7 Landgebonden beleid

  • 1. Landgebonden asielbeleid algemeen

  • 2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan

    • 2.1 Besluitmoratorium

    • 2.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 2.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 2.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 2.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 2.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 2.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 2.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 2.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 2.5 Bescherming

      • 2.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 2.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 2.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 2.7 Vertrekmoratorium

    • 2.8 Bijzonderheden

  • 3. Het asielbeleid ten aanzien van Angola

    • 3.1 Besluitmoratorium

    • 3.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 3.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 3.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 3.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 3.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 3.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 3.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 3.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 3.5 Bescherming

      • 3.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 3.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 3.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 3.7 Vertrekmoratorium

    • 3.8 Bijzonderheden

  • 4. Het beleid ten aanzien van Armenië

    • 4.1 Besluitmoratorium

    • 4.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 4.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 4.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 4.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 4.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 4.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 4.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 4.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 4.5 Bescherming

      • 4.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 4.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 4.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 4.7 Vertrekmoratorium

    • 4.8 Bijzonderheden

  • 5. Het beleid ten aanzien van Azerbeidzjan

    • 5.1 Besluitmoratorium

    • 5.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 5.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 5.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 5.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 5.4 Foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 5.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 5.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 5.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 5.4.4 Bijzonderheden

    • 5.5 Bescherming

      • 5.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 5.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 5.5.3 Buitenlands vestigingsalternatief in Armenië.

    • 5.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 5.7 Vertrekmoratorium

    • 5.8 Bijzonderheden

  • 6. Het beleid ten aanzien van Bosnië Herzegovina

    • 6.1 Besluitmoratorium

    • 6.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 6.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 6.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 6.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 6.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 6.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 6.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 6.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 6.5 Bescherming

      • 6.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 6.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 6.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 6.7 Vertrekmoratorium

    • 6.8 Bijzonderheden

  • 7. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi

    • 7.1 Besluitmoratorium

    • 7.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 7.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 7.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 7.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 7.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 7.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 7.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 7.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 7.5 Bescherming

      • 7.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 7.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 7.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 7.7 Vertrekmoratorium

    • 7.8 Bijzonderheden

  • 8. Het asielbeleid ten aanzien van China

    • 8.1 Besluitmoratorium

    • 8.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 8.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 8.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 8.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 8.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 8.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 8.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 8.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 8.5 Bescherming

      • 8.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 8.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 8.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 8.7 Vertrekmoratorium

    • 8.8 Bijzonderheden

  • 9. Het beleid ten aanzien van Colombia

    • 9.1 Besluitmoratorium

    • 9.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 9.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 9.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 9.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 9.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 9.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 9.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 9.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 9.5 Bescherming

      • 9.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 9.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 9.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 9.7 Vertrekmoratorium

    • 9.8 Bijzonderheden

  • 10. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)

    • 10.1 Besluitmoratorium

    • 10.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 10.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 10.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 10.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 10.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 10.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 10.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 10.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 10.5 Bescherming

      • 10.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 10.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 10.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 10.7 Vertrekmoratorium

    • 10.8 Bijzonderheden

  • 11. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea

    • 11.1 Besluitmoratorium

    • 11.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 11.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 11.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 11.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 11.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 11.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 11.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 11.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 11.4.4 Dienstplichtigen en deserteurs

    • 11.5 Bescherming

      • 11.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 11.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 11.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 11.7 Vertrekmoratorium

    • 11.8 Bijzonderheden

  • 12. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee

    • 12.1 Besluitmoratorium

    • 12.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 12.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 12.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 12.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 12.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 12.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 12.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 12.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 12.5 Bescherming

      • 12.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 12.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 12.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 12.7 Vertrekmoratorium

    • 12.8 Bijzonderheden

  • 13. Het asielbeleid ten aanzien van Irak

    • 13.1 Besluitmoratorium

    • 13.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 13.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 13.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 13.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 13.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 13.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 13.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 13.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 13.5 Bescherming

      • 13.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 13.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 13.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 13.7 Vertrekmoratorium

    • 13.8 Bijzonderheden

  • 14. Het asielbeleid ten aanzien van Iran

    • 141 Besluitmoratorium

    • 14.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 14.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 14.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 14.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 14.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 14.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 14.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 14.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 14.4.4 Christenen

    • 14.5 Bescherming

      • 14.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 14.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 14.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 14.7 Vertrekmoratorium

    • 14.8 Bijzonderheden

  • 15. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust

    • 15.1 Besluitmoratorium

    • 15.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 15.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 15.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 15.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 15.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 15.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 15.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 15.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 15.5 Bescherming

      • 15.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 15.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 15.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 15.7 Vertrekmoratorium

    • 15.8 Bijzonderheden

  • 16. Het asielbeleid ten aanzien van Libië

    • 16.1 Besluitmoratorium

    • 16.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 16.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 16.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 16.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 16.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 16.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 16.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 16.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 16.5 Bescherming

      • 16.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 16.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 16.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 16.7 Vertrekmoratorium

    • 16.8 Bijzonderheden

  • 17. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië

    • 17.1 Besluitmoratorium

    • 17.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 17.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 17.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 17.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 17.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 17.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 17.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 17.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 17.5 Bescherming

      • 17.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 17.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 17.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 17.7 Vertrekmoratorium

    • 17.8 Bijzonderheden

  • 18. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal

    • 18.1 Besluitmoratorium

    • 18.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 18.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 18.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 18.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 18.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 18.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 18.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 18.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 18.5 Bescherming

      • 18.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 18.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 18.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 18.7 Vertrekmoratorium

    • 18.8 Bijzonderheden

  • 19. Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria

    • 19.1 Besluitmoratorium

    • 19.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 19.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 19.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 19.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 19.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 19.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 19.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 19.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 19.5 Bescherming

      • 19.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 19.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 19.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 19.7 Vertrekmoratorium

    • 19.8 Bijzonderheden

  • 20. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan

    • 20.1 Besluitmoratorium

    • 20.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 20.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 20.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 20.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 20.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 20.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 20.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 20.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 20.5 Bescherming

      • 20.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 20.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 20.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 20.7 Vertrekmoratorium

    • 20.8 Bijzonderheden

  • 21. Het asielbeleid ten aanzien van Rusland

    • 21.1 Besluitmoratorium

    • 21.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 21.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 21.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 21.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 21.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 21.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 21.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 21.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 21.5 Bescherming

      • 21.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 21.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 21.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 21.7 Vertrekmoratorium

    • 21.8 Bijzonderheden

  • 22. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone

    • 22.1 Besluitmoratorium

    • 22.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 22.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 22.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 22.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 22.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 22.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 22.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 22.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 22.5 Bescherming

      • 22.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 22.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 22.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 22.7 Vertrekmoratorium

    • 22.8 Bijzonderheden

  • 23. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië

    • 23.1 Besluitmoratorium

    • 23.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 23.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 23.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 23.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 23.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 23.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 23.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 23.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 23.5 Bescherming

      • 23.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 23.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 23.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 23.7 Vertrekmoratorium

    • 23.8 Bijzonderheden

  • 24. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka

    • 24.1 Besluitmoratorium

    • 24.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 24.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 24.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 24.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 24.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 24.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 24.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 24.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 24.5 Bescherming

      • 24.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 24.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 24.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 24.7 Vertrekmoratorium

    • 24.8 Bijzonderheden

  • 25. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan

    • 25.1 Besluitmoratorium

    • 25.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 25.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 25.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 25.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 25.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 25.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 25.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 25.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 25.5 Bescherming

      • 25.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 25.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 25.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 25.7 Vertrekmoratorium

    • 25.8 Bijzonderheden

  • 26. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië

    • 26.1 Besluitmoratorium

    • 26.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 26.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 26.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 26.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 26.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 26.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 26.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 26.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 26.4.4 Vreemdelingen die geen actieve aanhanger zijn van het regime

    • 26.5 Bescherming

      • 26.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 26.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 26.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 26.7 Vertrekmoratorium

    • 26.8 Bijzonderheden

  • 27. Het beleid ten aanzien van Turkije

    • 27.1 Besluitmoratorium

    • 27.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

    • 27.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag

      • 27.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

      • 27.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 27.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM

      • 27.4.1 Uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM

      • 27.4.2 Systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM

      • 27.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/2 Vc.

    • 27.5 Bescherming

      • 27.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

      • 27.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/5 Vc.

    • 27.6 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

    • 27.7 Vertrekmoratorium

    • 27.8 Bijzonderheden

BIJLAGE 3

A1 Toegang

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op of een uitwerking van:

  • de verordening nr. 562/2006 EG (Schengengrenscode);

  • de Verordening nr. 810/2009 EG (Visumcode);

  • artikel 3 Vw;

  • artikel 5 Vw;

  • artikel 6 Vw;

  • artikel 50 Vw;

  • artikel 8.7 en artikel 8.8 Vb.

In dit hoofdstuk wordt onder ‘toegang’ verstaan de toegang tot het Schengengebied. Onder ‘vertrek’ wordt verstaan het vertrek uit het Schengengebied.

2. Bevoegdheid

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd de grensbewakingstaak binnen Nederland uit te oefenen. Hieronder is de geografische verdeling aangegeven van de gebieden waarin de grensbewaking plaatsvindt. De ZHP en de KMar zijn bevoegd afspraken te maken over het verlenen van bijstand aan elkaar bij de grensbewaking.

ZHP

Alle ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. De ZHP in de politieregio Rotterdam-Rijnmond is in ieder geval verantwoordelijk voor deze taken. De ambtenaren van de ZHP zijn belast:

  • met de grensbewaking bij de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens, inclusief de benoemde ankerplaatsen;

  • met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, inclusief de kust- en binnenwateren van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

KMar

De ambtenaren van de KMar zijn belast:

  • met de grensbewaking bij alle grensdoorlaatposten in Nederland behalve Rotterdam-Havens, inclusief de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/Europoort in de politieregio Rotterdam-Rijnmond;

  • met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de rest van Nederland.

De Beneluxlidstaten zijn overeengekomen om het havengebied Gent-Terneuzen, met inbegrip van het kanaal, te beschouwen als buitengrens van het grondgebied van de Benelux voor de personencontrole van opvarenden van zeeschepen in de kanaalzone Gent-Terneuzen. De grensdoorlaatpost in het havengebied Gent-Terneuzen wordt als buitengrens van het Schengengebied beschouwd.

Tijdelijke grensdoorlaatposten

Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, achtste lid, SGC). De ambtenaren van de KMar zijn belast met de grensbewaking bij de tijdelijke grensdoorlaatposten.

Visa intrekken of nietig verklaren

In Nederland zijn de Korpschef (Vreemdelingenpolitie), de KMar en de ZHP bevoegd om visa nietig te verklaren en in te trekken. De Korpschef, de KMar en de ZHP moeten tijdens kantooruren contact opnemen met de IND voordat zij een visum intrekken of nietig verklaren.

De Korpschef, de KMar en de ZHP maken de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze beslissing is gebaseerd aan de vreemdeling kenbaar door middel van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode).

Bijzondere categorieën

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen is bevoegd de bepalingen van de Vw toe te passen op vreemdelingen die niet tot een van de hieronder genoemde categorieën behoren:

  • diplomatieke en consulaire ambtenaren;

  • diplomatieke en consulaire koeriers;

  • leden van internationale organisaties waarmee Nederland een zetelovereenkomst heeft gesloten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt onmiddellijk contact op met het ministerie van BuZa, dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is in de hierna genoemde situaties:

  • een vreemdeling die op grond van artikel 50, eerste lid, Vw is staande gehouden ter vaststelling van zijn identiteit beroept zich er op dat hij tot een bijzondere categorie behoort, maar de vreemdeling kan op het moment van staande niet door het tonen van een legitimatiebewijs of ander document aannemelijk maken dat hij inderdaad tot een bijzondere categorie behoort;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen twijfelt op andere gronden of de vreemdeling tot een bijzondere categorie behoort.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen is bevoegd op grond van de in artikel 50, tweede lid, Vw toegekende bevoegdheid de vreemdeling over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en de vreemdeling zich op die plaats laten ophouden.

3. Voorwaarden

Als een vreemdeling, die in Nederland een verblijfsvergunning bezit of in een andere Schengenstaat een geldige verblijfstitel bezit, in het (N)SIS staat gesignaleerd, meldt de ambtenaar belast met de grensbewaking de treffer bij bureau SIRENE en licht de IND in.

De ambtenaar belast met de grensbewaking moet de vreemdeling doorlaten aan de grens dan wel doorreis verlenen als de vreemdeling aan de overige voorwaarden voor toegang voldoet als bedoeld in artikel 5 SGC.

Ingeval de vreemdeling in bezit is van een Nederlandse verblijfsvergunning en twijfel bestaat over de rechtmatigheid van deze verblijfsvergunning, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking nagaan bij de IND of de Nederlandse verblijfsvergunning rechtmatig is afgegeven.

De IND raadpleegt de Schengenstaat die een verblijfstitel aan de vreemdeling heeft afgegeven. De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang op grond van artikel 13, eerste lid juncto artikel 5, eerste lid, onder e, SGC aan een vreemdeling die in het bezit is van een Nederlandse verblijfsvergunning of van een voor een andere Schengenstaat geldige verblijfstitel en in het OPS gesignaleerd staat.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent toegang aan een vreemdeling die niet wordt beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.

Onder gevaar voor de openbare orde vallen alle volgende situaties:

  • gevaar voor de openbare rust;

  • gevaar voor de goede zeden;

  • gevaar voor de volksgezondheid (zie A1/4.10 Vc).

Als een vreemdeling gesignaleerd staat in het(N)SIS is dat een indicatie dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking die gegronde redenen heeft te veronderstellen dat de vreemdeling (politieke) activiteiten ontplooit die een gevaar opleveren voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen stemt met de IND af of toegang aan de vreemdeling kan worden verleend.

Een vreemdeling die een gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid mag niet tijdens de vrije termijn in het Schengengebied verblijven.

Gevaar voor de openbare orde bestaat in ieder geval in de volgende situaties:

  • de vreemdeling staat in het OPS gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of als ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’;

  • de vreemdeling staat ter fine van weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd.

De vreemdeling moet voldoen aan de voorwaarden voor toegang tenzij deze in het bezit is van een reisdocument voor vluchtelingen dat is afgegeven op grond van tenminste één van de volgende regelingen:

  • de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (Trb. 1959, nr. 153);

  • de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of de DT&V mag deze vreemdeling niet naar zijn land van herkomst verwijderen.

4. Bewijsmiddelen

4.1 Document voor grensoverschrijding

Het geldige document voor grensoverschrijding moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering op deze regel vormt Taiwan. Taiwan wordt niet door Nederland als staat erkend terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig document voor grensoverschrijding. Het geldige document voor grensoverschrijding moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van de houder en moet ondertekend zijn door de houder.

Het geldige document voor grensoverschrijding moet in ieder geval de familienaam, de voornaam of voornamen, de nationaliteit, de geboorteplaats en de geboortedatum van de houder bevatten. De geldigheidsduur van het geldig document voor grensoverschrijding moet langer zijn dan de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling.

4.2 Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft met het oog op kort verblijf van de vreemdeling een bijzonder doorlaatbewijs (zie Model M6) af aan een vreemdeling die:

  • niet visumplichtig is;

  • die bij binnenkomst niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Een bijzonder doorlaatbewijs is na afgifte een geldig document voor grensoverschrijding.

Het afgeven van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens is een bevoegdheid van de lidstaten van de Benelux. De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft het bijzondere doorlaatbewijs af op grond van het reisdoel en de plaats van bestemming voor:

  • de drie Beneluxlidstaten gezamenlijk;

  • twee van de lidstaten;

  • één van de lidstaten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking toetst de afgifte van een bijzonder doorlaatbewijs aan elk van de volgende voorwaarden:

  • a. de vreemdeling toont aan dat er sprake is van overmacht;

  • b. de vreemdeling toont aan dat er een dringende en gegronde reden voor verlening van toegang bestaat;

  • c. de vreemdeling maakt aannemelijk dat de duur van het verblijf niet langer dan twee weken zal bedragen; en

  • d. de vreemdeling is in het bezit van een document waaruit zijn identiteit blijkt.

Ad a.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verstaat onder een situatie van overmacht in ieder geval:

  • passagierende zeelieden van wie het zeeschip onaangekondigd is uitgevaren;

  • drenkelingen;

  • personen die het slachtoffer zijn geworden van diefstal van het geldige document voor grensoverschrijding.

Ad d.

Het document waaruit de identiteit van de vreemdeling blijkt is bij voorkeur een identiteitsbewijs voorzien van een pasfoto afgegeven door een autoriteit van het land van herkomst van de vreemdeling. De ambtenaar belast met de grensbewaking bevestigt op het bijzonder doorlaatbewijs een foto van de vreemdeling als de vreemdeling beschikt over een document waaruit zijn identiteit blijkt, maar dat document niet is voorzien van een foto.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent het bijzondere doorlaatbewijs gratis aan de vreemdeling.

4.3 Visum

De vreemdeling die verzoekt om toegang tot Nederland moet bij binnenkomst in Nederland informatie verstrekken aan de ambtenaar belast met de grensbewaking ter ondersteuning van zijn verzoek om toegang. De informatie die de vreemdeling aan de ambtenaar belast met de grensbewaking verstrekt moet overeenkomen met de informatie die de vreemdeling heeft verstrekt aan de diplomatieke post ter verkrijging van een visum.

De vreemdeling moet, in de gevallen waarin dat vereist is, voor een verblijf van langer dan drie maanden beschikken over een mvv.

4.4 Reisdoel

De vreemdeling maakt het doel en duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk bij de ambtenaar belast met de grensbewaking. De vreemdeling moet ter onderbouwing alle gegevens verstrekken en beschikbare bewijsmiddelen tonen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In bijlage 1 bij de SCG is een niet-uitputtende lijst van bewijsmiddelen opgenomen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking wint met toestemming van de vreemdeling inlichtingen in bij het hiervoor door de betreffende luchtvaartmaatschappij beschikbaar gestelde informatiepunt in het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en om die reden niet in het bezit is van een retourticket. De ambtenaar belast met de grensbewaking wijst de vreemdeling er op dat de toegang wordt geweigerd als:

  • de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met de grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij; en

  • de vreemdeling niet op andere wijze het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk maakt.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert niet de toegang aan een vreemdeling op grond van het enkele feit dat het reisdoel dat de vreemdeling heeft opgegeven niet overeenkomt met het land dat bij het aanvragen van het visum is opgegeven. De vreemdeling moet op vordering van de ambtenaar belast met de grensbewaking het doel en de duur van het verblijf alsnog aannemelijk maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert de verklaringen van de vreemdeling, tenzij onmiddellijk duidelijk is dat de door de vreemdeling verstrekte informatie niet consistent is of niet overeenkomt met andere gegevens die de ambtenaar belast met de grensbewaking heeft verkregen uit een betrouwbare bron. De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert in ieder geval feiten en verklaringen die ten grondslag liggen aan de afgifte van het visum. De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt daarover contact op met de bevoegde autoriteit die het visum heeft afgegeven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking confronteert de vreemdeling met afwijkende informatie en stelt de vreemdeling in staat hier een verklaring voor te geven. De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling de toegang en verklaart het visum nietig, als de ambtenaar belast met de grensbewaking:

  • de verklaring van de vreemdeling onvoldoende aannemelijk acht;

  • constateert dat de vreemdeling het visum op onrechtmatige wijze heeft verkregen.

4.5 Middelen van bestaan

De vreemdeling moet voor een verblijf van ten hoogste drie maanden beschikken over voldoende middelen van bestaan.

De middelen van bestaan moeten, anders dan bepaald in paragraaf B1/4.3.2 Vc, voor de vreemdeling voldoende zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet in ieder geval de volgende omstandigheden van de vreemdeling meewegen:

  • de duur van het voorgenomen verblijf;

  • het reisdoel;

  • de persoonlijke omstandigheden; en

  • de aard van het gebruikte vervoermiddel.

Een vreemdeling die zelfstandig reist, moet in staat zijn te voorzien in de kosten van zijn verblijf en onderdak. Voor Nederland geldt een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Het bedrag van € 34 is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang van de vreemdeling is gewaarborgd.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent onder voorwaarden toegang aan een vreemdeling van wie niet zeker is dat hij in staat is over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor de duur van het voorgenomen verblijf en/of voor de terugreis/reis naar een derde land. De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent de toegang als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a. er bestaat geen aanleiding de vreemdeling de toegang om een van de andere voorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, SGC te weigeren;

  • b. de ambtenaar belast met de grensbewaking heeft geen redenen om aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden voor kort verblijf (zie vrije termijn A1/6 Vc);

  • c. de vreemdeling stelt op verzoek van de ambtenaar belast met de grensbewaking zekerheid voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating gewaarborgd is, door het deponeren van een retourticket of een garantiesom;

  • d. de vreemdeling stelt op verzoek van de ambtenaar belast met de grensbewaking zekerheid doordat een in Nederland wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring.

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd de vreemdeling een meldplicht op te leggen met toepassing van artikel 4.24, eerste lid, onder d, Vb.

De ambtenaar belast met de grensbewaking informeert de Korpschef over de toegangsverlening onder voorwaarden door middel van model M20.

Een vreemdeling heeft van rechtswege verblijf in de vrije termijn als de vreemdeling voldoet aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden en aan die voorwaarden blijft voldoen. De vrije termijn bedraagt 90 dagen.

De vreemdeling mag in het kader van verblijf in de vrije termijn aantonen dat hij voldoende middelen van bestaan heeft uit inkomsten uit hier te lande te verrichten werkzaamheden of te verlenen diensten. Voor bepaalde werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist, zie hiervoor B5 Vc. De duur van de te verrichten werkzaamheden of diensten mag niet langer zijn dan de duur van de vrije termijn.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen als de ambtenaar belast met de grensbewaking dat bij binnenkomst van de vreemdeling niet heeft gedaan.

4.6 Deponeren retourticket en garantiesom

De ambtenaar belast met de grensbewaking mag aan de vreemdeling verzoeken een in zijn bezit zijnd retourticket te deponeren tot zekerheidstelling. In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en daarom niet in het bezit is van een retourticket, wijst de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourticket te laten printen. De ambtenaar belast met de grensbewaking verzoekt de vreemdeling zekerheid te stellen als de betreffende luchtvaartmaatschappij het retourticket niet kan of wil printen. De geldigheidsduur van het retourticket moet langer zijn dan de duur van het voorgenomen verblijf van de vreemdeling.

De vreemdeling mag ook een garantiesom deponeren in plaats van een retourticket. Voor de hoogte van de garantiesom zijn de lijnvluchttarieven van de KLM bepalend. Zie voor de tarieven www.klm.com.

De vreemdeling mag in ieder geval in de volgende situaties gebruik maken van de mogelijkheid een garantiesom te deponeren:

  • de vreemdeling komt voor familiebezoek of toeristische doeleinden naar Nederland en is niet in het bezit van een retourticket;

  • de vreemdeling is een zeeman die na binnenkomst of afmonstering in Nederland toestemming krijgt voor het zoeken van werk aan boord van een ander zeeschip (zie A1/8 Vc).

Beheer retourticket en garantiesom

De ambtenaar belast met de grensbewaking reikt aan de vreemdeling die bij binnenkomst in Nederland een garantiesom of een retourticket deponeert een folder uit. In deze folder wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourtickets.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft aan de vreemdeling die een retourticket of een garantiesom deponeert een ontvangstbewijs af. De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft ook aan een derde die een garantiesom deponeert een ontvangstbewijs af.

De Korpschef beheert de bij hem gedeponeerde retourtickets en garantiesommen. Retourtickets die aan de grens zijn gedeponeerd, zendt de ambtenaar belast met de grensbewaking toe aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. Garantiesommen die aan de grens zijn gedeponeerd stort de ambtenaar belast met de grensbewaking op de rekening van de Korpschef. Retourtickets en garantiesommen die aan de grensdoorlaatposten van Amsterdam Schiphol (luchthaven), Rotterdam en Rotterdam-Havens zijn gedeponeerd blijven bij de KMar en ZHP.

De overheidsinstantie die de garantiesommen beheert, vergoedt geen rente over gedeponeerde garantiesommen.

Teruggave in Nederland

De vreemdeling die een retourticket of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de overheidsinstantie die de garantiesommen beheert. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.

De overheidsinstantie die de garantiesommen beheert, geeft de garantiesom of het retourticket terug aan de vreemdeling of de derde op vertoon van het ontvangstbewijs als tenminste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • er bestaat voldoende zekerheid over het vertrek van de vreemdeling op eigen kosten;

  • de vreemdeling is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning.

De overheidsinstantie die de garantiesommen beheert, geeft de garantiesom gedeponeerd door een derde op vertoon van het ontvangstbewijs terug na vertrek van de vreemdeling uit het Schengengebied.

De overheidsinstantie die de garantiesommen beheert, neemt bij teruggave van de garantiesom of het retourticket aan de vreemdeling of de derde het ontvangstbewijs in.

Teruggave vanuit het buitenland

Een vreemdeling die Nederland heeft verlaten zonder te verzoeken om teruggave van de garantiesom of het retourticket, moet zich tot een in zijn land gevestigde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wenden met het verzoek om teruggave van de garantiesom of het retourticket. De overheidsinstantie die de garantiesommen beheert moet een vreemdeling die rechtstreeks vanuit het buitenland een verzoek om teruggave van de garantiesom indient, verwijzen naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of zijn land van bestendig verblijf.

4.7 Garantstelling door derde

In het geval dat de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, verleent de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling toegang wanneer een solvabele derde die in Nederland rechtmatig verblijf heeft zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring (zie bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV/artikel 14, vierde lid, Visumcode).

De solvabele derde stelt zich garant voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, en ook voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd. De ambtenaar belast met de grensbewaking merkt een derde aan als solvabel als de derde zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. De begrippen zelfstandig, duurzaam en voldoende zijn nader uitgewerkt in artikel 3.73 Vb, artikel 3.75 Vb en artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van een visum voor kort verblijf aan een vreemdeling.

In het geval dat een solvabele derde zich garant stelt voor meer dan één persoon, mag de ambtenaar belast met de grensbewaking aanvullende voorwaarden stellen. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag verlangen dat de solvabele derde een bankgarantie ter hoogte van het lijnvluchttarief KLM en/of meerdere gescheiden garantverklaringen overlegt. De solvabele derde moet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikken voor elke aanvullend aangedragen vreemdeling voor wie de solvabele derde zich garant wil stellen.

De Minister van BuZa of de ambtenaar belast met de grensbewaking mag een aanvraag voor een visum kort verblijf afwijzen als een solvabele derde zich al eerder garant heeft gesteld voor een vreemdeling die een visum heeft aangevraagd en hij niet of onvoldoende aannemelijk maakt dat deze vreemdeling tijdig is teruggekeerd naar het land van herkomst of een land waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

4.8 Aannemelijk maken Nederlanderschap

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd een persoon die stelt Nederlander te zijn verplichten op grond van artikel 4.7 Vb om zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de GBA van de gemeente waar de persoon zegt te zijn ingeschreven, om de nationaliteit vast te stellen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt de Nederlandse nationaliteit aan op grond van de Rwn (Stb. 1984, 628) of van de Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname en in ieder geval op grond van de volgende documenten:

  • een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding;

  • een Nederlands laissez-passer waarin de Nederlandse nationaliteit is vermeld;

  • een recent bewijs van Nederlanderschap;

  • een bewijs van naturalisatie tot Nederlander;

  • een kennisgeving tot verkrijging van het Nederlanderschap.

Een vreemdeling op wie de wet van 9 september 1976 (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, wordt als Nederlander behandeld en is geen vreemdeling in de zin van de Vw (zie ook artikel 1, aanhef en onder m, Vw).

Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de bewijsmiddelen, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander moeten aantonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de Rwn.

4.9 Procedure vervallen en inhouding document voor grensoverschrijding

In de Paspoortuitvoeringsregeling Koninklijke Marechaussee van 7 september 2001 is vastgelegd in welke gevallen een document voor grensoverschrijding van Nederlanders vervallen wordt verklaard of wordt ingehouden.

4.10 Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland

De visumplichtige vreemdeling moet, om in aanmerking te komen voor de toepassing van de gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa, met bewijsmiddelen aantonen dat hij:

  • een familie- of gezinslid is van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland in de zin van artikel 8.7, tweede en derde lid Vb;

  • een ongehuwde partner (niet zijnde een geregistreerde partner) is van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland en een duurzame relatie met die onderdaan heeft, in de zin van artikel 8.7, vierde lid Vb.

Als de vreemdeling niet overtuigend kan aantonen dat hij behoort tot de hiervoor genoemde categorieën, dan geldt het reguliere visumbeleid.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt in ieder geval aan dat sprake is van een duurzame relatie als de vreemdeling kan aantonen dat de ongehuwde partner en de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer:

  • al gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren;

  • (recentelijk) gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd;

  • uit de relatie een kind is geboren.

Bewijsmiddelen om aan te tonen dat sprake is of is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding of samenwoning buiten Nederland zijn in ieder geval:

  • een bewijs van inschrijving in de GBA;

  • huurcontracten;

  • hypotheken voor de aankoop van een huis op beide namen;

  • overige aanzienlijke en langlopende juridische of financiële verbintenissen die gezamenlijk zijn aangegaan;

  • afschriften van rekeningen op beide namen.

In alle gevallen dient het om een bestaande duurzame relatie te gaan.

Wanneer de vreemdeling overtuigend heeft aangetoond dat de aanvrager een familie- of een gezinslid is in de zin van artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb, mag de ambtenaar belast met de grensbewaking de afgifte van een visum uitsluitend weigeren:

  • op de gronden genoemd in artikel 8.8, eerste lid onder a en b Vb;

  • als sprake is van rechtsmisbruik of fraude zoals schijnhuwelijk.

De gronden genoemd in artikel 8.8, eerste lid Vb worden als volgt uitgelegd.

Artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder a Vb

De ambtenaar belast met de grensbewaking baseert de beoordeling uitsluitend op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet het evenredigheidsbeginsel in acht nemen (artikel 3:4 Awb). Strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf vormen onvoldoende grond om de vreemdeling toegang te weigeren. Van een bedreiging van de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid is in ieder geval sprake in de volgende situaties:

  • de vreemdeling staat in het OPS gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of ‘ongewenstverklaard ex artikel 67 Vw’;

  • de vreemdeling is in het bezit van verboden wapens;

  • de vreemdeling is in het bezit van verdovende middelen; of

  • de vreemdeling wordt verdacht van mensenhandel.

De ambtenaar belast met de grensbewaking moet ook in dat geval aan de hand van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling vaststellen dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

Artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b Vb

Het gaat hier om potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de publicaties van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voor zover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen. Op www.Rijksoverheid.nl worden de laatste ontwikkelingen over infectieziekten bijgehouden.

Artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c Vb

De vreemdeling moet bij de eerdere verwijdering om redenen van de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid aangemerkt zijn als een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. De vreemdeling die eerder om redenen van de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid is verwijderd mag na verloop van een redelijke termijn, en in ieder geval na drie jaar gerekend vanaf zijn vertrek, een aanvraag indienen om opheffing van het eerdere besluit om hem uit Nederland te verwijderen.

In het geval de vreemdeling ongewenst is verklaard moet de vreemdeling een aanvraag indienen tot opheffing van de ongewenstverklaring. Gedurende de behandeling van deze aanvraag heeft de vreemdeling geen recht van toegang tot Nederland.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verstrekt het visum gratis in het geval dat hij een familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb aan de grens aantreft en hij de vreemdeling verzoekt om een visum aan te vragen om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij die onderdaan te voegen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert toegang aan de vreemdeling op grond van artikel 3, eerste lid, onder d, Vw juncto artikel 8.8 Vb en gebruikt hiervoor model M18. De motivering in model M18 moet concreet zijn. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag niet volstaan met de enkele mededeling dat de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bij de kennisgeving van de toegangsweigering moet de ambtenaar belast met de grensbewaking vermelden dat daartegen binnen vier weken administratief beroep kan worden ingesteld bij de IND. De vreemdeling mag de behandeling van het administratief beroepschrift niet in Nederland afwachten. De vreemdeling moet Nederland op grond van artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk verlaten, tenzij er sprake is van een eerste verzoek om een voorlopige voorziening. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet een (toegangs)weigeringsstempel aanbrengen op het geldige document voor grensoverschrijding van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en van hun familieleden.

4.11 Diplomatieke en consulaire koeriers

Diplomatieke en consulaire koeriers zijn:

  • beroepskoeriers;

  • als zodanig voor één reis aangewezen.

De vreemdelingen moeten in het bezit zijn van een officieel document waaruit hun bijzondere status en het aantal pakketten welke de diplomatieke of consulaire tas vormen, blijkt.

De pakketten moeten aan de buitenkant duidelijk zichtbare kentekenen hebben, waaruit hun aard blijkt. De koerier geniet persoonlijke onschendbaarheid. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag de dwangmiddelen uit artikel 50, tweede, derde, vierde en vijfde lid, Vw niet toepassen. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag de diplomatieke of consulaire tas niet openen of innemen.

4.12 Passagierende zeelieden

Een zeeman die wil passagieren moet een identiteitsdocument ter inzage aanbieden aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. Een geldig document voor grensoverschrijding is in dat geval voldoende.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost stelt een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet. Het hoofd van de grensdoorlaatpost mag de zeeman bij gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid met toepassing van artikel 50 Vw overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Het hoofd van de grensdoorlaatpost brengt de zeeman in ieder geval in de volgende situaties daar naar toe:

  • de zeeman staat gesignaleerd als ongewenst vreemdeling of als ongewenst verklaarde vreemdeling op grond van artikel 67 Vw, of er is sprake van een inreisverbod;

  • de zeeman is achtergebleven na vertrek van het zeeschip, dan wel is afgemonsterd, zonder te voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.

De ambtenaar belast met de grensbewaking hoeft geen machtiging te vragen voor het verlenen van een visum aan een zeeman die toegang wil tot andere plaatsen dan de gemeente, waarin de haven gelegen is waar zijn zeeschip is afgemeerd of de daaraan grenzende gemeenten.

4.13 Adoptiekind, adoptiefkind en pleegkind

Een vreemdeling die Nederland wil binnenkomen voor verblijf met als doel ‘adoptiekind’, ‘adoptiefkind’ dan wel ‘pleegkind’ moet in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit geldig document voor grensoverschrijding is een geldig paspoort voorzien van een geldige mvv als die vereist is.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent toegang aan een vreemdeling aan wie als adoptiekind, adoptiefkind dan wel als pleegkind een mvv is afgegeven. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet de IND raadplegen als geen mvv voor verblijf als adoptiekind, adoptiefkind dan wel als pleegkind is verleend.

De IND verleent uitsluitend toestemming voor de inreis in de volgende situaties:

  • de vreemdeling is een adoptiekind, adoptiefkind voor wie de aspirant adoptieouders of adoptiefouders een document kunnen overleggen waaruit blijkt dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming van het kind in het gezin van de aspirant adoptieouders of adoptiefouders in Nederland;

  • er is sprake van klemmende redenen van humanitaire aard.

In beide gevallen legt de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling een meldplicht op als bedoeld in artikel 4.26 Vb.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verlangt in het geval er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard van de aspirant pleegouders dat zij een garantverklaring (zie de bijlage 6c VV) ondertekenen. Aspirant adoptieouders of adoptiefouders hoeven geen garantverklaring te ondertekenen.

5. Visa

De regels over de procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van die lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, zijn neergelegd in de Visumcode.

5.1 Wijzigen van visa

De Visadienst verstaat onder wijziging van een visum:

  • a. het omzetten van een enkelvoudig visum in een visum voor meer binnenkomsten;

  • b. het verlengen van de geldigheidsduur van een visum (artikel 33 Visumcode).

Ad a.

De Visadienst mag, als zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, bij wijze van uitzondering een visum dat is afgegeven door één van de Schengenlidstaten voor één binnenkomst omzetten naar een visum voor meer binnenkomsten. De ZHP zet visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden om naar een visum voor meer binnenkomsten.

De Visadienst of de ZHP moet terughoudend zijn bij het omzetten van een enkelvoudig visum naar een visum voor meer binnenkomsten, omdat de integriteit en betrouwbaarheid van de aanvrager in principe slechts in het land van herkomst afdoende kan worden getoetst. Het omzetten van een enkelvoudig visum naar een visum voor meer binnenkomsten wordt gezien als een verlenging van de geldigheidsduur: het maakt een langer verblijf in het Schengengebied mogelijk dan als het visum niet zou worden omgezet.

De vreemdeling moet bij de aanvraag voor het omzetten van enkelvoudige naar meervoudige visa een beroep doen op tenminste één van de volgende situaties:

  • overmacht;

  • humanitaire redenen;

  • ernstige beroepsmatige redenen;

  • persoonlijke redenen.

De Visadienst of de ZHP toetst bij de beoordeling van de aanvraag voor het omzetten naar een meervoudig reisvisum allereerst de noodzaak van de omzetting aan de volgende voorwaarden:

  • a. de vreemdeling maakt voldoende aannemelijk dat het bij de aanvraag van het enkelvoudige visum niet al in rede lag een meervoudig visum aan te vragen; en

  • b. de vreemdeling toont aan dat er sprake is van overmacht, van onvoorziene en ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen.

De vreemdeling mag in de laatste 180 dagen voor de aanvraag niet al langer dan 90 dagen in het Schengengebied hebben verbleven.

De Visadienst of de ZHP toetst vervolgens de redenen die de vreemdeling aanvoert voor het omzetten van het enkelvoudige visum in een visum voor meer binnenkomsten. De vreemdeling moet aantonen dat hij belang heeft bij de mogelijkheid meer dan een keer het Schengengebied binnen te reizen. De door de vreemdeling aangevoerde redenen, die kunnen zijn gelegen in de beroepsmatige of persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, moeten van voldoende zwaarwegende aard zijn.

De Visadienst of de ZHP toetst tenslotte bij de omzetting van het visum alle overige voorwaarden voor de afgifte van een visum nogmaals en beoordeelt of:

  • a. de vreemdeling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals gesteld in artikel 5, lid 1, onder a, c, d en e, SGC;

  • b. de vreemdeling beschikt over een geldige ziektekostenverzekering;

  • c. de vreemdeling het voornemen heeft werkelijk naar het land van herkomst terug te keren;

  • d. de vreemdeling een gewaarborgde toelating heeft in een ander land.

De vreemdeling mag door de omzetting van het visum niet vaker dan de Visadienst of de ZHP op grond van de aangevoerde omstandigheid noodzakelijk acht, gebruik maken van meervoudige binnenkomsten en van de eerder toegekende vrije termijn.

De vreemdeling mag door de omzetting van het visum niet:

  • de verblijfsduur aangegeven in het eerder verleende visum overschrijden;

  • bij de herhaalde binnenkomst meer dan 90 dagen per 180 dagen in het Schengengebied verblijven.

De vreemdeling mag door de omzetting van het visum naar een visum voor meer binnenkomsten in ieder geval niet het visum gebruiken voor een ander doel dan het doel waarvoor het visum is afgegeven.

De Visadienst of de ZHP brengt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een nieuwe Schengenvisumsticker aan als een reisvisum voor meer reizen geldig wordt gemaakt. De Visadienst of de ZHP brengt de Schengenvisumsticker op een afzonderlijk vel papier aan als de vreemdeling houder is van een visumverklaring.

Ad b.

De Visadienst is de bevoegde autoriteit om over te gaan tot het verlengen van de geldigheidsduur van door één van de Schengenlidstaten afgegeven visa. De IND-loketten zijn verantwoordelijk voor de verlenging van de geldigheidsduur van visa.

De ZHP is verantwoordelijk voor het verlengen van de geldigheidsduur van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden bij de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens.

De Visadienst mag de geldigheidsduur van een visum, indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, nog eens verlengen met maximaal 90 dagen op grond van artikel 25 Visumcode, in geval van een nationale verlenging van de geldigheidsduur van het visum, waarbij de geldigheid van het visum wordt beperkt tot de Benelux. Deze zeer bijzondere omstandigheden moeten in ieder geval gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.

Daarnaast mag de Visadienst op grond van het wezenlijk Nederlands belang tot een nationale verlenging van de geldigheidsduur van een visum overgaan. Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij in ieder geval de volgende nationale belangen in het geding zijn:

  • het internationaal aanzien van Nederland;

  • economische belangen van Nederland; of

  • culturele belangen van Nederland.

De Visadienst beperkt bij de aanwezigheid van een wezenlijk Nederlands belang de geldigheid van het visum tot Nederland.

De Visadienst merkt in dit verband als zeer bijzondere gevallen aan:

  • studenten die op basis van het Erasmus Mundus programma langer in het Schengengebied willen verblijven;

  • deelnemers van internationale gezelschappen zoals Cirque du Soleil.

Verlenging van de geldigheidsduur boven de 90 dagen is in die gevallen noodzakelijk om het Erasmus Mundus programma of de voorstelling hier te lande te kunnen volbrengen of te geven. In de overige gevallen moet er sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.

Zie hiervoor onder ad a voor het plaatsen van een Schengenvisumsticker.

Bijzondere categorieën

  • Houders van een geprivilegieerdendocument afgegeven door het ministerie van BuZa; de geldigheidsduur van het visum van deze vreemdelingen hoeft niet te worden verlengd;

  • Houders van een diplomatiek paspoort die niet in het bezit zijn van een door het ministerie van Buza afgegeven geprivilegieerdendocument: de directie Kabinet en Protocol van het ministerie van BuZa is verantwoordelijk voor verlenging van de geldigheidsduur van het visum;

  • Surinaamse onderdanen die op medische indicatie voor een behandeling in Nederland zijn en voor dit doel ook in het bezit waren gesteld van een visum en waarvan het visum op nationale gronden is verlengd tot 180 dagen. De Visadienst mag deze vreemdelingen voortzetting van het verblijf verlenen als voortzetting van de behandeling in Nederland medisch noodzakelijk is, zie B8/2.2 Vc.

5.2 Kosten van visa

De in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vw bedoelde familieleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht op vrij verkeer uitoefent zijn vrijgesteld van kosten voor het verstrekken van een visum.

5.3 Terugkeervisa

Een terugkeervisum is een nationaal visum, dat recht geeft op terugkeer naar Nederland (artikel 2.3, eerste lid, onder b, Vb.)

De IND mag een terugkeervisum onder bepaalde voorwaarden afgeven aan een vreemdeling die daarom verzoekt in de volgende situaties:

  • de vreemdeling heeft rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw;

  • de vreemdeling is in het bezit van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, 20, 28 of 33 Vw.

De indiening van een aanvraag om een terugkeervisum vindt op dezelfde wijze plaats als een aanvraag tot wijziging of verlenging van de geldigheidsduur van een visum.

De IND beheert het model van de aanvraag om een terugkeervisum, en ook de modellen van de beschikkingen tot afwijzing van deze aanvraag. De Hoofddirecteur van de IND stelt op grond van het basismodel aantekeningensticker het model voor het terugkeervisum vast (zie bijlage 7 VV en de website van de IND).

Vreemdelingen in procedure

Een vreemdeling die Nederland tijdelijk wil verlaten en aanspraak wil maken op wedertoegang tot Nederland moet een terugkeervisum hebben onder als hij:

  • visumplichtig is voor Nederland; en

  • in Nederland een (definitieve) beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning mag afwachten.

De IND verleent geen terugkeervisum aan een vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) als:

  • de vreemdeling Nederland is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;

  • de IND heeft besloten dat er geen sprake is van een gerechtvaardigd beroep van de vreemdeling op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste.

De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw, én met de vereiste mvv Nederland is ingereisd, die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd of in afwachting is van de ambtshalve verlening van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, komt in aanmerking voor een terugkeervisum in uitsluitend de volgende situaties:

  • a. er is sprake van een dringende reden die geen uitstel van vertrek gedoogt;

  • b. de vreemdeling heeft zich gedurende zijn verblijf in Nederland gehouden aan de maatregelen van toezicht in het kader van de Vw;

  • c. de vreemdeling heeft, om de reden voor vertrek uit en terugkeer naar Nederland aannemelijk te maken, alle daarvoor noodzakelijke gegevens verstrekt en bewijsmiddelen overgelegd aan de verzoekende overheidsinstantie;

  • d. de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  • e. het OM heeft geen bezwaar tegen vertrek uit Nederland in verband met vervolging wegens strafbare feiten of tenuitvoerlegging van een vonnis;

  • f. de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, een bezwaarschrift, een beroep op de Rechtbank of een hoger beroep op de ABRS wordt niet binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum verwacht.

Deze opsomming is cumulatief.

Ad a.

In tenminste één van de volgende gevallen is er sprake voor de vreemdeling van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen:

  • ernstige ziekte of overlijden van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • het bijwonen van een huwelijk van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • onder voogdij gestelde minderjarigen die met het pleeggezin op vakantie naar het buitenland gaan;

  • deelname aan een in het kader van de opleiding of studie van belang zijnde excursie of werkweek in het buitenland;

  • deel uitmaken van een sportteam dat Nederland in het buitenland zal vertegenwoordigen.

Daarnaast mag de IND een terugkeervisum verlenen aan een vreemdeling die voor zakelijke doeleinden wenst te reizen zonder dringende redenen die geen uitstel van vertrek toelaten. Deze categorie vreemdelingen moet wel voldoen aan de voorwaarden b tot en met f zoals hierboven opgesomd. De vreemdeling moet aantonen dat hij:

  • een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier heeft ingediend; en

  • leges heeft betaald.

De IND geeft het terugkeervisum voor een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw alleen kort voor het vertrek van de vreemdeling uit Nederland af. De IND geeft het terugkeervisum af met een geldigheidsduur voor het beoogde doel, maar voor ten hoogste drie maanden. De IND mag de geldigheidsduur van een terugkeervisum na uitreis van de vreemdeling uit Nederland niet wijzigen of verlengen. De geldigheidsduur van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling moet ten minste één maand langer zijn dan de termijn waarbinnen de vreemdeling op grond van zijn terugkeervisum kan terugkeren.

Het terugkeervisum van de vreemdeling is in deze gevallen geldig voor één reis, tenzij het gaat om een vreemdeling die voor zakelijke doeleinden wenst te reizen. De IND mag aan de vreemdeling die voor zakelijke doeleinden wenst te reizen een terugkeervisum voor meerdere reizen afgeven.

Terugkeervisa ten behoeve van asielzoekers

De IND mag, als aan de onder a tot en met f onder het kopje ‘vreemdelingen in procedure’ genoemde voorwaarden is voldaan, een terugkeervisum verlenen aan een vreemdeling die:

  • een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft gedaan; en

  • rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw,

De IND verleent geen terugkeervisum aan de vreemdeling voor zijn terugkeer vanuit het land van herkomst.

Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning

Een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel dan wel een verblijfsvergunning regulier heeft geen terugkeervisum nodig als hij na een reis naar het buitenland (binnen dan wel buiten het Schengengebied) naar Nederland wil terugkeren. Deze vreemdeling heeft zonder visum toegang tot Nederland als hij beschikt over:

  • een paspoort of ander erkend reisdocument en een afzonderlijk document als bedoeld in bijlage 7 VV; of

  • een paspoort en een door het ministerie van BuZa afgegeven geprivilegieerdendocument.

De IND mag aan deze vreemdeling op zijn aanvraag een terugkeervisum afgeven, als hij dit visum nodig heeft voor de reis door of naar een land gelegen buiten het Schengengebied.

De IND geeft op aanvraag een terugkeervisum af aan:

  • Molukkers die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468) als Nederlander worden behandeld; en

  • vreemdelingen die een positieve beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier hebben ontvangen maar nog in afwachting zijn van een verblijfsdocument als bedoeld in bijlage 7 VV.

De vreemdeling hoeft hiervoor géén dringende reden aan te dragen, zoals bedoeld onder ad a onder het kopje

‘vreemdelingen in procedure’.

Het geldige document voor grensoverschrijding en de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning moeten ten minste één maand langer geldig zijn dan de geldigheidsduur van het terugkeervisum.

Het terugkeervisum wordt voor ten hoogste één jaar verleend. De IND mag aan Molukkers die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468) als Nederlander worden behandeld een terugkeervisum verlenen voor een periode langer dan één jaar. De vreemdeling mag zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland vestigen. De IND mag de geldigheidsduur van een terugkeervisum na uitreis van de vreemdeling uit Nederland niet wijzigen of verlengen. De IND mag het terugkeervisum voor de vreemdeling verlenen voor één of meerdere reizen.

Terugkeervisa aan vreemdelingen die in afwachting zijn van een besluit op hun aanvraag tot verlenging of wijziging van de vergunning

De IND mag een terugkeervisum verstrekken aan de vreemdeling die in het bezit is of was van een verblijfsvergunning, indien de vreemdeling binnen de daarvoor gestelde termijn verlenging van de geldigheidsduur of wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd. In deze gevallen hoeft de vreemdeling geen dringende reden aan te voeren als bedoeld onder ad a onder het kopje

‘vreemdelingen in procedure’. De overige voorwaarden zoals eerder vermeld onder b tot en met f onder het kopje ‘vreemdelingen in procedure’ blijven gelden.

De IND mag aan de buitenlandse student die in afwachting is van een beslissing op zijn aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd - als hij in het kader van zijn studie voor langere tijd naar het buitenland moet reizen - een terugkeervisum verlenen met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. De buitenlandse student moet de noodzaak en de duur van zijn verblijf in het buitenland met bewijsmiddelen onderbouwen.

De IND wijst een aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op basis van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw af als de vreemdeling een aanvraag doet tot het verlenen van een visum voor terugkeer uit het land van herkomst.

5.4 Visum voor verblijf van langere duur (mvv) (type D)

De Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging mag een mvv-verklaring, in de vorm van een voorbedrukt formulier, in de plaats stellen van de mvv die in het geldige document voor grensoverschrijding wordt geplaatst. De houder van de mvv-verklaring moet altijd in het bezit zijn van het in de mvv-verklaring aangegeven geldige document voor grensoverschrijding.

6. Vrije termijn

De ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen berekent de termijn van 90 dagen door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande 180 dagen in het Schengengebied heeft verbleven. Als de vreemdeling in de voorafgaande 180 dagen niet in het Schengengebied heeft verbleven, dan mag de vreemdeling de volle termijn van 90 dagen vanaf de datum van inreis in Nederland verblijven.

Als de vreemdeling in de voorafgaande 180 dagen al in het Schengengebied heeft verbleven, is de berekening als volgt:

De perioden van verblijf in het Schengengebied in de 180 dagen voorafgaand aan de datum van inreis in Nederland worden afgetrokken van de 90 dagen vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.

De Minister voor I&A is bevoegd op grond van artikel 3.3, derde lid, Vb de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden te verlengen tot zes maanden. De vreemdeling moet bij het verzoek om verlenging van de vrije termijn een beroep doen op tenminste één van de volgende situaties:

  • overmacht;

  • ernstige ziekte van familieleden van de vreemdeling;

  • ernstige ziekte van de vreemdeling;

  • een zeer gewichtig zakelijk belang.

Daarnaast mag de Minister voor I&A op grond van het wezenlijk Nederlands belang tot verlenging van de vrije termijn overgaan. Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij in ieder geval de volgende nationale belangen in het geding zijn:

  • het internationaal aanzien van Nederland;

  • economische belangen van Nederland;

  • culturele belangen van Nederland.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen maakt, om deze verlenging van de vrije termijn zichtbaar te maken, gebruik van de sticker verblijfsaantekening algemeen, die in het geldige document voor grensoverschrijding wordt aangebracht. Een verzoek om verlenging van de vrije termijn is voor de vreemdeling gratis.

Aan een vreemdeling die gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid is geen verblijf tijdens de vrije termijn toegestaan. Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden en de internationale betrekkingen. Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar A1/3 Vc.

Van gevaar voor de openbare orde is sprake zijn als de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als:

  • ‘ongewenste vreemdeling’; of

  • ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’.

Tevens kan een vreemdeling voor weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Ook kan er sprake zijn van een inreisverbod.

7. Toezicht aan de buitengrens

7.1 Controle

De ambtenaar belast met de grensbewaking mag een grenscontrole uitoefenen, in ieder geval:

  • zolang een vreemdeling zich op of nabij een grensdoorlaatpost bevindt;

  • zolang de ambtenaar belast met de grensbewaking een relatie met in- of uitreis van die vreemdeling kan leggen.

Een haven of luchthaven wordt hierbij in zijn geheel beschouwd als grensdoorlaatpost.

7.2 Toegang onder voorwaarden

De ambtenaar belast met de grensbewaking mag ‘toegang onder voorwaarden’ verlenen:

  • aan een vreemdeling voor kort verblijf;

  • aan een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel in die zin wijzigt dat hij nog slechts kort verblijf beoogt.

De ambtenaar belast met de grensbewaking mag bij ‘toegang onder voorwaarden’ geen redenen hebben om:

  • de vreemdeling de toegang om redenen genoemd in artikel 5, eerste lid, SGC te weigeren;

  • aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn.

Bij toegang onder voorwaarden stelt de ambtenaar belast met de grensbewaking aantekeningen in het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling. Deze aantekeningen zien in ieder geval op:

  • het stellen van zekerheid (zie A1/4.6 Vc);

  • het opleggen van een meldplicht aan de vreemdeling.

Daarnaast mag de ambtenaar belast met de grensbewaking toegang onder voorwaarden tot het Beneluxgebied verlenen aan visumplichtige transitpassagiers van vliegtuigen die door omstandigheden buiten hun wil hun reis niet kunnen voortzetten en die:

  • in het bezit zijn van een voor het Beneluxgebied geldig document voor grensoverschrijding;

  • niet in het bezit zijn van het vereiste visum.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent toegang tot het Beneluxgebied in uitsluitend de volgende situaties:

  • de onderbreking van de reis vindt plaats wegens van de wil van de vreemdeling onafhankelijke omstandigheden zoals ongunstige weersomstandigheden of technische storingen;

  • de vreemdeling vertrekt van één van de daartoe aangewezen luchthavens;

  • de vreemdeling is in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding en tickets op grond waarvan zijn doorreis en toegang tot het land van bestemming vaststaat;

  • de vreemdeling voldoet aan artikel 12, eerste lid, onder b en d, Vw.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent de toegang voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis van de vreemdeling per eerstvolgende gelegenheid te kunnen voortzetten. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag de toegang weigeren aan vreemdelingen ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat zij toegang vragen voor een ander doel dan waarvoor deze regeling bedoeld is.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt in het geldige document voor grensoverschrijding van de transitpassagier een aantekening als blijk van de verleende toegang aan de transitpassagier. De tekst van deze aantekening luidt:

‘Toegang tot het Beneluxgebied verleend van … geldig tot … (vermelding relevante artikel en lid).’ De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent een territoriaal beperkt visum met een geldigheidsduur die noodzakelijk is om de doorreis te kunnen voortzetten. De ambtenaar belast met de grensbewaking plaats een inreisstempel en handtekening in het document voor grensoverschrijding.

De ambtenaar belast met de grensbewaking beperkt de territoriale geldigheid van de toegang wanneer het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet geldig is voor België of Luxemburg. In dat geval geeft de ambtenaar belast met de grensbewaking bij de aantekening aan voor welk(e) Beneluxlidsta(a)t(en) deze geldig is.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft onmiddellijk kennis aan de ambtenaren van de KMar belast met het toezicht op vreemdelingen, evenals aan de vreemdelingenpolitie als de vreemdeling aan wie toegang is verleend niet op het voorgeschreven tijdstip is vertrokken.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt de aantekeningen door middel van het aanbrengen van de sticker ‘Doorlating onder voorwaarden’ in het geldige document voor grensoverschrijding. De ambtenaar belast met de grensbewaking plaatst het inreisstempel half op en half onder het laminaat van de sticker.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft kennis van de toegang onder voorwaarden door een formulier (zie model M20) te zenden aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt een garantverklaring, als die is afgegeven, met deze kennisgeving mee. De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt de door de vreemdeling overgelegde verklaringen mee als een niet-visumplichtige vreemdeling zijn verblijfsdoel wijzigt in kort verblijf.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt bij het opleggen van de meldplicht dat de vreemdeling zich binnen drie dagen moet aanmelden bij de vreemdelingenpolitie in de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. Als de vreemdeling in verband met een zaterdag, zondag of feestdag niet in staat is te voldoen aan de verplichting tot aanmelding binnen drie dagen, stelt de ambtenaar belast met de grensbewaking in het geldig document voor grensoverschrijding de volgende aantekening: ‘aanmelden uiterlijk op ... (datum)’.

Zieke zeelieden

Het hoofd van de grensdoorlaatpost stelt zonder voorafgaande machtiging een niet-visumplichtige zeeman in het bezit van een bijzonder doorlaatbewijs, mits zijn identiteit op enigerlei wijze kan worden aangetoond, als de vreemdeling:

  • in een ziekenhuis behandeld moet worden; en

  • niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost moet in alle gevallen waarin een zieke zeeman in het bezit wordt gesteld van een bijzonder doorlaatbewijs, de Korpschef van de politieregio waaronder de gemeente valt waarin het ziekenhuis staat, schriftelijk informeren. Het hoofd van de grensdoorlaatpost moet de maatregelen treffen die in A1/7.3 Vc zijn opgenomen als de zieke zeeman lijdt aan een ziekte die een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren.

7.3 Weigeren van toegang

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang aan iedere vreemdeling die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet. De weigering van toegang is een met redenen omklede beslissing:

  • die geen uitstel gedoogt of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in de Vw genoemde termijn van uitstel ten uitvoer wordt gelegd;

  • die door de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vreemdeling wordt uitgereikt;

  • die inhoudt dat een vreemdeling bij het niet vervullen van de voorwaarden voor binnenkomst niet het grondgebied van Nederland of het Schengengebied mag binnenkomen en aldaar verblijven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt op grond van artikel 3, derde lid, Vw een voornemen tot toegangsweigering voor aan het hoofd van de IND in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen. Het hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven over het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling. De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert op grond van de aanwijzing de vreemdeling de toegang, legt een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw op en plaatst de vreemdeling, ter behandeling van het asielverzoek, in AC Schiphol.

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt het voornemen voor aan de IND als het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die een onderdaan van de EU, EER of Zwitserland is of dit stelt te zijn, en vraagt een bijzondere aanwijzing op grond van artikel 8.8, tweede lid, Vb.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND als, in andere dan de hierboven genoemde gevallen, het al dan niet verlenen van toegang nauw samenhangt met de toelatingsbeslissing. Dit gebeurt in ieder geval als de ambtenaar belast met grensbewaking het voornemen heeft de toegang te weigeren aan personen behorend tot een van onderstaande categorieën:

  • de persoon die zich erop beroept Nederlander te zijn en/of daarmee te worden gelijkgesteld;

  • de vreemdeling die zich op een bijzondere status beroept (zie A1/4 Vc);

  • de vreemdeling die zich erop beroept dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan;

  • de vreemdeling die in het bezit is van een geldige mvv; of

  • buitenlandse adoptiekinderen, adoptiefkinderen en pleegkinderen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking neemt contact op met de IND als:

  • het weigeren van toegang leidt tot het schaden van een wezenlijk humanitair belang;

  • een wezenlijk Nederlands belang (bijvoorbeeld het bijzonder urgente reisdoel van de vreemdeling) zich tegen weigering van toegang verzet.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert toegang aan een vreemdeling van wie blijkt dat hij lang verblijf beoogt, als de vereiste mvv ontbreekt. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag met machtiging van de IND onder bepaalde voorwaarden in ieder geval toegang verlenen in de volgende situaties:

  • de vreemdeling wijzigt zijn verblijfsdoel;

  • er is een wezenlijk Nederlands belang gediend bij het verlenen van toegang;

  • er is sprake van klemmende reden van humanitaire aard.

De ambtenaar belast met de grensbewaking kruist in het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als model M17 overgenomen als bijlage van de Vc, de redenen aan op grond waarvan de toegang wordt geweigerd aan een vreemdeling uit een derde land die voor kort verblijf wil inreizen. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt op het model M17 melding van:

  • de betreffende staat (in Nederland van de Staat der Nederlanden);

  • de betreffende instantie, inclusief overheidslogo (van de KMar of ZHP);

  • de toepasselijke bepalingen van de wetgeving met betrekking tot de reden voor toegangsweigering (in dit geval artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid SGC).

Gevaar voor de volksgezondheid

Als een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling de toegang als de ziekte:

  • behandeling in een ziekenhuis nodig maakt; of

  • ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine.

De ambtenaar belast met de grensbewaking legt een maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Vw op met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie model M19 en model M118).

De ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeelt of aan de vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend na afloop van:

  • de behandeling van de ziekte; of

  • de periode van quarantaine.

De ambtenaar belast met de grensbewaking informeert de Korpschef van het regionale politiekorps waarin het ziekenhuis is gelegen over de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

Rechtsmiddelen

De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen. De ambtenaar belast met de grensbewaking reikt aan de vreemdeling naast het model M17 ook een folder ‘Rechtsmiddelen’ uit.

De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt een faxbericht aan de meldcentrale rechtsbijstand als een geweigerde vreemdeling om een raadsman verzoekt. De vreemdeling moet het administratief beroepschrift binnen vier weken indienen bij de Minister voor I&A. De vreemdeling mag de behandeling van het administratief beroepschrift niet in Nederland afwachten. De vreemdeling moet Nederland op grond van artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk verlaten, tenzij er sprake is van een eerste verzoek om een voorlopige voorziening.

Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de aanvraag om een visum uitsluitend wanneer de vreemdeling overtuigend heeft aangetoond dat de aanvrager een familie- of een gezinslid is in de zin van artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb:

  • op de gronden genoemd in artikel 8.8, eerste lid onder a en b Vb;

  • als sprake is van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk.

De ambtenaar belast met de grensbewaking verstrekt het visum gratis in het geval dat hij een familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb aan de grens aantreft en hij de vreemdeling verzoekt om een visum aan te vragen om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij die onderdaan te voegen.

Alleenreizende minderjarige vreemdelingen

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking aan een alleenreizende minderjarige vreemdeling de toegang tot Nederland weigert, draagt de ambtenaar de vreemdeling over aan de DT&V voor het terugbrengen van de vreemdeling naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.

7.4 Ondersteuning van doorgeleiding via Nederland bij verwijdering door de lucht

Een schriftelijk verzoek om doorgeleiding van een vreemdeling van een andere lidstaat moet worden ingediend bij de KMar op Schiphol. De lidstaat moet het verzoek op een tijdstip indienen, dat het verzoek ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding bij de KMar aankomt. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen is de termijn om het verzoek in te dienen korter.

8. Bijzondere categorieën

Werkzoekende zeelieden

Een zeeman die werk wil zoeken aan boord van een zeeschip in een haven in het Schengengebied, zonder dat uit een verklaring van de rederij/scheepsagent de mogelijkheid van aan- of overmonstering blijkt, moet aan alle voorwaarden voor toegang voldoen.

Voor een werkzoekende zeeman mag het zeemansboekje niet in de plaats van het paspoort treden om te voldoen aan de voorwaarde dat de vreemdeling in het bezit moet zijn van een geldig document voor grensoverschrijding.

Als aan alle overige voorwaarden voor toegang wordt voldaan mag het hoofd van de grensdoorlaatpost aan een werkzoekende zeeman aan de grens een visum met een geldigheid van maximaal vijftien dagen afgeven als in het geldig document voor grensoverschrijding het benodigde visum ontbreekt. Indien nodig mag de vreemdeling in uitzonderlijke gevallen na afloop van de termijn van vijftien dagen een verlenging van de geldigheidsduur van het visum vragen bij de Visadienst of voor zover het een in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeeman betreft bij de ZHP.

De werkzoekende zeeman moet bovendien met een zeemansboekje (-paspoort) of andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat hij het beroep van zeeman uitoefent.

Werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat

Een vreemdeling die via Nederland naar een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat wil reizen of die komende van een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat Nederland wil inreizen moet voldoen aan alle normale voorwaarden voor toegang. Het verkeer van en naar een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat moet plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De vreemdeling moet de normale in- en uitreisformaliteiten vervullen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert de vreemdeling niet op bestaansmiddelen als de vreemdeling aantoont dat hij op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat is tewerkgesteld.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt bij vertrek uit Nederland naar een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat vast of de vreemdeling aan alle voorwaarden voor toegang heeft voldaan.

Een vreemdeling die werkzaam is als medewerker op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat mag een visum, geldig voor meer inreizen, aanvragen op de Nederlandse diplomatieke en consulaire vertegenwoordiging in Antwerpen. De vreemdeling moet zich voor het aanvragen van een visum in persoon melden en moet in het bezit zijn van de volgende bewijsmiddelen:

  • een arbeidscontract met een bedrijf dat een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat exploiteert, gevestigd in Nederland, dan wel met een vertegenwoordiger in Nederland;

  • een geldig document voor grensoverschrijding, dat niet een zeemansboekje is, waaruit moet blijken dat de vreemdeling op het moment waarop hij de aanvraag doet voor een visum voor meer inreizen legaal verblijf heeft in Nederland;

  • een door het bedrijf dat een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat exploiteert getekende garantverklaring als bedoeld in bijlage 6a en 6b VV.

Als de vreemdeling de bovenstaande bewijsmiddelen overlegt, stelt het Nederlandse Consulaat-Generaal de vreemdeling in het bezit van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum mag niet langer zijn dan de geldigheidsduur van het arbeidscontract of het geldige document voor grensoverschrijding.

Werknemers op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat werken afwisselend veertien dagen op die mijnbouwinstallatie en hebben veertien dagen verlof aan de wal. Voor dit verlof aan de wal gelden de normale voorwaarden voor kort verblijf in Nederland.

Deze beleidsregels gelden ook als de vreemdeling niet werkzaam is op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat maar bij een bedrijf dat ondersteunend werkt voor die mijnbouwinstallatie (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’).

In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen

Wanneer de vreemdeling een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer mag de ambtenaar belast met de grensbewaking toegang verlenen aan:

  • de houder van een geldig paspoort;

  • de houder van een verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur nog maar korte tijd is verstreken. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet onmiddellijk het verblijfsrecht van de vreemdeling nagaan. Als de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling doorlaat moet de ambtenaar met toepassing van artikel 4.26 Vb een meldplicht opleggen aan de vreemdeling.

De ambtenaar belast met de grensbewaking moet voor vaststelling van het verblijfsrecht van de vreemdeling contact opnemen met de vreemdelingenpolitie van de politieregio in welke de gestelde woon- of verblijfplaats van de vreemdeling is gelegen, dan wel met de IND als de vreemdeling niet kan aantonen of aannemelijk kan maken dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan.

In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert niet de toegang aan houders van een geldige Belgische of Luxemburgse verblijfsvergunning enkel op de grond dat zij niet in het bezit zijn van hun geldige document voor grensoverschrijding. De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert niet op het bezit van bestaansmiddelen bij deze vreemdelingen, wanneer zij in het bezit zijn van geldige reistickets naar België of Luxemburg. De bovenstaande beleidsregels gelden ook voor vreemdelingen die in het bezit zijn van het vereiste document voor grensoverschrijding en een geldige Belgische of Luxemburgse mvv (autorisation de séjour provisoire), mits in deze machtiging staat vermeld dat zij geldig is voor binnenkomst in het Beneluxgebied.

Uitgenodigde vluchtelingen

De IND kondigt de komst van een vreemdeling die als vluchteling door de Nederlandse regering is uitgenodigd van te voren bij de ambtenaar belast met de grensbewaking aan. De ambtenaar belast met de grensbewaking verleent deze vreemdeling toegang. De ambtenaar belast met de grensbewaking vangt deze vreemdeling bij aankomst op en begeleidt deze vreemdeling naar aanmeldcentrum Schiphol. De IND stelt deze vreemdeling in de gelegenheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen.

Staatlozen

Voor staatlozen wordt verwezen naar het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag. In dit verdrag wordt onder een staatloze verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.

De autoriteiten van het land waar een staatloze is toegelaten stelt de vreemdeling in de regel in het bezit van een vreemdelingenpaspoort.

Een vreemdeling is op grond van Verordening 539/2001 EG vrijgesteld van de visumplicht als hij in het bezit is van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan:

  • staatlozen; of

  • andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat.

9. Verplichtingen voor vervoerders

Zorgplicht

Een vervoerder moet zijn personeel zodanig instrueren, dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland. Onder het personeel van de vervoerder valt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht. Het personeel van de vervoerder moet bij de controle van de reisdocumenten vaststellen of een document voor grensoverschrijding geldig is.

De vervoerder moet ten minste controleren of:

  • de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden document voor grensoverschrijding zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van het document voor grensoverschrijding;

  • het aangeboden document voor grensoverschrijding voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming);

  • de geldigheidsduur van het aangeboden document voor grensoverschrijding en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;

  • het aangeboden document voor grensoverschrijding is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit.

De vervoerder moet door middel van een kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden document voor grensoverschrijding vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt moet worden van eenvoudige hulpmiddelen.

Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, moet de vervoerder deze apparatuur voor de controle van documenten voor grensoverschrijding gebruiken.

De Nederlandse overheid is bevoegd de vervoerder aanwijzingen te geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.

De Nederlandse overheid mag een vervoerder verzoeken, op grond van de daartoe strekkende internationale regelgeving, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het zeeschip of vliegtuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming. De ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten mag deze bevoegdheid uitoefenen als daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.

De Nederlandse overheid houdt, om vervoerders in staat te stellen de controle op reisdocumenten zo goed mogelijk te verrichten, vervoerders regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. De Nederlandse overheid geeft aanwijzingen aan de vervoerder die een effectievere en efficiëntere controle kunnen bewerkstelligen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt een proces-verbaal op als de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling aanvoert zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Afschriftplicht

De vervoerder die op grond van artikel 2.2 Vb verplicht is een afschrift te maken van een geldig document voor grensoverschrijding moet de afbeeldingen desgevraagd binnen één uur na het verzoek geven aan de ambtenaar belast met de grensbewaking, als een vreemdeling bij binnenkomst in Nederland niet over (de juiste) reisdocumenten blijkt te beschikken.

De ambtenaar belast met de grensbewaking hoeft niet over de exacte gegevens beschikken van de vlucht waarmee de vreemdeling is aangekomen. Een indicatie, verkregen uit de verklaringen van de vreemdeling of uit andere bronnen is hiertoe voldoende.

Passagiersinformatieplicht

De vervoerder die op vordering van de ambtenaar belast met de grensbewaking op grond van artikel 2.2a Vb passagiersgegevens verzendt, gebruikt hiervoor het International Air Transport Association (IATA)-berichtenformat, type B, met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST). Het IATA-adres waar de gegevens naartoe verzonden moeten worden, is HDQKMXH.

De ambtenaar belast met de grensbewaking bepaalt op basis van ervaringsgegevens en risicoanalyses met betrekking tot illegale immigratie ten aanzien van welke plaatsen van vertrek en van welke vervoerders de passagiersgegevens op grond van artikel 2.2a Vb zullen worden gevorderd.

Terugvoerplicht

De vervoerder is verplicht om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking terug te brengen naar een plaats buiten het Schengengebied. De vervoerder brengt de vreemdeling naar in ieder geval één van de volgende landen:

  • het derde land van waaruit de vreemdeling werd aangevoerd;

  • het derde land dat het geldige document voor grensoverschrijding heeft afgegeven waarmee de vreemdeling heeft gereisd;

  • een derde land waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

Deze terugvoerplicht van de vervoerder geldt in alle volgende situaties:

  • bij weigeringen van toegang van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding;

  • bij weigeringen van toegang op basis van één van de andere gronden van artikel 5 SGC;

  • bij staande houding van vreemdelingen met het oog op uitzetting binnen zes maanden na binnenkomst. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van de staande houding.

De ambtenaar belast met de grensbewaking claimt vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd voor terugname bij de vervoerder.

Voor het vervoer van de vreemdeling door de vervoerder naar een plaats buiten Nederland worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie model M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt, om het terugvoeren van een vreemdeling naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, gebruik van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).

De vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd moet zich tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging ophouden in de hem daartoe door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit.

De vervoerder is verantwoordelijk voor de vreemdeling gedurende de gehele periode vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland, tot aan het moment dat de vreemdeling daadwerkelijk door de vervoerder naar een plaats buiten Nederland is vervoerd.

Als de vervoerder de vreemdeling niet binnen redelijke termijn terug kan brengen, mag de Minister de met de verwijdering gepaard gaande kosten, waaronder de verblijfskosten, op de vervoerder verhalen (zie A1/9 Vc Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten).

De ambtenaar belast met de grensbewaking bekijkt opnieuw of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang als:

  • de uitzetting van een vreemdeling aan wie ten tijde van de uitzetting de toegang was geweigerd, mislukt; en

  • de vreemdeling terugkeert nadat de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of zeeschip het Nederlands grondgebied had verlaten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de vreemdeling opnieuw de toegang tot Nederland als de vreemdeling niet aan de voorwaarden voldoet.

De ambtenaar belast met de grensbewaking geeft de vervoerder een nieuwe aanwijzing om de vreemdeling zonder kostenvergoeding terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie model M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago) als de vreemdeling eerder op grond van artikel 65 Vw is verwijderd.

De vreemdeling die Nederland uit eigen beweging verlaat, maar aan wie door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit de toegang wordt geweigerd en wordt teruggezonden moet bij terugkomst in Nederland voldoen aan de voorwaarden voor toegang. De ambtenaar belast met de grensbewaking weigert de toegang tot Nederland als de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang voldoet. De ambtenaar belast met de grensbewaking mag de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling terug naar Nederland is vervoerd niet de verplichting van artikel 65 Vw opleggen tot het vervoeren van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland.

De ambtenaar belast met de grensbewaking effectueert het vertrek van vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen op ten minste één van de volgende momenten:

  • zodra het aanvoerende zeeschip vertrekt, of op een eerder tijdstip als het vertrek, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd;

  • zodra plaatsing aan boord van een vliegtuig van de betreffende maatschappij mogelijk is met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.

Verstekelingen

De vervoerder mag de in bijlage 14c en 14d VV genoemde passagierslijsten gebruiken voor de opgave van aangestroffen verstekelingen.

Als een vreemdeling die als verstekeling is aangetroffen aan boord van een zeeschip niet voldoende gedocumenteerd is, moet de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land waar de vreemdeling vermoedelijk vandaan komt de identiteit en/of nationaliteit van de vreemdeling vaststellen en aan de vreemdeling een vervangend reisdocument geven. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van waar de vreemdeling vermoedelijk vandaan komt moet de nationaliteit en identiteit vaststellen en de vervangende reisdocumenten afgeven voor het moment waarop het zeeschip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag niet tot gevolg hebben dat een unieke verwijdermogelijkheid verloren gaat.

De gezagvoerder van een zeeschip mag zich niet zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de vreemdeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. De ambtenaar belast met de grensbewaking moet, als de gezagvoerder zich op dit voorschrift beroept, de omstandigheden die de gezagsvoerder aanvoert beoordelen en afwegen tegen het belang van terugplaatsing van de vreemdeling aan boord.

Vreemdelingen met een vluchtrelaas

Als de vreemdeling op het moment van vertrek stelt dat zijn leven in het land van waar hij wil vertrekken in direct gevaar is, mag de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging zenden om daar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘asiel’ in te dienen. De vervoerder moet contact opnemen met de IND als de vervoerder overweegt een vreemdeling te vervoeren die stelt dat zijn leven in direct gevaar is.

Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd met instemming van het hoofd van de IND, geldt geen terugvoerplicht. De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt geen proces-verbaal op van vermoedelijke overtreding van de vervoerder van artikel 4 Vw.

Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt proces-verbaal op in alle gevallen waarin als gevolg van het nalaten van de zorg- of afschriftplicht door de vervoerder een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling binnen Nederland is gebracht (zie artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vw, artikel 5, eerste en tweede lid, Vw, artikel 65, derde lid, Vw en artikel 197a WvSr). De ambtenaar belast met de grensbewaking zendt alle processen-verbaal door aan het OM. Het OM biedt eerst een transactie aan de overtreder van de zorg- of afschriftplicht aan.

Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten

Nadat een vreemdeling is terugvervoerd door een vervoerder, leveren alle overheidsinstanties de IND een overzicht aan van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. De overheidsinstanties doen dit aan de hand van de tarievenlijst 2012 in deze paragraaf. Deze gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse overheidsinstanties.

De IND stuurt de vervoerder een rekening die de kosten omvat die door de diverse overheidsinstanties zijn gemaakt.

De IND schort de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten voor de duur van de behandeling van de aanvraag op, als een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd asiel indient. De IND verhaalt kosten op de vervoerder nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden en de ambtenaar belast met de grensbewaking de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

Tarievenlijst 2012

Vervoer (per vervoerde vreemdeling)

Binnen Rotterdam

€ 149,80

Van Rotterdam naar Den Haag

€ 299,60

Van Rotterdam naar Amsterdam

€ 299,60

Van Rotterdam naar Brussel

€ 449,40

Binnen Amsterdam

€ 149,80

Van Amsterdam naar Den Haag

€ 299,60

Van Amsterdam naar Rotterdam

€ 299,60

Van Amsterdam naar Brussel

€ 599,20

Vervoer naar overige bestemmingen, per vreemdeling per uur

€ 74,90

Escortering tijdens het terugvervoer

Salariskosten (per escort per uur)

€ 74,90

Kosten voor het verblijf van de escort (per escort)

variabel

Ticketkosten (per escort)

variabel

Vliegvergoeding (per escort per uur)

€ 18,42

Onkostenvergoeding (per escort per dag)

€ 12,00

Reisverzekering (per escort)

variabel

Verblijf van de geweigerde vreemdeling

 

Enige verblijfplaats aangewezen als plaats of ruimte bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw (p.p.p.d.)

€ 196,00

Laissez passer

Kosten aanvraagproces

€ 597,00

Tolk tijdens vooronderzoek (per aanvraag)

€ 55,00

Prijs laissez passer

variabel

Overige kosten

variabel

Administratiekosten

(maximaal € 1.200 administratiekosten per vreemdeling)

8%

A2 Toezicht

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die toezien op de uitoefening van het vreemdelingentoezicht. Het vreemdelingentoezicht bestaat uit het toezicht ter bestrijding van illegale immigratie, het toezicht in het binnenland en controles voortvloeiende uit de vreemdelingenregistratie.

In de navolgende paragrafen zijn maatregelen van toezicht opgenomen en de mogelijkheden voor het opleggen van bepaalde verplichtingen aan vreemdelingen of aan derden.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:

  • artikel 50 Vw, artikel 52 Vw, artikel 54 Vw, artikel 55 Vw, artikel 62 Vw, artikel 62a Vw artikel 66a Vw, artikel 67 Vw;

  • artikel 6.5 Vv;

  • artikel 4.18 tot en met 4.21 Vb;

  • artikel 4.23 Vb;

  • artikel 4.29 tot en met 4.36 Vb;

  • artikel 4.39 tot en 4.45 Vb;

  • artikel 4.47 en 4.48 Vb;

  • artikel 5.1a en 5.1b Vb;

  • artikel 6.1 Vb;

  • artikel 6.5, 6.5a en 6.7 Vb.

2. Staande houden, overbrengen en ophouden

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft de bevoegdheid om personen staande te houden om de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de persoon vast te stellen. Van deze bevoegdheid mag gebruik gemaakt worden als sprake is van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren of ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet het vermoeden dat de persoon geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, toetsen aan objectieve maatstaven. Deze objectieve maatstaven zijn in ieder geval gebaseerd op tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • feiten of omstandigheden van de situatie waarin de persoon wordt staande gehouden;

  • aanwijzingen over de persoon die wordt staande gehouden;

  • ervaring- of omgevingsgegevens van de politie, KMar of andere overheidsinstanties.

Een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mag in ieder geval in de volgende situaties aangenomen worden:

  • informatie van overheidsinstanties, zoals de Gemeentelijke Sociale Dienst of de Inspectie SZW of de GBA;

  • aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie;

  • aanwijzingen die de politie verkrijgt bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van de politietaken;

  • een controle in een woning of een bedrijf waarbij bij een eerdere controle illegale personen aangetroffen zijn;

  • het aantreffen van andere personen in dezelfde woning waar een met naam bekende illegale of uitgeprocedeerde vreemdeling ter uitzetting aangehouden wordt of kan worden;

  • een controle van inzittenden van een voertuig waarvan bij een verkeerscontrole is gebleken dat de bestuurder van dat voertuig illegaal in Nederland verblijft;

  • voertuigen waarmee personen vervoerd worden naar een bedrijf waar eerder illegale vreemdelingen aangetroffen zijn;

  • concrete (anonieme) tips over illegale vreemdelingen;

  • een verdachte van niet-Nederlandse nationaliteit, die zich niet kan identificeren;

  • een gelegenheid of plaats, waar zich veel vreemdelingen plegen op te houden, en waarvan vermoed wordt of bekend is dat er zich regelmatig illegale vreemdelingen bevinden;

  • een redelijk vermoeden van mensensmokkel;

  • een redelijk vermoeden van illegale tewerkstelling in het kader van de Wav;

  • een redelijk vermoeden van illegaal in Nederland verblijvende prostituees.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van het staande houden en het ophouden van personen een proces-verbaal opmaken, door gebruik te maken van het model M-111A of in geval van Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) van het model M-111C.

De ophoudingstermijn vangt aan bij de aankomst van de opgehouden persoon op de plaats van de ophouding. Bij het overbrengen van de opgehouden persoon telt de tijd niet mee.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen van alle volgende rechten:

  • het recht om zich bij te laten staan door een raadsman;

  • het recht op bijstand van diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland;

  • het recht op aan kennisgeving van de ophouding aan derden (verwanten, echtgeno(o)t(e) of een levenspartner);

  • het recht op beroep tegen de ophouding;

  • als de opgehouden persoon minderjarig is, worden degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen geïnformeerd over de ophouding. Als daartoe geen gelegenheid bestaat, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de kennisgeving doen aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland.

3. Onderzoek identiteit en verblijfsstatus

In artikel 4.21 Vb worden de bewijsmiddelen genoemd waarmee personen zich in Nederland op grond van artikel 50, eerste lid, Vw kunnen identificeren. Het visum waarvan sprake is in artikel 4.21, lid 1, onder e Vb moet een geldig visum zijn.

Het onderzoeken van kleding of zaken van de opgehouden persoon of het onderzoek verrichten aan het lichaam mag alleen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • het onderzoek wordt verricht door een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • andere manieren hebben niet geleid tot het vaststellen van de identiteit van de opgehouden persoon.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet voor de vaststelling van de identiteit van de opgehouden persoon alle volgende handelingen verrichten:

  • onmiddellijk verzenden van het vingerafdrukkenformulier naar de DNRI met daarop de afgenomen vingerafdrukken van de opgehouden vreemdeling;

  • raadplegen van gegevens van de vreemdelingenadministratie;

  • het OPS en het (N)SIS raadplegen of de opgehouden persoon onder de opgegeven of vastgestelde identiteit voorkomt.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de gegevens over de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van de staande gehouden persoon raadplegen in de BVV, als deze gegevens niet vastgesteld kunnen worden aan de hand van een document zoals omschreven onder artikel 4.21 Vb of een EEGG-document.

Als de gegevens van de staande gehouden persoon niet voorkomen in de BVV moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de opgegeven nationaliteit van de staande gehouden persoon raadplegen in de GBA.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de verblijfsstatus onderzoeken van de staande gehouden persoon die niet de Nederlandse nationaliteit heeft of als een verblijfsstatus die in de BVV gevonden is om nader onderzocht vraagt.

Als de opgehouden persoon opgeeft in een gemeente buiten de politieregio waar het onderzoek plaatsvindt te wonen, dan moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen voor het onderzoek de Korpschef inschakelen van het politiekorps waarin de opgegeven gemeente is gelegen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt contact op met het Gemeenschappelijk Grenscoördinatiecentrum van de KMar, als de vreemdeling stelt in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning uit een andere lidstaat van de Europese Unie, Europese Economische Ruimte of uit Zwitserland, om dit te verifiëren.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de gegevens in de BVV raadplegen om te beoordelen of een terugkeerbesluit moet worden genomen tegen een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft.

4. Rechtsbijstand

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon op de hoogte stellen dat:

  • de opgehouden persoon recht heeft contact met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de opgehouden persoon in Nederland;

  • de opgehouden persoon contact mag opnemen met hulpverlenende instanties en/of verwanten;

  • de opgehouden persoon bij verhoor op grond van artikel 4.18 Vb, het recht heeft zich bij te laten staan door een raadsman. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen doet deze mededeling op een tijdstip dat deze raadsman bij het verhoor aanwezig kan zijn. De mededeling over de rechtsbijstand wordt door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie geregistreerd.

Als de opgehouden persoon aangeeft zich bij het verhoor te willen laten staan door een raadsman, moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen tenminste één van de volgende personen inlichten:

  • de door de opgehouden persoon gewenste raadsman;

  • de raadsman die aangewezen is via de vreemdelingenpiketdienst van het bureau voor rechtshulp.

De opgehouden persoon heeft het recht om onmiddellijk contact op te nemen met zijn raadsman. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de opgehouden persoon hiertoe in de gelegenheid stellen.

De raadsman heeft vrije toegang tot de opgehouden persoon. Hij kan hem alleen spreken of onder toezicht van een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Het gesprek tussen de raadsman en de opgehouden persoon mag uitsluitend onder toezicht van de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen plaatsvinden om te verzekeren dat:

  • de opgehouden persoon zich niet aan het onderzoek naar zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus onttrekt;

  • de opgehouden persoon bewijsmiddelen die voor het onderzoek van belang zijn niet wegmaakt.

    De raadsman mag de opgehouden persoon spreken als het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus van de opgehouden persoon niet wordt vertraagd.

5. Verhoor

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

  • moet de hulp van een beëdigde tolk inroepen als door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is;

  • mag in tenminste een van de volgende situaties gebruik maken van een tolk die geen beëdigde tolk is:

    • een beëdigde tolk is niet tijdig beschikbaar;

    • er kan niet gewacht worden op een beëdigde tolk beschikbaarheid;

    • voor de desbetreffende bron- of doeltaal is geen tolk beschikbaar;

  • moet het gebruik maken van een niet beëdigde tolk met redenen omkleed schriftelijk vastleggen.

De niet beëdigde tolk moet:

  • voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring overhandigen als geen sprake is van spoedeisende inzet;

  • na de inzet een verklaring omtrent het gedrag tonen als vanwege de spoedeisendheid het niet mogelijk is dit voorafgaand aan de inzet te doen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de wens van de opgehouden persoon respecteren om bepaalde vragen van de ambtenaar niet te beantwoorden voordat de vreemdeling met zijn raadsman overleg heeft gepleegd.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verhoort de opgehouden persoon over zijn levensloop, woonplaatsen, bezochte onderwijsinstellingen en dergelijke om de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de opgehouden persoon te kunnen vaststellen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag voor het vaststellen van de identiteit, nationaliteit en de verblijfsstatus van de opgehouden persoon, bij instellingen of andere personen dan de opgehouden persoon zelf, informatie inwinnen die kunnen leiden tot het vast stellen van de identiteit van de opgehouden persoon.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag de opgehouden persoon vorderen om in ieder geval gegevens te verstrekken over zijn:

  • identiteit;

  • nationaliteit;

  • burgerlijke staat;

  • beroep;

  • woon- of verblijfplaats met adres;

  • datum, plaats en wijze van binnenkomst in Nederland;

  • doel en duur van verblijf in Nederland;

  • middelen van bestaan.

Deze vordering moet door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in de vreemdelingenadministratie worden geregistreerd.

6. Verlenging en einde ophouding

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, eveneens Hulpofficier van Justitie, moet bij de verlenging van de ophouding van de persoon in ieder geval de volgende handelingen verrichten:

  • voor de verlenging van de ophouding van de persoon gebruik maken van het model M111-D;

  • de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon voorzien van dagtekening, ondertekening en de redenen voor de verlenging van de ophouding;

  • een afschrift van de beschikking tot verlenging aan de opgehouden persoon uitreiken;

  • de opgehouden persoon meedelen dat hij tegen deze beslissing een rechtsmiddel kan aanwenden;

  • het origineel van de beschikking tot verlenging van de ophouding van de persoon in het archief van de eigen organisatie opbergen;

  • het tijdstip waarop de verlenging van een ophouding van de persoon ingaat in de vreemdelingenadministratie registreren.

Bij de verlenging van de ophouding van de persoon hoeft de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de opgehouden persoon niet te horen.

Bij het opheffen van de ophouding van de persoon moet de Korpschef, de Commandant der KMar, de Algemeen Directeur van de DT&V, de hulpofficier van Justitie of de ambtenaar belast met de grensbewaking het model M113 opmaken.

7. Kennisgeving aan derden

Als de Korpschef of de Commandant der KMar tot verlenging van de ophouding van de persoon beslist, moet de Korpschef of de Commandant der KMar alle volgende instanties of personen informeren over de verlenging van de ophouding van de persoon:

  • op verzoek van de opgehouden persoon tenminste één van de volgende personen:

    • de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de opgehouden persoon in Nederland;

    • de verwanten, echtgeno(o)t(e) of een levenspartner van de opgehouden persoon;

  • als de opgehouden persoon minderjarig is, aan degenen die de ouderlijke macht of de voogdij over de minderjarige uitoefenen. Als daartoe geen gelegenheid bestaat, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de kennisgeving doen aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland.

De Korpschef of de Commandant der KMar moet de vreemdeling de gelegenheid bieden de echtgeno(o)t(e) of levenspartner telefonisch in te lichten over zijn vrijheidsontneming. Als de kennisgeving moet worden gedaan aan een persoon buiten Nederland gebeurt dit op de snelst mogelijke manier.

De opgehouden persoon moet door de Korpschef of de Commandant der KMar van deze mogelijkheid op de hoogte worden gesteld.

Als de verlenging van de ophouding een Britse onderdaan betreft, moet de Korpschef of de Commandant der KMar op basis van een tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten overeenkomst de betrokken Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding, met het oog op het verlenen van diplomatieke of consulaire bijstand. Ook als de Britse onderdaan niet heeft verzocht de Britse consul te informeren over de verlenging van zijn ophouding, moet de Korpschef of de Commandant der KMar de Britse consul informeren over de verlenging van de ophouding van de Britse onderdaan.

8. Bevoegdheden ten aanzien van reis- en verblijfsdocumenten

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag in alle volgende bewijsmiddelen geen aantekeningen maken:

  • in een geldig document voor grensoverschrijding of in een identiteitsbewijs van een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend;

  • in bewijsmiddelen die afgegeven zijn door een regering of staat die niet door Nederland is erkend;

  • in een geldig document voor grensoverschrijding en op een verblijfsdocument van vreemdelingen anders dan door wet- en regelgeving is voorgeschreven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval aantekeningen in het geldig document voor grensoverschrijding van een vreemdeling doorhalen ingeval:

  • daarin is aangetekend dat zijn vertrek op grond van artikel 64 Vw is opgeschort en de grond voor die opschorting is komen te vervallen;

  • het bezwaar- of beroepschrift of een beroep door de rechtbank (kennelijk) ongegrond is verklaard en in het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling een aantekening over de indiening van dat bezwaar- of beroepschrift of instelling van dat beroep is gesteld.

Als de sticker of de aantekeningen niet in een geldig document voor grensoverschrijding zijn aangebracht maar op een afzonderlijk inlegblad is aangebracht, dan moet de ambtenaar belast met grensbewaking het inlegvel van de vreemdeling innemen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft het recht om een geldig document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon in ieder gaval in de volgende situaties in te nemen:

  • het in bewaring nemen van het bewijsmiddel is tijdelijk nodig voor het verkrijgen van de gegevens, bedoeld in Afdeling 5.2 van de Awb. In ieder geval in de volgende situaties bestaat aanleiding om het bewijsmiddel in bewaring te nemen:

    • als een persoon niet de vereiste medewerking aan het verkrijgen van de gevraagde gegevens verleent;

    • als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen in het bewijsmiddel een aantekening moet maken over het vertrek of de ongewenstverklaring van de vreemdeling en de vreemdeling weigert het document voor dat doel te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • bij een controle blijkt niet onmiddellijk dat de vreemdeling in Nederland mag verblijven, maar de gelegenheid ontbreekt, of het is niet gewenst, om de vreemdeling over te brengen naar een plaats voor verhoor. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen heeft dan het recht om het bewijsmiddel van de vreemdeling tijdelijk in bewaring nemen. De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet de vreemdeling bij het innemen van het bewijsmiddel meedelen dat de vreemdeling voor informatie over de inbewaringneming van het bewijsmiddel en het eventueel terugverkrijgen van het bewijsmiddel zich moet wenden tot de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen;

  • de vreemdeling is in bewaring gesteld of ondergaat een vrijheidsstraf. Als de vreemdeling uitgezet wordt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de bewijsmiddelen overhandigen aan de vreemdeling of aan de KMar als vreemdeling aan de buitenlandse autoriteiten wordt overgegeven;

  • het in bewaring nemen van het bewijsmiddel is nodig met het oog op de uitzetting of de overgave aan de buitenlandse grensautoriteiten van de vreemdeling.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen op grond van artikel 52, eerste lid Vw, het geldige document voor grensoverschrijding of een identiteitspapier van een persoon inneemt, moet de ambtenaar belast met grensbewaking alle volgende handelingen verrichten:

  • aan de persoon een ontvangstbewijs verstrekken door gebruik te maken van model M101;

  • aan de persoon een informatiefolder verstrekken over het tijdelijk in bewaring nemen van geldige bewijsmiddelen voor grensoverschrijding of andere bewijsmiddelen door de KMar of de politie.

Als de redenen van de tijdelijke inbewaringneming van het bewijsmiddel komen te vervallen, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het bewijsmiddel zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling teruggeven.

9. Binnentreden

Als een bewoner van een woning toestemming heeft gegeven voor het binnentreden van de woning door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, heeft de bewoner het recht om op elk moment deze toestemming in te trekken. Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen niet in het bezit is van een schriftelijke machtiging voor het binnentreden van de woning, mag deze ambtenaar de woning niet tegen de wil van de bewoner betreden.

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen met toestemming van de bewoner een woning binnentreedt, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het verloop van het binnentreden van de woning vastleggen in een proces-verbaal.

10. Verplichtingen in het kader van toezicht

10.1 Verlenen van medewerking aan identificatie

In ieder geval de volgende vreemdelingen hebben de plicht een gezichtsopname en vingerafdrukken te laten afnemen door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

  • vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen en/of tegen wie een onderzoek naar de identiteit moet worden ingesteld;

  • vreemdelingen tegen wie - met het oog op de toepassing van de Vw - een onderzoek naar hun criminele of ongunstige politieke antecedenten moet worden ingesteld;

  • vreemdelingen bij wie een voorschrift aan de verblijfsvergunning wordt verbonden in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid;

  • vreemdelingen aan wie een individuele verplichting tot periodieke aanmelding wordt opgelegd (zie artikel 54, tweede lid, Vw);

  • vreemdelingen aan wie vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd (zie artikel 56 Vw);

  • vreemdelingen die ongewenst worden verklaard (zie artikel 67 Vw);

  • vreemdelingen die een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd (zie artikel 59 Vw);

  • vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend;

  • en in alle gevallen waarin de IND een bijzondere aanwijzing heeft gegeven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van afgenomen vingerafdrukken alle volgende handelingen verrichten:

  • het formulier met de vingerafdrukken onmiddellijk verzenden naar de DNRI, afdeling Dactyloscopie;

  • achter op het formulier vermelden op basis van welke gegevens de identiteit van de vreemdeling is onderzocht;

  • aangeven waarom de vingerafdrukken zijn genomen;

  • het formulier voorzien van het dossier- en vreemdelingennummer van de IND;

  • als de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend het vakje ‘Asiel’ aankruisen. Op de buitenzijde van de enveloppe moet in de linker bovenhoek ‘Asiel’ worden vermeld;

  • voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding, moet het speciaal daarvoor bedoelde formulier voor vingerafdrukken worden gebruikt (het Dactyloscopisch Formulier Identiteitsonderzoek). Op dit formulier mag geen verwijzing naar de verblijfshistorie van de vreemdeling vermeldt staan.

10.2 Verplichting tot het verstrekken van gegevens

De Korpschef of de Commandant der KMar moet een mondelinge of schriftelijke vordering aan een vreemdeling tot het verstrekken van gegevens zoals bedoeld in de artikelen 4.39 tot en met 4.44 Vb, in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal doen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag een vreemdeling die beschikt over een verblijfsdocument niet verplichten informatie zoals bedoeld in de artikelen 4.39 tot en met 4.44 Vb te verstrekken. Alleen in het geval er gerechtvaardigde aanleiding is te veronderstellen dat de vreemdeling voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet is nagekomen en/of niet (meer) voldoet aan de beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de vreemdeling daarover ondervragen.

Personen die aan een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 4.40 Vb, verblijf voor de nacht verschaffen, moeten daarvan mededeling doen aan de Korpschef van de gemeente van het nachtverblijf of de Commandant der KMar. De manier waarop deze mededeling wordt gedaan is vormvrij.

De IND heeft de bevoegdheid schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de Korpschef of de Commandant der KMar te geven over het verstrekken van gegevens van een vreemdeling door een werkgever op grond van artikel 4.41 Vb. De Korpschef of de Commandant der KMar moet een vordering aan de werkgever van de vreemdeling tot het verstrekken van gegevens van de vreemdeling overhandigen of per aangetekende brief verzenden aan de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar moet in de vordering aan de werkgever alle volgende onderdelen vermelden:

  • welke gegevens de werkgever moet verstrekken;

  • op welke wijze de werkgever de gegevens moet verstrekken;

  • binnen welke termijn de werkgever de gegevens moet verstrekken;

  • (eventueel) ten aanzien van welke categorieën vreemdelingen de werkgever de gegevens moet verstrekken.

De werkgever moet op vordering tot het verstrekken van gegevens, de Korpschef of de Commandant der KMar in ieder geval de volgende gegevens verstrekken:

  • naam van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • voorna(a)m(en) van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • geboortedatum en -plaats van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • nationaliteit van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • datum van indiensttreding van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • woonplaats en adres van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, doet de vordering tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die bij de werkgever in dienst zijn of in dienst zijn geweest. De Korpschef of Commandant der KMar moet overleg voeren en gegevens van de buitenlandse werknemers uitwisselen met de Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar de buitenlandse arbeidskrachten woonachtig zijn.

10.3 Meldplicht

De Korpschef van de verblijfplaats van de vreemdeling informeert de vreemdeling na ondertekening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, dat op hem, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, een meldplicht rust (zie artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb). Vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend, wordt een meldplicht opgelegd door gebruik te maken van het model M117-A. Het model M117-A dient ook als proces-verbaal van uitreiking van de meldplicht aan de vreemdeling.

Een onderdaan van de EU, EER of Zwitserland hoeft geen melding te maken van zijn aanwezigheid in Nederland. Een onderdaan van de EU, EER of Zwitserland moet zich in de vierde maand na binnenkomst in Nederland melden bij de IND voor de inschrijving in de vreemdelingenadministratie (zie paragraaf B10/2.5.2 Vc).

De Korpschef:

  • moet aan een vreemdeling een beschikking uitreiken als hij de vreemdeling een periodieke meldplicht oplegt;

  • moet de vreemdeling wijzen op wijzigingen over zijn meldplicht;

  • mag de ontheffing van de meldplicht beëindigen als ontheffing niet langer gewenst is;

  • mag naar eigen oordeel afwijken van de instructies voor oplegging of ontheffing van de meldplicht.

Bij de oplegging of ontheffing van de meldplicht gelden voor de Korpschef de volgende instructies.

De Korpschef verleent in ieder geval in de volgende situaties geen (of niet langer) ontheffing van de meldplicht aan de vreemdeling:

  • bij een aanvraag in eerste aanleg voor een verblijfsvergunning waarover de Korpschef niet inwilligend heeft geadviseerd;

  • als voor het vreemdelingentoezicht ontheffing van de meldplicht niet (of niet langer) gewenst is;

  • de vreemdeling niet langer in Nederland mag verblijven. Voor deze vreemdeling geldt de meldplicht zolang de finale vertrektermijn nog niet is verstreken.

De Korpschef verleent aan een vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend uitsluitend in de volgende situaties ontheffing van de meldplicht:

  • tijdens het afwachten van de beslissing in eerste aanleg van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in overleg met de IND;

  • als de vreemdeling minderjarig is beneden de leeftijd van twaalf jaar en geen Amv is.

Na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft de vreemdeling tijdens de ontruimingsprocedure de plicht zich wekelijks te melden bij de Korpschef. De Korpschef laat de vreemdeling hiervoor in het bezit van het W-document.

De Korpschef vordert de vreemdeling aan wie een periodieke meldplicht is opgelegd en die zich twee achtereenvolgende keren niet heeft gehouden aan de periodieke meldplicht, om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de periodieke meldplicht. Als de vreemdeling niet reageert, mag de Korpschef concluderen dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en meldt de vreemdeling af in de vreemdelingenadministratie.

Voor vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, laat de Korpschef een adrescontrole door de politie uitvoeren. De politie moet het daadwerkelijke vertrek van de vreemdeling vaststellen. De Korpschef mag concluderen dat de vreemdeling definitief is vertrokken als dat onomstotelijk vast is komen te staan. De Korpschef moet de IND en de DT&V over het (veronderstelde) vertrek van een vreemdeling informeren door middel van een model M100.

10.4 Veiligheidsfouillering

In artikel 55, derde lid, Vw is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Als uitzondering op de bevoegdheden van veiligheidsfouillering geldt dat de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, vreemdelingen jonger dan twaalf jaar niet aan een veiligheidsfouillering mag onderwerpen.

11. Toezicht op bewijsmiddelen

Als het bewijsmiddel waaruit het rechtmatig verblijf blijkt van een vreemdeling wordt vermist, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, moet de vreemdeling hiervan aangifte doen bij de Korpschef. De Korpschef zendt een afschrift van het proces-verbaal van de aangifte aan de IND. De IND draagt zorg dat het nummer van het betreffende bewijsmiddel wordt opgenomen in het Verificatie- en Informatiesysteem van IPOL.

Als door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen wordt geconstateerd dat onregelmatigheden zijn gepleegd met door de Nederlandse overheid afgegeven geldige documenten voor grensoverschrijding, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen hiervan een bericht zenden aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De vreemdeling moet voor het vervangen of het vernieuwen van verblijfsdocumenten, om redenen als genoemd in artikel 4.22 eerste lid van het Vb, een ingevuld aanvraagformulier verzenden naar de IND.

De afgifte van documenten ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsstatus als bedoeld in artikel 4.21 Vb (zowel ingeval van vervanging als van vernieuwing), gebeurt door de IND.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet in ieder geval de volgende gedragslijnen in acht nemen bij vreemdelingen zonder bewijsmiddelen:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet niet te snel afgaan op de verklaring van een vreemdeling dat de vreemdeling niet (of niet meer) in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • bij het afnemen van vingerafdrukken van een vreemdeling, moet het formulier met de vingerafdrukken voorzien worden van een handtekening van de vreemdeling;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag de hulp van een tolk inroepen als door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de vreemdeling mogelijk is;

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet van alle aangetroffen bewijsmiddelen die ondersteunend kunnen zijn bij het vaststellen van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, fotokopieën maken.

    De Korpschef of de Commandant der KMar zendt de uitkomsten van het identiteits- en nationaliteitsonderzoek naar de DT&V, zodra dit bekend is door een overdrachtsdossier naar de DT&V te versturen. De DT&V heeft voor het vertrek van de vreemdeling informatie uit het overdrachtsdossier nodig voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding voor de vreemdeling.

12. Signaleringen

12.1 Inleiding

De ambtenaar belast met de grensbewaking moet ten aanzien van een vreemdeling zonder geldige verblijfstitel voor Nederland of een van de andere Schengenlanden en die gesignaleerd staat in het OPS of het (N)SIS, alle volgende handelingen verrichten:

  • de toegang tot Nederland weigeren;

  • de treffer in het (N)SIS bij het Bureau SIRENE melden.

    De ambtenaar belast met de grensbewaking mag diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde personen niet in het OPS controleren.

Het Bureau SIRENE verricht alle volgende handelingen:

  • gemelde treffers in het (N)SIS registreren;

  • de IND informeren over de treffer in het (N)SIS;

  • het overleg met een Schengenland vastleggen als wordt overwogen een verblijfstitel af te geven aan een ter fine van weigering van de toegang gesignaleerde vreemdeling.

12.2 Opneming van signaleringen

In ieder geval in de volgende situaties volgt opname van een vreemdeling in het (N)SIS;

  • als een niet EU-onderdaan ongewenst is verklaard op grond van art.67 Vw;

  • als een vreemdeling een zwaar inreisverbod is opgelegd op grond van 66a lid 7 Vw;

  • als een vreemdeling een licht inreisverbod is opgelegd;

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) na toegangsweigering tot Nederland in verband met het gebruik van een vals document voor grensoverschrijding of identiteitspapieren. De signaleringsduur is 5 jaar;

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) na toegangsweigering tot Nederland in verband met van een aan drugssmokkel gerelateerd misdrijf. De signaleringsduur is 5 jaar;

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) bij wie concrete aanwijzing zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De signaleringsduur is 10 jaar.

In ieder geval de volgende categorieën vreemdelingen worden opgenomen in het OPS:

  • een ongewenst vreemdeling (OVR) met een verblijfsvergunning in een ander Schengenland die zich niet gehouden heeft aan de voorwaarden van artikel 12 Vw. De termijn van signalering is maximaal zes maanden;

  • een op grond van artikel67 Vw ongewenst verklaarde EU-onderdaan.

De duur van signaleringen ter fine van handhaving van een inreisverbod of ongewenstverklaring is gelijk aan de duur van de betreffende maatregel.

De IND neemt signaleringen op in het OPS of het (N)SIS:

  • naar aanleiding van een melding in de BVV van een door de politie of KMar opgelegd licht inreisverbod;

  • naar aanleiding van een bekendmaking van een door de IND opgelegd licht of zwaar inreisverbod of een beschikking tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw;

  • naar aanleiding van een door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen ingediend model M93.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet het model M93 verzenden aan de IND, samen met:

  • een formulier met vingerafdrukken van de vreemdeling;

  • wanneer aanwezig kopieën van identiteitsdocumenten van de vreemdeling;

  • het opgemaakte proces-verbaal van het misdrijf dat aanleiding is voor het voorstel tot signalering.

  • het nummer van het proces-verbaal;

  • als er geen sprake is van een proces-verbaal moeten andere bewijsmiddelen die het voorstel tot signalering ondersteunen, worden meegezonden.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het voorstel tot signalering ‘OVR (ongewenst vreemdeling)’ doet aan de IND, moet de vreemdeling in ieder geval informeren over:

  • het feit dat de vreemdeling gesignaleerd wordt

  • de duur van de signalering

  • dat de signalering voor het gehele Schengengebied geldt

  • de wijze waarop de vreemdeling:

  • kan kennisnemen van de signalering;

  • om opheffing kan verzoeken;

  • bezwaar kan maken tegen de signalering.

Als de identiteit van de vreemdeling niet bekend is en een onderzoek naar de identiteit van de vreemdeling nog niet heeft plaatsgevonden, moet de politie een onderzoek doen naar de identiteit van de vreemdeling op basis van de vingerafdrukken van de vreemdeling. De vreemdeling met verschillende personalia wordt onder de naam zoals deze bij de IND bekend is, gesignaleerd. De andere personalia worden als aliasnaam opgenomen.

12.3 Aanvang termijn signalering

Bij signalering van een vreemdeling in het OPS of het (N)SIS, vangt de termijn van signalering tenminste aan op:

  • de datum dat de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten;

  • de datum van het besluit OVR op grond van artikel 67 Vw of het inreisverbod;

  • de datum dat de vreemdeling de toegang tot Nederland is geweigerd.

12.4 Gevolgen signalering bij het aantreffen aan de grens of binnen Nederland

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet bij een vreemdeling die gesignaleerd staat en die in het kader van binnenlands toezicht wordt aangetroffen in ieder geval de volgende handelingen verrichten:

  • de vreemdeling die gesignaleerd staat als ‘ongewenst vreemdeling’ (hierna aangeduid als ‘OVR’) een inreisverbod opleggen anders dan op grond van artikel 66a, lid 7, Vw. De IND zorgt voor (aanpassing van) de signalering in (N)SIS;

  • bij de vreemdeling die gesignaleerd staat als ‘ONGEW’ nagaan of de vreemdeling sinds de datum van uitreiking van de beschikking tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw uit Nederland is vertrokken of uitgezet:

    • als de vreemdeling Nederland niet heeft verlaten moet geen terugkeerbesluit en inreisverbod worden opgelegd;

    • als de vreemdeling sinds de datum van uitreiking van de beschikking tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw is vertrokken of uitgezet moet een terugkeerbesluit worden opgelegd.

De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd anders dan op grond van artikel 66a, lid 7, Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 108 Vw. De vreemdeling tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd op grond van artikel 66a lid 7 Vw en in Nederland verblijft, is strafbaar op grond van artikel 197 WvSr.

12.5 Signaleringen en verblijfstitels/verblijfsaanvragen

Bij iedere beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland moet de IND nagaan of de vreemdeling is opgenomen in het OPS of (N)SIS.

De volgende categorieën vreemdelingen worden in het kader van signalering in het (N)SIS- onderscheiden:

  • a. Een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning indient en door Nederland in het (N)SIS gesignaleerd staat;

    • De vreemdeling moet bij een beschikking waarbij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning is afgewezen en waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan of niet in Nederland afgewacht mag worden, Nederland worden uitgezet;

    • Het inreisverbod wordt opgeheven als aan betrokkene een verblijfsvergunning wordt verleend. De IND verwijdert de signalering uit het (N)SIS;

  • b. Een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel of regulier indient of heeft ingediend en in het (N)SIS gesignaleerd staat voor een ander Schengenland;

    • Het Bureau SIRENE van Nederland moet het Bureau SIRENE van de signalerende lidstaat in kennis stellen dat de vreemdeling in Nederland een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel of regulier heeft ingediend;

    • De IND treedt in overleg met de signalerende lidstaat over de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning;

    • De IND moet na het indienen van de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning, de vreemdeling een verklaring uitreiken waarin is vermeld dat de vreemdeling een aanvraag tot verblijf heeft ingediend terwijl de vreemdeling ter fine van weigering van de toegang gesignaleerd staat. De vreemdeling moet deze verklaring bij zich dragen en op verzoek verstrekken. Het Hoofd van de IND stelt een model voor deze verklaring vast;

    • De vreemdeling moet bij een negatieve beschikking waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan of in Nederland mag worden afgewacht, worden uitgezet. Als aan de vreemdeling een verblijfsvergunning wordt verleend, wordt de signalerende lidstaat verzocht de signalering uit het SIS te verwijderen en een eventueel onderliggend inreisverbod op te heffen;

  • c. Een vreemdeling die in Nederland of in een ander Schengenland een geldige verblijfstitel bezit en in het (N)SIS gesignaleerd staat;

    • Het Bureau SIRENE van Nederland moet de IND en het Bureau SIRENE van het andere Schengenland in kennis stellen;

    • De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadplegingprocedure toe;

    • De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die de vreemdeling aantreft verricht alle volgende handelingen:

      • bij de IND informeren of de afgifte van de (tijdelijke) verblijfstitel rechtmatig is;

      • als de signalering van de vreemdeling bij afgifte van de verblijfstitel of bij de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning (nog) niet bekend was bij de IND, een proces-verbaal van bevindingen opmaken;

      • een kopie van alle bewijsmiddelen maken die nog niet bekend waren bij de IND.

12.6 Aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Als een vreemdeling te kennen geeft een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen en in het (N)SIS of OPS gesignaleerd staat, verricht de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen alle volgende handelingen:

  • de treffer melden bij het Bureau SIRENE;

  • de IND op de hoogte stellen van het bestaan van de (N)SIS- of OPS-signalering.

De IND neemt de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in behandeling.

Bij een negatief besluit op de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd waartegen geen rechtsmiddelen meer open staan, moet de vreemdeling worden uitgezet en blijft de signalering in (N)SIS of OPS gehandhaafd.

Als sprake is van een claim op basis van de verordening 343/2003 neemt het verantwoordelijke land de behandeling van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd over en blijft de (N)SIS-signalering voorlopig gehandhaafd. Het Schengenland dat de vreemdeling heeft gesignaleerd neemt de beslissing over het handhaven of laten vervallen van de signalering.

Als de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, wordt de signalerende lidstaat verzocht de signalering uit het SIS te verwijderen en een eventueel onderliggend inreisverbod op te heffen.

12.7 Bezit geldige verblijfstitel en signalering

Als een vreemdeling die in Nederland of een ander Schengenland een geldige verblijfstitel bezit en in het (N)SIS gesignaleerd staat, verricht de ambtenaar belast met de grensbewaking de volgende handelingen:

  • melden van de treffer bij bureau SIRENE;

  • inlichten van de IND;

  • de vreemdeling doorlaten of doorreis verlenen;

  • bij twijfel over de verblijfsstatus van de vreemdeling bij de IND nagaan of de verblijfsstatus van de vreemdeling geldig is voordat de vreemdeling wordt doorgelaten.

De IND past de in artikel 25 SUO genoemde raadplegingprocedure toe.

In geval van een vreemdeling die in het bezit is van een voor een ander Schengenland geldige verblijfstitel en in het OPS gesignaleerd staat, verricht de ambtenaar belast met de grensbewaking verricht de volgende handelingen:

  • weigeren van de toegang tot Nederland;

  • melden van de treffer bij bureau SIRENE;

  • inlichten van de IND.

12.8 Opheffing van signaleringen

Een signalering wordt door de IND uit het (N)SIS verwijderd als de termijn van de signalering is verstreken.

De IND kan een signalering opheffen voordat de termijn van de signalering is verstreken als sprake is van gewijzigde omstandigheden, die aanzetten tot opheffing. Daarvan is in ieder geval sprake in de volgende gevallen:

  • de grondslag voor de signalering is komen te vervallen;

  • de vreemdeling toont aan dat de signalering berust op onterechte gronden;

  • aan de vreemdeling wordt verblijf in Nederland toegestaan;

  • aan de vreemdeling wordt verblijf in een andere lidstaat toegestaan. Als aan de vreemdeling verblijf in een andere lidstaat wordt toegestaan moet het Bureau SIRENE van het betreffende Schengenland aan Nederland verzoeken de signalering op te heffen. Het Bureau SIRENE van Nederland stuurt het verzoek om opheffing van de signalering door naar de IND. De IND verwijdert de signalering uit het (N)SIS en gaat na of de signalering vervolgens in het OPS wordt opgenomen. Met opneming van de signalering van de vreemdeling in OPS, moet de IND rekening houden met het verblijfsdoel van de vreemdeling in het land waar hem verblijf wordt toegestaan, als de vreemdeling onder de werking van het Gemeenschapsrecht komt te vallen.

12.8.1 Verzoek opheffing van een signalering in het (N)SIS

Een vreemdeling die gesignaleerd staat in het (N)SIS mag bij elk Schengenland een verzoek indienen om opheffing van de signalering.

In Nederland moet de vreemdeling een verzoek tot opheffing van een signalering van een andere lidstaat richten aan de Dienst IPOL van de KLPD. Als de signalering dient ter fine van handhaving van een door Nederland opgelegd inreisverbod, moet het verzoek van de vreemdeling tot opheffing van de signalering gericht zijn op de opheffing van het inreisverbod.

Een verzoek tot opheffing van een door Nederland opgenomen signalering moet door de vreemdeling naar de IND worden gestuurd. Binnen vier weken nadat het verzoek van de vreemdeling is ontvangen, wordt door de IND schriftelijk beslist op het verzoek tot opheffing van de signalering.

12.8.2 Verzoek opheffing van signalering in het OPS

Een vreemdeling die is geregistreerd in het OPS heeft het recht een verzoek in te dienen om de signalering te verwijderen uit OPS. Hiertoe moet de vreemdeling een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richten aan de Dienst IPOL (zie artikel 35 en artikel 36 Wbp). De Dienst IPOL stuurt het verzoek door aan de IND. De IND beslist schriftelijk binnen vier weken nadat het verzoek door de IND is ontvangen.

Een signalering wordt door de IND uit het OPS verwijderd als de signaleringstermijn is verstreken.

De IND kan een signalering in het OPS opheffen voordat de signaleringstermijn is verstreken als er sprake is van gewijzigde omstandigheden, die nopen tot opheffing.

12.9 Toegang verlenen ondanks signalering

De ambtenaar belast met de grensbewaking stelt het Bureau SIRENE op de hoogte als een vreemdeling die gesignaleerd staat de toegang tot Nederland voor een kort verblijf wordt verleend. Het Bureau SIRENE informeert de andere Schengenlanden over deze toegangsverlening.

13. Gedragslijn bij ongewenste politieke activiteiten

De politie, ZHP of KMar moeten contact opnemen met de IND om te vernemen hoe gehandeld moet worden om het rechtmatig verblijf van een vreemdeling te ontzeggen, als politieke activiteiten van de vreemdeling gevaar opleveren voor tenminste één van de volgende situaties:

  • de openbare orde;

  • goede internationale betrekkingen;

  • de nationale veiligheid.

    De vreemdeling kan de bijzondere aanwijzing worden gegeven dat hij zich moet onthouden van activiteiten of uitlatingen die een gevaar opleveren voor de openbare orde.

A3 Vertrek en uitzetting

1. Inleiding

In hoofdstuk 3 zijn beleidsregels opgenomen over onder meer het vertrek en de uitzetting van de vreemdeling. Deze regels zijn deels ook van toepassing op EU-/EER onderdanen en Zwitserse onderdanen, evenals de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede en derde, Vb en de vreemdelingen als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, Vb, die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen:

  • artikel 61 tot en met artikel 66a Vw;

  • artikel 6.1 tot en met artikel 6.5 Vv;

  • artikel 6.1a tot en met 6.4 Vb.

2. Zelfstandig vertrek

De IND, politie, KMar en ZHP starten een terugkeerprocedure op die gericht is op de terugkeer naar het land van herkomst van de vreemdeling, nadat zij de vreemdeling een terugkeerbesluit hebben uitgereikt.

De IND moet een nieuw terugkeerbesluit verstrekken aan de vreemdeling aan wie de vertrektermijn wordt onthouden en een inreisverbod wordt opgelegd en die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling heeft eerder een terugkeerbesluit ontvangen;

  • de vreemdeling heeft niet voldaan aan de terugkeerverplichting en vertrektermijn voortvloeiend uit het terugkeerbesluit;

  • de vreemdeling dient een opvolgende aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning in;

  • de aanvraag van de vreemdeling voor het verlenen van een verblijfsvergunning wordt door de IND afgewezen.

De IND of de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet aan een vreemdeling een nieuw terugkeerbesluit uitreiken als de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling heeft voldaan aan zijn terugkeerverplichting;

  • de vreemdeling komt opnieuw Nederland binnen;

  • de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling geeft daartoe aanleiding. Dit geldt in ieder geval in de volgende situaties:

    • een aanvraag van de vreemdeling tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt afgewezen;

    • de vreemdeling wordt als illegaal aangetroffen;

    • de verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt ingetrokken;

    • de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de vreemdeling wordt niet verlengd.

Aan een vreemdeling met verblijfsrecht in een andere lidstaat van de Unie wordt geen inreisverbod verstrekt. Voordat een vreemdeling met verblijfsrecht in een andere lidstaat van de Unie een terugkeerbesluit uitgereikt krijgt dat tevens een inreisverbod inhoudt, moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen via Bureau Sirene contact opnemen met de lidstaat door wie de verblijfsvergunning is afgegeven om nadere informatie te verkrijgen over de aard van het verblijf in die lidstaat. Als de lidstaat van de Unie waar de vreemdeling een verblijfsvergunning heeft over gaat tot intrekking van de verblijfsvergunning van de vreemdeling, moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de vreemdeling een inreisverbod opleggen. Als het verstrekken van het terugkeerbesluit strijd oplevert met internationale verplichtingen (het verbod op refoulement), verstrekt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geen terugkeerbesluit.

In afwijking van de richtlijn 2008/115 wordt een vreemdeling die voldoet aan alle volgende kenmerken door de DT&V begeleid in de terugkeer naar de lidstaat die hem een verblijfsvergunning heeft verleend:

  • de vreemdeling is afkomstig uit een derde land;

  • de vreemdeling heeft geen verblijf in Nederland;

  • de vreemdeling is in het bezit zijn van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf;

  • de vreemdeling is na het ontvangen van een terugkeerbesluit alsnog bereid en in staat terug te keren naar de lidstaat die hem een verblijfsvergunning heeft verleend.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag de vreemdeling op grond van artikel 4.38 Vb vorderen om te verschijnen om gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de voorbereiding van het vertrek uit Nederland. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen moet de vreemdeling uitleggen welke gegevens de vreemdeling moet verstrekken om het vertrek van de vreemdeling uit Nederland mogelijk te maken. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen registreert de vordering tot het verstrekken van gegevens in de vreemdelingenadministratie.

3. Vertrektermijnen

Als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid is tenminste een van de volgende besluiten mogelijk:

  • de vertrektermijn voor de vreemdeling wordt op grond van artikel 62, lid 2 Vw verkort;

  • de vreemdeling moet Nederland onmiddellijk verlaten.

Als gevaar voor de openbare orde wordt hier aangemerkt iedere verdenking of veroordeling ter zake van een misdrijf. Ook het aanvaarden van een transactie ter zake van een misdrijf wordt aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. De Korpschef moet een verdenking van een misdrijf gepleegd door een vreemdeling bevestigen.

Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wordt aangenomen als tenminste twee van de feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b Vb op de vreemdeling van toepassing zijn.

Als de IND, KMar of politie besluit om de vertrektermijn aan de vreemdeling te onthouden moet altijd in het besluit worden toegelicht waaruit blijkt dat aannemelijk is dat het risico op onttrekken aan het toezicht zich voordoet. De feiten of omstandigheden zoals genoemd onder artikel 5.1b, eerste lid, onder a, c, d, f, g, h, m Vb brengen naar hun aard direct een risico op onttrekken aan toezicht met zich mee. Ook dan geldt dat zich twee gronden moeten voordoen.

Een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wordt in beginsel niet aangenomen bij de eerste aanvraag van de vreemdeling voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

In alle volgende situaties wordt een risico dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken bij de eerste aanvraag van de vreemdeling voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wel tegengeworpen:

  • als het een grensgeweigerde vreemdeling betreft;

  • als de vreemdeling in bewaring is gesteld;

  • als de vreemdeling zich niet direct heeft gemeld voor het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • als tegen de vreemdeling eerder een terugkeerbesluit is uitgevaardigd.

Bij de uitleg van voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 5.1b, lid 1 onder j, Vb wordt aangesloten bij de bestaande invulling van dit begrip in artikel 3.74 Vb en paragraaf B1/4.3.3 Vc.

Het is niet mogelijk de vreemdeling de vertrektermijn te onthouden wegens kennelijke ongegrondheid van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

De vreemdeling krijgt door het indienen of het inwilligen van een verzoek om een verlenging van de vrijwillige vertrektermijn geen rechtmatig verblijf in Nederland. De DT&V mag bij de inwilliging van het verzoek om verlenging van de vrijwillige vertrektermijn niet tot uitzetting overgaan totdat de verlengde vertrektermijn is verstreken. De vreemdeling heeft de plicht gedurende de verlengde vertrektermijn zelfstandig aan zijn vertrek te werken.

Een vreemdeling kan een verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn uitsluitend op een van de volgende manieren indienen:

  • persoonlijk bij één van de loketten van de IND;

  • schriftelijk tijdens vertrekgesprekken met de ambtenaar van de DT&V. De ambtenaar van de DT&V moet het verzoek voor verlenging van de vrijwillige vertrektermijn doorsturen naar de IND.

Om het besluit over de verlenging te nemen, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om feiten en omstandigheden naar voren te brengen die aan het verzoek ten grondslag liggen. De IND biedt geen afzonderlijk herstel verzuim bieden en geeft onmiddellijk een beschikking.

4. Reisdocumenten

Als een vreemdeling Nederland moet verlaten en niet over een geldig document voor grensoverschrijding beschikt op grond waarvan zijn toegang tot zijn land van herkomst of een ander land is gewaarborgd, ondersteunt de DT&V de vreemdeling bij het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding.

De DT&V mag de vreemdeling of derden verzoeken bewijsmiddelen die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling onderbouwen, aan de DT&V te overhandigen.

Een vreemdeling die uitgezet wordt, moet over tenminste één van de volgende bewijsmiddelen beschikken waarmee de toegang tot het land van bestemming en een eventuele doorreis door een derde land is gewaarborgd:

  • een (geldig) document voor grensoverschrijding;

  • een re-entry permit.

4.1 Aanvragen van een geldig document voor grensoverschrijding

Als blijkt dat de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een re-entry permit dan moet de DT&V zo snel mogelijk tenminste een van de volgende bewijsmiddelen aanvragen bij de buitenlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land van herkomst van de vreemdeling:

  • een geldig document voor grensoverschrijding;

  • ‘re-entry permit’.

De DT&V moet een aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding bij voorkeur samen met de vreemdeling opmaken. De DT&V moet de vreemdeling informeren over welke informatie de vreemdeling moet verstrekken voor het verkrijgen een geldig document voor grensoverschrijding. De vreemdeling is zelf verantwoordelijk voor het door de vreemdeling ingevulde formulier of de aan de DT&V verstrekte bewijsmiddelen geen asielgerelateerde informatie bevatten. De DT&V hoeft deze bewijsmiddelen niet te vertalen en te screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend voordat het aan een diplomatieke vertegenwoordiging wordt overgelegd.

De DT&V moet bewijsmiddelen wel screenen op gegevens waaruit indirect kan worden afgeleid dat het om een vreemdeling gaat die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend bij landen waarvan bekend is dat het aanvragen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot problemen kan leiden bij de terugkeer van de vreemdeling tot dat land. De DT&V mag aan de diplomatieke vertegenwoordiging uitsluitend aangeven dat:

  • de vreemdeling geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en om die reden Nederland moet verlaten;

  • of dat de vreemdeling gehouden is om medewerking te verlenen aan de voorbereiding van zijn vertrek.

De DT&V moet beschikbare (kopieën van) bewijsmiddelen die de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling kunnen onderbouwen, voegen bij de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding.

Als onmiddellijke uitzetting van de vreemdeling door middel van overdracht aan de buitenlandse grensautoriteiten of door plaatsing aan boord van een schip of een vliegtuig mogelijk is, vraagt de DT&V geen geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging aan.

Als de uitzetting van een vreemdeling in overeenstemming met artikel 65, eerste lid, Vw, niet zonder geldig document voor grensoverschrijding en de eventueel benodigde visa, transitvisa en ‘re-entry permit’ kan worden geëffectueerd, moet de ambtenaar belast met grensbewaking contact opnemen met de DT&V. De DT&V dient voor de effectuering van de uitzetting van de vreemdeling, een aanvraag in bij de buitenlandse diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding.

4.2 Contact met de diplomatieke vertegenwoordiging

De DT&V nodigt de vreemdeling uit voor een presentatie bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. De politie of KMar heeft de bevoegdheid de vreemdeling te vorderen om te verschijnen voor een presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging (zie model 90A).

Voorafgaande aan de presentatie aan de diplomatieke vertegenwoordiging informeert de DT&V de vreemdeling dat de vreemdeling niet is gehouden om inlichtingen te verstrekken aan de diplomatieke vertegenwoordiging met betrekking tot de reden van zijn verblijf in Nederland. De DT&V moet de vreemdeling een kopie verstrekken van de aanvraag die is ingediend bij de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding.

4.3 Moment van aanvraag

De DT&V mag de aanvraag voor een geldig document voor grensoverschrijding, een identiteitsonderzoek of de presentatie van de vreemdeling bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het (vermoedelijke) land van herkomst in ieder geval in de volgende situaties starten:

  • tijdens de vertrektermijn van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen binnen de algemene asielprocedure;

  • als de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd;

  • als de rechter nog niet heeft beslist op een ingediend verzoek om een voorlopige voorziening en/of ingesteld beroep van een vreemdeling aan wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd;

  • als een vreemdeling, van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen, afkomstig is uit een land waar het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding lange tijd in beslag neemt;

  • als sprake is van openbare orde aspecten.

De DT&V moet voor een vreemdeling die in een justitiële inrichting of een andere inrichting is opgenomen, tijdens het verblijf in die inrichting een geldig document voor grensoverschrijding aanvragen. De vreemdeling die in een inrichting is geplaatst, moet aansluitend aan het einde van het verblijf in de inrichting worden uitgezet (zie paragraaf A3/10 Vc).

4.4 Gedragslijn als geen geldig document voor grensoverschrijding kan worden verkregen

De Korpschef of de Commandant der KMar moet de vreemdeling aanzeggen dat de vreemdeling Nederland moet verlaten, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de vreemdeling wordt niet in het bezit gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding door een diplomatieke vertegenwoordiging;

  • de vreemdeling kan niet aan de buitenlandse grensautoriteiten worden overgedragen of uit Nederland worden uitgezet door middel van plaatsing aan boord van een schip of vliegtuig;

  • er is geen sprake van de situatie dat de vreemdeling buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

4.5 Gebruik van een EU-staat

Het vertrek van een vreemdeling uit Nederland mag plaatsvinden met behulp van een EU-staat. De EU-staat wordt afgegeven door de DT&V als op grond van één of meer aanwijzingen de nationaliteit of identiteit van de betrokken vreemdeling wordt aangenomen. Aan de EU-staat worden bewijsmiddelen gevoegd als ondersteuning van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. De bewijsmiddelen mogen geen asielgerelateerde informatie bevatten.

De EU-staat mag worden gebruikt:

  • bij terugkeer van een vreemdeling naar het land van herkomst;

  • bij de terugkeer van een vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst;

  • als geldig ondersteunend document voor grensoverschrijding bij overdracht van een vreemdeling naar Europese landen.

Om gebruik te maken van een EU-staat in het kader van het vertrek van de vreemdeling uit Nederland moet aan alle volgende voorwaarden worden voldaan:

  • het is niet mogelijk gebleken tijdig een geldig document voor grensoverschrijding te verkrijgen van de autoriteiten van het land van herkomst of een derde land, of er zijn met de autoriteiten van het betreffende land afspraken gemaakt over het gebruik van de EU-staat;

  • er bestaan één of meerdere aanwijzingen op grond waarvan de nationaliteit en/ of identiteit van de vreemdeling aangenomen kan worden;

  • er bestaat een redelijke kans dat de vreemdeling wordt toegelaten in het land waar de vreemdeling naar terug moet keren.

4.6 Het stellen van aantekeningen in geldige documenten voor grensoverschrijding van de vreemdeling

De politie of de KMar moeten bij elk vertrek van een vreemdeling uit Nederland nagaan of de door de Minister gegeven voorschriften en aanwijzingen zoals genoemd onder paragraaf A2/8 Vc zijn nageleefd over:

  • het doorhalen van in het geldig document voor grensoverschrijding gestelde aantekeningen;

  • het inhouden van afzonderlijke inlegbladen;

  • het inhouden van identiteitsdocumenten.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag aantekeningen over het vertrek van de vreemdeling in een identiteitdocument of een geldig document voor grensoverschrijding plaatsen als:

  • de vreemdeling wordt uitgezet naar een derde land waar een ander land een overeenkomst mee heeft gesloten dat bemiddelt in de toelating tot het derde land;

  • de vreemdeling rechtstreeks wordt uitgezet naar een land waar zijn toegang gewaarborgd is, omdat de vreemdeling onderdaan is van dat land of omdat hij in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding of toelating tot het land;

  • de vreemdeling geen een vreemdeling is die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend;

  • op de vreemdeling niet het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel (zie hoofdstuk B9 Vc) van toepassing is.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag geen aantekening over de uitzetting in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling maken als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de uitzetting van de vreemdeling vindt door middel van overdracht aan de Belgische grensautoriteiten plaats;

  • de vreemdeling wordt na de overdracht aan de Belgische grensautoriteiten uit het Beneluxgebied gezet.

4.7 Het inhouden van bewijsmiddelen

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

  • het in bewaring genomen bewijsmiddel voor het vertrek van de vreemdeling uit Nederland versturen naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt waarlangs de vreemdeling Nederland zal verlaten;

  • het in bewaring genomen document per aangetekende brief versturen naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt;

  • bij het versturen van het in bewaring genomen document naar het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt het tijdstip vermelden waarop de vreemdeling langs de doorlaatpost/ overgave-overnamepunt zal uitreizen.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt moet ten aanzien van een tijdelijk in bewaring genomen geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

  • het in bewaring genomen document aan de vreemdeling teruggeven nadat de vreemdeling het ontvangstbewijs voor terugontvangst van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling (model M101) heeft ondertekend;

  • controleren of de vreemdeling Nederland verlaat;

  • op het ingehouden ontvangstbewijs voor terugontvangst door de vreemdeling van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling een verklaring stellen waaruit blijkt dat het vertrek van de vreemdeling is gecontroleerd;

  • het ontvangstbewijs voor terugontvangst door de vreemdeling van het geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of een identiteitspapier van de vreemdeling terugsturen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die het ontvangstbewijs heeft afgegeven.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt informeert onmiddellijk de betrokken politie, ZHP of KMar in tenminste een van de volgende situaties:

  • de vreemdeling zich niet op de afgesproken tijd en plaats bij het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt heeft gemeld;

  • als de uitreis van de vreemdeling vertraging ondervindt;

  • als de uitreis van de vreemdeling problemen ondervindt.

Het hoofd van de grensdoorlaatpost of het overgave-overnamepunt overlegt met de politie, ZHP of KMar over te volgen handelwijze.

5. Vertrek met behulp van de IOM

Om in aanmerking te komen voor het REAN-programma moet een vreemdeling alle volgende handelingen verrichten:

  • een aanvraag voor vertrek indienen bij de IOM;

  • een formulier ondertekenen waarin de vreemdeling verklaart geen bezwaar te hebben tegen het uitwisselen van informatie tussen de IOM, de IND en de DT&V over gegevens die van belang zijn voor het vertrek van de vreemdeling.

De IOM moet ten aanzien van het REAN-prgramma alle volgende handelingen verrichten:

  • bij de IND nagaan of de vreemdeling voldoet aan voorwaarden die gesteld zijn aan de bijdragen uit het REAN-programma;

  • de IND toestemming vragen of de vreemdeling via de IOM mag vertrekken.

De IND verleent of onthoudt in overleg met de DT&V toestemming om de vreemdeling via de IOM te laten vertrekken. De IND informeert de DT&V over de beslissing met betrekking tot de toestemming.

Als maatregelen zijn gestart om het vertrek van de vreemdeling mogelijk te maken, is de DT&V bevoegd tenminste één van de volgende beslissingen te nemen:

  • het vertrek van de vreemdeling mag doorgang vinden;

  • de vreemdeling mag via de IOM vertrekken.

Als toestemming wordt verleend voor vertrek met de IOM moet de DT&V maatregelen die zijn gestart om het vertrek mogelijk te maken opschorten en krijgt de vreemdeling bericht dat hij via het REAN-programma mag vertrekken.

De vreemdeling moet zorg dragen voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding. Als de DT&V, politie, de ZHP, de KMar of de IND in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, wordt dit document gebruikt in het zelfstandige vertrek van de vreemdeling dat wordt gefaciliteerd door de IOM. De vreemdeling die in het bezit is van een W-document moet het W-document voorafgaand aan zijn vertrek uit Nederland bij de politie inleveren.

De vreemdeling moet in aanwezigheid van de IOM een vertrekverklaring tekenen waarin de vreemdeling verklaart instemming te verlenen voor het intrekken van openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel of het intrekken van de verblijfsvergunning.

De IOM verstrekt de vreemdeling zijn vliegticket en eventueel een eenmalige financiële ondersteuning op de luchthaven van vertrek. De IOM moet de uitreisformaliteiten op de luchthaven afhandelen.

De vreemdeling die een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd moet door de KMar worden overgedragen aan de IOM. Voor de overdracht van de vreemdeling aan de IOM heft de ambtenaar belast met de grensbewaking de vrijheidsbeperkende of de vrijheidsontnemende maatregel op. Van een vreemdeling van wie de vrijheidsbeperkende of de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven in verband met het vertrek met de IOM, moet de KMar schriftelijk bericht van de IOM ontvangen dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten.

De IOM moet de IND en de DT&V door middel van een vertrekverklaring berichten dat de vreemdeling is vertrokken met ondersteuning van de IOM.

6. Uitzetting

Uitzetting van een vreemdeling vindt plaats op tenminste een van de volgende wijzen:

  • door overdracht van de vreemdeling aan de buitenlandse grensautoriteiten;

  • door plaatsing van de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip van de onderneming die de vreemdeling naar Nederland heeft vervoerd;

  • de vreemdeling wordt rechtstreeks of met een tussenstop uitgezet naar een land waarvan op basis van feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat de vreemdeling daar de toegang wordt verleend.

6.1 Uitgeprocedeerde Amv’s

Uitgeprocedeerde Amv’s die aan alle volgende voorwaarden voldoen komen in aanmerking voor opvangvoorzieningen in Nederland zolang de Amv minderjarig is en totdat het vertrek van de Amv uit Nederland geëffectueerd wordt:

  • er is geen twijfel over de opgegeven leeftijd;

  • de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is op grond van het beleid inzake Amv’s geweigerd (zie hoofdstukken B1 en B14/2 Vc).

Als het niet waarschijnlijk is dat de Amv zich zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar de Amv heen kan gaan (zie paragraaf B14/2 Vc), moet voor de terugkeer van de Amv de toegang tot opvang geregeld zijn. Als in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat de autoriteiten van het land van herkomst of een ander land waar de Amv heen kan gaan, zorg dragen voor de opvang van Amv’s rust geen taak op de Nederlandse overheid in de opvang van de Amv. De voogd van de Amv moet op de hoogte worden gesteld door de DT&V van het besluit dat de Amv wordt uitgezet en de wijze waarop de uitzetting plaatsvindt.

6.2 Vertrek van gezinsleden uit Nederland

Voor het vertrek van het hoofd van een gezin uit Nederland geldt dat de tot het gezin behorende vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin vertrekken. Als gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, mag gescheiden vertrek plaatsvinden nadat de situatie van het gezin is beoordeeld en getoetst door de DT&V.

6.3 Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is:

  • als door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd;

  • als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

    • de vreemdeling is als verdachte van een strafbaar feit aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd;

    • de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist;

    • de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan;

    • aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan.

In deze situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM daarmee akkoord gaat;

  • als de vreemdeling een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen de voorgenomen uitzetting en de uitspraak op de voorlopige voorziening in Nederland mag worden afgewacht.

6.4 Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

De DT&V is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting van vreemdelingen, met uitzondering van uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen:

  • vreemdelingen die door de KMar in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) zijn aangetroffen. De Commandant der KMar is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen;

  • vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die op basis van bilaterale overeenkomsten met Duitsland, België en Luxemburg zonder uitgebreide formaliteiten kunnen worden overgedragen aan de autoriteiten van deze landen via de landgrenzen met België of Duitsland. Deze vreemdelingen worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht aan België of Duitsland;

  • vreemdelingen die na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, door de KMar of ZHP onmiddellijk of zodra dit logistiek mogelijk is, uitgezet kunnen worden naar het land van herkomst.

6.5 Aanlevering van de vreemdeling voor de uitzetting

Uitzettingen vinden plaats via één van de uitzetcentra. Hiervan uitgezonderd zijn in ieder geval de volgende vreemdelingen:

  • vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het vreemdelingentoezicht;

  • vreemdelingen die worden uitgezet per vliegtuig en rechtstreeks naar de grensdoorlaatpost worden gebracht waarlangs de vreemdeling zal worden uitgezet. Het rechtstreeks via de grensdoorlaatpost laten vertrekken van vreemdelingen mag uitsluitend in de volgende gevallen:

    • na overleg met de DT&V;

    • in uitzonderlijke gevallen bij capaciteitsproblemen of bij overwegingen van openbare orde.

Uitzetting via een uitzetcentrum kan op twee manieren plaatsvinden:

  • vreemdelingen die in bewaring zijn gesteld, worden op basis van de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel overgebracht naar een uitzetcentrum;

  • vreemdelingen die niet in vreemdelingenbewaring zijn gesteld worden in een uitzetcentrum op grond van artikel 59, eerste en tweede lid, Vw in bewaring gesteld.

De DT&V is bij uitzetting per vliegtuig verantwoordelijk voor het boeken van een vlucht voor de vreemdeling. Minimaal 48 uur voor vertrek controleert de DT&V of de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling beschikt over een geldig vliegticket;

  • de vreemdeling beschikt over zijn geld en andere eigendommen;

  • de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een schriftelijke toezegging van de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding;

  • de vreemdeling beschikt over persoonlijke bagage (maximaal 20 kg.);

  • de vreemdeling beschikt als dit nodig is over een verklaring van medische vliegreisgeschiktheid (de ‘fit-to-fly-verklaring’).

Voor de uitzetting plaatsvindt, wijst de ambtenaar belast met de feitelijke uitzetting de vreemdeling erop dat bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gevraagd, achtergelaten mogen worden.

6.6 Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting

De DT&V meldt de KMar of ZHP door middel van het model M118 voorafgaand aan de uitzetting alle feiten en bijzonderheden die van belang kunnen zijn voor de veiligheid tijdens de uitzetting of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht. De DT&V kan de KMar op basis van gedragsaspecten verzoeken om begeleiding van de vreemdeling tijdens de vlucht.

De DT&V maakt voor de overdracht van de vreemdeling aan de KMar ten behoeve van de feitelijke uitzetting model M24-A op. Bij de overdracht van de vreemdeling ondertekent de KMar het exemplaar van het model M24-A en geeft het getekende exemplaar terug aan de ambtenaar die de vreemdeling heeft overgedragen aan de KMar. Afhankelijk van de wijze van vertrek, maakt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen na een uitzetting model M100 en daar waar dat aangewezen is, model M93 op.

6.7 Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

Bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting moet de ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen afwegen of er een andere oplossing mogelijk is en of het gebruikte middel gepast is. De ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen maakt deze inschatting vlak voor de uitzetting of op het moment van de uitzetting. De ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen moet de gezagvoerder van het luchtvaartuig vooraf informeren als hulpmiddelen worden gebruikt bij het aan boord brengen van de vreemdeling. Na het sluiten van de vliegtuigdeuren mag de ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen uitsluitend in overleg met en na toestemming van de gezagvoerder van het luchtvaartuig overgaan tot het gebruik van hulpmiddelen.

Zie ook artikel 23a en 23b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.

6.8 Overdracht in het kader van de Verordening 343/2003

Als in het kader van de Verordening 343/2003 een claim is gehonoreerd en de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 30, eerste lid onder a, Vw wordt afgewezen door de IND, verricht de IND in ieder geval de volgende handelingen:

  • de beschikking op de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling uitgereikt;

  • aan de vreemdeling wordt bekendgemaakt aan welke lidstaat de vreemdeling wordt overgedragen in het kader van de Verordening 343/2003. Deze lidstaat is verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling;

  • aan de vreemdeling wordt de datum van overdracht bekend gemaakt.

De Commandant der KMar beoordeelt of de vreemdeling zelfstandig naar de lidstaat moet gaan of hierin begeleid wordt zodat de vreemdeling zich niet aan de overdracht onttrekt. Bij de beoordeling beziet de Commandant der KMar of uit de geaccordeerde claim blijkt dat een begeleide overdracht gewenst is. De DT&V adviseert de Commandant der KMar bij de beoordeling voor een zelfstandig of begeleid vertrek.

De DT&V verstrekt de vreemdeling die zelfstandig reist naar de lidstaat dat behandeling van de aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling behandelt het geldige document voor grensoverschrijding. Als de vreemdeling onder begeleiding reist, houdt zijn begeleider het geldig document voor grensoverschrijding onder zich. Bij vertrek per vliegtuig wordt het geldig document voor grensoverschrijding afgegeven aan de gezagvoerder die het geldig document voor grensoverschrijding bij aankomst aan de grensbewakingautoriteiten overhandigt.

De ambtenaar van de dienst die het geld en andere persoonlijke eigendommen van de vreemdeling in beheer heeft, verstrekt dit bij het vertrek uit Nederland aan de vreemdeling.

DT&V verstrekt in ieder geval de volgende informatie aan de IND:

  • de vlucht- en/of reisgegevens;

  • een kopie van het laissez-passer, dat onmiddellijk wordt verzonden aan de IND;

  • een kopie van de beschikbare reis- of identiteitspapieren, voor zover deze nog niet zijn verstrekt aan de IND bij het leggen van de claim.

De IND verzendt de informatie naar de ontvangende lidstaat conform de termijnen genoemd in de Verordening 343/2003.

De DT&V draagt alle bewijsmiddelen over aan de ontvangende lidstaat door tussenkomst van de ambtenaar of autoriteit die feitelijk uitvoering geeft aan de overdracht. Als de vreemdeling per vliegtuig reist, worden de bewijsmiddelen door de ambtenaar belast met grensbewaking afgegeven aan de gezagvoerder van het vliegtuig. De gezagvoerder van het vliegtuig moet de bewijsmiddelen overhandigen aan de grensbewakingautoriteiten van de ontvangende lidstaat.

De DT&V vermeldt op het geldig document voor grensoverschrijding en de kennisgeving van overdracht de ontvangende lidstaat waar de vreemdeling naar toe gaat.

6.9 Bericht van vertrek of ontruiming

In alle volgende situaties moet de politie het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DT&V melden:

  • als de vreemdeling de aanzegging heeft gehad Nederland te verlaten. Deze handelingen worden uitsluitend verricht bij vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie een terugkeerbesluit uit;

  • als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten tijdens de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd of vóór het ingaan van de vertrektermijn;

  • als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten in of na de vertrektermijn van de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd.

De politie meldt het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DT&V door alle volgende handelingen te verrichten:

  • toezenden van een bericht van vertrek, het model M100;

  • aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken.

De KMar maakt in alle volgende situaties melding van het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DT&V:

  • als de vreemdeling is uitgezet;

  • als de vreemdeling vanuit strafrechttraject is uitgezet, conform het VRIS-protocol;

  • als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken nadat de vreemdeling zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken na een MTV-controle;

  • als de vreemdeling is overgedragen na een MTV-controle;

  • als de inbewaringstelling is opgeheven en de vreemdeling de aanzegging heeft gehad Nederland te verlaten. De vreemdeling hoeft niet de Europese Unie te verlaten;

  • als de vreemdeling de aanzegging heeft gehad Nederland te verlaten. De aanzegging Nederland te verlaten geldt uitsluitend voor vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie hoeven te verlaten. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie een terugkeerbesluit uit;

  • als bij controle op uitreis blijkt dat een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf zelfstandig uit Nederland vertrekt. Als deze vreemdeling nog niet eerder een terugkeerbesluit met een inreisverbod heeft ontvangen, moet de KMar dit aan de vreemdeling uitreiken.

De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DT&V door alle volgende handelingen te verrichten:

  • toezenden van een bericht, het model M100;

  • aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken.

Als de vreemdeling in Nederland opvang heeft genoten, melden de KMar en de politie ook de opvangverlenende instantie het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland.

Het COA moet de beëindiging van de onderdakvoorziening of de opvangvoorziening van een vreemdeling aan de IND en de DT&V melden door toezending van het model M100a.

6.10 Gedragslijn als uitzetting niet mogelijk is

Als de politie constateert dat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft waardoor uitzetting niet mogelijk is, moet de politie model M100 invullen en zenden aan de IND en de DT&V. De politie vergezelt het model M100 van een voorstel tot signalering aan de IND. De IND moet nagaan of de vreemdeling ondertussen rechtmatig verblijf heeft gekregen.

7. Geen uitzetting om gezondheidsredenen

De uitzetting blijft op grond van artikel 64 Vw achterwege als BMA aangeeft dat aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • vanwege de gezondheidstoestand van de vreemdeling of van één van zijn gezinsleden is het niet verantwoord om te reizen;

  • de stopzetting van de medische behandeling doet een medische noodsituatie ontstaan en de medische behandeling van de medische klachten kan niet plaatsvinden in het land van herkomst of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken.

Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling (zie paragraaf B8/3.4 Vc).

Als gezinsleden in verband met artikel 64 Vw worden aangemerkt:

  • echtgenoten en (geregistreerde) partners en hun minderjarige kinderen of minderjarige kinderen uit een eerste of eerder huwelijk;

  • de meerderjarige kinderen die feitelijk tot het gezin behoren en in het land van herkomst al behoorden tot het gezin.

Een uitzondering op de definitie van gezinsleden volgt als er sprake is van het achterwege laten van de uitzetting van een minderjarig kind. Als gezinsleden worden dan aangemerkt:

  • de (stief/pleeg)ouders van het minderjarige kind;

  • de minderjarige (stief)broers en zussen van het minderjarige kind;

  • de meerderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin en in het land van herkomst al behoorden tot het gezin van de (stief/pleeg)ouders.

Voor de wijze waarop de familierechtelijke relatie en het feitelijke behoren tot het gezin wordt aangetoond, wordt verwezen naar paragraaf C1/3 Vc. In het kader van deze regeling hoeven officiële bewijsmiddelen waarmee de familierechtelijke relatie wordt aangetoond, niet gelegaliseerd te zijn door de Minister van Buitenlandse Zaken.

Het achterwege blijven van uitzetting op grond van artikel 64 Vw doet zich niet eerder voor dan vanaf het moment waarop de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten. Uitzondering hierop is de ambtshalve toets die de IND uit kan voeren in de parallelle procedure (zie paragraaf A3/7.3.1 Vc).

7.1 Aanvraag op grond van artikel 64 Vw

Een vreemdeling die bekend is bij de IND, moet een aanvraag op grond van artikel 64 Vw schriftelijk indienen bij de IND.

Een vreemdeling die niet bekend is bij de IND, of die eerder ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken, moet telefonisch contact opnemen met de IND over de te volgen werkwijze. Deze vreemdeling wordt in de gelegenheid gesteld om de aanvraag op grond van artikel 64 Vw in persoon aan het IND-loket in te dienen.

Een vreemdeling die niet bekend is bij de IND en die een schriftelijke aanvraag op grond van artikel 64 Vw bij de IND indient, moet deze aanvraag aan het IND-loket aanvullen door het laten vaststellen van zijn verblijfplaats in Nederland door de IND. De IND stelt de verblijfplaats vast door een afschrift uit het GBA of een ander bewijsmiddel waaruit de verblijfplaats van de vreemdeling blijkt. Het niet in persoon aan het IND-loket verschijnen is grond voor afwijzing.

Als de vreemdeling die een aanvraag op grond van artikel 64 Vw wil indienen:

  • een uitgeprocedeerde asielzoeker is, én

  • in afwachting van de behandeling van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw in aanmerking wil komen voor opvang op grond van de Rva,

moet hij telefonisch contact opnemen met de IND over de te volgen werkwijze (zie paragraaf A3/7.2 Vc).

Als de vreemdeling een aanvraag op grond van artikel 64 Vw indient bij de DT&V, de vreemdelingenpolitie, ZHP, KMar of het COA, wordt de aanvraag doorgezonden aan de IND.

De vreemdeling onderbouwt een aanvraag op grond van artikel 64 Vw in ieder geval met:

  • een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie bijlage 13 VV), niet ouder dan zes maanden met vermelding van de behandelaars, waarbij de vreemdeling momenteel onder behandeling staat.

  • een gedagtekend, ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaar(s), niet ouder dan een maand op het moment waarop overgelegd wordt, waaruit blijkt:

    • de naam, het adres en het registratienummer van het register van Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg of het Nederlands Instituut van Psychologen van de behandelaar(s);

    • welke medische klachten de vreemdeling heeft, waarvoor hij door de behandelaar wordt behandeld;

    • datum start behandeling en wanneer bekend de verwachte einddatum van de behandeling.

  • een kopie van een geldig document voor grensoverschrijding en/ of identiteitsdocument.

Als het voor de vreemdeling niet mogelijk is een geldig document voor grensoverschrijding te verstrekken, moet de vreemdeling op andere wijze inzicht in zijn identiteit en nationaliteit verschaffen door middel van bewijsmiddelen.

De IND beschouwt als bewijsmiddel van identiteit en nationaliteit als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding:

  • een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land waarvan de vreemdeling onderdaan is, waarin de autoriteiten van dat land motiveren waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding; en

  • aanvullende gegevens en bescheiden met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit zoals een identiteitskaart, een geboorteakte, een nationaliteitsverklaring.

Als er geen medische bewijsmiddelen ter onderbouwing van de aanvraag worden ingediend en een ingevulde toestemmingsverklaring (zie bijlage 13 VV) ontbreekt, stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid binnen twee weken de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen. Als de vreemdeling hier niet aan voldoet, mag de aanvraag worden afgewezen. De redelijke termijn van twee weken kan korter zijn als de uitzetting eerder gepland is.

De beslistermijn op een aanvraag op grond van artikel 64 Vw mag eenmalig worden verlengd met dertien weken. De verlenging van de beslistermijn is in ieder geval redelijk als BMA onderzoek bij derden moet doen naar de medische problematiek van de vreemdeling. De IND maakt aan de vreemdeling schriftelijk bekend binnen welke termijn een besluit op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw kan worden verwacht.

Het indienen van een aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort de vertrekplicht niet op. In afwachting van het besluit op de aanvraag, heeft de vreemdeling geen rechtmatig verblijf ex artikel 8 Vw.

In beginsel zal geen gebruik worden gemaakt van de bevoegdheid tot uitzetting van de vreemdeling door de DT&V, zolang op de aanvraag voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 64 Vw niet is beslist.

Het indienen van een aanvraag op grond van artikel 64 Vw schort niet de door het COA te volgen procedures tot beëindiging van verstrekkingen ingevolge de Rva op.

Als de IND op basis van het BMA advies de aanvraag afwijst, brengt de IND de vreemdeling van het besluit onder verwijzing naar het medisch advies schriftelijk op de hoogte.

Het komt voor dat BMA in zijn advies aangeeft dat de vreemdeling in staat is om te reizen, maar dat dit onder voorwaarden moet. De DT&V ziet erop toe dat aan deze voorwaarden is voldaan voordat de vreemdeling wordt uitgezet. Het opvragen en meenemen van het medisch dossier betreft een verantwoordelijkheid van de vreemdeling zelf. De vreemdeling of zijn gemachtigde wordt hierop gewezen door de DT&V.

7.1.1 Raadplegen BMA

Bij de beoordeling van een aanvraag op grond van artikel 64 Vw kan de IND het BMA verzoeken om een advies uit te brengen.

Het raadplegen van BMA is niet nodig als het gaat om een aanvraag op grond van artikel 64 Vw bij zwangerschap of tuberculose (zie paragraaf A3/7.4 en 7.5 Vc).

De IND wijst in ieder geval de aanvraag van de vreemdeling af zonder advies aan het BMA te vragen als de vreemdeling:

  • geen volledig ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie bijlage 13 VV) niet ouder dan zes maanden overlegt; en

  • zijn medische situatie niet aantoont.

Een uitzondering op het niet aantonen van de medische situatie is als de DT&V, het COA of de ambtenaar belast met grensbewaking, concrete aanwijzingen heeft dat de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen. De vreemdeling moet onder behandeling staan bij een behandelaar. In dit geval moet de ambtenaar belast met de uitzetting of ontruiming of de ambtenaar van de DT&V ook zonder nadere onderbouwing van het beroep op artikel 64 Vw door de vreemdeling zich ervan vergewissen of de uitzetting achterwege moet blijven en bij de IND een medisch advies (laten) vragen.

Als vaststaat dat de vreemdeling om medische redenen niet in staat is om te reizen, kan het achterwege laten van de uitzetting op grond van artikel 64 Vw op advies van de DT&V, zonder onderliggende aanvraag worden vastgesteld en verleend door de IND. Als bewijsmiddel volstaat een bewijs van ziekenhuisopname of een ander medisch bewijs, of een advies van de DT&V waaraan een dergelijk bewijs ten grondslag heeft gelegen. In dat geval kan de aanvraag van de vreemdeling op grond van artikel 64 Vw ingewilligd worden zonder dat daarvoor eerst een advies wordt ingewonnen bij BMA.

De IND vraagt het BMA geen informatie over behandelmogelijkheden in het land van herkomst als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aantoont. Aangezien het onderzoek naar de behandelmogelijkheden wordt gefrustreerd door de vreemdeling door het niet aantonen van de identiteit en nationaliteit, wordt uitgegaan van het bestaan van behandelmogelijkheden.

7.1.2 Inwilliging

De IND doet, onder verwijzing naar het medisch advies van BMA, schriftelijk alle volgende mededelingen aan de vreemdeling:

  • dat uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;

  • de duur van de opschorting van het vertrek. Deze periode is gelijk aan de periode die in het medisch advies van BMA is genoemd, met een maximum van een jaar.

De IND informeert de DT&V dat uitzetting tijdelijk achterwege wordt gelaten. Als de vreemdeling aanspraak wil maken op Rva-verstrekkingen, informeert de IND ook het COA.

Een forensisch geneeskundige van de GG&GD moet altijd worden ingeschakeld door de IND of DT&V wanneer sprake is van een acuut besmettingsgevaar van tbc.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt daarin door de IND een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen (bijlage 7g VV) geplaatst, met vermelding van de duur van de opschorting van het vertrek. De periode van deze opschorting mag de geldigheidsduur van het document niet overschrijden. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan geldt een van de volgende situaties:

  • als artikel 64 Vw voor de duur van minder dan zes weken wordt toegepast, wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat voor hoe lang de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw;

  • als artikel 64 Vw voor de duur van meer dan zes weken wordt toegepast, wordt door de IND aan de vreemdeling een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker Verblijfsaantekeningen Algemeen, uitgereikt (bijlage 7g VV). De geldigheidsduur van het document W2 is altijd gelijk aan de periode dat de uitzetting achterwege wordt gelaten.

Na afloop van de opschorting van het vertrek ontstaat de plicht voor de vreemdeling om Nederland binnen vier weken te verlaten en de bevoegdheid van de DT&V tot uitzetting van de vreemdeling. Er is geen nieuw besluit nodig tenzij de uitzetting achterwege blijft zonder dat daarbij een eindtermijn van artikel 64 Vw word gesteld. Als geen eindtermijn aan artikel 64 Vw wordt gesteld, stelt de IND per besluit een van de volgende voorwaarden vast:

  • de uitzetting wordt niet langer achterwege gelaten;

  • de uitzetting voor een bepaalde periode zal wederom achterwege blijven.

7.1.3 Handelswijze bij een inreisverbod

Een aanvraag op grond van artikel 64 Vw wordt afgewezen als aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, zevende lid, Vw. De gezondheidstoestand van de vreemdeling kan wel aanleiding zijn om tijdelijk de vreemdeling niet uit te zetten. Uitzetting blijft achterwege zonder dat sprake is van rechtmatig verblijf en zonder dat het inreisverbod wordt opgeheven. De IND stelt in deze situatie geen aantekening in het document voor grensoverschrijding.

Een aanvraag op grond van artikel 64 Vw kan worden ingewilligd als aan de vreemdeling een inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, zesde lid, onder b, Vw.

7.2 Opvang in afwachting van definitieve besluitvorming op een aanvraag op grond van artikel 64 Vw

Een uitgeprocedeerde asielzoeker kan in afwachting van een besluit op een aanvraag op grond van artikel 64 Vw, rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw krijgen. Door de aanvraag ontstaat volgens de Rva recht op opvang, als door de vreemdeling de volgende werkwijze wordt gevolgd.

De vreemdeling neemt telefonisch contact op met de IND over de te volgen werkwijze. Voordat de aanvraag op grond van artikel 64 Vw wordt ingediend stuurt de vreemdeling of medisch behandelaar alle volgende bewijsmiddelen aan de IND:

  • de relevante medische gegevens van de vreemdeling, in een gesloten envelop voorzien van een stempel of aantekening ‘medisch geheim’;

  • de bewijsmiddelen beschreven onder paragraaf A3/7.1 Vc.

Als de IND de ontvangen bewijsmiddelen compleet beoordeelt, stuurt de IND de gesloten envelop met de medische gegevens naar het BMA. De IND stelt de vreemdeling in de gelegenheid om ongeveer twee weken later de aanvraag op grond van artikel 64 Vw in persoon in te dienen bij de IND. Deze periode is nodig voor BMA om te kunnen vaststellen of de overgelegde medische gegevens compleet zijn en of, gelet hierop, wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor opvang in afwachting van een besluit op de aanvraag. Als de verstrekte medische gegevens compleet zijn wordt het adviestraject van BMA gestart. Als deze niet compleet zijn informeert de IND de vreemdeling hierover mondeling en/of schriftelijk.

7.2.1 Inwilliging

Als aan de voorwaarden is voldaan kan artikel 64 Vw worden toegepast ten aanzien van uitgeprocedeerde asielzoekers die een aanvraag hebben ingediend op grond van artikel 64 Vw, in afwachting van de definitieve besluitvorming. De IND moet vaststellen of de vreemdeling alle relevante bewijsmiddelen heeft overgelegd die nodig zijn om bij het BMA een medisch advies aan te vragen voor een definitieve beoordeling van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw.

Artikel 64 Vw wordt in dit geval verleend voor maximaal drie maanden of zoveel korter tot een besluit op de aanvraag is genomen. Artikel 64 Vw vervalt nadat de drie maanden zijn verstreken of na de bekendmaking van het besluit op de aanvraag. Als na drie maanden nog geen besluit is genomen, verleent de IND opnieuw artikel 64 Vw ambtshalve voor maximaal drie maanden.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt de werkwijze zoals beschreven onder paragraaf A3/7.1.2 Vc gevolgd. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw, voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een besluit op de aanvraag op grond van artikel 64 Vw wordt genomen.

Als artikel 64 Vw is toegepast in afwachting van de definitieve besluitvorming van de aanvraag op grond van artikel 64 Vw geldt na afloop van de periode van de opschorting van het vertrek een vertrektermijn van vier weken.

7.3 Medische aspecten parallel aan de asielprocedure

Doordat een medisch advies in de rust- en voorbereidingstermijn kan worden opgesteld, kunnen medische omstandigheden eerder worden onderkend door de IND. Deze omstandigheden worden zoveel mogelijk (ambtshalve) meegenomen tijdens de asielprocedure. Overige medische omstandigheden die tijdens de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot uiting komen, worden ook meegenomen als deze zijn onderbouwd. Bij een afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt in de meeromvattende beschikking door de IND beoordeeld of de medische omstandigheden grond zijn voor toepassing van artikel 64 Vw. Deze ambtshalve toets op grond van artikel 64 Vw parallel aan de asielprocedure wordt parallelle procedure genoemd.

Ten behoeve van de parallelle procedure moet de vreemdeling een recente, volledige ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring (zie bijlage 13 VV) verstrekken en zijn identiteit en nationaliteit laten vaststellen zoals beschreven in paragraaf A3/7.1 Vc.

Bij tweede of volgende aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die in de algemene asielprocedure worden afgewezen geldt de parallelle procedure niet. Voor deze vreemdelingen staat de procedure zoals beschreven in paragraaf A3/7.2 Vc open.

Bij tweede of volgende aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die in de verlengde procedure worden behandeld, kan de parallelle procedure worden toegepast als de onder paragraaf A3/7.2 Vc genoemde bewijsmiddelen zijn overgelegd. Zie ook paragraaf C1/2.4 Vc.

Artikel 64 Vw wordt niet toegepast als de vreemdeling op grond van de Verordening 343/2003 wordt overgedragen aan een bij de Verordening 343/2003 aangesloten lidstaat waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan een lidstaat, omdat de medische voorzieningen vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten, tenzij de vreemdeling aannemelijk maakt met bewijsmiddelen dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat (zie hiervoor paragraaf C2/4 Vc).

De IND maakt een meeromvattende beschikking over het besluit op de asielaanvraag en de ambtshalve toets aan artikel 64 Vw. De meeromvattende beschikking wordt zoveel mogelijk in de algemene asielprocedure en in ieder geval in de verlengde asielprocedure gemaakt.

7.3.1 Inwilliging

Als in de algemene asielprocedure de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden afgewezen mag er in beginsel op de asielaanvraag worden beslist, ook als BMA-onderzoek in het kader van artikel 64 Vw is opgestart of zal worden opgestart door de IND. Aan de vreemdeling wordt in afwachting van een ambtshalve besluit op grond van artikel 64 Vw, rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder j, Vw verleend. Dat betekent dat artikel 64 Vw wordt verleend voor maximaal drie maanden of zoveel korter tot een ambtshalve besluit is genomen. Artikel 64 Vw vervalt van rechtswege nadat de termijn is verstreken of na de bekendmaking van het ambtshalve besluit. Als na drie maanden nog geen inhoudelijk besluit is genomen, verleent de IND artikel 64 Vw ambtshalve voor maximaal drie maanden opnieuw.

Als de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf A3/7.1.2 Vc. Als de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt de vreemdeling in het bezit gesteld van een brief van de IND waarin staat dat de uitzetting achterwege blijft op grond van artikel 64 Vw, voor een periode van drie maanden of zoveel korter tot dat een ambtshalve besluit wordt genomen.

In de verlengde asielprocedure wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet eerder af dan nadat het BMA-advies afgerond is. Dit geldt bij voorkeur ook wanneer de medische problematiek van de vreemdeling zich gedurende de verlengde asielprocedure openbaart. In de verlengde asielprocedure zal in beginsel geen artikel 64 Vw worden verleend in afwachting van een definitief besluit op grond van artikel 64 Vw.

7.4 Procedure bij zwangerschap/ bevalling

Bij zwangerschap van een vreemdeling blijft de uitzetting per vliegtuig achterwege gedurende de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling. Dit is de periode van zes weken vanaf de eerste dag dat de vermoedelijke datum van de bevalling uit een verklaring van een arts of verloskundige blijkt. De vreemdeling moet deze verklaring van een arts of verloskundige aan de IND verstrekken.

7.5 Procedure bij tbc

De IND schort de uitzetting van de vreemdeling en van zijn gezinsleden op als bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden tbc is geconstateerd. Uitzondering hierop vormt de situatie waarbij deze vreemdeling of een van zijn gezinsleden overgedragen wordt op grond van de Verordening 343/2003 of overdracht zal plaatsvinden aan een bij de Verordening 343/2003 aangesloten land waarmee een terug- en overname overeenkomst is gesloten. Zie paragraaf A3/7.3 Vc.

Als open tbc is geconstateerd bij de vreemdeling of een van zijn gezinsleden blijft de uitzetting opgeschort ongeacht het land waarnaar de uitzetting wordt beoogd.

Voor de toepassing van artikel 64 Vw wegens tbc is geen advies van het BMA nodig en is ook geen toestemmingsverklaring vereist. Tbc wordt aangenomen door de IND nadat de vreemdeling een gedagtekende verklaring van een GG&GD-arts overlegt. Deze verklaring moet vermelden dat de vreemdeling tbc heeft en wat de te verwachten behandeltermijn is. De verklaring van de GG&GD-arts mag niet ouder zijn dan twee weken. Na het verstrijken van de behandeltermijn van de tbc gaat de DT&V tot uitzetting van de vreemdeling over.

Wanneer een vreemdeling niet in het bezit is van een document voor grensoverschrijding wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf A3/7.1.2 Vc.

Als de vreemdeling bij wie tbc is geconstateerd zich onttrekt aan de medische behandeling en er geen besmettingsgevaar aanwezig is, is er niet langer een reisbeletsel op grond van artikel 64 Vw. Onttrekt de vreemdeling zich aan de medische behandeling en er is een besmettingsgevaar aanwezig, dan is zijn uitzetting uit Nederland met het oog op zijn gezondheidstoestand niet verantwoord te achten in de zin van artikel 64 Vw. Als sprake is van verdenking van tbc, zal de uitzetting van de vreemdeling in beginsel worden opgeschort tot het onderzoek naar tbc is voltooid.

7.6 Procedure in geval van vreemdelingenbewaring

Als de aanvraag op grond van artikel 64 Vw vanuit vreemdelingenbewaring wordt ingediend, moet de DT&V of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen bij het doorzenden van de aanvraag naar de IND melding maken van het feit dat de vreemdeling de vrijheid is ontnomen. De IND behandelt deze aanvragen met voorrang. Als de aanvraag op grond van artikel 64 Vw wordt ingewilligd, wordt de bewaring op grond van artikel 59 Vw opgeheven door de Korpschef, de Commandant der KMar of de DT&V.

Een vreemdeling die een aanvraag op grond van artikel 64 Vw indient terwijl hij in bewaring verblijft, komt niet in aanmerking voor toepassing van het beleid zoals neergelegd in paragraaf A3/7.2 Vc.

7.7 Rechtsmiddelen

De vreemdeling mag de behandeling van een eerste, tijdig ingediend verzoek om een voorlopige voorziening in beginsel in Nederland afwachten. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet binnen 24 uur na bekendmaking van het besluit zijn ingediend. Het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening levert geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw op en betekent evenmin dat de vreemdeling aanspraak maakt op de verstrekkingen ingevolge de Rva.

De vreemdeling mag de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland afwachten als sprake is van tenminste één van de volgende situaties:

  • redenen van openbare orde of nationale veiligheid verzetten zich daartegen;

  • het gevaar bestaat dat de mogelijkheid van terugkeer naar het land van herkomst verloren zou gaan;

  • er is sprake van een poging van de vreemdeling om de uitzetting te frustreren.

De vaststelling of er sprake is van het frustreren van de uitzetting moet plaatsvinden aan de hand van alle individuele omstandigheden van de vreemdeling. De DT&V beoordeelt of het de vreemdeling te doen is de geplande uitzetting te frustreren of dat de behandeling van het verzoek in Nederland mag worden afgewacht. De DT&V brengt hierover aan de IND een advies uit, waaraan door de IND bij de besluitvorming rekening mee wordt gehouden.

Als de IND oordeelt dat de behandeling van het eerste, tijdig ingediende verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag worden afgewacht, wordt de vreemdeling of zijn raadsman direct schriftelijk of mondeling op de hoogte gebracht.

8. Uitzetting via aanvoerende vervoersonderneming

De termijn van uitzetting via een aanvoerende vervoersonderneming, zoals bedoeld in artikel 65, eerste lid, onder b, Vw gaat in op het tijdstip van staande houden van de vreemdeling. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, mag na zes maanden plaatsvinden.

9. Verhaal van kosten van uitzetting

De Staat of andere openbare lichamen die kosten maken bij een uitzetting en deze kosten ten laste brengen van de vreemdeling, moeten, als de vreemdeling zelf niet in staat is de kosten te voldoen, zo veel mogelijk gebruik maken van tenminste één van de volgende mogelijkheden:

  • een ticket;

  • een garantiesom;

  • een waarborgsom dat is gedeponeerd;

  • een garantverklaring die is afgegeven.

Het ticket, de garantiesom of de waarborgsom wordt aangewend voor de betaling van de kosten van het vertrek. Een garantsteller mag door de Staat of een ander openbaar lichaam worden aangesproken om aan zijn verplichtingen te voldoen.

Als de Staat of andere openbare lichamen kosten van de uitzetting wil verhalen moet aan alle volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • de vreemdeling moet een verklaring ondertekenen waaruit blijkt dat de vreemdeling geen bezwaar heeft tegen invordering van de noodzakelijke kosten van uitzetting;

  • als de vreemdeling bezwaar heeft tegen het invorderen van de kosten van de uitzetting mag de Staat of andere openbare lichamen de verhaalsbevoegdheid juridisch afdwingen door middel van een civiele procedure. De Staat of andere openbare lichamen moeten voor het volgen van een civiele procedure contact opnemen met de IND;

  • het verhalen van kosten bij vreemdelingen op wie het beleid ten aanzien van slachtoffers van mensenhandel van toepassing is, moet in overleg met de IND gebeuren.

De Staat of andere openbare lichamen moeten van het geld dat ontvangen is voor de kosten van de uitzetting schriftelijke opgave doen aan de IND.

10. Vreemdelingen in de strafrechtketen

De KMar, politie, Openbaar Ministerie, DT&V, DJI en IND moeten ten aanzien van vreemdelingen in de strafrechtketen (VRIS) de werkafspraken hanteren die zijn vastgelegd in de Ketenprocesbeschrijving Vreemdeling In de Strafrechtketen (VRIS).

Als een land een formeel uitleveringsverzoek indient, mogen er geen uitzettingshandelingen plaatsvinden totdat de uitleveringsprocedure is afgerond.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet bij het aantreffen van een vreemdeling die aan alle volgende kenmerken voldoet onmiddellijk Bureau SIRENE informeren:

  • een vreemdeling die gesignaleerd staat voor opsporing en aanhouding;

  • een vreemdeling van wie door een buitenlandse autoriteit uitlevering is gevraagd.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft Bureau SIRENE alle volgende informatie:

  • de personalia van de vreemdeling;

  • de autoriteit die het uitleveringsverzoek doet;

  • in welk systeem de vreemdeling gesignaleerd staat.

Bureau SIRENE moet onmiddellijk de buitenlandse autoriteit verzoeken per ommegaande te berichten of een uitleveringsverzoek wordt ingediend. Bureau SIRENE moet het antwoord van de buitenlandse autoriteit onmiddellijk bekend maken bij de Korpschef of de Commandant der KMar.

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie ontvangt het uitleveringsverzoek van de buitenlandse autoriteit en neemt dit in behandeling.

In de gevallen waarin het antwoord van de buitenlandse autoriteit over het al dan niet indienen van een uitleveringsverzoek nog niet is ontvangen, mag de buitenlandse autoriteit voorafgaand aan het formele uitleveringsverzoek, om voorlopige aanhouding van de vreemdeling vragen. De Korpschef of de Commandant der KMar neemt voor het verzoek om voorlopige aanhouding contact op met de bevoegde officier van justitie.

Een vreemdeling die in vreemdelingenbewaring is gesteld, moet door de Korpschef of de Commandant der KMar in strafrechtelijke bewaring worden geplaatst. De Korpschef of de Commandant der KMar informeert de DT&V over de overplaatsing van de vreemdeling.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen informeert de DT&V als de voorgenomen uitzetting van de vreemdeling wordt opgeschort gedurende de afhandeling van een verzoek om voorlopige aanhouding of uitlevering en de vreemdeling niet meer op korte termijn kan worden uitgezet.

11. Internationale overeenkomsten over terug- en overname

De vreemdelingenketen moet contact opnemen met de DT&V voor informatie over:

  • internationale verdragen en overeenkomsten over terug- en overname van vreemdelingen;

  • de te volgen procedures bij terug- of overname van vreemdelingen.

A4 Het inreisverbod en de ongewenstverklaring

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen als aanvulling op of een uitwerking van:

  • artikel 66a Vw;

  • artikel 66b Vw;

  • artikel 67 Vw;

  • de artikelen 6.5, 6.5a, 6.5b en 6.6 Vb;

  • de artikelen 8.18, aanhef en onder b, en 8.22 Vb.

2. Het inreisverbod

2.1 Gronden voor het inreisverbod

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling op grond van artikel 67 lid 1 onder b tot en met e Vw, is van overeenkomstige toepassing op het inreisverbod dat wordt opgelegd met toepassing van artikel 66a lid 7 onder a, b, c en d Vw. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder b tot en met e Vc.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt een inreisverbod uit aan een vreemdeling als deze vreemdeling:

  • niet rechtmatig in Nederland verblijft; en

  • bij herhaling een bij de Vreemdelingenwet strafbaar gesteld feit heeft begaan.

Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 onder a Vc.

Het beleid ten aanzien van de ongewenstverklaring van een vreemdeling is van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid neergelegd in artikel 66a lid 2 Vw om een inreisverbod uit te vaardigen aan een vreemdeling die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten. Verwezen wordt naar paragraaf A4/3.1 Vc.

2.2 Geen inreisverbod

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt geen inreisverbod uit als:

  • a. de IND een ander land dat partij is bij verordening 343/2003/EG heeft verzocht de vreemdeling op grond van deze verordening terug te nemen of over te nemen;

  • b. de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning, verleend door een andere lidstaat van de EU (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland) of van de EER of door Zwitserland;

  • c. het uitvaardigen van een inreisverbod aan de vreemdeling een schending van artikel 8 EVRM betekent.

Ad b.

Uitsluitend als de andere lidstaat van de EU (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland) of van de EER of Zwitserland die de verblijfsvergunning aan de vreemdeling heeft verleend na consultatie via SIRENE instemt de verblijfsvergunning in te trekken, vaardigt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling een inreisverbod uit.

Ad c.

Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B2/10 Vc.

2.3 Duur van het inreisverbod

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen vaardigt het inreisverbod uit voor de maximale duur zoals die in de verschillende onderdelen van artikel 6.5a Vb is genoemd.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verkort de duur van het inreisverbod als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd.

De IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verhoogt de duur van het inreisverbod naar vijf jaar als een vreemdeling zich op het grondgebied van Nederland bevindt terwijl een inreisverbod van kracht is.

Met de vrijheidsstraf zoals bedoeld in artikel 6.5a Vb, wordt een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf bedoeld.

2.4 Procedurele aspecten
2.4.1 Voorbereiding van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

Het beleid dat geldt voor het voorbereiden van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.3 Vc.

2.4.2 Uitreiking van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod

Het beleid dat geldt voor het uitreiken van het besluit tot ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op het uitreiken van het besluit tot uitvaardiging van een inreisverbod, voor zover de situatie van artikel 66a lid 5 Vw niet aan de orde is. Zie paragraaf A4/3.4 Vc.

2.5 Opheffing of tijdelijke opheffing van het inreisverbod
2.5.1 De vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod

Het beleid dat geldt voor de vorm van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de vorm van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.5 Vc.

2.5.2 Beoordeling van de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod

De IND wijst de aanvraag tot opheffing van het inreisverbod in ieder geval af als:

  • de vreemdeling de gegevens bedoeld in artikel 6.5b Vb niet heeft aangeleverd; of

  • de vreemdeling niet voldoet aan alle voorwaarden genoemd in artikel 6.5b Vb.

De IND heft het inreisverbod - in afwijking van artikel 6.5 lid 1 tot en met lid 3 Vb - niet op als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Paragraaf A4/3.5 Vc is van overeenkomstige toepassing.

2.5.3 Aanvraag tot opheffing van het inreisverbod bij gevaar nationale veiligheid

De IND willigt een aanvraag tot opheffing van een inreisverbod dat een vreemdeling is opgelegd omdat hij een ernstige bedreiging vormt voor de nationale veiligheid, als bedoeld in artikel 6.5a lid 6 Vb, uitsluitend in als de vreemdeling sinds het uitvaardigen van het inreisverbod en het vertrek uit Nederland ten minste tien aaneengesloten jaren buiten Nederland heeft verbleven.

Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de aanvraag om opheffing van het inreisverbod nog steeds een ernstige bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, verlengt de IND de duur van het inreisverbod. Het bestaan van concrete aanwijzingen blijkt in ieder geval uit:

  • een ambtsbericht van de AIVD; of

  • een ambtsbericht van andere binnenlandse en buitenlandse ministeries of inlichtingendiensten.

2.5.4 Tijdelijke opheffing van het inreisverbod

Het beleid dat geldt voor de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring is van overeenkomstige toepassing op de tijdelijke opheffing van het inreisverbod. Zie paragraaf A4/3.7 Vc.

3. Ongewenstverklaring

3.1 Gronden voor ongewenstverklaring

Bij het besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling, weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse staat.

a. Ongewenstverklaring op grond van artikel 67 lid 1, aanhef en onder a Vw

Als de vreemdeling tweemaal een bij de Vw strafbaar gesteld feit heeft begaan, dient de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een voorstel tot ongewenstverklaring van deze vreemdeling bij de IND in.

De IND besluit uitsluitend tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als ten aanzien van de bij de Vw strafbaar gestelde feiten die de vreemdeling heeft begaan, sprake is van:

  • een proces-verbaal;

  • een transactie; of

  • een uitgevaardigde strafbeschikking.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft bij het opmaken van een eerste proces-verbaal tegelijkertijd aan de vreemdeling de waarschuwing dat, als hij nogmaals een bij de Vw strafbaar gesteld feit begaat, de ambtenaar een voorstel tot ongewenstverklaring indient. Van deze waarschuwing maakt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een aantekening in de BVV.

b. Ongewenstverklaring op grond van artikel 67 lid 1, aanhef en onder b Vw

De IND beoordeelt zo snel mogelijk na het onherroepelijk worden van een rechterlijk vonnis waarin de maatregel als bedoeld in artikel 37a WvSr ten aanzien van een vreemdeling is verlengd, of wordt besloten tot ongewenstverklaring.

c. Ongewenstverklaring op grond van artikel 67 lid 1, aanhef en onder c Vw

De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde. De IND beschouwt een vreemdeling als een gevaar voor de openbare orde als bedoeld in artikel 67 lid 1, aanhef en onder c Vw als hij wegens een misdrijf:

  • is veroordeeld tot een gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of een taakstraf of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd heeft gekregen en waarbij het (totale) onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of vrijheidsontnemende maatregel ten minste een maand bedraagt; of

  • bij herhaling is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf (waaronder jeugddetentie) of bij herhaling een taakstraf, onvoorwaardelijke geldboete of vrijheidsontnemende maatregel opgelegd heeft gekregen, een transactieaanbod heeft aanvaard of een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen.

De IND rekent tot vrijheidsontnemende maatregelen:

  • plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie artikel 37 WvSr);

  • plaatsing in een inrichting voor de opvang van verslaafden (zie artikel 38m WvSr);

  • plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (zie artikel 77h lid 4 onder a WvSr); en

  • ter beschikkingstelling (zie artikel 37a WvSr).

Bij een veroordeling van een vreemdeling tot een taakstraf neemt de IND de duur van de door de rechter bepaalde vervangende hechtenis als uitgangspunt bij de beoordeling of wordt besloten tot ongewenstverklaring.

De IND besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling als deze een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De IND beschouwt een vreemdeling als een gevaar voor de nationale veiligheid als bedoeld in artikel 67 lid 1, aanhef en onder c Vw als daarvoor concrete aanwijzingen zijn. Het bestaan van concrete aanwijzingen blijkt in ieder geval uit:

  • een ambtsbericht van de AIVD; of

  • een ambtsbericht van andere binnenlandse en buitenlandse ministeries of inlichtingendiensten.

Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.

d. Artikel 67 lid 1, aanhef en onder d Vw

De IND kan een vreemdeling die in één van de lidstaten van de Benelux of Schengen ongewenst is verklaard, op een met redenen omkleed verzoek van één van lidstaten, ook voor de andere lidstaten ongewenst verklaren.

e. Artikel 67 lid 1, aanhef en onder e Vw

De IND kan tot ongewenstverklaring op grond van artikel 67 lid 1, aanhef en onder e Vw besluiten als de vreemdeling buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan. Een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan, is in ieder geval een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning is afgewezen of de verblijfsvergunning is ingetrokken op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Artikel 8 EVRM

De IND besluit niet tot ongewenstverklaring als de ongewenstverklaring een schending van artikel 8 EVRM betekent. Bij het besluit tot ongewenstverklaring weegt de IND artikel 8 EVRM-aspecten mee. Verwezen wordt naar paragraaf B2/10 Vc.

3.2 Procedurele aspecten

Als de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen van oordeel is dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, dan dient deze ambtenaar onmiddellijk een voorstel tot ongewenstverklaring in bij de IND, door middel van toezending van model M63 of een ander gemotiveerd schrijven. Bij het model M63 of het gemotiveerde schrijven voegt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen alle gegevens en bewijsmiddelen die voor de beoordeling van het voorstel tot ongewenstverklaring relevant kunnen zijn. De IND beschouwt in ieder geval afschriften van processen-verbaal als relevant.

Als op andere wijze dan op aangeven van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, is gebleken dat er gronden zijn voor de ongewenstverklaring van een vreemdeling, besluit de IND ambtshalve tot ongewenstverklaring.

3.3 Voorbereiding van een besluit tot ongewenstverklaring

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in ieder geval in de volgende situaties:

  • de vreemdeling verblijft niet rechtmatig in Nederland;

  • de vreemdeling bevindt zich in een politiecel, een cel van de KMar of in een huis van bewaring;

  • de vreemdeling heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

De IND geeft uitvoering aan de hoorplicht zoals neergelegd in artikel 4:7 en artikel 4:8 Awb in andere dan de genoemde situaties.

3.4 Uitreiking van het besluit tot ongewenstverklaring

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen reikt het origineel van de beschikking aan de vreemdeling in persoon uit.

Bij de uitreiking van de beschikking verstrekt de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen een brochure in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal met betrekking tot de ongewenstverklaring. Van de uitreiking van de beschikking maakt de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen een proces-verbaal op. Als er een gemachtigde van de vreemdeling bekend is, zendt de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen dezelfde dag dat de beschikking en de brochure zijn uitgereikt, een kopie van de beschikking aan de gemachtigde toe.

Als de uitreiking van de beschikking aan de vreemdeling in persoon niet mogelijk is, dan zendt de IND:

  • de beschikking - met de brochure - per aangetekende brief naar het laatst bekende adres van de vreemdeling; en

  • een kopie van de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling, als een gemachtigde bekend is.

Als bekend is dat de vreemdeling niet langer op het laatst bekende adres woont, zendt de IND de beschikking - met de brochure - aan de gemachtigde van de vreemdeling, als een gemachtigde bekend is.

Als geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is of de gemachtigde stelt niet of niet langer gemachtigde te zijn, wordt volstaan met de bekendmaking van de beschikking door mededeling ervan in de Staatscourant.

3.5 Opheffing van de ongewenstverklaring
3.5.1 Inleiding

Bij de toepassing van artikel 6.6 lid 2 Vb weegt de IND de belangen van de vreemdeling af tegen het algemeen belang van de Nederlandse Staat.

Als een vreemdeling die ongewenst verklaard is vanwege gevaar voor de nationale veiligheid een aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring heeft ingediend, willigt de IND deze aanvraag uitsluitend in als de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring en het vertrek uit Nederland tien jaren onafgebroken buiten Nederland heeft verbleven.

Als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling nog steeds een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, wijst de IND de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring af. Het bestaan van concrete aanwijzingen blijkt in ieder geval uit:

  • een ambtsbericht van de AIVD; of

  • een ambtsbericht van andere binnenlandse en buitenlandse ministeries of inlichtingendiensten.

Er kunnen zich bijzondere feiten en omstandigheden voordoen waarbij het gevaar voor de openbare orde is geweken of het belang van de vreemdeling moet prevaleren vóórdat de van toepassing zijnde duur van de ongewenstverklaring is verstreken. De IND laat het algemeen belang van de Nederlandse Staat uitsluitend laten wijken voor het belang van de vreemdeling als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden in het geval van de vreemdeling die bij de totstandkoming van de algemene regel over opheffing van de ongewenstverklaring niet zijn betrokken.

In ieder geval merkt de IND het enkele feit dat de vreemdeling zich gedurende de ongewenstverklaring niet schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit en niet meer in Nederland heeft verbleven, niet aan als een bijzonder feit of bijzondere omstandigheid.

3.5.2 De vorm en inhoud van de aanvraag

De aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring moet de vreemdeling indienen bij de IND.

De vreemdeling hoeft geen verklaring als bedoeld in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb over te leggen als het overleggen van deze verklaring niet mogelijk is, bijvoorbeeld vanwege de algemene situatie of het ontbreken van een registratie van gepleegde misdrijven of strafvervolging in het in artikel 6.6 lid 4 onder d Vb bedoelde land.

3.6 Beoordeling van de aanvraag

De IND neemt uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring:

  • a. strijd met artikel 8 EVRM;

  • b. strijd met artikel 3 EVRM is duurzaam en het handhaven van de ongewenstverklaring is disproportioneel;

  • c artikel 3.105b of artikel 3.105e Vb is van toepassing.

Ad a.

Bij de beoordeling van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring, betrekt de IND in ieder geval alle feiten en omstandigheden die zijn genoemd in paragraaf B2/10 Vc.

De IND beoordeelt bij de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring uitsluitend of er sinds de ongewenstverklaring een wijziging in de situatie van de vreemdeling met betrekking tot de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in paragraaf B2/10 Vc, is opgetreden.

In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt de IND of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet de IND altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.

Ad b.

Als een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM, beoordeelt de IND bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in deze situatie:

  • of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en zo ja

  • of de gevolgen van het handhaven van de ongewenstverklaring voor de vreemdeling disproportioneel zijn, afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat.

Duurzaamheid

Voor een beschrijving van de term duurzaam onder 1. wordt verwezen naar paragraaf C2/6.2.8 Vc.

Een vreemdeling moet in ieder geval voldoen aan een grotere inspanningsverplichting om aan te tonen dat er geen derde land is waar hij zich kan vestigen als:

  • aan hem artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen; of

  • hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid.

Disproportionaliteit

De IND neemt disproportionaliteit aan als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt. Bij de beoordeling betrekt de IND in ieder geval de aard en ernst van het gepleegde misdrijf.

Als de vreemdeling disproportionaliteit aannemelijk heeft gemaakt, willigt de IND de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in.

Ad c.

Als een ongewenstverklaarde vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient, heft de IND de ongewenstverklaring op en verleent de vreemdeling op grond van artikel 3.105b Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling:

  • aannemelijk maakt dat hij vluchteling is als bedoeld in artikel 29 lid 1 onder a Vw; of

  • bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29 lid 1 onder b, Vw.

De IND heft de ongewenstverklaring niet op en verleent de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.105b Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, als:

  • de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan verstoringen van de openbare orde als omschreven in artikel 3.105b Vb of artikel 3.105e Vb; of

  • artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

3.7 Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring
3.7.1 Vorm van de aanvraag

Een aanvraag tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet schriftelijk bij de IND worden ingediend, door uitsluitend één van de hierna genoemden:

  • de vreemdeling;

  • de gemachtigde van de vreemdeling; of

  • een instantie die stelt een bijzonder belang te hebben bij de komst van de vreemdeling naar Nederland.

De IND verstaat onder ‘instantie’ in ieder geval het OM of een internationaal straftribunaal. Als de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend door het OM, moet een Hoofdofficier van Justitie deze ondertekenen. Als de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring wordt ingediend door een internationaal straftribunaal, moet een persoon van het niveau van een Hoofdofficier van Justitie, waaronder een rechter, deze ondertekenen.

3.7.2 Inhoud van de aanvraag

De aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring moet in ieder geval alle volgende gegevens bevatten:

  • volledige personalia van de vreemdeling, inclusief eventuele aliassen waarvan hij zich eerder heeft bediend;

  • datum en plaats van binnenkomst van de vreemdeling;

  • vluchtnummers van de heen- en terugvlucht van de vreemdeling;

  • reden en noodzaak van de komst van de vreemdeling;

  • het belang van de aanvragende instantie bij de komst van de vreemdeling naar Nederland, als de aanvrager niet de vreemdeling of zijn gemachtigde is;

  • het belang dat de vreemdeling heeft bij zijn komst naar Nederland, als de vreemdeling of zijn gemachtigde de aanvrager is;

  • garanties omtrent het verblijf en de kosten van het verblijf van de vreemdeling.

3.7.3 Beoordeling van de aanvraag

De IND willigt in ieder geval in de volgende situaties de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring in:

  • a. Er is sprake van zwaarwegende familieomstandigheden;

  • b. De komst van de vreemdeling naar Nederland is noodzakelijk in verband met een getuigenis in een rechtszaak;

  • c. De komst van de vreemdeling naar Nederland is noodzakelijk in verband met een eigen rechtszaak.

Ad a.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag om tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring altijd de omstandigheden af tegen de ernst en actualiteit van de feiten die aan de ongewenstverklaring ten grondslag hebben gelegen.

Ad b.

De IND neemt uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als sprake is van een officiële oproep van het OM of een rechterlijke instantie aan de vreemdeling om te getuigen.

Ad c.

De IND neemt niet aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat bij:

  • een civiele zaak; of

  • vreemdelingrechtelijke zaak.

Bij de behandeling door de rechtbank van een civiele of vreemdelingrechtelijke zaak kan worden volstaan met de gemachtigde van de vreemdeling.

In andere zaken dan civiele of vreemdelingrechtelijke neemt de IND uitsluitend aan dat er een noodzaak tot de komst van de vreemdeling bestaat als:

  • de rechtbank kenbaar maakt dat de vreemdeling aanwezig moet zijn; of

  • als een gemachtigde niet kan volstaan.

De vreemdeling moet aannemelijk maken dat sprake is van één van de situaties genoemd onder a, b of c.

3.7.4 Voorwaarden aan de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring

Aan de komst van de vreemdeling naar Nederland en de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring stelt de IND alle volgende voorwaarden:

  • De komst en de duur van de tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring worden beperkt tot de tijd die nodig is voor het doel waarvoor de vreemdeling naar Nederland komt;

  • Binnenkomst in en vertrek uit Nederland moeten geschieden via een buitengrens;

  • De tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat in op het moment van binnenkomst van de vreemdeling in Nederland.

3.7.5 Binnenkomst, toezicht en vertrek

De ambtenaar belast met de grensbewaking controleert de binnenkomst in en het vertrek uit Nederland van de vreemdeling van wie de ongewenstverklaring tijdelijk is opgeheven. De IND stelt de ambtenaren belast met de grensbewaking op de hoogte van de komst van de vreemdeling naar Nederland. Bij vertrek van de vreemdeling uit Nederland stellen de ambtenaren belast met de grensbewaking de IND van het moment van het vertrek op de hoogte. Tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring gaat gepaard met tijdelijke toegangsverlening aan een met het oog op weigering van toegang in het SIS gesignaleerde vreemdeling, op grond van artikel 5, vierde lid, onder c, SGC. De ambtenaar belast met de grensbewaking hanteert de handelwijze zoals beschreven in paragraaf A2/12 Vc.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen houdt tijdens het verblijf van de vreemdeling in Nederland toezicht op hem. Welke vorm van toezicht geïndiceerd is, beziet de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen per vreemdeling. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen stemt de toe te passen vorm van toezicht af met de instantie die om het verblijf van de vreemdeling in Nederland heeft verzocht.

3.8 EU-/EER-onderdanen, Zwitserse onderdanen en familieleden

Voor de ongewenstverklaring van:

  • Onderdanen van de EU;

  • Onderdanen van Zwitserland;

  • Onderdanen van de EER;

  • Familieleden van onderdanen van de EU/EER en Zwitserland; of

  • Turkse werknemers en hun gezinsleden die een verblijfsrecht ontlenen aan Besluit 1/80,

gelden aanvullende beleidsregels.

In aanvulling op artikel 67 Vw, artikel 8.18, onder b, Vb en artikel 8.22 Vb gaat de IND over tot ongewenstverklaring van de vreemdeling als bedoeld in deze paragraaf van wie het verblijf is ontzegd of beëindigt op grond van de openbare orde en openbare veiligheid als bedoeld in hoofdstuk B10/7 Vc.

In aanvulling op artikel 8.22, Vb geldt bij de beoordeling door de IND van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring als deugdelijk bewijsmiddel:

  • een overzicht van de plaatsen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven, voorzien van bewijsstukken;

  • een kopie van de documenten voor grensoverschrijding die de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft gehouden;

  • gegevens en bescheiden ten bewijze van het feit dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit rechtvaardigden om jegens de vreemdeling een verwijderingsmaatregel uit te vaardigen en;

  • Een schriftelijke verklaring van de vreemdeling en van de terzake bevoegde autoriteiten van het land of de landen waar de vreemdeling sinds zijn ongewenstverklaring heeft verbleven waaruit blijkt dat hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.

A5 Vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen waarvan de vrijheid beperkt wordt of waarvan de vrijheid ontnomen wordt.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb en VV:

  • paragraaf 1: artikel 5.6 Vb;

  • paragraaf 4: artikel 5.1a en 5.1b Vb en artikel 5.2 VV.

2. Algemeen

2.1 Mededeling van vrijheidsontnemende maatregelen

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie die een vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel (bewaring) op grond van artikel 6 Vw of artikel 59 Vw oplegt, moet de IND door middel van model M19 of model M110-A op de eerste dag van het opleggen van bewaring op de hoogte brengen. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie moet de IND door middel van model M113 op de hoogte brengen als de bewaring is opgeheven.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of de hulpofficier van justitie moet in verband met de kennisgeving van de IND aan de rechtbank of een beroep van de vreemdeling tegen de bewaring bij de rechtbank, alle volgende modellen aan de IND verzenden:

  • model M119;

  • model M113;

  • model M120.

De bevoegde ambtenaar moet de vreemdeling erop wijzen dat hij contact mag (laten) opnemen met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het land waarvan hij de nationaliteit heeft, en dat geen mededeling over zijn vrijheidsontneming gedaan zal worden, als hij geen contact met de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging verlangt.

2.2 Aanmelding vreemdeling

Bij de uitzetting van een vreemdeling wordt gebruik gemaakt van een aanmeldformulier vreemdeling (model M118). Model M118 wordt ingevuld door of namens de Korpschef die voor de vrijheidsontnemende maatregel verantwoordelijk is. De Korpschef is ook verantwoordelijk voor het aanbrengen van wijzigingen en aanvullingen op model M118. Vanaf het moment dat de vrijheidsontneming in een justitiële inrichting plaatsvindt, rust deze verantwoordelijkheid op de ambtenaar van de DT&V en DJI die in die inrichting werkzaam is.

Model M118 wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • KMar;

  • DT&V;

  • DJI;

  • DV&O;

  • Vreemdelingenpolitie;

  • ZHP.

Model M118 wordt opgemaakt bij iedere vrijheidsontneming op grond van artikel 6 of artikel 59 Vw en moet de vreemdeling begeleiden van het moment van aanvang van de vrijheidsontnemende maatregel tot aan het moment van uitzetting of invrijheidstelling van de vreemdeling. Bij elke wijziging en aanvulling moet model M118 worden aangepast.

De ambtenaar belast met de grensbewaking stuurt het formulier terug aan de Korpschef die voor de vrijheidsbeneming verantwoordelijk was, nadat de uitzetting heeft plaatsgevonden.

2.3 Het lichten van vreemdelingen

Voor het lichten van vreemdelingen op grond van artikel 5.5 Vb, moeten alle volgende voorwaarden in acht worden genomen door de hulpofficier van justitie:

  • de hulpofficier van justitie moet twee werkdagen voor de datum van lichten een verzoek indienen bij de directeur van de justitiële inrichting waar de vreemdeling verblijft;

  • Het lichten van de vreemdeling geschiedt zoveel mogelijk tijdens de normale werktijden van de inrichting, en duurt maximaal 48 uur;

  • de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling tijdens het lichten berust bij de hulpofficier van justitie die het verzoek heeft ingediend. Deze draagt ook zorg voor de veiligheid en het toezicht gedurende het lichten.

De op grond van artikel 6 of 59 Vw opgelegde maatregel blijft op het moment dat de vreemdeling gelicht is van kracht.

2.4 Minderjarigen en gezinnen met minderjarigen

Bij vrijheidsontnemende maatregelen bij minderjarigen is tenminste een van de volgende situaties van toepassing:

  • vreemdelingen beneden de leeftijd van twaalf jaar die met hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordigers niet rechtmatig in Nederland verblijven, mogen uitsluitend met hun ouder(s) of wettelijke verzorgers van hun vrijheid worden ontnomen. In dat geval wordt de vrijheidsontneming ten uitvoer gelegd in een justitiële inrichting of een politiebureau waar een voor minderjarigen geschikt regime mogelijk is;

  • vreemdelingen in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar die met hun ouder(s) of wettelijke verzorgers in Nederland illegaal verblijven, mogen alleen met hun ouder(s) of wettelijke vertegenwoordigers van hun vrijheid worden ontnomen als binnen vier dagen overdracht van een politiebureau naar een justitiële inrichting mogelijk is;

  • alleenstaande vreemdelingen in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar mogen van hun vrijheid worden ontnomen, als de tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel uiterlijk binnen vier dagen plaatsvindt in een justitiële inrichting.

Als er een uitzondering wordt gemaakt op een van de voorwaarden vindt overleg tussen de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die ook hulpofficier van justitie is en de DT&V plaats.

Nog meer dan bij volwassenen, wordt bewaring bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen alleen in uiterste gevallen toegepast en voor een zo kort mogelijke duur. Bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen is bewaring alleen gerechtvaardigd als zwaarwegende belangen aanwezig zijn. Van zwaarwegende belangen is uitsluitend sprake in de volgende situaties:

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling is verdacht van- of veroordeeld voor een misdrijf;

  • Het vertrek van de alleenstaande minderjarige vreemdeling kan uiterlijk binnen veertien dagen gerealiseerd worden;

  • De alleenstaande minderjarige vreemdeling is eerder met onbekende bestemming vertrokken uit de opvang of heeft zich niet gehouden aan een opgelegde meldplicht of vrijheidsbeperkende maatregel;

  • Aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling is de toegang geweigerd tot Nederland. Als door de hulpofficier van justitie wordt getwijfeld aan de minderjarigheid van de vreemdeling, is vrijheidsontneming van de vreemdeling aan de orde tot de minderjarigheid is vastgesteld door de IND.

Bewaring op grond van artikel 59, eerste en tweede lid Vw, is bij gezinnen met minderjarigen beperkt tot een termijn van twee weken. Deze termijn kan slechts worden overschreden als de geplande uitzetting niet plaats kan vinden door tenminste één van de volgende omstandigheden:

  • fysiek verzet van (één van) de gezinsleden;

  • het feit dat (één van) de gezinsleden na de bewaring één of meerdere procedures is gaan voeren met het doel de uitzetting te vertragen.

Als sprake is van een gezin met twee ouders en het gevaar op onttrekking aan het toezicht of de uitzetting bestaat, wordt volstaan met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan één ouder door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. Aan de overige gezinsleden wordt in dat geval een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Als uitzondering wordt in het belang van grensbewaking het gehele gezin de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd als het gezin de toegang tot Nederland - en daarmee het Schengengebied - is geweigerd, ongeacht of sprake is van een gezin met één- of twee ouders.

De maximale termijn van twee weken voor vrijheidsontneming is niet van toepassing als aan één ouder de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd terwijl de overige familie- of gezinsleden een vrijheidbeperkende maatregel is opgelegd.

3. Vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw

3.1 Gronden voor vrijheidsontneming op grond van artikel 6 Vw

Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat een gezin met één of meer minderjarigen binnen twee weken wordt uitgezet, mag aan een gezin met één of meer minderjarigen dat de toegang is geweigerd vrijheidsontneming op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw worden opgelegd.

Als de ambtenaar belast met grensbewaking de inschatting maakt dat het vertrek niet binnen twee weken wordt gerealiseerd wordt in beginsel volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, Vw.

De ambtenaar belast met grensbewaking legt een vrijheidsbeperkende of -ontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw op bij beschikking model M19. De ambtenaar belast met grensbewaking moet een afschrift van de beschikking model M19 uitreiken aan de vreemdeling. De inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank moet in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem worden meegedeeld. Bij aanwijzing van een andere ruimte of plaats moet een nieuwe beschikking model M19 worden gemaakt waarbij de inhoud van de beschikking en de mogelijkheid tot het indienen van een beroepschrift bij de rechtbank in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal aan hem worden meegedeeld.

De ambtenaar belast met grensbewaking hoeft geen nieuwe beschikking model M19 te maken als tijdelijke overplaatsing van de vreemdeling nodig is om redenen die voortvloeien uit toepassing van de Vw. Ook het vervoer naar de aangewezen ruimte of plaats valt onder beschikking model M19.

Als er redenen zijn om de vrijheidsontnemende maatregel met maximaal twaalf maanden te verlengen, moet de vreemdeling voor het verstrijken van de maximale bewaringsduur van zes maanden schriftelijk op de hoogte worden gesteld van dit besluit. De DT&V maakt het verlengingsbesluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit.

Voor het opheffen van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik maken van Model M113. Van model M113 moet altijd:

  • het origineel van dit formulier in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt;

  • een kopie worden verzonden naar de IND en de DT&V.

Voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 6, eerste lid, Vw geldt geen regime.

3.2 Gezinnen met minderjarigen

Als een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw aan een gezin met minderjarige kinderen is opgelegd geldt een maximale duur van twee weken. De termijn van de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Als er een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend door de vreemdeling waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de vrijheidsontnemende maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken na dagtekening van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening.

4. Beschikbaar houden op grond van artikel 55, eerste lid, Vw

Als een vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd indient, wijst de Korpschef de gemeente waarin de opvangvoorziening zich bevindt aan als plaats waar de vreemdeling zich in verband met de behandeling van zijn aanvraag moet verblijven. De Korpschef doet de aanwijzing zowel mondeling als schriftelijk. Voor de aanwijzing wordt het model M117-A gebruikt.

Vreemdelingen moeten zich beschikbaar houden op grond van artikel 55 Vw in een AC of opvanglocatie. Voor vreemdelingen die een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier hebben ingediend kan dat de woon- of verblijfplaats zijn.

Als een vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken, moet de Korpschef dit melden aan de IND, DT&V en het COA door middel van model M100 met een kopie van het model M117-A. Het ‘met onbekende bestemming vertrokken zijn’ moet vastgesteld zijn door de Korpschef.

5. Vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw

De DT&V, de Korpschef of de commandant van de KMar legt de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw - in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54, tweede lid, Vw - op, op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid. De vreemdeling moet werken aan zijn vertrek uit Nederland waarbij de DT&V de regie heeft over het vertrektraject.

De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw in een vrijheidsbeperkende locatie wordt in beginsel twaalf weken opgelegd met model M102. Als de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, mag de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel te laten voortduren of op een andere plaats op te leggen. Als de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats wordt opgelegd, wordt model M102 opnieuw opgemaakt.

Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt om het vertrek voor te bereiden zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in:

  • de VBL;

  • of een gezinslocatie.

Aan een gezin met minderjarige kinderen wordt gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van artikel 56 Vw opgelegd als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is sprake is van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid - ook als op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan;

  • het vertrek van het gezin kan niet binnen veertien dagen worden gerealiseerd;

  • het gezin heeft voorafgaande aan de maatregel in de opvang verbleven;

  • het gezin is in de illegaliteit aangetroffen.

De maatregel op grond van artikel 56 Vw kan in beginsel in ieder geval in de volgende situaties worden opgelegd aan de vreemdeling:

  • van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen;

  • die een vertrekplicht heeft en die voorafgaande aan de maatregel in de opvang van het COA of gemeentelijke (nood)opvang heeft verbleven.

Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel op grond van artikel 56 Vw te voldoen, biedt het COA de vreemdeling vervoer naar de VBL aan. Als de vreemdeling weigert om gebruik te maken van het aangeboden vervoer wordt daarmee geconcludeerd dat de vreemdeling geen gebruik wenst te maken van het aangeboden onderdak. De Korpschef houdt de vreemdeling vanwege het niet naleven van de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 50 Vw staande en brengt hem naar een plaats bestemd voor verhoor. Vervolgens wordt beoordeeld of een vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd. Als vrijheidsontneming niet mogelijk is, krijgt de vreemdeling van de Korpschef een aanzegging Nederland te verlaten.

6. Vrijheidsontneming op grond van artikel 59 Vw

Uit het dossier van de vreemdeling moet blijken dat de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een belangenafweging over de bewaring heeft gemaakt.

6.1 Vrijheidsontneming van vreemdelingen met rechtmatig verblijf

Bewaring op grond van artikel 59 Vw mag voor vreemdelingen waarvan de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd nog niet is afgewezen, uitsluitend plaatsvinden en voortduren op grond van een daartoe strekkende belangenafweging. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is, neemt over de belangenafweging contact op met de IND. In model M110a of in een proces-verbaal wordt verslag gedaan van dit overleg en de belangenafweging die heeft geleid tot het opleggen of voortduren van de bewaring ondanks de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Als overleg met de IND niet mogelijk is, wordt dit vermeld. In dat geval maakt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is, zelfstandig deze belangenafweging en vermeld deze in model M110a of een proces-verbaal.

De vreemdeling die een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid vanwege criminele antecedenten en een (herhaalde) aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier of asiel voor (on)bepaalde tijd indient of heeft ingediend, zal in beginsel in bewaring worden gesteld op grond van artikel 59, eerste lid Vw of artikel 59 eerste en tweede lid Vw. Voor die toepassing moet een belangenafweging plaatsvinden door een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is. De bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in willen dienen of ingediend hebben, moet zo beperkt mogelijk geschieden.

Een vreemdeling kan uitsluitend op grond van de nationale veiligheid in bewaring worden gesteld door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen als de minister daartoe een bijzondere aanwijzing geeft.

6.2 Vrijheidsontneming van Dublinclaimanten

Bij Dublinclaimanten bestaat de mogelijkheid dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht aan een lidstaat uitgevoerd wordt. Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging voor bewaring gegeven in de volgende situaties:

  • als de betrokken vreemdeling is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname);

  • of uit de lidstaat is vertrokken die zich al verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname).

6.3 Vrijheidsontneming na tweede of volgende asielaanvraag

Als de opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling op grond van artikel 4:6 Awb in de algemene asielprocedure is afgewezen, wordt zo spoedig mogelijk na bekendmaking van het besluit van de IND beoordeeld of de vreemdeling op grond van artikel 59 Vw in bewaring wordt gesteld. De beoordeling wordt uitgevoerd door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die ook (hulp)officier van justitie is.

6.4 Gehoor

Het uitgangspunt is dat een vreemdeling, voordat hij in bewaring wordt gesteld, gehoord wordt. Het kan voorkomen dat het gehoor na de inbewaringstelling plaatsvindt. Uit de vreemdelingenadministratie moet blijken waarom het gehoor na de inbewaringstelling plaatsgevonden heeft. Het gehoor van de vreemdeling moet afgenomen worden door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die ook (hulp)officier van justitie is.

6.5 Bijstand van een raadsman

De ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, ook hulpofficier van justitie moet op verzoek van de gemachtigde van de vreemdeling een kopie van de beschikking tot bewaring model M110-A en van het proces-verbaal van gehoor model M110-B geven.

6.6 De vorm waarin de maatregel wordt opgelegd

Wanneer aan de in bewaring te stellen vreemdeling ook een terugkeerbesluit, eventueel in combinatie met een inreisverbod (zie paragraaf A4/2 Vc), wordt uitgereikt, vindt uitreiking daarvan plaats voorafgaand aan of gelijktijdig met de maatregel van bewaring. Voor het opleggen van de maatregel van bewaring moet gebruik worden gemaakt van model M110-A.

De ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, ook hulpofficier van justitie moet afschriften maken van de beschikking waarbij de bewaring, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod opgelegd is. De afschriften zijn uitsluitend bedoeld voor de volgende belanghebbenden:

  • de vreemdeling;

  • de Korpschef of de KMar die de originele exemplaren in het archief moeten bewaren;

  • afschriften van de maatregel, het terugkeerbesluit en/of inreisverbod moeten aan de gemachtigde worden verstrekt;

  • bij plaatsing van een vreemdeling in een justitiële inrichting moet een afschrift van een maatregel van bewaring worden verstrekt aan de directeur van de justitiële inrichting;

  • de IND als de beroepsprocedure op grond van artikel 94 en artikel 96 Vw wordt gevolgd.

6.7 Hernieuwde vrijheidsontneming op een andere bewaringsgrond

Als de bewaring wordt opgeheven door de Korpschef of de Commandant der KMar, is het mogelijk om de vreemdeling onmiddellijk aansluitend aan de opheffing opnieuw in bewaring te stellen. Voor het opnieuw opleggen van een maatregel van bewaring moet sprake zijn van gewijzigde omstandigheden, op grond waarvan een hernieuwde inbewaringstelling gerechtvaardigd is. Van gewijzigde omstandigheden is onder andere sprake als de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn of op korte termijn voorhanden zullen zijn, terwijl die er ten tijde van de eerste inbewaringstelling niet waren.

6.8 De duur

De bewaring duurt niet langer dan zes maanden, met een mogelijkheid deze te verlengen met twaalf maanden. De DT&V ziet toe op naleving van deze termijnen en past daarbij artikel 88 van het WvSr analoog toe. Een maand geldt daarbij als 30 dagen.

Als er redenen zijn om de bewaring met een termijn van maximaal twaalf maanden te verlengen moet de DT&V de vreemdeling voor het verstrijken van de zes maanden bewaring van de verlenging met een verlengingsbesluit op de hoogte stellen. De DT&V stelt dit besluit op en reikt deze aan de vreemdeling uit.

6.9 Voorlopige voorziening

Als een vreemdeling tijdens de bewaring een verzoek om een voorlopige voorziening indient met als doel het opschorten van de uitzetting, moet de DT&V in overleg met de IND nagaan of de behandeling van dit verzoek in Nederland afgewacht mag worden. Als de behandeling van het verzoek afgewacht mag worden en de bewaring voortduurt, vraagt de IND de rechtbank om het verzoek om een voorlopige voorziening zo spoedig als mogelijk te behandelen.

6.10 Tenuitvoerlegging

Als een redelijk vermoeden bestaat dat de in bewaring gestelde vreemdeling misbruik maakt van een van de volgende rechten:

  • het ontvangen van bezoek;

  • telefoneren;

  • het wisselen van brieven;

om zijn verwijdering uit Nederland te belemmeren, of om zich aan de verdere bewaring te onttrekken, wordt de uitoefening van deze rechten beperkt door de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen doet direct schriftelijk gemotiveerd mededeling van de opgelegde beperking van de rechten van de vreemdeling aan alle volgende belanghebbenden:

  • de DT&V;

  • de vreemdeling;

  • zijn gemachtigde.

De bewaring van een vreemdeling op een politiebureau of in een cel van de KMar voor een termijn van meer dan vijf dagen moet worden voorkomen. Bij de berekening van deze termijn worden in beginsel alle volgende situaties niet meegeteld:

  • de duur van het verblijf op een politiebureau of in een cel van de KMar op grond van ophouding ter vaststelling van identiteit en verblijfsrechtelijke positie (zie artikel 50 Vw);

  • de duur van het verblijf op een politiebureau of in een cel van de KMar op grond van strafrechtelijke detentie;

  • de dag waarop de bewaring is bevolen.

De termijn van vijf dagen mag uitsluitend overschreden worden op grond van bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen van de vreemdeling. In welke mate de termijn van vijf dagen kan worden overschreden, is afhankelijk van de aard van de bijzondere omstandigheden en/ of de zwaarte van de belangen en zal daarom ook per vreemdeling moeten worden beoordeeld. In het geval de bewaring op een politiebureau of in een cel van de KMar langer duurt dan vijf dagen, moet uit het dossier van de vreemdeling blijken welke bijzondere omstandigheden of zwaarwegende belangen tot de bewaring hebben geleid.

6.11 Plaatsing in een justitiële inrichting

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet zo spoedig mogelijk na inbewaringstelling een verzoek tot plaatsing in bij DJI. Bij het verzoek tot plaatsing in een justitiële inrichting moet het ingevulde model M118 over de in bewaring gestelde vreemdeling aan DJI verstrekt worden. Als de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen een verzoek om plaatsing van de vreemdeling wil annuleren, licht de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen DJI direct in. Zodra van DJI bericht ontvangen is in welke justitiële inrichting de vreemdeling gaat verblijven, zendt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen schriftelijk het dossier van de vreemdeling betreffende de inbewaringstelling aan de directeur van die justitiële inrichting.

6.12 Het overbrengen en ophouden na strafrechtelijke detentie

Het moet worden voorkomen dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring worden gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, Vw naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht. Hier wordt de vreemdeling geïnformeerd over de verdere te volgen procedure. Deze mededeling wordt, met gebruikmaking van model M122, aan de vreemdeling uitgereikt. Aan de directeur van de inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt moet een afschrift van model M122 worden gestuurd. De ambtenaar moet ook van de toepassing van dit artikel proces-verbaal (zie model M111-A) opmaken.

6.13 Tenuitvoerlegging strafrechtelijk vonnis tijdens de vrijheidsontneming

Als tijdens de bewaring bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis of arrest moet ondergaan, wordt voor zover de tenuitvoerlegging van het strafrechtelijk vonnis of arrest is toegelaten, een vonnis of arrest zo snel mogelijk ten uitvoer gelegd. In verband hiermee moet de Korpschef, de Commandant der KMar of de directeur van de justitiële inrichting zodra hij op de hoogte is van een strafrechtelijk vonnis contact opnemen met het OM over de executie van het vonnis.

6.14 Beëindiging vrijheidsontneming

Als er geen grond voor bewaring meer is, moet de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is, of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is, de bewaring opheffen. Hij maakt daarvoor gebruik van het model M113.

Van model M113 moet altijd:

  • het origineel van dit formulier in het archief worden opgeborgen en een afschrift wordt aan de vreemdeling uitgereikt;

  • een kopie worden verzonden naar de IND en de DT&V;

  • samen met het verzoek om ontslag uit de justitiële inrichting (model M114) een kopie van het model M113 gezonden aan de directeur van de justitiële inrichting waarin de vreemdeling zich bevindt.

Als de bewaring op grond van artikel 59, eerste of tweede lid, Vw van een gezin met één of meer minderjarige kinderen langer duurt dan de maximaal gestelde termijn van twee weken, moet de bewaring worden opgeheven door uitsluitend één van de volgende ambtenaren:

  • een ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is;

  • de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is.

Als de vreemdeling het Nederlands grondgebied niet heeft verlaten kan de bewaring voortgezet worden op de bestaande maatregel van bewaring. De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen of met grensbewaking of de ambtenaar van de DT&V die daartoe bevoegd is moet dan een nieuw (spoed)verzoek tot plaatsing aan DJI doen.

Heeft de vreemdeling Nederland verlaten en keert hij terug, dan moet de vreemdeling opnieuw in bewaring worden gesteld, in beginsel door een hulpofficier van justitie van het politiekorps die verantwoordelijk was voor de eerdere bewaring dan wel door een hulpofficier van het politiekorps van de regio waarbinnen de desbetreffende grensdoorlaatpost is gelegen. De toegang tot Nederland wordt niet geweigerd, ook al voldoet de vreemdeling niet aan de voorwaarden voor toegang. De toegang tot Nederland wordt wel geweigerd als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling toegang heeft verkregen tot zijn eigen land of een derde land.

7. De behandeling van het beroep

De DT&V faxt uiterlijk op dag drie na indiening van het beroep model M120 naar de IND.

Als uit de uitspraak van de rechtbank op het beroep blijkt dat de bewaring moet worden opgeheven, informeert de IND direct de DT&V. Hierbij overlegt de IND zo nodig met de DT&V in verband met het in te dienen hoger beroep of het verzoek om een voorlopige voorziening.

De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of van de DT&V heft de bewaring op met gebruikmaking van het model M113. Hiertoe richt deze ambtenaar een schriftelijk verzoek om invrijheidstelling aan de directeur van de justitiële inrichting, vergezeld van een model M113. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen of van de DT&V zendt een afschrift van model M113 naar de DT&V.

BIJLAGE 4

C1 Asiel algemeen

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in:

  • paragraaf 1 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikelen 36 en 37 Vw en van de artikelen 3.109 tot en met 3.115 Vb en 3.118 Vb;

  • paragraaf 2 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van de artikelen 29 en 30 Vw.

Vertrouwelijkheid van de informatie

De IND behandelt de informatie die de vreemdeling verstrekt op grond van artikel 3.111 lid 1 Vb en 3.45 VV, strikt vertrouwelijk met inachtneming van de Wbp en de privacyreglementen voor de geautomatiseerde informatiesystemen, waarin de vreemdeling is geregistreerd. De IND verstrekt geen informatie over de vreemdeling aan derden, anders dan op grond van wettelijke verplichtingen of met de uitdrukkelijke toestemming van de vreemdeling.

De IND verzoekt de vreemdeling toestemming om het dossier van de vreemdeling door te zenden naar de Officier van Justitie, in ieder geval als:

  • de vreemdeling vanuit eigen ondervinding en eigen waarneming kan getuigen over in het land van herkomst begane oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid en de verklaringen van de vreemdeling hierover geloofwaardig zijn;

  • er aanwijzingen zijn dat de potentiële verdachte zich in Nederland bevindt;

  • in het land van herkomst van de getuige sprake is van een (burger)oorlogssituatie; en

  • er sprake is van strafbare feiten door derden.

Geen aantekeningen

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen maakt op grond van artikel 4.29 Vb geen aantekeningen in het reis - en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling. Dit geldt in ieder geval voor de vreemdeling:

  • van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de IND is afgewezen; of

  • die zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingetrokken.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen mag een aantekening maken in het reis - en identiteitspapier van een vreemdeling over de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling geen asielprocedure meer doorloopt, en zich ten minste één van de volgende situaties voordoet:

  • de vreemdeling heeft Nederland verlaten en is nadien naar Nederland teruggekeerd;

  • de vreemdeling heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

2. Aanvraagprocedures

2.1 Algemeen

Vreemdelingen van wie de vrijheid is ontnomen

Als een vreemdeling van wie op grond van artikel 59 Vw de vrijheid is ontnomen te kennen geeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, kan de IND besluiten aanmeldcentrum Schiphol aan als locatie aan te wijzen waar de vreemdeling deze aanvraag moet indienen. Of de vreemdeling voor de indiening en de behandeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol, beoordeelt de IND in overleg met de DT&V, de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen. De IND weegt bij deze beoordeling in ieder geval de volgende omstandigheden mee:

  • de mogelijkheid van een spoedige uitzetting na een eventuele afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • de beschikbaarheid van tolken in aanmeldcentrum Schiphol;

  • de mogelijkheden tot vervoer van de vreemdeling van de plaats waar de vrijheidsontneming ten uitvoer wordt gelegd naar aanmeldcentrum Schiphol; en

  • de omstandigheden gelegen in de persoon van de vreemdeling.

Het uitgangspunt bij de beoordeling is dat de vreemdeling wordt overgeplaatst naar aanmeldcentrum Schiphol voor de indiening en de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Aanmeldcentrum Schiphol

De vreemdeling wordt zo snel mogelijk nadat de vreemdeling naar aanmeldcentrum Schiphol is overgebracht, in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. De tijd voorafgaand aan de indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden gebruikt om de vreemdeling voor te bereiden op de asielprocedure.

2.2 De rust- en voorbereidingstermijn

In artikel 3.109 Vb is de rust- en voorbereidingstermijn beschreven. De rust- en voorbereidingstermijn start op de dag dat de vreemdeling te kennen geeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen op de wijze zoals bedoeld in artikel 3.42a VV.

De IND verstrekt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn aan de vreemdeling een W2-document, als bedoeld in artikel 4.21 Vb.

Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn

De rust- en voorbereidingstermijn van een vreemdeling stopt als de vreemdeling op grond van artikel 3.109 lid 6 Vb, niet meer in aanmerking komt voor de rust- en voorbereidingstermijn. De IND start de algemene asielprocedure van de vreemdeling zo snel mogelijk na het beëindigen van de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109 lid 6 Vb.

De ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen beslist na overleg met de IND of een vreemdeling die te kennen heeft gegeven een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willen dienen, een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid (zie artikel 3.77 lid 1, aanhef en onder c, Vb en paragraaf B1/4.4 Vc)

Er is in ieder geval sprake van overlast, als bedoeld in 3.109 lid 6, aanhef en onder b, Vb als de vreemdeling:

  • andere vreemdelingen die in de opvangvoorziening verblijven lastig valt, of ruzie met hen maakt;

  • de medewerkers in de opvangvoorziening lastig valt, of ruzie met hen maakt;

  • een niet hanteerbaar verslavingsprobleem heeft;

  • een niet hanteerbaar psychiatrisch probleem heeft;

  • personen of bedrijven lastig valt of ruzie met hen maakt in de omgeving van de opvangvoorziening.

Onderzoek in de rust- en voorbereidingstermijn

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen verricht tijdens de rust- en voorbereidingstermijn ieder geval onderzoek naar:

  • de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling;

  • de vingerafdrukken van de vreemdeling;

  • documenten en bescheiden van de vreemdeling.

De IND mag tijdens de rust- en voorbereidingstermijn onderzoek verrichten naar welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De IND zendt de resultaten van onderzoek zo snel mogelijk na ontvangst aan de vreemdeling en zijn gemachtigde.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen neemt originele documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten van de vreemdeling in voor onderzoek naar de authenticiteit van de documenten. De vreemdeling ontvangt:

  • een bewijs van ontvangst waarin de ingenomen documenten staan benoemd;

  • een kopie van de ingenomen documenten; en

  • een informatiefolder over de gevolgen voor de vreemdeling van het innemen van de documenten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten terug aan de vreemdeling, nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de documenten.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geeft de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten in ieder geval niet terug aan de vreemdeling als:

  • de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen geconcludeerd heeft dat de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten vals of vervalst zijn;

  • het vertrek van de vreemdeling uit Nederland met behulp van de documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten gerealiseerd kan worden.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen die bewijsmiddelen bij de vreemdeling heeft aangetroffen, meldt aan de vreemdeling dat de vreemdeling bewijsmiddelen, die geen documenten voor grensoverschrijding en/of identiteitsdocumenten zijn, voor onderzoek naar de authenticiteit moet aanbieden aan de IND.

De IND verstrekt de vreemdeling, van wie bewijsmiddelen worden ingenomen:

  • een bewijs van ontvangst, waarin de ingenomen bewijsmiddelen staan benoemd;

  • een kopie van de ingenomen bewijsmiddelen; en

  • een informatiefolder.

De IND neemt een kopie van deze bewijsmiddelen op in het dossier van de vreemdeling.

De IND geeft de bewijsmiddelen terug aan de vreemdeling nadat het onderzoek is afgerond met een rapportage over de authenticiteit van de onderzochte bewijsmiddelen.

De IND geeft de bewijsmiddelen niet terug aan de vreemdeling als de IND heeft geconcludeerd dat de bewijsmiddelen vals of vervalst zijn.

Leeftijdsonderzoek

De IND biedt een alleenstaande minderjarige vreemdeling uitsluitend een leeftijdsonderzoek aan als:

  • de vreemdeling zijn minderjarigheid niet met bewijsmiddelen kan aantonen;

  • de vreemdeling zijn minderjarigheid niet anderszins aannemelijk kan maken;

  • de uitslag relevant is voor de vraag of een alleenstaande minderjarige vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel of regulier voor bepaalde tijd of opvangvoorzieningen van het COA.

De uitslag van het leeftijdsonderzoek levert een bewijsmiddel op waarmee de vreemdeling zijn leeftijd aan kan tonen.

Het leeftijdsonderzoek kan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn worden uitgevoerd. Een leeftijdsonderzoek kan ook na de rust- en voorbereidingstermijn worden aangeboden.

Een leeftijdsonderzoek wordt niet aan de vreemdeling aangeboden als de vreemdeling naar het oordeel van de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND evident meerderjarig is.

De ambtenaar belast,met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND concludeert tot evidente meerderjarigheid op basis van uiterlijke kenmerken en/of verklaringen van de gestelde alleenstaande minderjarige vreemdeling.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen en/of de IND zorgt ervoor dat de conclusie dat een vreemdeling evident meerderjarig is, wordt opgenomen in het dossier van de vreemdeling.

Voorlichting

VluchtelingenWerk Nederland verzorgt:

  • de voorlichting van de vreemdeling als bedoeld in artikel 3.109 lid 2 Vb;

  • de verstrekking aan de vreemdeling van de brochure als bedoeld in artikel 3.43a VV.

Voorbereiding door een rechtsbijstandverlener

De gemachtigde van de vreemdeling zorgt voor de voorbereiding op de asielprocedure. Deze voorbereiding vindt plaats in het kantoor van de gemachtigde. De gemachtigde en de vreemdeling kunnen hierover andere afspraken maken.

Het COA verstrekt aan de vreemdelingen vervoersbewijzen en een routebeschrijving naar het kantoor van de gemachtigde.

Medisch advies

De vreemdeling ontvangt tijdens de rust- en voorbereidingstermijn op grond van artikel 3.109 lid 5 Vb een uitnodiging voor een medisch advies. Deelname aan het medisch advies is vrijwillig. De vreemdeling verleent schriftelijk toestemming voor deelname aan het medisch advies.

De IND bepaalt op welke wijze rekening gehouden wordt met de conclusies uit het medisch advies. Op grond van de inhoud van het medisch advies zijn in ieder geval de volgende situaties mogelijk:

  • er is geen bijzondere actie noodzakelijk (de algemene asielprocedure kan starten);

  • het nader gehoor van de vreemdeling vindt niet plaats in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc);

  • de start van de algemene asielprocedure wordt uitgesteld;

  • de IND treft bijzondere voorzieningen tijdens het eerste gehoor en nader gehoor in de algemene asielprocedure (zie paragraaf C1/2.3 Vc);

  • een combinatie van de laatste twee situaties.

Het medisch advies kan aanleiding geven te besluiten de parallelle procedure toe te passen (zie paragraaf A3/7 Vc).

De behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling start zonder medisch advies als de vreemdeling geen schriftelijke toestemming heeft verleend voor het medisch advies. De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van de weigering van de vreemdeling deel te nemen aan het medisch advies.

De IND mag op een later moment dan tijdens de algemene asielprocedure een medisch advies aanvragen als tijdens de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog relevante medische problematiek bij de vreemdeling naar voren komt. De vreemdeling moet schriftelijk toestemming geven voor dit medisch advies.

Einde van de rust- en voorbereidingstermijn

Naast de situaties zoals hiervoor beschreven onder ‘Uitzonderingen op de rust- en voorbereidingstermijn’, eindigt de rust- en voorbereidingstermijn van rechtswege met de start van de algemene asielprocedure.

De IND beslist na overleg met de Raad voor Rechtsbijstand en het COA op welke datum de algemene asielprocedure van de vreemdeling start.

De algemene asielprocedure van de vreemdeling start nadat de vreemdeling conform artikel 3.42 VV de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.

De IND nodigt de vreemdeling een tweede keer uit voor het indienen van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak in het aanmeldcentrum verschijnt voor het indienen van zijn aanvraag. De rust- en voorbereidingstermijn eindigt van rechtswege als de vreemdeling ook de tweede keer zonder voorafgaande kennisgeving niet op zijn afspraak in het aanmeldcentrum verschijnt voor het indienen van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.3 De algemene asielprocedure

Algemeen

Het verloop van de algemene asielprocedure is geregeld in de artikelen 3.112 tot en met 3.115 Vb.

De IND behandelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure als geen tijdrovend onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van de aanvraag.

Tijdrovend onderzoek is onderzoek waarbij de resultaten van het onderzoek niet tijdens de algemene asielprocedure verwacht worden.

De IND beoordeelt of de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure of verlengde asielprocedure plaatsvindt, nadat in de algemene asielprocedure een nader gehoor van de vreemdeling is afgenomen en de IND de vreemdeling de dag erna in de gelegenheid heeft gesteld correcties en aanvullingen op het nader gehoor in te dienen. Op deze regel zijn enkele uitzonderingen van toepassing, die zijn beschreven in paragraaf C1/2.4 Vc.

Beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure

De IND verstrekt de vreemdeling met het oog op zijn beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure een aanwijzing door middel van model M117-C, op de dag dat de vreemdeling de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in een aanmeldcentrum indient. De IND licht de aanwijzing mondeling toe.

De IND beoordeelt op verzoek van de vreemdeling of de beschikbaarheid van de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure nog nodig is. De beschikbaarheid van de vreemdeling is niet meer nodig als geen processtappen in aanwezigheid van de vreemdeling meer plaatsvinden. De IND verstrekt een schriftelijke verklaring aan de vreemdeling dat hij voor de termijn genoemd in de verklaring toestemming heeft gekregen het aanmeldcentrum te verlaten.

Het niet nakomen van de aanwijzingen

De IND brengt in afwijking van de paragraaf C1/2.6 Vc een voornemen uit tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling zich niet gehouden heeft aan de aanwijzingen uit het model M117-C. De IND concludeert dat de vreemdeling geen belang stelt in het onderzoek naar de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND betrekt bij het voornemen:

  • artikel 31 lid 2, aanhef en onder b, Vw;

  • de verklaringen uit het nader gehoor, als het nader gehoor heeft plaatsgevonden voor het vertrek van de vreemdeling.

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling die zich vóór het uitbrengen van het besluit opnieuw meldt bij het aanmeldcentrum, af als:

  • de IND de vreemdeling eerder een nader gehoor heeft afgenomen;

  • de resterende termijn in algemene asielprocedure niet toereikend is voor de vreemdeling om een zienswijze uit te brengen; en

  • de IND een verzoek van de vreemdeling om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen, niet heeft gehonoreerd (zie paragraaf C1/2.3 Vc Termijnen in de algemene asielprocedure).

De IND verlengt, gelijktijdig met de intrekking van het voornemen, de termijnen van de algemene asielprocedure als:

  • een vreemdeling zich vóór het brengen van het besluit opnieuw meldt bij het aanmeldcentrum; en

  • de IND de vreemdeling nog geen nader gehoor heeft afgenomen (zie verder paragraaf C1/2.3 Vc Verlenging van de algemene asielprocedure).

Termijnen in de algemene asielprocedure

Een dag als bedoeld in artikel 3.110 lid 1 Vb, is een kalenderdag die loopt van 0.00 uur tot 24.00 uur.

De termijnen als bedoeld in artikel 3.110 Vb, 3.112 tot en met 3.115 Vb en 3.118a lid 2 Vb, zijn bindend voor de IND en de vreemdeling.

De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde asielprocedure, als de IND de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.

De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure, als de vreemdeling de termijnen van de algemene asielprocedure heeft overschreden.

Verlenging van de algemene asielprocedure

De IND maakt terughoudend gebruik van de mogelijkheid in artikel 3.115 lid 1 Vb om de termijnen van de algemene asielprocedure te verlengen.

De IND houdt bij verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de gebruikelijke volgorde van processtappen binnen de algemene asielprocedure aan.

De IND kan besluiten de eerdere processtappen van de algemene asielprocedure opnieuw uit te voeren, als de vreemdeling zijn verklaringen op essentiële onderdelen wijzigt of aanvult.

De IND mag de termijnen in de algemene asielprocedure meerdere keren verlengen, zolang de IND het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd uiterlijk op de veertiende dag uitreikt aan de vreemdeling.

Niet toerekenbare termijnoverschrijding

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder a of b, Vb, als:

  • een tolk onverwacht ziek wordt en er, ondanks inspanningen van de IND en de Raad voor Rechtsbijstand, geen andere tolk beschikbaar is;

  • de vreemdeling een bezoek moet brengen aan een dokter in het kader van curatieve zorg;

  • de vreemdeling aan wie op grond van artikel 6 of 59 Vw de vrijheid is ontnomen voor de rechtbank moet verschijnen;

  • de vreemdeling die tijdens de rust- en voorbereidingstermijn geen toestemming heeft verleend voor een medisch advies, alsnog een medisch advies als bedoeld in artikel 3.109 lid 5 Vb krijgt;

  • de IND alsnog een nader gehoor moet houden met de vreemdeling, die zich niet heeft gehouden aan de aanwijzingen in model M117-C (zie verder paragraaf C1/2.3 Vc Beschikbaarheid tijdens de algemene asielprocedure).

De vreemdeling dient het verzoek om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure schriftelijk bij de IND in, onder vermelding van de redenen van het verzoek.

Als de IND besluit het verzoek van de vreemdeling om verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure niet te honoreren, krijgt de vreemdeling mondeling bericht van de IND.

De IND motiveert in het voornemen of in het besluit op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, waarom geen aanleiding bestaat om de verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure toe te staan.

Nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure in ieder geval verlengen op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder c Vb, als:

  • de vreemdeling tijdens de algemene asielprocedure een andere identiteit of nationaliteit opgeeft dan tijdens de rust- en voorbereidingstermijn;

  • er op basis van het eerste of het nader gehoor van de vreemdeling twijfels rijzen over de leeftijd die de vreemdeling heeft opgegeven en er aanleiding bestaat om een leeftijdsonderzoek aan de vreemdeling aan te bieden (zie paragraaf C1/3 Vc);

  • er tijdens de algemene asielprocedure (alsnog) reis- of identiteitsdocumenten door de vreemdeling worden overgelegd en de IND van oordeel is dat nader onderzoek naar deze documenten moet plaatsvinden.

Essentiële wijziging of aanvulling van eerder afgelegde verklaringen

De IND kan de termijnen van de algemene asielprocedure verlengen op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder d, Vb, als de IND door de gewijzigde verklaringen van de vreemdeling:

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd opnieuw moet beoordelen;

  • de vreemdeling opnieuw een eerste of nader gehoor moet afnemen;

  • zonder verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet kan afwijzen op grond van de omstandigheid dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig wordt geacht.

2.4 De verlengde asielprocedure

Het nader gehoor vindt niet plaats in de algemene asielprocedure

De IND beoordeelt op basis van het medisch advies (zie paragraaf C1/2.2 Vc) of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.113 lid 5, aanhef en onder a, Vb.

De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een amv jonger dan twaalf jaar op grond van artikel 3.113 lid 5, aanhef en onder b, Vb in de verlengde asielprocedure, nadat in het aanmeldcentrum een eerste gehoor heeft plaatsgevonden.

Aanmeldcentrum Schiphol

De IND beoordeelt aan de hand van het dossier of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.113 lid 5 Vb, nader uitgewerkt in artikel 3.49 lid 2 VV.

De IND betrekt bij de beoordeling in ieder geval:

  • het ontbreken van een rust- en voorbereidingstermijn voor vreemdelingen van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in aanmeldcentrum Schiphol;

  • de inhoud van het medisch advies.

De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.49 lid 2 VV in de verlengde asielprocedure, nadat in het aanmeldcentrum een eerste gehoor heeft plaatsgevonden. De ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen verzorgt in dat geval de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel, die op grond van artikel 6 Vw is opgelegd, als het gestelde onder ‘De gesloten verlengde asielprocedure’ niet van toepassing is.

De gesloten verlengde asielprocedure

De IND bepaalt na het eerste gehoor of het nader gehoor of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in de verlengde asielprocedure, onder voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel bedoeld in artikel 6 Vw. Dit wordt de gesloten verlengde asielprocedure genoemd.

De procedure, waarmee een grenslogies wordt aangewezen als plaats of ruimte bedoeld in artikel 6 Vw, waar de vreemdeling zich moet ophouden, staat beschreven in paragraaf A5/3Vc.

De IND past de gesloten verlengde asielprocedure uitsluitend in de volgende gevallen toe:

  • er is nader onderzoek noodzakelijk naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, om te beoordelen of de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd moet worden afgewezen;

  • de IND heeft vastgesteld dat er sprake is van misbruik van de asielprocedure of fraude;

  • de vreemdeling is de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 13, in samenhang met artikel 5 lid 1, aanhef en onder d of e, SGC;

  • de IND dient bij een andere staat een verzoek tot overname van de vreemdeling in, op basis van de verordening 343/2003/EG, de Overnameovereenkomst Benelux-Zwitserland of een vergelijkbare overnameovereenkomst;

  • de IND zal mogelijk de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijzen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  • na afwijzing van de asielaanvraag in de algemene asielprocedure, wordt door de rechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen of het beroep tegen het besluit van de IND gegrond verklaard om redenen die niet inhoudelijk zijn maar verband houden met de procedureregels.

Hieronder worden nadere regels gesteld over de redenen wanneer de IND de gesloten verlengde asielprocedure mag toepassen.

De IND kan binnen de gesloten verlengde asielprocedure nader onderzoek verrichten naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling, als de vreemdeling zijn identiteit of nationaliteit niet aannemelijk heeft kunnen maken en dit onderzoek naar verwachting binnen zes weken kan worden afgerond.

Deze situatie doet zich in ieder geval voor als de IND:

  • nader onderzoek naar de documenten van de vreemdeling op echtheid of authenticiteit noodzakelijk vindt;

  • taalanalyse of een ander onderzoek naar de herkomst van de vreemdeling noodzakelijk vindt;

  • onderzoek naar de leeftijd van de vreemdeling noodzakelijk vindt.

De IND kan bij het nader onderzoek naar de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling een keuze maken tussen de behandeling van de aanvraag in de gesloten verlengde asielprocedure of de verlenging van de termijnen van de algemene asielprocedure op grond van artikel 3.115 lid 1, aanhef en onder c, Vb.

De IND houdt bij haar keuze rekening met de verwachte duur van het nader onderzoek.

Er is in ieder geval sprake van misbruik van de asielprocedure of fraude als:

  • de vreemdeling onjuiste informatie heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of reisroute;

  • de vreemdeling valse of vervalste identiteits- en/of reisdocumenten heeft overgelegd;

  • de vreemdeling zich heeft ontdaan van zijn al dan niet vervalste identiteits- en/of reisdocumenten;

  • er aanwijzingen zijn dat sprake is van vingermutilatie.

Er is sprake van een mogelijke afwijzing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag als:

  • de verklaringen van de vreemdeling wijzen op mogelijke schendingen van het gestelde in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  • de IND in het landgebonden beleid categorieën heeft benoemd, waarbij sprake is van het gestelde in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

De IND behandelt in de gesloten verlengde asielprocedure geen aanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen.

De IND kan besluiten om de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van één van de ouders te behandelen in de gesloten verlengde asielprocedure, als het gestelde in de overige delen van deze paragraaf van toepassing is. Er moeten zwaarwegende argumenten aanwezig zijn om de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van één van de ouders gescheiden van de rest van het gezin, te behandelen in de gesloten verlengde asielprocedure. Deze argumenten kunnen in ieder geval gelegen zijn in misbruik van de asielprocedure, fraude of mogelijke schending van artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De IND behandelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de overige gezinsleden in de verlengde asielprocedure.

De IND moet de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de gesloten verlengde asielprocedure, inclusief eventueel nader onderzoek, voortvarend behandelen.

De IND moet een belangenafweging maken over de voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel van de vreemdeling, als de IND het onderzoek niet binnen zes weken na de start van de gesloten verlengde asielprocedure, heeft afgerond. De IND heft de maatregel, die op grond van artikel 6 Vw is opgelegd, op als de termijn van het onderzoek van zes weken is verstreken. Uitzondering hierop is de situatie dat de IND niet binnen de termijn van zes weken een beoordeling kan geven op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door toerekenbare gedragingen van de vreemdeling.

Verstrekking van het W-document

De IND verstrekt na afloop van de algemene asielprocedure een W-document aan de vreemdeling, van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt behandeld in de verlengde asielprocedure.

De IND verstrekt een nieuw W-document, indien de IND aan de vreemdeling een nieuwe geboortedatum heeft toegekend. De vreemdeling moet het oude W-document bij de IND inleveren.

2.5 Eerste - en Nader gehoor

Algemeen

De IND beschouwt als talen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de vreemdeling die kan verstaan zoals bedoeld in artikel 38 Vw in ieder geval:

  • de officiële taal of één van de officiële talen van het gestelde land van herkomst van de vreemdeling;

  • één van de lokale voertalen waarin in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling onderwijs wordt gegeven;

  • een taal die in de gestelde streek van herkomst van de vreemdeling feitelijk door een meerderheid van de bevolking wordt gesproken; en

  • een voertaal of handelstaal die in het gestelde land van herkomst van de vreemdeling op nationaal of regionaal niveau feitelijk tussen sprekers van verschillende talen wordt gebruikt.

Als een vreemdeling stelt tot een minderheid in het land van herkomst te behoren, veronderstelt de IND dat hij naast ten minste één taal die valt onder de hierboven genoemde soorten talen, ook de lokale taal of het dialect van de gestelde minderheid verstaat.

Een vreemdeling kan de IND verzoeken door een vrouwelijke of mannelijke ambtenaar van de IND en met behulp van een vrouwelijke of mannelijke tolk gehoord te worden. De IND heeft een inspanningsverplichting met betrekking tot een dergelijk verzoek.

De gemachtigde van de vreemdeling mag als waarnemer bij het eerste en nader gehoor aanwezig zijn. De gemachtigde mag de aanvang en het verloop van het gehoor niet ophouden.

De IND verstrekt een rapport van eerste - of nader gehoor niet aan de gemachtigde van de vreemdeling als de vreemdeling heeft aangegeven hier bezwaar tegen te hebben.

Het eerste gehoor

De vreemdeling mag schriftelijk op het rapport van eerste gehoor reageren.

De IND vraagt amv’s jonger dan twaalf jaar tijdens het eerste gehoor uitsluitend naar de volgende gegevens:

  • personalia (naam, voornamen, geboortedatum en -plaats);

  • nationaliteit;

  • spreekta(a)l(en);

  • laatste adres in het land van herkomst;

  • etnische afkomst;

  • godsdienst;

  • gezinssamenstelling in het land van herkomst (de namen van de vader, de moeder en eventuele (half-)broers en (half-)zussen, en, als het relevant is, ook van overige familieleden); en

  • schoolopleiding en naam van de school.

Het nader gehoor

Tijdens het nader gehoor stelt de IND de vreemdeling in de gelegenheid om de gronden van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan te dragen.

De IND geeft de vreemdeling een termijn van twee weken om schriftelijk op het rapport van nader gehoor te reageren, als het nader gehoor is afgenomen in de verlengde asielprocedure.

C1/2.6 Vc is van toepassing op een verzoek van de vreemdeling aan de IND om uitstel voor het indienen van een reactie op het rapport van nader gehoor.

In de volgende gevallen hanteert de IND een afwijkende werkwijze:

  • a. de vreemdeling is jonger dan twaalf jaar;

  • b. de vreemdeling zit in vreemdelingenbewaring;

  • c. een ander land dan Nederland is mogelijk verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of

  • d. er is sprake van een terug- of overname-overeenkomst.

Ad a.

De IND hoort vreemdelingen jonger dan twaalf jaar in een speciale daarvoor ingerichte ruimte. Als uit een pedagogisch of psychologisch onderzoek blijkt dat een vreemdeling jonger dan twaalf jaar problemen heeft die een nader gehoor belemmeren, neemt de IND de vreemdeling geen nader gehoor af. Het protocol 'Horen alleenstaande minderjarige asielzoekers tot 12 jaar' is van toepassing.

Ad b.

Als de vreemdeling in vreemdelingenbewaring zit en de aanvraag niet in de algemene asielprocedure wordt behandeld, overhandigt de IND het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen aan de vreemdeling. De reactietermijn op het rapport van nader gehoor is dan gelijk aan de reactietermijn op het voornemen. C1/2.6 Vc is van toepassing.

Ad c.

De IND neemt de vreemdeling in plaats van een nader gehoor een dublingehoor af als een ander land dan Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De IND wijst de vreemdeling er tijdens het dublingehoor op dat een ander land dan Nederland mogelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vreemdeling krijgt de gelegenheid om redenen naar voren te brengen op grond waarvan Nederland de aanvraag in behandeling moet nemen. Als het dublingehoor plaatsvindt in de verlengde asielprocedure, maakt de IND het rapport van nader gehoor tegelijkertijd met het voornemen bekend aan de vreemdeling. De reactietermijn op het rapport van gehoor is dan gelijk aan de reactietermijn op het voornemen.

Ad d.

C1/2.6 Vc is van toepassing.

Als de vreemdeling niet verschijnt op de door de IND van te voren aangegeven plaats en tijd voor het nader gehoor, nodigt de IND hem een tweede keer uit voor een nader gehoor, tenzij bij de IND bekend is dat de vreemdeling ‘met onbekende bestemming’ is vertrokken.

C1/3 Vc is van toepassing als de vreemdeling ook de tweede keer niet verschijnt op de door de IND van te voren aangegeven plaats en tijd voor het nader gehoor.

2.6 Voornemenprocedure

Algemeen

De IND maakt in het voornemen kenbaar:

  • alle gronden van het voornemen tot afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • een eventueel voornemen tot een ambtshalve besluit om aan de vreemdeling al dan niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen;

  • een eventueel voornemen tot een ambtshalve besluit om de uitzetting van de vreemdeling al dan niet achterwege te laten op grond van artikel 64 Vw.

Voornemen en zienswijze in de verlengde asielprocedure

Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, stuurt de IND het voornemen aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.

Als de IND het voornemen naar de vreemdeling stuurt, vermeldt de IND in het voornemen of op het aanbiedingsformulier in ieder geval:

  • de datum en wijze van verzenden van het voornemen; en

  • informatie over de mogelijkheid die vreemdeling heeft om een zienswijze naar voren te brengen.

Als de IND er niet in slaagt het voornemen aan de vreemdeling bekend te maken, geeft de IND in een rapport van bevindingen aan welke handelingen zijn verricht om het voornemen aan de vreemdeling kenbaar te maken.

Uitstel voor het indienen van de zienswijze

Voor het indienen van de zienswijze verleent de IND:

  • a. bij het niet tijdig beschikbaar zijn van een tolk uitstel tot vijf werkdagen na de eerstvolgende datum waarop een tolk in de gewenste taal beschikbaar is;

  • b. bij plotselinge ziekte van de gemachtigde van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen vanaf datum ziekte voor zaken waarin de reactietermijn gedurende de eerstvolgende vijf werkdagen verloopt;

  • c. bij plotselinge ziekte van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen na zijn herstel als de ziekte door het verstrekken van een medische verklaring is aangetoond;

  • d. bij overplaatsing van de vreemdeling uitstel tot vijf werkdagen na de overplaatsing als de vreemdeling schriftelijk heeft aangetoond dat de overplaatsing samenviel met de afspraak met de gemachtigde; of

  • e. bij vakantie van de gemachtigde van de vreemdeling uitstel van vijf werkdagen na de vakantie van de gemachtigde als de vakantie ten minste één maand tevoren en met betrekking tot elke betreffende zaak schriftelijk is gemeld aan de IND.

Ad a.

De indiener van het verzoek om uitstel moet schriftelijk aantonen dat binnen drie dagen na ontvangst van het voornemen een tolk is aangevraagd, maar deze niet tijdig beschikbaar is.

De vreemdeling moet een schriftelijke verklaring van het tolkencentrum overleggen waarin staat:

  • op welke datum de vreemdeling een tolk heeft aangevraagd; en

  • op welke eerstvolgende datum een tolk in de gewenste taal beschikbaar is.

De IND verleent geen uitstel als de besproken tolk een afspraak met de vreemdeling of zijn gemachtigde afzegt, tenzij sprake is van overmacht van de zijde van de tolk.

Als het voornemen een afwijzing op grond van verordening 343/2003/EG betreft, verleent de IND uitstel tot drie werkdagen.

Ad e.

Voor eenmanskantoren bepaalt de IND op uitdrukkelijk verzoek een ruimere termijn.

De IND verleent geen uitstel vanwege wijziging van gemachtigde door de vreemdeling.

Het hierboven genoemde beleid voor het verlenen van uitstel voor het indienen van de zienswijze is van toepassing op verzoeken om uitstel voor het indienen van een reactie op onderzoeksresultaten.

Voornemen en zienswijze bij vrijheidsontneming

Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd van een vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw in de algemene asielprocedure wordt behandeld en een gemachtigde bekend is, stuurt de IND het voornemen naar de gemachtigde van de vreemdeling.

Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, reikt de IND het voornemen aan de vreemdeling uit.

De IND verleent aan de vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen geen uitstel voor het indienen van de zienswijze.

Nieuwe feiten of omstandigheden

Feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 3.119 Vb zijn in ieder geval:

  • nieuwe resultaten van onderzoek door of in opdracht van de IND; en

  • feiten en omstandigheden die hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling.

Als het eerder uitgebrachte voornemen op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.119 Vb niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel bevat, brengt de IND een nieuw voornemen uit.

2.7 Het geven van de beschikking

Beslistermijn

De IND beschouwt als schriftelijke instemming zoals bedoeld in artikel 4:15 lid 2, aanhef en onder a, Awb:

  • een schriftelijke bevestiging van gemaakte termijnafspraken die door of namens de vreemdeling aan de IND is verzonden; of

  • een schriftelijke bevestiging van gemaakte termijnafspraken die door de IND aan de (gemachtigde van) de vreemdeling is verzonden, tenzij (de gemachtigde van) de vreemdeling binnen twee weken na ontvangst aangeeft niet in te stemmen met de inhoud ervan.

Onder derden zoals bedoeld in artikel 42 lid 4 Vw worden in ieder geval verstaan:

  • een Nederlands ministerie;

  • de autoriteiten van derde landen;

  • de UNHCR;

  • het BMA, voor zover zij voor het onderzoek gebruik maakt van externe deskundigen;

  • het BLT, voor zover zij voor het onderzoek gebruik maakt van externe deskundigen; en

  • het NFI.

Wijze van bekendmaken

In de beschikking of op het daarbij gevoegde aanbiedingsformulier vermeldt de IND naast de wettelijk vereiste gegevens, de termijn waarin de vreemdeling Nederland moet verlaten (indien van toepassing).

Als de IND de beschikking aan de vreemdeling bekend maakt vermeldt de IND op het bij de beschikking gevoegde aanbiedingsformulier:

  • de datum en het tijdstip van bekend maken; en

  • de naam van de ambtenaar die de beschikking uitreikt.

Als de beschikking een afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd betreft omdat een ander land verantwoordelijk is voor de aanvraag, deelt de IND daarnaast aan de vreemdeling mee:

  • welk land de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal behandelen; en

  • dat de vreemdeling op grond van verordening 343/2003/EG en met inachtneming van de nationale regelgeving wordt overgedragen aan het land dat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zal behandelen.

De beschikking in de algemene asielprocedure

De IND zendt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling.

In de volgende situaties reikt de IND de beschikking zo mogelijk uit aan de vreemdeling:

  • Van de vreemdeling is geen gemachtigde bekend;

  • Het betreft een afwijzing van een tweede of opvolgende asielaanvraag;

  • In de afwijzende beschikking wordt tevens een inreisverbod uitgevaardigd met de rechtsgevolgen van artikel 66a, zesde lid, Vw (zie ook B1/9.7.7.1);

  • De DT&V, COA, Vreemdelingenpolitie, Koninklijke Marechaussee en/of IND hebben in onderlinge samenspraak vastgesteld dat uitreiking in persoon aangewezen is, bijvoorbeeld omdat onmiddellijk vertrek uit Nederland wordt aangezegd.

Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, en het niet mogelijk is de beschikking in persoon aan de vreemdeling uit te reiken, wordt op de daarvoor bestemde plek in het aanmeldcentrum een melding van terinzagelegging opgehangen. De IND stelt een rapport van bevindingen op waarin wordt vastgelegd welke handelingen zijn verricht om de beschikking bekend te maken.

De beschikking in de verlengde asielprocedure

De IND stuurt de beschikking aan de gemachtigde van de vreemdeling. Als er bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, stuurt de IND de beschikking aangetekend naar het laatst bekende adres van de vreemdeling.

Als de IND er niet in slaagt de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken, geeft de IND in een rapport van bevindingen aan welke handelingen zijn verricht om de beschikking aan de vreemdeling kenbaar te maken.

De inwilliging

Als de vreemdeling uitsluitend een adres in het buitenland heeft, stuurt de IND de beschikking door tussenkomst van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in dat land naar het buitenlandse adres van de vreemdeling.

De beschikking bij vrijheidsontneming

Als bij de IND een gemachtigde van de vreemdeling van wie de vrijheid is ontnomen op grond van artikel 59 Vw bekend is, stuurt de IND de beschikking naar de gemachtigde.

Als bij de IND geen gemachtigde van de vreemdeling bekend is, reikt de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de beschikking aan de vreemdeling uit.

3. Beoordelen van de asielaanvraag

Volgorde van toetsing

De IND hanteert voor het beoordelen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de volgende toetsingsvolgorde:

  • 1. De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan artikel 30 Vw. Als de IND de aanvraag op grond van artikel 30 Vw afwijst, toetst de IND de aanvraag niet verder;

  • 2. Als de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet afwijst op grond van artikel 30 Vw, onderzoekt de IND of de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag;

  • 3. Als de IND concludeert dat de vreemdeling zich niet schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling zoals bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, toetst de IND de aanvraag aan artikel 29 Vw;

  • 4. In het kader van de toets aan artikel 29 Vw beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling;

  • 5. In het kader van de toets aan artikel 29 Vw beoordeelt de IND de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling.

Deze toetsingsvolgorde is ook van toepassing op vreemdelingen die behoren tot een door de IND in het landgebonden asielbeleid aangewezen risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep.

De geloofwaardigheid

De IND beoordeelt de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over:

  • a. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde feiten;

  • b. de voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante gestelde omstandigheden; en

  • c. zijn voor de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd relevante veronderstellingen.

Ad b.

‘Omstandigheden’ zijn in ieder geval:

  • de identiteit van de vreemdeling;

  • de nationaliteit van de vreemdeling;

  • de etniciteit van de vreemdeling;

  • (indien relevant) de seksuele geaardheid van de vreemdeling; en

  • (indien relevant) de geloofsovertuiging van de vreemdeling.

Ad c.

Onder ‘veronderstellingen’ verstaat de IND aannames van de vreemdeling die deel uitmaken van de door hem gestelde gebeurtenissen in het verleden.

De beoordeling van de geloofwaardigheid

Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten, omstandigheden en veronderstellingen betrekt de IND:

  • alle documenten die de vreemdeling heeft ingediend;

  • of sprake is van één of meer van de omstandigheden als genoemd in artikel 31 lid 2, aanhef en onder a tot en met f, Vw;

  • de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling; en

  • of de verklaringen van de vreemdeling passen in al datgene wat bij de IND bekend is over de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling.

Documenten zijn alle gegevensdragers die een vreemdeling ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft ingediend.

De vreemdeling kan op grond van verklaringen die de IND niet als geloofwaardig beoordeelt, geen aanspraak maken op de beschermingsgronden als genoemd in artikel 29 lid 1, aanhef en onder a tot en met c, Vw.

Bewijslast voor de geloofwaardigheid

Als sprake is van één of meerdere van de omstandigheden genoemd in artikel 31 lid 2, aanhef onder a tot en met f Vw, acht de IND de verklaringen van de vreemdeling uitsluitend geloofwaardig als van deze verklaringen een positieve overtuigingskracht uitgaat.

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is voor de IND een gewichtige bron van informatie over de situatie in het land van herkomst.

Een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken is een deskundigenbericht.

De IND kan ook informatie uit andere objectieve bronnen gebruiken voor een oordeel over de situatie in het land van herkomst.

De IND merkt informatie uit andere bronnen en onderzoek door derden aan als deskundigenbericht als op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke manier informatie wordt verschaft, onder aanduiding - voor zover mogelijk en verantwoord - van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend.

De IND gaat uit van de juistheid van een deskundigenbericht, tenzij de IND concrete aanknopingspunten heeft voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De IND stelt nader onderzoek in of laat nader onderzoek instellen om de concrete aanknopingspunten voor de twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht te bevestigen of te ontkrachten.

Als de concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht door nader onderzoek bevestigd zijn, betrekt de IND deze informatie bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling.

De IND beschouwt in ieder geval niet als concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van een deskundigenbericht:

  • een ongemotiveerde of niet nader toegelichte verklaring van de vreemdeling; of

  • een enkel beroep door de vreemdeling op een bron waarnaar in het deskundigenonderzoek niet wordt verwezen, terwijl die bron niet van zodanige strekking en gewicht is dat deze twijfel oproept over de juistheid, de volledigheid of de actualiteit van het deskundigenbericht.

De zwaarwegendheid

De IND beoordeelt of de vermoedens van de vreemdeling over wat er met hem zal gebeuren als hij terugkeert naar zijn land van herkomst, aannemelijk zijn.

Naast de aspecten bedoeld in artikel 3.35 lid 2 VV, betrekt de IND bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de vermoedens van de vreemdeling de volgende aspecten:

  • het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen die voor de vreemdeling aanleiding vormden om zijn land van herkomst te verlaten en het moment van vertrek uit zijn land van herkomst; en

  • de vraag of degenen van wie de vreemdeling vervolging of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing vreest op de hoogte zijn of kunnen raken van de omstandigheden waarop de vreemdeling zich beroept en op grond waarvan hij vreest vervolgd of onmenselijk of vernederend behandeld of bestraft te worden.

Als de IND oordeelt dat deze vermoedens aannemelijk zijn, beoordeelt de IND of de gebeurtenissen die de vreemdeling verwacht, voldoende zwaarwegend zijn om te worden aangemerkt als een rechtsgrond voor verlening als bedoeld in artikel 29 Vw.

Vervolging van mensenhandel

Als aan de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel is verleend, wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op grond van artikel 30 lid 1, aanhef en onder b, Vw.

Als de IND een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afwijst, verleent de IND ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel als:

  • de vreemdeling eerder aangifte heeft gedaan van mensenhandel en heeft afgezien van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel in afwachting van een beoordeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of

  • de vreemdeling op een andere manier medewerking had verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek en had afgezien van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel in afwachting van een beoordeling van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Medische aspecten

De IND betrekt BMA niet bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van de verklaringen van de vreemdeling.

Ambtshalve toets

De IND beoordeelt tijdens de behandeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of er aanleiding bestaat om aan de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, als de vreemdeling verklaringen heeft afgelegd waaruit de IND kan afleiden dat één of meerdere van de gronden van artikel 3.6 Vb op hem van toepassing is.

Leeftijdsonderzoek

Het leeftijdsonderzoek kan een van de volgende resultaten opleveren:

  • a. meerderjarigheid kan niet worden aangetoond; of

  • b. de vreemdeling is ten minste 20 jaar oud.

Ad a.

Als meerderjarigheid niet kan worden aangetoond, houdt de IND de door de vreemdeling opgegeven geboortedatum aan. De IND kan tussen 12 en 24 maanden na de datum waarop het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden opnieuw een leeftijdsonderzoek laten verrichten. In het kader van een herhaald leeftijdsonderzoek laat de IND onderzoeken of aangetoond kan worden dat de vreemdeling op de datum van indiening van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meerder- of minderjarig was.

Ad b.

Als uit het leeftijdsonderzoek blijkt dat de vreemdeling minstens 20 jaar oud is, kent de IND de vreemdeling op basis van het onderzoeksresultaat een geboortedatum toe als:

  • deze leeftijd niet overeen komt met de door de vreemdeling gestelde leeftijd; of

  • de vreemdeling heeft verklaard niet te weten hoe oud hij is.

De IND stelt het toe te kennen geboortejaar vast op het jaar waarin het leeftijdsonderzoek is uitgevoerd minus 20 jaar. Als het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden tussen 1 januari en 1 juli stelt de IND de geboortedatum op 1 januari van het afgeleide geboortejaar. Als het leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden tussen 1 juli en 1 januari, stelt de IND de geboortedatum op 1 juli van het afgeleide geboortejaar.

Het Protocol Identificatie en Labeling (PIL) is van toepassing.

Onderzoek naar de gezinsband bij nareizende gezinsleden

De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29 lid 1, aanhef en onder e of f Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van:

  • een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont;

  • indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont;

  • indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont; en

  • indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het minderjarige kind en de ouder aantoont.

Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29 lid 1, aanhef en onder e of f, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.

Paragraaf C2/6.2.3 Vc is van toepassing.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken.

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wijst de IND de vreemdeling of het gezinslid op de mogelijkheid van DNA-onderzoek.

De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29 lid 1, aanhef en onder e of f Vw.

Beoordeling van tweede of volgende aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Als de vreemdeling in het kader van zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd feiten en omstandigheden inbrengt die dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking, beoordeelt de IND of de vreemdeling deze feiten en omstandigheden in het kader van een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had kunnen inbrengen. De IND hanteert daarbij als uitgangspunt dat de vreemdeling alle bij hem bekende informatie en documenten in het kader van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de IND moet overleggen. Als de vreemdeling in het kader van zijn opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd feiten en omstandigheden inbrengt die dateren van voor de eerdere afwijzende beschikking, moet de vreemdeling aannemelijk maken dat hij deze feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet eerder had kunnen inbrengen.

Gegevensdragers die feiten en omstandigheden onderbouwen die de vreemdeling in het kader van een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingebracht, kunnen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Awb vormen.

Als de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor het eerst door de IND gehoord wordt, concludeert de IND in geen geval dat de vreemdeling de door hem ingebrachte feiten en omstandigheden eerder had moeten inbrengen.

Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van artikel 30 Vw, merkt de IND de feiten en omstandigheden die de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd inbrengt, uitsluitend aan als nieuwe feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb, als deze feiten en omstandigheden betrekking hebben op de afwijzingsgrond in de eerdere procedure.

Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van artikel 30 lid 1, aanhef en onder b, Vw vanwege de omstandigheid dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor slachtoffers en getuige-aangevers van mensenhandel is verleend, wijst de IND de opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 4:6 Awb.

Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling, moeten de feiten en omstandigheden die de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd inbrengt, de ongeloofwaardigheid van de verklaringen wegnemen om te worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb.

Als de IND een eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van artikel 31 lid 2, aanhef en onder i Vw is artikel 31a Vw van toepassing.

De IND wijst een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 4:6 Awb als sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden.

Bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden zijn in ieder geval:

  • feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat de vreemdeling een verdragsvluchteling is; of

  • feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat de vreemdeling een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Als een vreemdeling tijdens een tweede of opvolgende asielaanvraag aangeeft dat hij homoseksueel is, en deze informatie acht de IND geloofwaardig, werpt de IND de vreemdeling niet tegen dat hij niet tijdens een voorgaande procedure gewag heeft gemaakt van zijn homoseksuele geaardheid.

De IND beschouwt een verzoek om heroverweging als een onvolledige aanvraag als bedoeld in artikel 4:5 Awb.

C2 De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in:

  • paragraaf 2 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 29, eerste lid, Vw;

  • paragraaf 3 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw;

  • paragraaf 4 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c tot en met f, Vw;

  • paragraaf 5 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 30, eerste lid, Vw;

  • paragraaf 6 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 31, eerste en tweede lid Vw;

  • paragraaf 7 die een aanvulling zijn op of een uitwerking zijn van artikel 32 Vw.

2. Algemene beleidsregels ten aanzien van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Artikel 29, eerste lid, Vw bevat de gronden, waarop de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan verlenen. De IND toetst de toepasselijkheid van deze gronden in de volgorde waarin deze gronden in de Vreemdelingenwet voorkomen.

De beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beschreven in de paragraaf C1/3 Vc.

Land van herkomst

De IND stelt eerst het land van herkomst van de vreemdeling vast, vóórdat de IND beoordeelt of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst, De IND verstaat onder ‘land van herkomst’ het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.

Als geen enkel land de vreemdeling als onderdaan erkent, merkt de IND de vreemdeling aan als staatloze vreemdeling.

De IND merkt het land waar de staatloze vreemdeling voor zijn komst naar Nederland zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘country of former habitual residence’) had, aan als land van herkomst van de staatloze vreemdeling. De IND bepaalt de gebruikelijke verblijfplaats van de staatloze vreemdeling, in ieder geval op basis van:

  • de aard van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land;

  • de duur van het verblijf van de staatloze vreemdeling in het land; en

  • de banden, die de staatloze vreemdeling heeft met het land.

Individualiseringsvereiste

De IND beoordeelt per vreemdeling op individuele basis en op basis van de situatie van de vreemdeling zelf of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit wordt het individualiseringsvereiste genoemd.

Afwijzingsgronden

De IND kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van redenen genoemd in de paragrafen C2/3 Vc en C2/4 Vc aan de vreemdeling onthouden, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen.

3. Internationale bescherming

3.1 Algemeen

Beoordeling feiten en omstandigheden

De IND beoordeelt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met in achtneming van artikel 3.35 VV.

Daden van vervolging

Artikel 3.36 VV beschrijft wat wordt verstaan onder daden van vervolging.

Actoren van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

Artikel 3.37a VV beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van vervolging.

Actoren van bescherming

Artikel 3.37c VV beschrijft wat wordt verstaan onder actoren van bescherming. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw indien actoren van bescherming aan de vreemdeling bescherming kunnen of willen bieden.

Binnenlands vluchtalternatief

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, als artikel 3.37d, VV van toepassing is. Paragraaf C2/6.1 Vc is van toepassing.

3.2 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap

Algemeen

Artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geeft aan welke vreemdeling ‘vluchteling’ is. Het aanmerken als vluchteling is niet afhankelijk van een beoordeling door een individuele staat. Het Vluchtelingenverdrag kent geen verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De verplichting om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is wel geregeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in combinatie met artikel 3.105b, Vb.

De IND houdt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een alleenstaande minderjarige vreemdeling rekening met de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR.

De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag

Het Vluchtelingenverdrag is niet van toepassing op personen, zoals beschreven in de artikelen 1D tot en met 1F van het Vluchtelingenverdrag, verder de ‘uitsluitingsgronden’. De IND verleent aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als één van deze uitsluitingsgronden zich voordoet.

Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag

Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op de vreemdeling die bescherming of bijstand heeft van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR.

De vreemdeling valt weer van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag, als de bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de VN komt te vervallen.

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag is van toepassing op de staatloze Palestijnse vreemdeling die onder het mandaat valt van de United Nations Relief and Works Agency (verder: UNRWA).

De bescherming of bijstand door de UNRWA van de staatloze Palestijnse vreemdeling stopt, als de vreemdeling zich niet meer in het gebied bevindt, waar de UNRWA mandaat heeft. De staatloze Palestijnse vreemdeling valt dan weer onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag. De IND beoordeelt of een staatloze Palestijnse vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling zich niet meer in het gebied bevindt, waar de UNRWA mandaat heeft.

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw, uitsluitend aan de staatloze Palestijnse vreemdeling als de staatloze Palestijnse vreemdeling aannemelijk maakt dat terugkeer naar het gebied, waar de UNRWA mandaat heeft, onmogelijk is omdat:

  • de staatloze Palestijnse vreemdeling binnen het gebied waar de UNRWA mandaat heeft, gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag; en

  • de staatloze Palestijnse vreemdeling tegen de actoren van vervolging als bedoeld in artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag geen bescherming van de UNRWA kan inroepen.

Artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag

De IND past artikel 1E van het Vluchtelingenverdrag niet toe als uitsluitingsgrond.

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag

Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1F niet van toepassing op een vreemdeling ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. De IND verleent in dat geval de vreemdeling geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie paragraaf C2/6.2.8 Vc).

Groepsvervolging

Er is sprake van groepsvervolging, als in een land van herkomst een groep vreemdelingen systematisch wordt blootgesteld aan vervolging wegens een van de gronden van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

Situaties waarin sprake is van groepsvervolging worden opgenomen in het landgebonden beleid. Ook voor de vreemdeling die zich beroept op groepsvervolging geldt het individualiseringsvereiste. De vreemdeling moet aannemelijk maken dat hij behoort tot de groep vreemdelingen voor wie groepsvervolging wordt aangenomen.

Risicogroepen

De Minister kan een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging van een bevolkingsgroep. Ook als de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan de Minister een bevolkingsgroep aanwijzen als risicogroep.

De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Minister is aangewezen als een risicogroep, kan al met geringe indicaties aannemelijk maken dat de vreemdeling op grond van de gestelde problemen vreest voor vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep.

Discriminatie

De IND merkt discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.

Discriminatie van de vreemdeling in het land van herkomst kan leiden tot uitsluiting van medische zorg. De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw, op grond van uitsluiting van medische zorg, aan de vreemdeling die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling zal bij terugkeer naar het land van herkomst geheel of gedeeltelijke uitsluiting van medische zorg ondervinden;

  • de vreemdeling zal als gevolg van de uitsluiting van de medische zorg ernstige medische consequenties ondervinden;

  • de uitsluiting van medische zorg vindt plaats op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

De IND beoordeelt de vraag of sprake is van ernstige medische consequenties aan de hand van de criteria in paragraaf B8 Vc. De IND betrekt bij de vraag of sprake is van uitsluiting van medische zorg op basis van één van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag niet:

  • de omstandigheid dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de medische zorg om andere redenen dan uitsluiting vanwege discriminatie;

  • de beschikbaarheid van de behandelingmogelijkheden in het land van herkomst.

Refugié sur place

De IND verleent de vreemdeling die voldoet aan artikel 3.37b VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze vreemdeling wordt aangeduid als ‘refugié sur place’.

De IND kan een vreemdeling eveneens aanmerken als ‘refugié sur place’, indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de activiteiten van de vreemdeling, die de vreemdeling heeft ondernomen na zijn vertrek uit het land van herkomst, volgen niet op activiteiten die de vreemdeling al in het land van herkomst heeft ondernomen vóór het vertrek van de vreemdeling;

  • de autoriteiten in het land van herkomst zijn bekend met of kunnen op de hoogte raken van deze activiteiten van de vreemdeling;

  • deze activiteiten leveren een gegronde vrees voor vervolging op in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

Uitgangspunten beoordeling gronden van vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

De IND beoordeelt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met inachtneming van artikel 3.37 VV. Artikel 3.37 VV noemt onder meer de volgende gronden:

  • godsdienst;

  • sociale groep;

  • politieke overtuiging.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw, als sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.36 VV.

Godsdienst

De omstandigheid dat de vreemdeling zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uitoefenen als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

Niet elke aantasting van het recht op godsdienstvrijheid zal dan ook een daad van vervolging in de zin het Vluchtelingenverdrag vormen. Bij de beoordeling of een aantasting van het recht op godsdienstvrijheid een daad van vervolging vormt, moet de IND, gelet op de persoonlijke situatie van de vreemdeling tegen de achtergrond van hetgeen uit algemene informatie bekend is, onderzoeken of deze om redenen van de uitoefening van die vrijheid in zijn land van herkomst een werkelijk gevaar loopt om te worden vervolgd.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat:

  • de vreemdeling, die een godsdienst aanhangt, de uitingen van zijn godsdienst in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn geloof verborgen heeft gehouden;

  • van de vreemdeling niet wordt verwacht dat hij afziet van godsdienstige handelingen, die voor hem persoonlijk bijzonder belangrijk zijn om zijn godsdienstige identiteit te bewaren, om vervolging te voorkomen.

De IND beoordeelt of de maatregelen en sancties die tegen de vreemdeling zullen worden genomen indien hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst bepaalde - voor zijn godsdienstige identiteit bijzondere belangrijke - handelingen verricht voldoende zwaarwegend zijn om te spreken van vervolging.

Ook indien de vreemdeling verklaart dat hij bij terugkeer zich gedwongen voelt om zijn geloof terughoudend uit te oefenen vanwege de risico’s die betrokkene anders loopt kan sprake zijn van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Sociale groep - vrouwen

De IND merkt vrouwen niet enkel op basis van de sekse aan als sociale groep, zoals bedoeld in artikel 3.37 eerste lid, aanhef en onder d, VV, omdat vrouwen als sociale groep te divers van samenstelling zijn.

Sociale groep - gendergerelateerde aspecten

De IND kan een vreemdeling aanmerken als behorend tot een sociale groep wegens gendergerelateerde aspecten. Onder gendergerelateerde aspecten verstaat de IND in ieder geval:

  • een homoseksuele gerichtheid;

  • een lesbische gerichtheid;

  • een biseksuele gerichtheid;

  • transgender.

Deze gendergerelateerde aspecten worden in deze paragraaf gevat onder de noemer ‘seksuele gerichtheid’.

De omstandigheid dat de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet op dezelfde wijze kan uiten als in Nederland vormt onvoldoende aanleiding om de vreemdeling in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.

De IND weegt bij de beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in ieder geval mee dat:

  • de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst niet verborgen hoeft te houden, ook niet in de situatie dat de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit het land van herkomst zijn gerichtheid verborgen heeft gehouden;

  • de vreemdeling geen bescherming conform artikel 3.37c VV hoeft in te roepen, als de seksuele gerichtheid of seksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.

De situatie in het land van herkomst kan met zich brengen dat de vreemdeling een bepaalde mate van terughoudendheid betracht bij het uiting geven aan zijn homoseksuele gerichtheid, om te voorkomen dat problemen ontstaan die in samenhang bezien zouden kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van vervolging.

Deze terughoudendheid mag echter niet dusdanig ver strekken, dat de IND moet vaststellen dat de vreemdeling niet op betekenisvolle wijze invulling kan geven aan zijn seksuele gerichtheid.

De IND verleent met inachtneming van artikel 3.36 VV een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a, Vw aan een vreemdeling op grond van zijn seksuele gerichtheid, in ieder geval als:

  • de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid dreigt te worden blootgesteld aan daden van geweld, die zo ernstig zijn dat deze daden van geweld een ernstige schending van de grondrechten van de mens vormen;

  • de autoriteiten van het land van herkomst op grond van de seksuele gerichtheid maatregelen uitvoeren die discriminerend zijn of op een discriminerende wijze worden uitgevoerd en deze maatregelen voldoende ernstig zijn;

  • in het land van herkomst strafbepalingen op grond van de seksuele gerichtheid door de autoriteiten actief ten uitvoer worden gelegd en dat sprake is van een zeker gewicht van de maatregel.

De IND betrekt bij de beoordeling of en in welke mate aan de vreemdeling vanwege zijn seksuele gerichtheid beperkingen worden opgelegd bij het bekend zijn of worden van de seksuele gerichtheid in de directe (leef)omgeving van de vreemdeling, in ieder geval:

  • de verklaringen van de vreemdeling;

  • openbare informatie uit objectieve bron.

Politieke overtuiging

De IND merkt in ieder geval de volgende situaties aan als politieke overtuiging, als de vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend een vrouw is en de vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag in het land van herkomst plaatsvindt:

  • vanwege overtreding door de vrouw van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen;

  • vanwege overtreding door de vrouw van strafbepalingen, die in strijd zijn met universele mensenrechten;

  • vanwege politiek verzet in het land van herkomst tegen genitale verminking bij vrouwen.

De beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vrouw die zich beroept op het risico van het ondergaan van genitale verminking, wordt beschreven in paragraaf C2/3.3 Vc.

Vervolging wegens dienstweigering of desertie

De IND verleent, onder toepassing van artikel 3.36 VV, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling die zich beroept op dienstweigering of desertie, als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling heeft een gegronde vrees voor een onevenredige of discriminatoire bestraffing, tenuitvoerlegging van de straf, of een andere discriminatoire behandeling vanwege zijn dienstweigering of desertie op basis van een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag;

  • de vreemdeling heeft ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren vanwege zijn godsdienstige of andere diepgewortelde overtuiging, die geleid hebben tot zijn dienstweigering of desertie, terwijl er voor de vreemdeling geen mogelijkheid bestond om ter vervanging van zijn militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen;

  • de vreemdeling heeft geweigerd deel te nemen aan een militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook als de vreemdeling gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling vreest voor een bestraffing vanwege dienstplichtweigering of desertie (zie ook Handboek UNHCR, paragrafen 167 tot en met 172) zonder dat daarbij sprake is van een discriminatoire behandeling.

Een militaire actie geldt uitsluitend als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag, als de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering van de VN of de Algemene Raad/Raad van Ministers van de EU de militaire actie veroordeeld heeft. De militaire actie als zodanig moet daarbij worden aangemerkt als niet rechtmatig.

Een militaire actie geldt als strijdig met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict, als dit is vastgesteld door onder andere:

  • de Veiligheidsraad;

  • de Algemene Vergadering van de VN;

  • een daartoe bevoegde rechtbank, zoals het Internationaal Gerechtshof in 's-Gravenhage, het Joegoslavië-tribunaal of het Rwanda-tribunaal.

De IND beoordeelt de weigering van een vreemdeling deel te nemen aan een conflict tegen het volk waartoe de vreemdeling behoort, in samenhang met de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling de weigering om deel te nemen aan een conflict tegen het eigen volk niet heeft onderbouwd.

Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

De IND toetst alle aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd individueel, ook als de vreemdeling eerder door de UNHCR als vluchteling is erkend.

De vreemdeling wordt niet verwijderd naar het land van herkomst, als de vertegenwoordiger van de UNHCR in Nederland heeft geoordeeld dat de vreemdeling op grond van zijn individuele verklaringen vluchteling is in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als terugkeer naar een ander land mogelijk is, onder andere op grond van:

  • artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a of d, Vw; of

  • artikel 31, eerste lid, aanhef en onder h of i, Vw.

Aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging

De IND neemt geen aanvraag in behandeling voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling, die zich voor bescherming meldt bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of een derde land. De vreemdeling wordt door de medewerker van de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorverwezen naar de autoriteiten van het land, waar de vreemdeling zich bevindt of naar de UNHCR of UNDP.

Commune delicten

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, indien alle volgende voorwaarden van toepassing zijn:

  • de vreemdeling vreest bestraffing in zijn land van herkomst vanwege een commuun delict;

  • de vrees voor bestraffing vanwege een commuun delict vormt de enige grondslag van de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Een commuun delict is een delict dat niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, en zonder dat daarbij sprake is van een onevenredige of discriminatoire maatregel vanwege een van de gronden van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag.

3.3 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw, foltering of onmenselijke behandeling

Algemeen

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw als bij de verwijdering van de vreemdeling uit Nederland sprake is van een reëel risico in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, en artikel 3.37b VV.

Het reëel risico kan aanwezig zijn op het moment van het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst, maar kan ook ontstaan na vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, als artikel 3.105e, aanhef en onder e, Vb van toepassing is.

Willekeurig geweld en mensenrechtensituatie

Bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw wordt ook de algemene gewelds- en mensenrechtensituatie in een land van herkomst betrokken. Hoe ernstiger de situatie van (willekeurig) geweld of de mensenrechtensituatie in en land van herkomst is, hoe eerder de IND kan concluderen dat de vreemdeling, gelet op zijn individuele feiten en omstandigheden bij terugkeer naar het land van herkomst een behandeling staat te wachten in strijd met artikel 3 EVRM.

De IND beoordeelt of sprake is van een situatie als beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de hand van alle volgende elementen:

  • is in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land, sprake van een uitzonderlijke situatie, waarin personen louter door hun aanwezigheid in het land van herkomst, een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM;

  • behoort de vreemdeling tot een groep die systematisch blootgesteld wordt aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, indien geen sprake is van een uitzonderlijke situatie;

  • komt de vreemdeling op grond van het beleid inzake de ‘kwetsbare minderheidsgroep’ in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 290, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien geen sprake is van een uitzonderlijke situatie en systematische blootstelling;

  • heeft de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, indien geen van de voorgaande situaties zich voordoet.

De IND toetst of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef onder b, Vw, aan de hand van vorenstaande volgorde.

Uitzonderlijke situatie

Er is sprake van een uitzonderlijke situatie >als bedoeld in artikel 3EVRM (en artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG) indien de algehele gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land zo uitzonderlijk slecht is dat voor elke vreemdeling, ongeacht de individuele omstandigheden bij terugkeer een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aanwezig is (in de woorden van het EHRM: most extreme cases of general violence). De Minister is bevoegd een situatie in een land van herkomst aan te merken als uitzonderlijke situatie.

Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

  • de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

  • de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

  • de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie.

In het landgebonden beleid is opgenomen of er in een bepaald land sprake is van een uitzonderlijke situatie.

Systematische blootstelling

Het individualiseringsvereiste beperkt zich tot het aannemelijk maken van het behoren tot de bevolkingsgroep of sociale groep, die systematisch een reëel risico loopt op daden als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

In het landgebonden beleid is opgenomen of er in een bepaald land ten aanzien van een bevolkingsgroep of sociale groep sprake is van systematische blootstelling aan daden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

Kwetsbare minderheidsgroepen

De Minister is bevoegd om een bevolkingsgroep in een land van herkomst aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep.

Bij de vraag of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid, worden in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:

  • de vraag of er sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen in het land of in een bepaald gebied van dit land, zoals moord, verkrachting en mishandeling;

  • de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, effectieve bescherming kan inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschendingen (zie artikel 3.37c VV);

  • de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, zich kan onttrekken aan dreigend geweld of mensenrechtenschendingen door zich elders te vestigen (zie artikel 3.37d VV).

In het landgebonden beleid is opgenomen, of een bevolkingsgroep wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid. Een kwetsbare minderheidsgroep wordt onderscheiden van risicogroepen (zie paragraaf C2/3,2 Vc).

Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen niet tot wat de vreemdeling persoonlijk heeft ondervonden. De IND weegt op basis van de verklaringen van de vreemdeling mee wat personen in de naaste omgeving van de vreemdeling die behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep aan mensenrechtenschendingen hebben ondervonden. De vreemdeling hoeft in dit geval niet aannemelijk te maken dat de mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep. Deze mensenrechtenschendingen kunnen ook hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst, nadat de vreemdeling al uit het land was vertrokken.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de vreemdeling die behoort tot een kwetsbare minderheid, als in ieder geval:

  • sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de mensenrechtenschendingen en het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst;

  • de vreemdeling gedurende de periode van aanzienlijk tijdsverloop geen nieuwe problemen heeft ondervonden.

Individuele kenmerken

Het individualiseringsvereiste is in alle overige gevallen van toepassing. De vreemdeling moet specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren brengen, waaruit het reëel risico op een behandeling in de zin van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw valt af te leiden.

Genitale verminking

De IND verleent een vrouw, die zich beroept op een vrees voor genitale verminking, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • er een reëel risico bestaat op genitale verminking bij vrouwen;

  • artikel 3.37c VV niet van toepassing is;

  • artikel 3.37d VV niet van toepassing is.

De IND beoordeelt op basis van de individuele verklaringen van de vreemdeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw vanwege een reëel risico op genitale verminking bij vrouwen.

De IND weegt daarbij mee de algemene informatie over genitale verminking bij vrouwen in het land van herkomst. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken.

De IND verleent bij een gegronde vrees voor genitale verminking de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw uitsluitend aan:

  • meisjes die het land van herkomst hebben verlaten vanwege een reëel risico op genitale verminking;

  • meisjes die in Nederland zijn geboren en bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico lopen op genitale verminking;

  • de ouder van het meisje aan wie de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw heeft verleend.

In afwijking van het voorgaande verleent de IND bij een beroep op vrees voor genitale verminking in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw, aan:

  • de ouder die de genitale verminking zelf uitvoert of de uitvoering ervan mogelijk maakt;

  • de ouder die Nederland inreist nadat de dochter al in het bezit is gesteld van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw;

  • andere familieleden.

4. Nationale bescherming

4.1 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c Vw, in redelijkheid kan terugkeer niet worden verlangd

Algemeen

De IND verleent uitsluitend in de volgende gevallen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw indien:

  • de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van het traumatabeleid;

  • er sprake is van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en verband houden met het asielrelaas;

  • de vreemdeling behoort tot een specifieke groep, die door de Minister is vastgesteld.

Traumatabeleid

Het traumatabeleid is alleen van toepassing op aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Het traumatabeleid biedt bescherming aan de vreemdeling die geconfronteerd is met een gebeurtenis waarvan de IND aanneemt dat die door de vreemdeling als traumatiserend wordt ervaren, terwijl als gevolg van de situatie in het land van herkomst kan worden aangenomen dat daders van deze mensenrechtenschendingen in het land van herkomst ongestraft blijven. In dat geval kan van de vreemdeling niet verlangd worden, dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst.

De grondslag van het traumatabeleid is niet het (al dan niet medisch aangetoonde) trauma van de vreemdeling, maar de traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst. Het betreft zowel traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt door:

  • de autoriteiten van het land van herkomst;

  • door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan;

  • door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.

Uitsluitend de volgende traumatische gebeurtenissen kunnen voor de IND aanleiding geven een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, op grond van het traumatabeleid, te verlenen:

  • de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling;

  • de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en de vreemdeling;

  • substantiële niet-strafrechtelijke detentie van de vreemdeling;

  • marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van de vreemdeling;

  • het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten van de vreemdeling;

  • het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden van de vreemdeling voor zover de vreemdeling aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwant of vriend en de vreemdeling.

Voor de definitie van marteling wordt verwezen naar artikel 1 van het Anti-folterverdrag. De IND verstaat onder ernstige mishandeling het opzettelijk toebrengen van pijn en leed dat zwaar lichamelijk of geestelijk letsel tot gevolg heeft.

De IND beoordeelt de verklaringen van de vreemdeling op de gebruikelijke wijze ten aanzien van de geloofwaardigheid en aannemelijkheid (zie paragraaf C1/3 Vc). De IND houdt voor de beoordeling van de consistentie van de verklaringen rekening met de geestelijke gesteldheid van de vreemdeling.

De IND volgt de vreemdeling in zijn verklaringen, die niet volledig consistent zijn, als:

  • sprake is van geloofwaardige verklaringen op andere onderdelen dan de traumatische gebeurtenis;

  • de verklaringen overeenkomen met de algemene informatie over de situatie in het land van herkomst.

De vreemdeling onderbouwt zijn verklaringen zo mogelijk met documenten.

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond van het traumatabeleid, aan de vreemdeling, die voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling is geconfronteerd met een traumatische gebeurtenis in het land van herkomst, waarbij de daders van die gebeurtenissen in het land van herkomst niet bestraft worden;

  • de vreemdeling heeft aannemelijke verklaringen afgelegd over de traumatische gebeurtenis;

  • de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de traumatische gebeurtenis aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst;

  • de IND verlangt niet dat de vreemdeling vanwege de traumatische gebeurtenis terugkeert naar het land van herkomst.

De IND onderzoekt of plegers van traumatische gebeurtenissen in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst. Onder meer uit het bestaan van een doeltreffend systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing kan blijken of plegers van traumatische gebeurtenissen in het algemeen worden bestraft.

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c ook, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • er heeft een regimewisseling in het land van herkomst van de vreemdeling plaatsgevonden;

  • de vreemdeling heeft het land van herkomst binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis verlaten;

  • er wordt voldaan aan de overige voorwaarden van het traumatabeleid.

De omstandigheid dat een vreemdeling een medische verklaring over zijn trauma heeft overgelegd leidt niet tot verlening door de IND van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw. De vreemdeling moet zelf aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis en dat die traumatische gebeurtenis de reden is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. De bewijslast hiervoor berust bij de vreemdeling. Het causale verband tussen traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek wordt aangenomen, als de vreemdeling binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond van het traumatabeleid aan de vreemdeling die na een termijn van meer dan zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. De IND neemt dan aan dat de vreemdeling zich in het land van herkomst heeft kunnen handhaven en dat de traumatische gebeurtenis daarom niet in de weg staat aan terugkeer naar het land van herkomst.

Uitzondering hierop is de situatie dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling het land van herkomst buiten zijn schuld niet in staat is geweest om binnen de termijn van zes maanden te verlaten en er een verband is tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst.

De IND verleent geen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond van het traumatabeleid, als in ieder geval de volgende situaties zich voordoen:

  • de vreemdeling heeft het land van herkomst na een termijn van meer dan zes maanden sinds de traumatische gebeurtenis verlaten;

  • nadien heeft een regimewisseling in het land van herkomst van de vreemdeling plaatsgevonden.

De voorwaarden met betrekking tot het traumatabeleid zijn van overeenkomstige toepassing als de vreemdeling meer dan zes maanden na zijn vertrek uit het land van herkomst in een derde land heeft verbleven. De vreemdeling moet in dat geval aannemelijk maken dat de vreemdeling zich in het derde land niet kon handhaven.

De IND toetst niet of wedertoelating van de vreemdeling tot het derde land mogelijk is. Als terugkeer naar het derde land niet mogelijk is dan zal terugkeer van de vreemdeling naar het land van herkomst moeten plaatsvinden.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c Vw, als sprake is van een vestigingsalternatief voor de vreemdeling (zie paragraaf C2/6.1 Vc). Artikel 3.37c VV is van overeenkomstige toepassing.

De IND werpt het vestigingsalternatief ook tegen als de pleger van de traumatische gebeurtenissen in andere delen van het land geen macht uitoefent en de centrale overheid bescherming kan bieden.

De IND past het vestigingsalternatief niet toe en verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw, als:

  • de vreemdeling in het gebied dat geldt als vestigingsalternatief voor de vreemdeling het risico loopt geconfronteerd te worden met de plegers van de traumatische gebeurtenis, omdat de autoriteiten in het land van herkomst de plegers van traumatische gebeurtenissen in het algemeen niet bestraft;

  • de traumatische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden door toedoen van de centrale autoriteiten, terwijl de centrale autoriteiten ook de macht uitoefenen in het gebied dat geldt als vestigingsalternatief voor de vreemdeling.

De vereisten van paragraaf C2/6.1 onder a, b en c, Vc (‘beschermingsalternatief’)zijn van overeenkomstige toepassing.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw indien sprake is van:

  • de derdelandenexceptie als bedoeld in paragraaf C2/6.2.4 Vc en C2/6.2.5 Vc;

  • een contra-indicatie als bedoeld in paragraaf C2/5 Vc en C2/6 Vc.

Bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw aan de vreemdeling, van wie de terugkeer naar het land van herkomst niet wordt verland vanwege bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de klemmende redenen van humanitaire aard houden verband met de redenen van vertrek;

  • de klemmende redenen van humanitaire aard houden verband met het asielrelaas.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw in ieder geval in de volgende situaties, als de klemmende redenen van humanitaire aard:

  • betrekking hebben op hoge leeftijd of lichamelijke klachten van de vreemdeling;

  • betrekking hebben op de algemene humanitaire situatie in het land van herkomst;

  • zijn ontstaan na het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst.

Er kan ook sprake zijn van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard hebben, als de IND in een individuele zaak het verblijfsalternatief aan de vreemdeling heeft tegengeworpen (zie paragraaf C2/6.2.6 Vc).

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw aan de vreemdeling die in het land van herkomst een verblijfsalternatief heeft, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

  • de individuele klemmende redenen van humanitaire aard hebben er toe geleid dat de vreemdeling niet in staat was naar het verblijfsalternatief te vertrekken;

  • de individuele klemmende redenen van humanitaire aard houden verband met de redenen van vertrek uit het gebied in het land van herkomst, waar de vreemdeling oorspronkelijk vandaan komt.

De IND beoordeelt deze voorwaarden in onderlinge samenhang.

De omstandigheid dat de de vreemdeling geen banden heeft met het verblijfsalternatief of er nooit heeft verbleven vormt geen reden voor de IND om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw te verlenen.

De IND beoordeelt of de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw wegens individuele klemmende redenen van humanitaire aard, nadat de IND heeft vastgesteld dat de vreemdeling in ieder geval niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van:

  • artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw;

  • artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw op grond van het traumatabeleid.

Specifieke groepen, in het landgebonden beleid aangewezen

De Minister kan in het beleid een specifieke groep aanwijzen die om andere redenen dan op grond van het traumatabeleid in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Verwezen wordt naar het landgebonden beleid, waarin het beleid per land is uitgewerkt.

4.2 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d Vw, categoriale bescherming

Algemeen

Het wettelijk kader voor de toepassing van categoriale bescherming staat beschreven in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

De Minister is op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw bevoegd tot het instellen van een beleid van categoriale bescherming. De Minister weegt de indicatoren uit artikel 3.106 Vb bij zijn besluit om voor een bepaald land of voor een bepaald deel van een land een beleid van categoriale bescherming in te stellen, voort te zetten of in te trekken. Elk van de indicatoren kan de doorslag geven op de vraag of de Minister een beleid van categoriale bescherming instelt of niet (meer) instelt.

De Minister beziet de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd, in een bredere context.

Alternatieven voor een beleid van categoriale bescherming kunnen gelegen zijn in het voeren van een besluit- of vertrekmoratorium. De Minister kan ook (tijdelijk) afzien van het instellen van een beleid van categoriale bescherming, in ieder geval in afwachting van:

  • nader onderzoek naar de situatie in het land van herkomst;

  • (nieuwe) ontwikkelingen in de algemene situatie in het land van herkomst.

Aan de weging van de indicatoren uit artikel 3.106 Vb worden nadere beleidsregels ten grondslag gelegd.

Aard van het geweld in het land van herkomst

Bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming moet worden ingesteld, wordt een combinatie van de volgende vier factoren betrokken, die een rol spelen bij de aard van het geweld in een (deel van een) land van herkomst:

  • de ernst van schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht;

  • de mate van willekeur van dit geweld;

  • de mate waarin het geweld voorkomt;

  • de mate van geografische spreiding van het geweld.

De Minister betrekt bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming moet worden ingesteld het algemene ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land van herkomst. De Minister kan ook gebruik maken van andere openbare informatie uit objectieve bronnen.

Als ernstige schendingen van mensenrechten gelden de schending van de fysieke integriteit en de schending van het oorlogsrecht. Het bestaan van stelselmatige achterstelling of corruptie vormt geen onderdeel voor de vraag of een beleid van categoriale bescherming moet worden ingesteld.

Bij de mate van willekeur van het geweld is de ongerichtheid en de onvoorspelbaarheid van het geweld van belang, in de zin dat het moet gaan om een uitzonderlijke mate van willekeur, waar elke (onschuldige) burger het slachtoffer van kan worden.

Bij de mate waarin het geweld voorkomt is de vraag relevant hoe grootschalig het geweld voorkomt en hoe groot het risico is dat een willekeurige burger slachtoffer wordt van het geweld. In ieder geval twee situaties zijn te onderscheiden:

  • een extreem repressief regime;

  • een land in (burger)oorlog.

Het bestaan van een repressief regime of de omstandigheid dat een land in burgeroorlog verkeert, vormt op zichzelf onvoldoende reden om een beleid van categoriale bescherming in te stellen. Het gaat om de vraag of sprake is van onverantwoorde risico's bij terugkeer vanwege het repressieve regime of de oorlogssituatie. Voor de instelling van een beleid van categoriale bescherming is het in ieder geval van belang in hoeverre de (de facto) autoriteiten:

  • een ernstige inbreuk op de mensenrechten plegen of toestaan;

  • het geweld hebben geïnstitutionaliseerd;

  • het oorlogsrecht schenden, in de mate dat het dagelijks leven in het land zodanig ontwricht is, dat humanitair onverantwoorde risico’s optreden;

  • onvoldoende bescherming kunnen bieden tegen het oorlogsgeweld of banditisme ten gevolge van de burgeroorlog.

De Minister hoeft geen beleid van categoriale bescherming in te stellen, indien alle volgende situaties van toepassing zijn:

  • het geweld tot een bepaald gebied is beperkt;

  • het reizen van dit gebied naar andere gebieden in het land in het algemeen geen problemen oplevert.

Voor de situatie dat een verblijfsalternatief elders in het land beschikbaar is, wordt verwezen naar paragraaf C2/6.2.6 Vc (onder verblijfsalternatief).

Activiteiten van internationale organisaties

De Minister houdt bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming ingesteld moet worden, in ieder geval rekening met:

  • de aanwezigheid en activiteiten in het land van herkomst van VN-organisaties (zoals UNDP, UNICEF, WHO);

  • activiteiten van de UNHCR met betrekking tot repatriëring en ondersteuning bij spontane terugkeer naar het land van herkomst van ontheemden en vluchtelingen;

  • de leidende en coördinerende rol van UNHCR in de uitvoering van een gefaseerde en ordelijke terugkeer van ontheemden en vluchtelingen;

  • de aanwezigheid en activiteiten van internationale hulporganisaties (zoals Internationale Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen);

  • de mate van veroordeling van de situatie in een land van herkomst door de internationale gemeenschap, zoals in conclusies in resoluties van de belangrijkste organen van de VN.

Beleid in andere landen van de EU

De Minister houdt bij de vraag of in verband met het beleid in andere landen van de EU een beleid van categoriale bescherming ingesteld moet worden, in ieder geval rekening met de mate van homogeniteit van het beleid tussen de landen, waarvan het beleid wordt onderzocht.

De Minister kan in ieder geval om de volgende redenen het beleid van een land van de EU onderzoeken:

  • het land ligt in de nabijheid van het Nederland;

  • het land lijkt voor wat betreft asielpopulatie op Nederland.

Voorwaarden

De IND verleent aan de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw indien voldaan wordt aan alle volgende voorwaarden:

  • de Minister heeft op grond van de indicatoren van artikel 3.106 Vb het besluit genomen om voor een bepaald land of een deel van een land een beleid van categoriale bescherming in te stellen;

  • de vreemdeling heeft de nationaliteit van het land, waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt;

  • er is geen twijfel over de identiteits- en nationaliteitsgegevens van de vreemdeling;

  • de vreemdeling heeft geen verblijfsalternatief in een ander deel in het land van herkomst (zie paragraaf C2/6.2.6 Vc).

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw, als de gronden om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen als beschreven in paragraaf C2/5 en C2/6 Vc daartoe aanleiding geven.

De IND trekt een verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw, in of wijst een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd af, indien in ieder geval de volgende gronden zich voordoen:

  • de gronden als beschreven in paragraaf C2/8 Vc;

  • de vreemdeling voldoet niet meer aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

4.3 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e en f Vw, afgeleide verblijfsvergunning

Algemeen

Het wettelijk kader voor het verlenen van de afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden staat beschreven in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw.

De houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die verzoekt om overkomst van zijn gezinsleden, wordt aangemerkt als ‘hoofdpersoon’.

De termijn van drie maanden, zoals die in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw wordt genoemd, start op het moment dat aan de hoofdpersoon de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend door de IND.

Het verzoek om een afgeleide verblijfsvergunning voor nareizende gezinsleden is tijdig ingediend, als binnen de termijn van drie maanden:

  • de hoofdpersoon in Nederland vraagt om een verzoek om advies voor de afgifte van een mvv aan zijn gezinsleden bij het Hoofd van de Visadienst;

  • de nareizende gezinsleden een aanvraag indienen voor een mvv bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging.

De IND beschouwt de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook als tijdig ingediend, zoals bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw, als de gezinsleden eerder dan de hoofdpersoon Nederland zijn ingereisd.

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw uitsluitend als de hoofdpersoon zijn gezinsleden ook heeft genoemd tijdens zijn asielprocedure.

  • De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan het gezinslid van een vreemdeling, die:

  • zelf in het kader van nareis Nederland is ingereisd;

  • in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw.

Feitelijk behoren tot het gezin

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als de kinderen feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. Deze situatie moet zich al hebben voorgedaan voor het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst.

Onder kinderen worden begrepen biologische kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of eerdere relatie.

Kinderen behoren niet feitelijk tot het gezin van de hoofdpersoon, als in ieder geval de volgende situaties zich voordoen:

  • de kinderen zijn duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon;

  • de kinderen zijn zelfstandig gaan wonen;

  • de kinderen hebben een eigen gezin gevormd door een huwelijk of het aangaan van een relatie.

In aanvulling hierop komen niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen bovendien niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als deze kinderen na vertrek van de hoofdpersoon zijn opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon.

De hoofdpersoon in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen al in het land van herkomst tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De hoofdpersoon onderbouwt dit met documenten. De hoofdpersoon moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen, als de hoofdpersoon de feitelijke gezinsband met zijn kinderen niet met documenten kan onderbouwen.

Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen.

Huwelijk en partnerschap

De IND verleent uitsluitend een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als het huwelijk of partnerschap al bestond voor het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst. De IND beschouwt een traditioneel huwelijk, dat in het land van herkomst is gesloten als een partnerschapsrelatie. Een traditioneel huwelijk dat in het land van herkomst is gesloten, wordt niet gezien als een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, als de hoofdpersoon in Nederland al duurzaam samenleeft met een andere man of vrouw.

Samenwoning

De hoofdpersoon en zijn echtgeno(o)t(e) of partner moeten aannemelijk maken dat er in het buitenland al sprake is geweest van samenwoning. Indien in het buitenland geen samenwoning heeft plaatsgevonden, dan moeten de hoofdpersoon en zijn echtgeno(o)t(e) of partner hiervoor een aannemelijke verklaring geven.

Minder- en meerderjarige kinderen

De IND beoordeelt of sprake is van minderjarigheid of meerderjarigheid naar Nederlands recht (zie artikel 1.233 Burgerlijk Wetboek).

Voor onderzoek naar de feitelijke gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar paragraaf C1/3 Vc.

Niet -biologische (adoptie- en pleeg)kinderen

De IND beschouwt een pleegkind als alleenstaande minderjarige vreemdeling, als na aankomst in Nederland alsnog blijkt dat het pleegkind in het buitenland niet feitelijk tot het gezin behoord heeft. Het pleegkind dat door de IND wordt beschouwd als alleenstaande minderjarige vreemdeling moet zelf alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen. Uitzondering hierop is de situatie dat het pleegkind de eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelijktijdig met zijn pleegouders zelf heeft ondertekend.

Paragraaf B3 Vc is van overeenkomstige toepassing.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de biologische ouder(s) in het land van herkomst geen toestemmingsverklaring heeft afgegeven met het oog op het vertrek van de kinderen naar Nederland.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw, uitsluitend als:

  • de hoofdpersoon documenten heeft overgelegd, waarom de biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen;

  • de hoofdpersoon aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt, indien de hoofdpersoon het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen;

  • de kinderen voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf (C2/4.3 Vc).

Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Voor de beoordeling van aanvragen van gezinsleden in relatie tot artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt verwezen naar paragraaf C2/5.2.8 Vc (‘gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag’)

5. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (imperatief)

5.1 Een ander land is verantwoordelijk (artikel 30, eerste lid sub a Vw)

In deze paragraaf wordt gesproken over ‘asielverzoek’, omdat verordening 343/2003 deze terminologie gebruikt (zie artikel 2, onder c, Verordening 343/2003).

Het begrip asielverzoek onderscheidt zich van het begrip aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van de Vw, die alleen schriftelijk met een vastgesteld model kan worden ingediend.

De vaststelling van de verantwoordelijkheid bij alleenstaande minderjarigen

Onder ‘wettig’ in de zin van artikel 6, verordening 343/2003/EG verstaat de IND: rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 Vw.

De IND acht het op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek uitsluitend ‘in het belang van de minderjarige’ als in ieder geval aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de gezinsband in de zin van verordening 343/2003/EG is aangetoond;

  • er bestaat geen vermoeden van mishandeling of misbruik van de minderjarige door het gezinslid; en

  • het gezinslid is in staat en bereid om voor de minderjarige te zorgen.

De discretionaire clausule

De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het asielverzoek hier te lande te behandelen op grond van artikel 3, tweede lid, verordening 343/2003/EG, in gevallen dat Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht is om het asielverzoek in Nederland te behandelen.

De IND gebruikt die bevoegdheid in ieder geval in de volgende situaties:

  • er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;

  • bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de asielzoeker aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

De humanitaire clausule

De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid, al dan niet op verzoek van een andere lidstaat, gezins- of familieleden te herenigen en een asielverzoek hier te lande te behandelen op grond van artikel 15, eerste lid, tweede lid of derde lid, verordening 343/2003/EG, in gevallen dat Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht is om het asielverzoek in Nederland te behandelen

De IND gebruikt die bevoegdheid in ieder geval in de volgende situaties:

  • het gezinslid van de asielzoeker als bedoeld in artikel 7 verordening 343/2003/EG is niet toegelaten als vluchteling, maar is wel in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, c of d, Vw;

  • een bijzonder samenstel van factoren maakt dat de behandeling van het asielverzoek in Nederland in de rede ligt.

De IND acht de hereniging van een alleenstaande minderjarige met een familielid op grond van artikel 15, derde lid verordening 343/2003/EG uitsluitend ‘in het belang van de minderjarige’ als in ieder geval aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de familieband is aangetoond;

  • er bestaat geen vermoeden van mishandeling of misbruik van de minderjarige door het familielid; en

  • het familielid is in staat en bereid om voor de minderjarige te zorgen.

De IND verstaat onder ‘de omstandigheden die er toe hebben geleid dat de familieleden van elkaar werden gescheiden’ als bedoeld in artikel 11, derde lid verordening 1560/2003/EG in ieder geval:

  • onderbrekingen van de gezamenlijke reis door ziekte;

  • calamiteiten;

  • andere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de familieleden liggen.

5.2 De vreemdeling is al in procedure (artikel 30, eerste lid sub c Vw)

Alvorens de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af te wijzen op grond van artikel 30, eerste lid onder c Vw, wijst de IND de vreemdeling in ieder geval op de mogelijkheid om de volgende procedures in te trekken:

  • de eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • de eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd;

  • het tegen de afwijzing van de aanvraag ingediende bezwaar of beroep.

6. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (facultatief)

6.1 Er is geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

De IND beoordeelt de vraag of bescherming van de vreemdeling in de zin van artikel 3.37c, eerste lid, VV mogelijk is, op het moment waarop de beslissing op de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd plaatsvindt.

Bescherming door de autoriteiten

Bij de beoordeling of de staat aan de vreemdeling bescherming kan bieden zoals bedoeld in artikel 3.37c, eerste lid, onder a, VV gelden de volgende twee regels.

Als de dreiging uitgaat van een individu (of een groep individuen) die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar waarbij verwacht kan worden dat een meerdere van dat individu (of de groep individuen) de dreiging niet steunt en daartegen wil en kan optreden, moet de vreemdeling de bescherming van die meerdere zoeken.

Als de dreiging uitgaat van de lokale autoriteiten terwijl aangenomen kan worden dat de centrale autoriteiten hiertegen bescherming willen en kunnen bieden, moet de vreemdeling de bescherming van die centrale autoriteiten zoeken.

Bescherming door internationale organisaties

Onder de in artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV genoemde internationale organisaties verstaat de IND uitsluitend een stabiele, op een staat gelijkende autoriteit, die in ieder geval;

  • zeggenschap heeft over het grondgebied van het desbetreffende land; en

  • bereid en in staat is om individuen te beschermen op soortgelijke wijze als een internationaal erkende staat.

De IND beschouwt in ieder geval de volgende organisaties als internationale organisatie als bedoeld in artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV:

  • VN;

  • NAVO.

Redelijke maatregelen

Een maatregel als bedoeld in artikel 3.37c, tweede lid, VV is redelijk als deze:

  • in relatie staat tot de dreiging;

  • inhoudt dat aan de vreemdeling bescherming voor de direct voorzienbare toekomst kan worden geboden.

Bewijslast

Bij de beoordeling van de mogelijkheid van bescherming moet in eerste instantie de vreemdeling zelf aannemelijk maken dat hem geen bescherming kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven.

De IND betrekt bij de beoordeling of de autoriteiten in het land van herkomst in staat of bereid zijn effectieve bescherming te bieden in ieder geval:

  • de individuele verklaringen van de vreemdeling, dat de vreemdeling geen bescherming wordt geboden;

  • de omstandigheid dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling tevergeefs de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen;

  • informatie over de algemene situatie in het land van herkomst aan de hand van ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties.

De vreemdeling hoeft niet aannemelijk te maken dat hem geen bescherming kan worden geboden, als sprake is van tenminste één van de volgende situaties:

  • uit algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is;

  • uit algemene informatie uit objectieve bron over het land van herkomst blijkt dat een verzoek om bescherming bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is.

Uitzondering op deze regel is de omstandigheid dat uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat de autoriteiten in zijn geval wel bescherming hebben geboden of bereid waren bescherming te bieden aan de vreemdeling.

Als uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming niet eenvoudig kan worden verkregen, moet de vreemdeling aannemelijk maken dat bescherming in zijn geval in het geheel niet kan worden verkregen. Wel kan in dat geval de algemene informatie aanleiding zijn eerder te oordelen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming niet mogelijk is.

Als de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, maar dit niet al uit openbare, objectieve bron blijkt, moet de vreemdeling dit voor zijn individuele situatie aannemelijk maken.

Beschermingsalternatief

Bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling bescherming in Nederland behoeft tegen dreigende vervolging, mensenrechtenschending of de algehele situatie in het land van herkomst, beoordeelt de IND in alle gevallen of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft door zich in een ander gebied in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken.

De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor het vlucht-, vestigings- en verblijfsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze termen is de dreiging waartegen deze alternatieven voor de vreemdeling bescherming bieden.

De term vluchtalternatief gebruikt de IND bij bescherming van de vreemdeling tegen dreigende vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

De term vestigingsalternatief gebruikt de IND voor de volgende twee situaties:

  • bij bescherming van de vreemdeling tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;

  • bij bescherming van de vreemdeling tegen de confrontatie met ongestraft gebleven daders op grond van het beleid inzake traumata.

De term verblijfsalternatief gebruikt de IND bij bescherming van vreemdeling tegen de slechte algehele situatie in een deel van het land van herkomst en speelt een rol bij de beoordeling of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is.

De IND neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst op grond van artikel 3.37d VV voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief en verwacht van de vreemdeling dat hij zich naar dat andere gebied in het land van herkomst begeeft als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. het gaat om een gebied in het land van herkomst waarvoor de vreemdeling geen risico bestaat op gegronde vrees voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat;

  • b. de vreemdeling kan op veilige wijze toegang tot dat gebied in het land van herkomst verkrijgen;

  • c. de vreemdeling kan zich in het gebied in het land van herkomst vestigen en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft.

Ad a.

Naast het vereiste dat de dreiging in het andere gebied niet bestaat, is het ook van belang dat de vreemdeling in het andere gebied geen nieuwe dreiging zal ondervinden.

Als de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83/EG in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven onverkort van toepassing.

Ad b.

Het gebied moet vanuit Nederland daadwerkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.

Ad c.

De bescherming die de vreemdeling in het gebied verkrijgt, hoeft niet dezelfde te zijn als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben verkregen.

De vreemdeling moet zich in het gebied kunnen vestigen en een leven kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling mag in het betreffende gebied niet achtergesteld worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast mogen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.

Dat de omstandigheden in het gebied minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de vreemdeling acht de IND onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.

De IND beoordeelt een vlucht-, of vestigingsalternatief pas nadat is vastgesteld dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging op basis van een van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden of een reëel risico in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

De Minister bepaalt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare informatie of een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is. De vreemdeling moet vervolgens aannemelijk maken dat het vlucht- of vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet verlangd kan worden dat hij zich vestigt in een ander gebied in het land van herkomst.

Terugkeer naar het land van herkomst

De IND verleent geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw als er concrete aanwijzingen bestaan dat de vreemdeling na indiening van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar zijn land van herkomst is terug geweest.

6.2 De specifieke afwijzingsgronden
6.2.1 Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden

De IND werpt een vreemdeling tegen dat hij niet is verschenen voor het nader gehoor als is voldaan aan de volgende twee voorwaarden:

  • de IND heeft de vreemdeling voor de tweede maal opgeroepen voor het nader gehoor, om de gelegenheid te geven zich nader te verklaren over het niet-verschijnen bij het nader gehoor; en

  • de vreemdeling heeft geen geldige reden aangevoerd voor het niet-verschijnen bij het nader gehoor.

6.2.2 Niet onverwijld gemeld

De IND werpt de vreemdeling niet tegen dat hij geen geldig document voor grensoverschrijding bezit als de vreemdeling zich uit eigen beweging binnen 48 uur na binnenkomst in Nederland heeft gemeld bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wil indienen. .

6.2.3 Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd

Het wettelijk kader met betrekking tot het toerekenbaar niet of onvoldoende overleggen van documenten staat beschreven in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw

Bij de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond betrekt de IND alle volgende elementen:

  • identiteit;

  • nationaliteit;

  • reisroute; en

  • asielrelaas van de vreemdeling.

Documenten die deze vier elementen onderbouwen beschouwt de IND als noodzakelijke documenten in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f Vw.

Identiteit

De documenten met betrekking tot de identiteit van de vreemdeling moeten officiële, door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven documenten zijn met daarin tenminste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de vreemdeling.

Nationaliteit

Als documenten met betrekking tot de nationaliteit van de vreemdeling gelden in ieder geval:

  • een paspoort;

  • een ander door de overheid van het land van herkomst van de vreemdeling afgegeven document met pasfoto waarin staat aangegeven dat de vreemdeling de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Reisroute

Als documenten die de reisroute onderbouwen gelden in ieder geval:

  • documenten waarvan de vreemdeling zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland (echte, valse of vervalste documenten voor grensoverschrijding);

  • alle andere documenten op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de vreemdeling heeft gevolgd.

Dit zijn alle documenten die gelden als bewijsmiddelen of indirecte bewijzen in de zin van verordening 343/2003/EG en verordening 1560/2003/EG.

Asielrelaas

Onder documenten die het asielrelaas onderbouwen verstaat de IND documenten ter staving van hetgeen de vreemdeling stelt te hebben meegemaakt in het land van herkomst.

Beoordeling van de toerekenbaarheid

Als de IND vaststelt dat ten aanzien van in ieder geval één van de vier elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas van de vreemdeling documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de vreemdeling, mag de IND de conclusie trekken dat sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten.

De vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe rekenen als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

  • de verklaringen van de vreemdeling over zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas en over het ontbreken van de documenten zijn consistent, geloofwaardig, gedetailleerd en verifieerbaar;

  • deze verklaringen komen overeen met hetgeen overigens bekend is met betrekking tot de identiteit, nationaliteit, reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling.

Onder ‘hetgeen overigens bekend is’ verstaat de IND bij het ontbreken van documenten met betrekking tot de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling in ieder geval:

  • de situatie in het land van herkomst;

  • de onderzoeksresultaten na het controleren van de registratiesystemen (registratie van de vreemdeling in Nederland en eventuele bekendheid van de vreemdeling bij andere lidstaten van de EU).

Bij het ontbreken van documenten die zien op de reisroute van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland.

Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een vreemdeling geen enkel bewijs van zijn reis over kan leggen.

Bij het ontbreken van documenten die zien op het asielrelaas van de vreemdeling verstaat de IND onder ‘hetgeen overigens bekend is’ openbare informatie uit objectieve bron over de situatie in het land van herkomst.

Voordat kan worden overgegaan tot de beoordeling van het asielrelaas moet de IND eerst de identiteit, de nationaliteit en de reisroute van de vreemdeling zoveel mogelijk vaststellen. Als (een van) deze eerste drie elementen niet (kan) kunnen worden vastgesteld vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten, heeft dit ook gevolgen voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Verklaringen over het ontbreken van documenten na vertrek uit het land van herkomst

Als de vreemdeling documenten in Nederland verliest, of in enig ander land waar hij veilig was, is in beginsel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten.

Als de vreemdeling verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent is sprake van toerekenbaar ontbreken van documenten.

Als de vreemdeling aannemelijk maakt dat de documenten onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

6.2.4 Veilig land van herkomst en veilig derde land

De IND wijst een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder g, Vw respectievelijk artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw als de vreemdeling afkomstig is uit of heeft verbleven in een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet nakomt.

Bij de beantwoording van de vraag of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven ten aanzien van de vreemdeling zijn verdragsverplichting niet nakomt, geldt een tussen de IND en de vreemdeling een gedeelde bewijslast:

  • de vreemdeling moet onderbouwen dat het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar hij heeft verbleven de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;

  • de IND onderzoekt of het land van herkomst van de vreemdeling of het derde land waar de vreemdeling heeft verbleven in de praktijk de verdragsverplichtingen nakomt.

De IND neemt in ieder geval in de volgende situaties aan dat een land van herkomst of een derde land zijn verdragsverplichtingen niet nakomt:

  • landen waarop artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw (categoriale bescherming) van toepassing is;

  • landen waarop een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw van toepassing is;

  • landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden.

Doorreis en verblijf

De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alleen af op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw als de vreemdeling heeft verbleven in een veilig derde land. Deze regel is niet van toepassing als de vreemdeling het veilige derde land is doorgereisd zonder daar te verblijven. Er is sprake van verblijf van de vreemdeling in een veilig derde land als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen.

De IND neemt in ieder geval aan dat een vreemdeling geen intentie had om naar Nederland te reizen, als de vreemdeling gedurende twee weken of langer in een veilig derde land heeft verbleven.

Deze regel gaat niet op als uit objectieve feiten of omstandigheden (bijvoorbeeld uit documenten) blijkt dat de vreemdeling in het land van herkomst wel de intentie had om naar Nederland te reizen.

6.2.5 Land van eerder verblijf

Nadat de IND heeft vastgesteld dat artikel 31, tweede lid, onder h Vw niet van toepassing is, onderzoekt de IND of er een ‘land van eerder verblijf’ is, welk derde land de vreemdeling toe laat totdat hij in een ander land duurzame bescherming heeft gevonden. De IND wijst de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i Vw afwijzen, als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen en had voor zijn komst bescherming tegen refoulement in een derde land of had daar bescherming kunnen hebben;

  • de vreemdeling verbleef of had kunnen verblijven in het derde land onder lokaal als normaal aan te merken omstandigheden.

Vaststelling land van eerder verblijf

De IND stelt vast dat er een land van eerder verblijf is, als uit objectieve feiten of omstandigheden blijkt dat de vreemdeling voordat deze in Nederland aankwam in een derde land heeft verbleven en daar niet de intentie had om naar Nederland te reizen.

De IND concludeert dat de vreemdeling geen intentie had tot doorreis naar Nederland indien er sprake is van een van de situaties zoals beschreven in paragraaf C2/6.2.4 Vc onder ‘doorreis en verblijf’.

Duurzame bescherming in het land van eerder verblijf

De IND stelt vast dat de vreemdeling door het derde land duurzaam wordt beschermd tegen refoulement in in ieder geval de volgende situatie:

  • het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag en leeft dit verdrag na. Daarnaast moet blijken dat het land van eerder verblijf aan de vreemdeling toegang zal verschaffen. Dit laatste blijkt uit een schriftelijke verklaring van het land van eerder verblijf, of uit andere bronnen.

Indien het land van eerder verblijf geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag of dit verdrag niet te goeder trouw naleeft, dan is in ieder geval sprake van duurzame bescherming indien:

  • de vreemdeling in het land van eerder verblijf beschikt over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending;

  • de IND aantoont dat de vreemdeling een verblijfstitel kan verkrijgen;

  • de vreemdeling langdurig verbleven heeft in het derde land, zonder dat hij een geldige verblijfstitel heeft gehad.

Indien sprake is van duurzame bescherming in het land van eerder verblijf wijst de IND de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling af, ook indien op zichzelf bezien één van inwilligingsgronden artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, Vw van toepassing is.

De IND werpt het land van eerder verblijf niet aan de vreemdeling tegen in ieder geval de volgende situaties:

  • de vreemdeling beschikt over een verblijfstitel voor het land van eerder verblijf die naar zijn aard tijdelijk is, tenzij deze verblijfstitel uitzicht biedt op langer rechtmatig verblijf;

  • een eerdere asielaanvraag in het land van eerder verblijf is afgewezen, terwijl tegen de afwijzing geen beroepsmogelijkheid meer open staat.

Het vereiste dat er geen beroep meer open mag staan tegen het afwijzende besluit stelt de IND niet, indien de vreemdeling aantoont dat er feitelijk geen beroepsmogelijkheid bij een onafhankelijke rechter is.

6.2.6 Verblijfsalternatief

De IND past artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw uitsluitend toe bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw. Alvorens artikel 31, tweed lid, aanhef en onder j, VW toe te passen, moet de IND aantonen dat aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de vreemdeling heeft verbleven in een derde land;

  • de vreemdeling heeft bescherming of had bescherming kunnen hebben in een derde land;

  • het is aannemelijk dat de vreemdeling kan terugkeren naar het derde land.

De IND weegt de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten het land van herkomst mee.

De IND past artikel 31, tweede lid, onder j, Vw niet toe in gevallen waarin de asielzoeker in Nederland al eerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verkregen en het verblijf in het derde land ten tijde van het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bekend was bij de IND.

Verblijf in een derde land

De IND neemt eerder verblijf aan indien de vreemdeling fysiek aanwezig is geweest op het grondgebied van een derde land voorafgaand aan de komst naar Nederland. De IND hanteert geen minimum duur.

Bescherming in een derde land

De IND stelt vast dat er voldoende bescherming voor de vreemdeling is in een derde land, indien er aan alle volgende criteria wordt voldaan:

  • het derde land is geen land ten aanzien waarvan een beleid van categoriale bescherming geldt;

  • in het derde land heeft de vreemdeling niet vrezen voor een behandeling als bedoeld in paragraaf C2/3.1 Vc of paragraaf C2/3.2Vc;

  • de vreemdeling heeft in het derde land niet verbleven onder bijzondere schrijnende persoonlijke omstandigheden;

  • het derde land zet vreemdelingen die in aanmerking komen voor categoriale bescherming niet zonder bepaling van het risico dat zij daarbij lopen uit naar het land van herkomst.

In het geval er openbare informatie uit objectieve bron voorhanden is waaruit blijkt dat de categorie vreemdelingen waartoe de vreemdeling behoort geen bescherming krijgt of had kunnen krijgen in het derde land, weegt de IND deze informatie af tegen de verklaringen van de vreemdeling. Indien uit de verklaringen van de vreemdeling blijkt dat hij wel bescherming genoot of had kunnen genieten, kan de IND het verblijf in het derde land aan de vreemdeling tegenwerpen.

De betrokken vreemdeling kan terugkeren naar het derde land

Om artikel 31, tweede lid, aanhef en onder j, Vw toe te kunnen passen moet de IND aannemelijk maken dat het derde land de vreemdeling toegang zal geven.

De IND beoordeelt de mogelijkheid van toelating van de vreemdeling tot het derde land als aannemelijk indien de vreemdeling al eerder ongehinderd het derde land is ingereisd. Naarmate de vreemdeling langer in het derde land heeft verbleven, worden zijn terugkeermogelijkheden geacht toe te nemen.

De IND kan in ieder geval door middel van de volgende informatie aannemelijk maken dat een vreemdeling kan terugkeren naar het derde land:

  • de wijze waarop andere vreemdelingen vrijwillig naar het derde land terugkeren;

  • de wijze waarop andere vreemdelingen naar het derde lande verwijderd worden;

  • de wijze waarop het derde land doorgaans omgaat met het verlenen van reisdocumenten aan vreemdelingen uit landen waarvoor een beleid van categoriale bescherming geldt;

  • een schriftelijk bericht van het derde land dat de vreemdeling zal worden toegelaten.

De IND beoordeelt de mogelijkheid tot terugkeer naar het derde lande in ieder geval aan de hand van:

  • openbare informatie uit objectieve bron, voor zover deze informatie voor handen is;

  • de verklaringen van de vreemdeling over zijn mogelijkheden tot terugkeer.

De IND past artikel 31 tweede lid, aanhef en onder i, Vw ook, indien de IND vaststelt dat de vreemdeling door eigen toedoen niet kan terugkeren naar het derde land.

6.2.7 Openbare orde of nationale veiligheid

Algemeen

Bij de beoordeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel, onderzoekt de IND of de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

De IND beoordeelt of van het beleid moet worden afgeweken, indien de vreemdeling bijzondere omstandigheden aanvoert. Door de vreemdeling aangevoerde bijzondere omstandigheden mogen geen verband houden met het door hem gepleegde strafbare feit. Bij de toetsing van de bijzondere omstandigheden weegt de IND het risico op recidive mee. Het ontbreken van risico op recidive vormt geen reden voor de IND om af te wijken van het beleid.

Voor de toepassing van het begrip ‘gevaar voor de nationale veiligheid’, zie paragraaf B1/4.4 Vc.

Openbare orde als de vreemdeling een verdragsvluchteling is

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling, die aan alle volgende voorwaarden voldoet:

  • de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voort bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw.;

  • de vreemdeling is veroordeeld voor een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ en een ‘gevaar vormt voor de gemeenschap’.

Er is sprake van een ‘bijzonder ernstig misdrijf’ indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de vreemdeling is bij onherroepelijk rechterlijk vonnis is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem is een vrijheidsbenemende maatregel opgelegd;

  • het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel bedraagt in totaal tenminste 24 maanden.

De IND betrekt de strafbare feiten die de vreemdeling in het buitenland heeft gepleegd ook bij de beoordeling. Hierbij beoordeelt de IND, op basis van door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie, welke gevolgen naar Nederlands recht aan de strafbare feiten zouden zijn verbonden, indien die strafbare feiten in Nederland zouden zijn gepleegd en bestraft.

De IND weegt bij de beoordeling van het ‘gevaar voor de gemeenschap’ dat de vreemdeling vormt in ieder geval de volgende aspecten mee:

  • de aard van het misdrijf;

  • de opgelegde straf.

De IND beoordeelt het gevaar dat de vreemdeling voor de gemeenschap vormt aan de hand van de situatie zoals die zich voordoet bij het beoordelen van de aanvraag (‘ex nunc’-beoordeling).

De IND neemt een gevaar voor de gemeenschap aan in alle volgende gevallen:

  • drugs-, zeden- en geweldsmisdrijven;

  • brandstichting:

  • mensenhandel;

  • illegale handel in wapens, munitie en explosieven;

  • illegale handel in menselijke organen en weefsels.

De vreemdeling vormt ook een gevaar voor de gemeenschap of nationale veiligheid als bedoeld in artikel 3.105 onder d Vb:

  • indien deze in het buitenland handelingen heeft verricht die de publieke rechtsorde ernstig schokten, en;

  • die naar Nederlands recht als zware misdrijven worden aangemerkt.

De IND beoordeelt of de door de vreemdeling aangevoerde feiten of omstandigheden aannemelijk maken dat in zijn geval geen sprake is van gevaar voor de gemeenschap. Indien de vreemdeling aanvoert dat de laatste veroordeling lang geleden heeft plaatsgevonden en dat hij sindsdien zich niet schuldig heeft gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit, hanteert de IND een verjaringstermijn van twintig jaren.

Paragraaf B1/4.4 ten aanzien van verjaring van misdrijven is in dit verband van overeenkomstige toepassing.

Openbare orde en artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw

De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van een vreemdeling die heeft aangetoond een risico te lopen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, mag door de IND worden afgewezen, indien de vreemdeling veroordeeld is voor een ‘ernstig misdrijf’.

Er is sprake van een ernstig misdrijf indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • de vreemdeling is veroordeeld tot een gevangenisstraf, of aan hem is een vrijheidsbenemende maatregel is opgelegd;

  • het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf of maatregel bedraagt in totaal tenminste achttien maanden;

  • in ieder geval één van de veroordelingen heeft betrekking op een misdrijf dat naar zijn aard een gevaar voor de gemeenschap oplevert.

De IND mag een ernstig misdrijf ook aan een vreemdeling tegenwerpen indien de veroordeling voor dit misdrijf nog niet onherroepelijk is geworden.

Paragraaf B1/4.4 ten aanzien van verjaring van misdrijven is hier van overeenkomstige toepassing.

De IND werpt een veroordeling voor een ernstig misdrijf niet voor altijd aan de vreemdeling tegen. Er geldt een verjaringstermijn van tien jaren.

Na verjaring van het misdrijf stuurt de IND stuurt de vreemdeling een brief met een uitnodiging tot het aanvragen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, De IND willigt deze aanvraag in op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb indien voldaan wordt aan alle volgende voorwaarden:

  • het misdrijf is verjaard;

  • de vreemdeling komt niet in aanmerking komt voor een andere verblijfsvergunning.

Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht.

6.2.8 Artikel 1F, Vluchtelingenverdrag

Gronden artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND mag ‘misdrijven tegen de vrede’ in ieder geval tegenwerpen aan de hoogste civiele of militaire leidinggevenden in een land.

De ernst van een misdrijf wordt bepaald door:

  • de aard van de handeling, en;

  • de omvang van de gevolgen van de handeling.

Het door de vreemdeling gepleegde misdrijf wordt beschouwd als een politiek misdrijf, indien aan alle volgende voorwaarde is voldaan:

  • er is een direct verband tussen het door de vreemdeling gepleegde misdrijf en de door hem aangehaalde politieke doelstelling;

  • het door de vreemdeling gepleegde misdrijf is een effectief middel om de door hem aangehaalde politieke doelstelling te realiseren;

  • de vreemdeling staat niet een meer vreedzaam alternatief ter beschikking; en

  • het door de vreemdeling gepleegde misdrijf staat in een redelijke verhouding tot het door hem nagestreefde doel.

De volgende misdrijven kunnen in ieder geval een politiek karakter hebben:

  • mishandeling;

  • drugshandel;

  • roofovervallen;

  • brandstichting.

De volgende misdrijven moeten op grond van het bovenstaande in ieder geval worden aangemerkt als ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F (b):

  • moord;

  • doodslag;

  • verkrachting;

  • oorlogsmisdrijven, zoals gedefinieerd in artikel 8, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;

  • misdrijven tegen de menselijkheid, zoals gedefinieerd in artikel 7, Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof;

  • foltering;

  • genocide, zoals gedefinieerd in artikel 6, Statuut van Rome, inzake het internationaal Strafhof;

  • slavernij en slavenhandel;

  • misdrijven die vallen binnen de delictsomschrijving van enig bindend internationaal instrument dat bepaalt dat er in geval van een misdrijf dat binnen het bereik van dat instrument valt geen sprake kan zijn van een politiek misdrijf en/of van vluchtelingschap.

Bij ‘absolute politieke misdrijven’ kan artikel 1F (b) niet worden toegepast. Absolute politieke misdrijven zijn strafbare feiten met een politiek karakter en waarbij uit de omschrijving van het strafbare feit blijkt dat zij zijn gericht tegen de staat. De volgende misdrijven zijn in ieder geval absolute politieke misdrijven:

  • hoogverraad en het verstoren van verkiezingen;

  • strafbare feiten weergegeven in het een der Titels I tot en met IV van het Tweede Boek, Wetboek van Strafrecht.

Onder de doelstellingen van de VN wordt verstaan: de preambule en artikel 1 van het Handvest van de VN van 1945. Onder de beginselen van de VN wordt verstaan: artikel 2 van het Handvest van de VN van 1945.

De volgende handelingen zijn in ieder geval in strijd met de doelstellingen en beginselen van de VN:

  • handelingen die expliciet zijn genoemd als strijdig met de doelstellingen en/of beginselen van de VN door het Internationaal Hof van Justitie, de Algemene Vergadering of de Veiligheidsraad van de VN; en

  • misdrijven die strafbaar zijn gesteld in het Statuut van Rome inzake het internationaal Strafhof.

Om de vreemdeling verantwoordelijk te kunnen houden voor misdrijven die vallen onder artikel 1F (c) beoordeelt de IND:

  • of de functionele of feitelijke verantwoordelijkheid van de vreemdeling op een dusdanig niveau ligt dat deze geacht mag worden zich van de plaats van de staat binnen de internationale gemeenschap bewust te zijn, of:

  • of uit de persoonlijke achtergrond van de vreemdeling blijkt dat hij kennis heeft of had moeten hebben van de doelstellingen of beginselen van de VN.

Bewijslast en verantwoordelijkheid

Voor tegenwerping van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, moet de IND aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn dat de vreemdeling één van de strafbare feiten genoemd in dit artikel gepleegd heeft. Indien de IND ‘ernstige redenen’ heeft aangetoond, moet de vreemdeling dit gemotiveerd weerleggen, om toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag te voorkomen.

Om te bepalen of de vreemdeling verantwoordelijk is voor strafbare feiten, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag verantwoordelijk moet worden gehouden, onderzoekt de IND of de vreemdeling weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende strafbare feit (knowing participation) en of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (personal participation).

Er is sprake van ‘knowing participation’ bij de vreemdeling in in ieder geval één van de volgende situaties:

  • a. de vreemdeling heeft gewerkt bij een organisatie, waarvan de IND heeft aangetoond dat deze organisatie op systematische wijze en/of op grote schaal zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die genoemd worden in artikel 1F Vluchtelingenverdrag;

  • b. de vreemdeling heeft behoord tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep, waarop in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is;

  • c. de vreemdeling heeft deelgenomen aan handelingen, waarvan hij wist of had moeten weten dat het strafbare feiten betrof zoals bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

In het geval van situatie b. of c. toetst de IND of de vreemdeling een uitzondering vormt op de regel dat de vreemdeling wetenschap gehad heeft moeten hebben van het plegen van de strafbare feiten. De IND spreekt dan van een ‘significante uitzondering’.

Er wordt door de IND geen ‘knowing participation’ aangenomen voor strafbare feiten als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, indien de vreemdeling ten tijde van het plegen van de strafbare feiten nog niet de leeftijd van vijftien jaren had bereikt.

Indien de vreemdeling bij het plegen van strafbare feiten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag tussen de vijftien en achttien jaren oud was, betrekt de IND alle feiten en omstandigheden bij haar onderzoek om vast te stellen of de vreemdeling weet heeft gehad of had moeten hebben van de strafbare feiten.

In het geval de vreemdeling als minderjarige tussen de vijftien en achttien jaren oud, als soldaat in een leger heeft gediend, worden in ieder geval de volgende omstandigheden door de IND meegewogen:

  • de leeftijd van de vreemdeling op het moment van de indiensttreding;

  • of de vreemdeling vrijwillig of gedwongen in dienst is getreden;

  • de consequenties bij weigering van indiensttreding. In dit verband hanteert de IND het leerstuk van de subjectieve overmacht als uitgangspunt. De IND beoordeelt of van de vreemdeling als minderjarige verwacht kon worden weerstand te bieden aan de op hem uitgeoefende druk om in dienst te gaan;

  • of er ten tijde van de indiensttreding van de vreemdeling gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die de mogelijkheid om tot een afgewogen keuze te komen hebben aangetast;

  • de lengte van de periode dat de vreemdeling als minderjarige, jonger dan vijftien jaren werkzaam is geweest binnen het leger;

  • de aanwezigheid van mogelijkheden voor de vreemdeling om eerder te ontsnappen en/of zich aan persoonlijke deelname aan misdrijven te onttrekken;

  • of de vreemdeling de strafbare feiten gepleegd heeft onder invloed van drugs en/of medicatie waartoe hij gedwongen was tot inname; en

  • of er binnen het leger waar de vreemdeling in dienst was bevorderingen plaatsvonden op grond van goede prestaties.

‘Personal participation’

Er is sprake van ‘personal participation’ bij de vreemdeling in tenminste één van de volgende situaties:

    • a. de vreemdeling heeft een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;

    • b. de vreemdeling heeft opdracht gegeven tot, of onder zijn verantwoordelijkheid is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gepleegd;

    • c. de vreemdeling heeft een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag gefaciliteerd;

    • d. de vreemdeling behoort tot een groep die door de Minister is aangewezen als groep die in de regel artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen krijgt.

Ad c.

De vreemdeling heeft een strafbaar feit gefaciliteerd, indien zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het strafbare feit. De IND concludeert dat de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen indien aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

  • de bijdrage heeft een effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf, en;

  • het strafbare feit had hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld of indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om het misdrijf tegen te houden.

Ad d.

Voor de beoordeling wanneer sprake is van een ‘significante uitzondering’ wordt verwezen naar de subparagraaf ‘bewijslast en verantwoordelijkheid’(‘knowing participation’).

Handelen op bevel

De IND toetst aan artikel 33 van het Statuut van Rome, inzake het Internationaal Strafhof voor de beoordeling van de individuele verantwoordelijkheid van de vreemdeling, indien hij heeft gehandeld op bevel van een regering of meerdere.

Dwang

Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van strafbare feiten, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:

  • er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang;

  • er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf;

  • de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad;

  • de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf.

Zelfverdediging

Indien de vreemdeling aanvoert uit zelfverdediging strafbare feiten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag te hebben gepleegd, wordt deze niet ontslagen van verantwoordelijkheid indien er sprake is van in ieder geval een van de volgende situaties:

  • indien er geen geloof gehecht wordt aan de door de vreemdeling gestelde bedreiging;

  • indien de bedreiging waartegen de vreemdeling zich stelt te hebben verdedigt niet opweegt tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf;

  • indien het voor de vreemdeling duidelijk moet zijn geweest dat het door hem begane misdrijf de dreiging niet had kunnen afwenden; of

  • indien de vreemdeling niet slechts één misdrijf heeft gepleegd, maar gedurende een langere periode meerdere misdrijven heeft gepleegd.

Duurzaamheid en proportionaliteit

Indien aan de vreemdeling op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend, maar tegelijkertijd aannemelijk is dat de vreemdeling bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM beoordeelt de IND alle volgende omstandigheden:

  • a. of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en, zo ja,

  • b. Of de gevolgen voor de vreemdeling van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel zijn, afgewogen tegen de belangen van de Staat om artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag te handhaven.

Ad a.

De term ‘duurzaam’ houdt in dat sprake moet zijn van alle volgende omstandigheden:

  • de vreemdeling bevindt zich op het moment dat de beslissing wordt genomen al gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie dat de vreemdeling wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • er is geen vooruitzicht op verandering binnen niet al te lange termijn, gerekend vanaf heden, in de situatie dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet naar het land van herkomst vanwege een dreigende schending van artikel 3 EVRM;

  • vertrek van de vreemdeling naar een ander land dan het land van herkomst is ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan vertrekplicht van de vreemdeling niet mogelijk.

Ad b.

De IND neemt disproportionaliteit aan indien de vreemdeling aantoont dat hij zich in een uitzonderlijke situatie bevindt.

Indien de vreemdeling disproportionaliteit heeft aangetoond, en de vreemdeling niet in aanmerking komt van een verblijfsvergunning, nodigt de IND de vreemdeling uit een verblijfsvergunning regulier aan te vragen. De IND willigt deze aanvraag in op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb. Het betreft in dat geval op grond van artikel 3.5, derde lid, Vb een tijdelijk verblijfsrecht.

Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND verleent op grond van de artikelen 3.77 en 3.107 Vb geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

De IND mag een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verlenen op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan gezinsleden van een vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 3.77 Vb en 3.107 Vb, als de gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder e of f, Vw aan de vreemdeling van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen op grond van artikel 3.77 Vb en 3.107 Vb, als gezinsleden op zelfstandige gronden in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De IND werpt de contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag niet tegen aan een gezinslid, indien de gezinsband met de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen feitelijk verbroken is. Van verbreking van de gezinsband wordt niet uitgegaan indien blijkt dat de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen op enige wijze gebruik blijft maken van de voorzieningen van het gezinslid.

De contra-indicatie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt niet langer tegengeworpen aan het gezinslid van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. het gezinslid verblijft tenminste tien jaren in Nederland gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel;

  • b. het verblijf van het gezinslid in Nederland is ononderbroken;

  • c. het gezinslid heeft zijn vertrek naar het land van herkomst niet tegengewerkt.

Ad a.

Voor de gezinsleden binnen één gezin waarbinnen de feitelijke gezinsband niet is verbroken, geldt voor alle gezinsleden de datum van eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van het hier langst verblijvende gezinslid als aanvang van de termijn. De aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen telt hiervoor niet mee.

6.2.9 Europese lijst van veilige landen van herkomst

De Raad van de Europese stelt een gemeenschappelijke lijst op van derde landen die als veilig land van herkomst worden beschouwd. Het feit dat de vreemdeling afkomstig is uit een land dat op deze lijst is geplaatst, is niet voldoende om de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel af te wijzen. De vreemdeling mag feiten en omstandigheden aanvoeren om aan te tonen dat het veilige land van herkomst in zijn geval niet veilig is. Indien de vreemdeling zich niet op dergelijke omstandigheden beroept of dergelijke omstandigheden niet aannemelijk worden geacht, kan de aanvraag worden afgewezen met toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder l, Vreemdelingenwet.

7. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Arbeidsmarktbeperking

De IND vermeldt op de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd de arbeidsmarktbeperking: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.

Geldigheidsduur

Voor de bepalingen over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verwezen naar artikel 3.105, eerste lid, Vb.

De vreemdeling die vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad op basis van artikel 8, onder c, Vw, maar niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, komt in aanmerking voor het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij zich één van de gronden van artikel 32 Vw voordoet.

De medewerker van het IND loket verstrekt aan de vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

8. Verlenging en intrekking verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

8.1 De vreemdeling heeft onjuiste gegevens verstrekt of gegevens achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid

Met het intrekken of niet-verlengen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling op grond van artikel 32, de IND de situatie zoals die zou zijn geweest als de juiste gegevens op het moment van aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bekend zouden zijn geweest.

Als de IND vaststelt dat een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onjuiste gegevens heeft verstrekt of dat over hem door een ander onjuiste gegevens zijn verstrekt, beoordeelt de IND of de vreemdeling op grond van alle beschikbare en geloofwaardige gegevens op grond van artikel 29, eerste lid Vw in het bezit moet blijven van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder a Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de verblijfsvergunning.

8.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag blijkt alsnog van toepassing

Het gestelde in paragraaf C2/6.2.8 Vc is van toepassing.

De IND brengt geen voornemen uit tot intrekking of weigering van verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de vaststelling dat artikel 1F Vluchtelingenverdrag juncto artikel 31, tweede lid, onder k Vw van toepassing is, voordat de vreemdeling in de gelegenheid is gesteld tijdens een gehoor op deze vaststelling te reageren. Dit gehoor wordt uitgevoerd door een ambtenaar van de IND, die gespecialiseerd is in de materie van artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

8.3 Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid

Algemeen

Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de pleegdatum van het misdrijf.

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw

In C2/6.2.7 Vc is uitgewerkt wanneer sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf zoals bedoeld in artikel 3.105c, tweede lid, onder b, Vb.

Een omstandigheid die tot de conclusie kan leiden dat de hiervoor bedoelde vreemdeling geen gevaar vormt voor de gemeenschap, is een aanzienlijk tijdsverloop sinds het uitzitten van de straf zonder dat recidive heeft plaatsgevonden.

De vreemdeling van wie de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, is ingetrokken of geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet is verlengd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt Nederland niet uitgezet, indien de vreemdeling in zijn land nog steeds een risico loopt op vervolging of schending van artikel 3 EVRM.

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw

Internationale instrumenten zoals bedoeld in artikel 3.105f, tweede lid onder a Vb zijn onder andere:

  • het Handvest van het Internationaal Militair Tribunaal van 8 augustus 1945 (Neurenberg-Handvest);

  • Het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998.

In C2/6.2.7 Vc is uitgewerkt wanneer sprake is van een ernstig misdrijf zoals bedoeld in artikel 3.105f, tweede lid onder b, Vb.

De vreemdeling van wie de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, is ingetrokken of geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet is verlengd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b Vw, wordt Nederland niet uitgezet, indien de vreemdeling in zijn land nog steeds een risico loopt op schending van artikel 3 EVRM.

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op de overige gronden van artikel 29, eerste lid Vw

Artikel 3.86 Vb en paragraaf B1/4.4 Vc zijn van toepassing.

Gevaar voor de nationale veiligheid

Paragraaf B1/4.4 Vc (‘nationale veiligheid’) is van overeenkomstige toepassing.

8.4 De grond voor verlening is komen te vervallen

Algemeen

Als de IND vaststelt dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is komen te vervallen onderzoekt de IND in ieder geval:

  • of op het moment van verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ook één of meerdere andere grond(en) voor verlening als bedoeld in artikel 29, eerste lid Vw van toepassing waren;

  • of de vreemdeling op het moment van het beoordelen van de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid Vw.

Als tenminste één van deze omstandigheden zich voordoet, trekt de IND de verblijfsvergunning niet in.

Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder c Vw, wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan het moment dat de grond voor verlening is komen te vervallen.

Wijziging in de algemene situatie in het land van herkomst

De IND geeft in het landgebonden asielbeleid aan of een wijziging in de algemene situatie in (een deel van) een bepaald land een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft zoals bedoeld in artikel 3.37 e VV.

Vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst

Het enkele feit dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, Vw vrijwillig is teruggekeerd naar het land van herkomst is niet voldoende voor de IND om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te trekken of niet te verlengen.

Als de IND vaststelt dat een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c of d, Vw uit vrije wil is teruggekeerd naar zijn land van herkomst, nodigt de IND de vreemdeling uit om tijdens een gehoor uitleg te geven over de reden, bestemming, duur en verloop van zijn reis. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij ondanks zijn terugkeer naar het land van herkomst nog steeds in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw, in onder toepassing van artikel 1C Vluchtelingenverdrag, indien een vreemdeling een paspoort van zijn land van herkomst aanvraagt en verkrijgt.

De IND trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a Vw, niet in, indien de vreemdeling met bewijsmiddelen onderbouwt dat artikel 1C Vluchtelingenverdrag niet van toepassing is.

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw

De IND concludeert niet dat de grond voor verlening is komen te vervallen enkel vanwege het feit dat de daders van de als traumatiserend aangemerkte gebeurtenis die aan de verlening van de verblijfsgunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ten grondslag lag, zijn bestraft.

Als de IND constateert dat in het land van herkomst een doeltreffend systeem voor opsporing, vervolging en bestraffing van daders van als traumatiserend aangemerkte gebeurtenissen aanwezig is, kan dit aanleiding geven voor de conclusie dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c Vw, is komen te vervallen.

Verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw

Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder c Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van het wijzigingsbesluit waarmee het categoriaal beschermingsbeleid is beëindigd.

8.5 De vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd

De definitie van de intrekkingsgrond zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid onder d Vw is uitgewerkt in paragraaf B1/5.3.2 Vc.

De intrekkingsgrond bedoeld in artikel 32, eerste lid onder d Vw wordt niet toegepast op de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b Vw.

Als de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt op grond van artikel 32, eerste lid, onder d Vw, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot aan de datum waarop de verplaatsing van het hoofdverblijf uit Nederland kon worden vastgesteld.

9. Rechtsmiddelen

Voorlopige voorziening

De IND staat de vreemdeling toe de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening, gericht tegen de uitzetting, in Nederland af te wachten. Voor de gevallen waarin een verzoek om voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht wordt verwezen naar paragraaf B1/10 Vc.

Een interim measure van het EHRM, een zogenoemde Rule 39, wordt gelijk gesteld met een toegewezen voorlopige voorziening.

Klachten bij internationale instanties

De internationale instanties waar een met uitzetting bedreigde vreemdeling zich tot kan wenden zijn:

  • het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof houdt toezicht op de naleving van het EVRM;

  • het Comité voor de rechten van de mens (Human Rights Committee). Dit comité houdt toezicht op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten (BUPO);

  • het Comité tegen Foltering (Committee Against Torture). Dit is het Verdragscomité dat toezicht houdt op de naleving van het Internationale Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Deze instanties worden aangeduid als ‘toezichthoudend orgaan’.

De DT&V mag de vreemdeling uit Nederland uitzetten als het toezichthoudend orgaan geen verzoek doet aan Nederland om opschorting van de uitzetting van de vreemdeling, in afwachting van de uitspraak op de klacht van de vreemdeling bij dat toezichthoudend orgaan. De DT&V kan de vreemdeling in vreemdelingenbewaring stellen om de gedwongen terugkeer uit Nederland te bevorderen.

De DT&V geeft gehoor aan een verzoek van het Comité voor de rechten van de mens en het Comité tegen Foltering om een vreemdeling niet uit te zetten.

Als uitzondering op de regel dat de DT&V geeft gehoor aan een verzoek van het Comité voor de rechten van de mens en het Comité tegen Foltering om een vreemdeling niet uit te zetten, kan de DT&V kan weigeren te voldoen aan een verzoek om de vreemdeling niet uit te zetten:

  • als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel is afgewezen in AC Schiphol; en

  • aan de vreemdeling in het kader van de grensbewaking de vrijheidsbenemende maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd.

De DT&V moet nagaan of er omstandigheden zijn die aanleiding vormen het verzoek te honoreren.

Als het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de Nederlandse staat op grond van Rule 39 verzoekt om de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland op te schorten, mag de DT&V de vreemdeling niet uitzetten.

De DT&V betrekt bij de beoordeling van het verzoek van een toezichthoudend orgaan de omstandigheid dat:

  • de vreemdeling strafbare feiten heeft gepleegd;

  • de vreemdeling opeenvolgende aanvragen om een verblijfsvergunning heeft gedaan met het doel om de uitzetting te vertragen. Dit zijn aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel of regulier die de IND als herhaalde aanvragen aanmerkt als bedoeld in artikel 3.1 Vb.

Als de DT&V het verzoek om de vreemdeling niet uit te zetten honoreert, heft de DT&V de eventuele vreemdelingenbewaring van de vreemdeling op.

Als het toezichthoudend orgaan als eindoordeel geeft dat de uitzetting van de vreemdeling in strijd is met de bepalingen van het Verdrag waar het orgaan op toeziet, verleent de IND een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient. De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling als sprake is van aspecten als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. De DT&V zal de vreemdeling niet uitzetten als de IND geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend aan de vreemdeling.

C3 Moratoria

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in die gelden bij toepassing van:

  • het besluitmoratorium (paragraaf 2);

  • het vertrekmoratorium (paragraaf 3).

Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 43, 45, vierde en vijfde lid, 71, lid 2, en artikel 82, lid 2, Vw.

2. Besluitmoratorium

In artikel 43 Vw staan de redenen vermeld op grond waarvan de Minister kan besluiten een besluitmoratorium in te stellen voor bepaalde categorieën vreemdelingen. Indien het besluitmoratorium is ingegeven door de situatie in het land van herkomst, houdt het moratorium in dat voor de in het besluit genoemde categorieën vreemdelingen geen inhoudelijke beslissingen worden genomen. De Minister publiceert het besluit tot instelling van een besluitmoratorium in de Staatscourant. Het besluit van de Minister geeft in ieder geval aan:

  • op welk moment het besluitmoratorium (in algemene zin) van kracht wordt;

  • op welke datum het besluitmoratorium zal eindigen;

  • met welke termijn de individuele beslistermijnen worden verlengd.

De IND verlengt de beslistermijn voor de vreemdeling met het maximum van één jaar en geeft aan de vreemdeling aan op welk moment de verlengde beslistermijn eindigt. In de gevallen waarin het besluitmoratorium in algemene zin voor een kortere periode dan een jaar is vastgesteld, blijft het mogelijk om de individuele beslistermijn voor de vreemdeling met het maximum van één jaar te verlengen.

De IND neemt ondanks het besluitmoratorium in ieder geval een beslissing nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de volgende situaties:

  • artikel 30 Vw is van toepassing;

  • artikel 31, tweede lid, onder i en h, Vw is van toepassing;

  • artikel 1F Vluchtelingenverdrag is van toepassing;

  • de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt op grond van artikel 3.105, onder b of 3.105, onder e, Vb afgewezen;

  • het besluitmoratorium is ingesteld op de grond genoemd in artikel 43, onder c, Vw.

Als de individuele beslistermijn eindigt, moet de IND een besluit nemen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar de stand van zaken op het moment van het nemen van de beslissing, ook als het algemeen afgekondigde besluitmoratorium op dat moment nog van kracht is.

3. Vertrekmoratorium

De vreemdeling die onder de werking van het vertrekmoratorium valt, maar geen opvang of voorzieningen meer heeft, kan deze verkrijgen door zich in persoon te melden bij AC Ter Apel. De vreemdeling hoeft geen aanvraag in te dienen voor opvang of voorzieningen. Evenmin hoeft de vreemdeling een aanvraag in te dienen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De IND verstrekt een document W2, met een inlegvel, voorzien van een sticker ‘Verblijfsaantekeningen Algemeen’ aan de vreemdeling.

De vreemdeling heeft geen recht op opvang en andere voorzieningen als artikel 31, tweede lid, onder k, Vw van toepassing is. Elke veroordeling wegens een misdrijf is voldoende om de opvang te onthouden.

De vreemdeling valt niet onder de werking van het vertrekmoratorium als de vreemdeling aantoonbaar uit Nederland is vertrokken na de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Aantoonbaar vertrek uit Nederland kan in ieder geval blijken uit de volgende situaties:

  • een lidstaat heeft een verzoek tot terugname of overname op grond van de verordening 343/2003 ingediend bij Nederland;

  • er is sprake van een geëffectueerde of gefaciliteerde terugkeer;

  • er heeft een overdracht plaatsgevonden op grond van de verordening 343/2003;

  • er is een hitmelding in EURODAC.

Wanneer het vertrekmoratorium eindigt, eindigt het recht op opvang en voorzieningen van rechtswege.

C4 Tijdelijke bescherming

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van richtlijn 2001/55 (tijdelijke bescherming). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van artikel 1, onder n, Vw, artikel 1, onder o, Vw, artikel 45, lid 6, Vw en artikel 3.1a, Vb.

2. Tijdelijke bescherming

De Raad van de EU kan op grond van richtlijn 2001/55 besluiten een nader omschreven groep vreemdelingen voor een bepaalde periode tijdelijke bescherming te verlenen. De IND biedt een vreemdeling die in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, in Nederland de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. De vreemdeling van wie de opvang op grond van de meeromvattende beschikking is beëindigd hoeft geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen, als de vreemdeling zich op het moment waarop tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55 wordt ingesteld nog in Nederland bevindt.

De IND moet beoordelen of de vreemdeling onder Richtlijn 2001/55 valt en moet de voor die beoordeling noodzakelijke gegevens registreren. De IND verlengt de beslistermijn voor het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de duur van de tijdelijke bescherming.

De IND is bevoegd een beslissing te nemen op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voordat de termijn voor de tijdelijke bescherming is beëindigd.

De vreemdeling, die meent in aanmerking te komen voor tijdelijke bescherming conform richtlijn 2001/55, meldt zich bij een AC met het verzoek om onder de werking van het vertrekmoratorium te worden gebracht. De IND stelt vast of de vreemdeling onder de regeling van tijdelijk bescherming valt. De vreemdeling heeft het recht op opvang zolang de tijdelijke bescherming van kracht is. Voor de beleidsregels met betrekking tot tijdelijke bescherming wordt verwezen naar hoofdstuk C3 Vc.

C5 Verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen, die gelden:

  • ten aanzien van de procedureregels van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (paragraaf 2);

  • bij de afwijzingsgronden van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (paragraaf 3);

  • bij de intrekkingsgronden van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (paragraaf 4).

Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de artikelen 33, 34, 35, 40, 41, 42, eerste lid, 44, derde en vierde lid, en 45 Vw, de artikelen 3.107a Vb, 3.108 Vb, 3.116, en 3.118 Vb, en de artikelen 3.40, 3.41, 3.43 en 3.47 VV.

2. Procedurele regels verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

De vreemdeling kan niet eerder dan vier weken voordat de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen.

De vreemdeling moet de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd indienen voor de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afloopt. Indien de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, dan geldt de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, enkel voor zover:

  • de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • het de vreemdeling niet toe te rekenen is dat hij de aanvraag heeft ingediend tot uiterlijk zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

De verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd krijgt als ingangsdatum de datum dat de IND de aanvraag heeft ontvangen, uitsluitend als:

  • de vreemdeling de aanvraag heeft ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd;

  • deze vertraging aan de vreemdeling toe te rekenen is.

De IND beoordeelt of de vertraging bij het indienen van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd aan de vreemdeling is toe te rekenen.

Als de vreemdeling meer dan zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd meent voor verblijf in aanmerking te komen, moet hij een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen.

De IND past de artikelen 3.113 Vb en 3.114 Vb niet toe op de behandeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Paragraaf C2/7 Vc is van toepassing op de behandeling van een aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling als aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

  • de beslissing op de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is meer dan vijf jaar na het indienen van de aanvraag genomen;

  • de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

De IND toetst hierbij of de vreemdeling aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet indien de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend op of na 1 januari 2005.

Als de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is ingediend voor 1 januari 2005, dan geldt het inburgeringsvereiste niet en toetst de IND niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als de vreemdeling niet aan de voorwaarden van artikel 3.107a Vb voldoet. De IND verlengt gelijktijdig de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met vijf jaar.

De IND stelt de vreemdeling in het bezit van een verblijfsdocument dat wordt uitgereikt door een medewerker van het IND loket dat zich het dichtst bij de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling bevindt.

Als de IND de vreemdeling direct een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleent, zonder dat de vreemdeling in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, dan is artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, Vw van toepassing.

3. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

Als zich op het moment dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verloopt een grond voordoet als bedoeld in artikel 32 Vw, handelt de IND conform paragraaf C2/7 Vc.

De IND wijst de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet af op grond van artikel 32, eerste lid onder c Vw, als de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was vervallen, maar zich op het moment van behandeling van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd opnieuw voordoet.

Voor de beleidsregels met betrekking tot de ontheffingsgrond als bedoeld in artikel 3.107a, tweede lid, onder b Vb (‘het inburgeringsvereiste’) is paragraaf B1/7.1.11 Vc van overeenkomstige toepassing

4. Intrekking verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

Paragraaf C2/7 is van toepassing.

De IND trekt een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd in op grond van artikel 35, eerste lid, onder b Vw als wordt voldaan aan artikel 35, eerste lid onder b Vw en aan artikel 3.86, tweede tot en met negende lid Vb.

In aanvulling op paragraaf C2/7 Vc kan de IND een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ook intrekken op grond van artikel 35, eerste lid onder c Vw als de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was verleend op grond van artikel 29, eerste lid onder a of b Vw.

C6 Verdrag inzake de verantwoordelijkheid voor vluchtelingen

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn beleidsregels opgenomen in paragraaf, die gelden bij de toepassing van de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb 1982, 24). Deze beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van deze overeenkomst.

2. Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen

Een staat die partij is bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen (Trb 1982, 24) kan Nederland informeren dat die staat de verantwoordelijkheid van de vluchtelingenstatus heeft overgenomen en de vreemdeling zich in die staat kan vestigen.

De IND:

  • trekt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van die vreemdeling in op grond van artikel 32, onder d Vw;

  • trekt de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van die vreemdeling in op grond van artikel 35, onder c Vw.

De IND zendt de beschikking in drievoud naar de Nederlandse ambassade in de Staat die de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling overneemt.

De Nederlandse ambassade:

  • 1. reikt een exemplaar van de beschikking aan de vreemdeling in persoon uit of zendt een exemplaar van de beschikking naar het bij de ambassade laatst bekende adres van de vreemdeling;

  • 2. zendt een exemplaar van de beschikking aan de autoriteiten van de Staat die de verantwoordelijkheid voor de vreemdeling overneemt;

  • 3. voorziet een exemplaar van de beschikking van een aantekening omtrent de datum en de wijze van uitreiking en zendt dit exemplaar terug aan de IND.

Een vreemdeling die een beroep doet op de Overeenkomst en nog niet in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel of regulier, kan een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of regulier voor bepaalde tijd indienen op de wijze als bedoeld in paragrafen B1/2 Vc en C1 Vc. De IND stelt de ambassade in Nederland van de staat waar de vreemdeling heeft verbleven op de hoogte van het overnemen van verantwoordelijkheid over de vreemdeling als de IND de vreemdeling in het bezit stelt van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of regulier voor bepaalde tijd.

Als de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bezit, stelt de IND in het dossier zowel elektronisch als fysiek een aantekening dat de vreemdeling Verdragsvluchteling is.

De IND stelt deze vreemdeling in de gelegenheid een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen als de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling eindigt.

C 7 Landgebonden beleid

1. Landgebonden asielbeleid algemeen

Het landgebonden asielbeleid bevat beleidsregels ten aanzien van het land van herkomst van vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend.

Een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land wordt betrokken bij het asielbeleid ten aanzien van dat land.

Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid in de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en betreft geen uitzonderingsregeling.

De opbouw van de paragrafen van dit hoofdstuk wijkt af van de opbouw van de hoofdstukken C1 tot en met C6 Vc en is conform de volgorde van toetsing van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zie ook paragraaf C1/2 Vc.

Afwijzingsgronden

De IND kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onthouden, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen.

2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan

2.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

2.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/6.2.8 Vc aan:

  • onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD

  • de volgende leden van de Hezb-i-Wahdat:

    • a. alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi;

    • b. de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi;

    • c. de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi;

    • d. de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen;

    • e. alle commandanten van een ferq’a; en

    • f. hoge officieren van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat.

  • hoofd- en opperofficieren van de volgende afdelingen van de Afghaanse politie in de periode 1978-1996:

    • a. de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-yelnqelab;

    • b. de Riasat-e-Makhsous;

    • c. de Operatifi-ye Mahabas.

2.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
2.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Afghanistan niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging.

2.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen als risicogroep:

  • a. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren;

  • b. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren;

  • c. homoseksuelen.

2.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
2.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Afghanistan is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

2.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Afghanistan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

2.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND beschouwt uitsluitend de volgende categorieën als kwetsbare minderheidsgroep:

  • a. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische minderheid behoren;

  • b. vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een religieuze minderheid behoren;

  • c. alleenstaande vrouwen.

ad b.

De IND beschouwt Shiitische moslims gelet op hun situatie in Afghanistan niet als een kwetsbare minderheidsgroep.

De IND beschouwt Afghaanse vreemdelingen die een andere religie dan de islam aanhangen, als een kwetsbare minderheidsgroep, ongeacht uit welk gebied in Afghanistan zij afkomstig zijn.

Een vreemdeling die zich in Nederland heeft bekeerd, komt op grond van de beleidsregels over kwetsbare minderheidsgroepen in Afghanistan in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, uitsluitend indien de vreemdeling:

  • afkomstig is uit een gebied in Afghanistan waar hij tot een religieuze minderheid is gaan behoren;

  • in Afghanistan problemen heeft ondervonden om andere redenen dan de nieuwe religie.

ad c.

De IND beschouwt een Afghaanse vrouw uitsluitend als alleenstaand, indien:

  • 1. de huwelijksband met de echtgenoot is verbroken;

  • 2. de vrouw ongehuwd is en de band met het gezin waartoe zij behoorde ten tijde van haar vertrek uit Afghanistan, is verbroken.

ad 2.

De IND beoordeelt in verband met de gezinsband of de vader in het gezin in Afghanistan aanwezig is.

De Afghaanse vrouw moet (indicatief) bewijs overleggen om aan te tonen dat zij alleenstaand is op grond van een verbroken gezinsband. Wanneer dit niet mogelijk is, moet de Afghaanse vrouw aannemelijke verklaringen kunnen afleggen over de verbroken gezinsband.

De IND beschouwt de gezinsband in elk geval als verbroken, indien:

  • de Afghaanse vrouw duurzaam is opgenomen in een ander gezin dan het ouderlijke gezin;

  • de Afghaanse vrouw zelfstandig is gaan wonen;

  • de Afghaanse vrouw een eigen gezin heeft gevormd doordat zij is gehuwd of een relatie is aangegaan.

2.4.4 Individuele kenmerken

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Afghaanse vreemdeling, die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor eerwraak of bloedwraak, indien uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk is.

2.5 Bescherming
2.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Bij de beoordeling of de vreemdeling bescherming kan worden geboden in Afghanistan, betrekt de IND in ieder geval het volgende:

  • de omstandigheid dat de centrale autoriteiten van Afghanistan niet in geheel Afghanistan het gezag in handen hebben;

  • de mogelijkheden van de vreemdeling om zich voor bescherming tot de lokale autoriteiten te wenden;

  • het persoonlijke netwerk van de vreemdeling;

  • eventuele niet-gewelddadige oplossingen voor de vreemdeling in eer- en bloedwraakzaken.

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vreemdelingen die afkomstig zijn uit een gebied waar zij tot een etnische of religieuze minderheid behoren;

  • homoseksuelen;

  • alleenstaande vrouwen;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor geweldpleging.

2.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND neemt ten aanzien van Afghaanse vreemdelingen geen vlucht- en vestigingsalternatief aan binnen Afghanistan.

2.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
2.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

2.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Verwesterde schoolgaande minderjarige vrouwen

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, aan een verwesterde minderjarige vrouw, indien de minderjarige vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Afghanistan sprake is van een onevenredig zware psychosociale druk.

De IND beoordeelt of sprake is een onevenredige psychosociale druk aan de hand van in ieder geval de volgende omstandigheden:

  • a. de mate van verwestering van de minderjarige vrouw;

  • b. de medische omstandigheden (bij de minderjarige vrouw of bij een gezinslid);

  • c. de samenstelling van het gezin.

ad a

De IND beoordeelt de mate van verwestering aan de hand van de volgende omstandigheden:

  • de minderjarige vrouw is tenminste tien jaar oud;

  • de verblijfsduur in Nederland bedraagt tenminste 8 jaar, gerekend vanaf de datum van de eerste aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • het volgen van onderwijs in Nederland.

De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, indien:

  • de minderjarige vrouw in Afghanistan beschermd kan worden door machtige actoren (stamoudsten, krijgsheren);

  • de minderjarige vrouw of een van haar gezinsleden de terugkeer naar Afghanistan frustreert (waaronder het voeren van procedures die enkel gericht zijn op het bemoeilijken van de terugkeer);

  • de minderjarige vrouw tussentijds is teruggekeerd naar Afghanistan;

  • het gestelde in paragraaf C2/6.2.7 Vc of paragraaf C2/6.2.8 Vc van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND verleent aan de ouders van een minderjarige vrouw, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, wordt verleend, eveneens een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

De IND verleent de ouders geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien het gestelde in paragraaf C2/6.2.7 Vc of paragraaf C2/6.2.8 Vc van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND verleent aan de broers en zusters van een minderjarige vrouw, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, wordt verleend, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder f, Vw.

De IND verleent de broers of zusters geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indien het gestelde in paragraaf C2/6.2.7 Vc of paragraaf C2/6.2.8 Vc van toepassing is (openbare orde beleid).

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw niet met een ingangsdatum die ligt voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel (28 april 2011).

De IND verleent de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw voor de duur van vijf jaar, ook in het geval de minderjarige vrouw binnen die termijn meerderjarig wordt.

Het uitgangspunt dat verwesterde vrouwen zich kunnen aanpassen (zie 3.2.2) blijft voor minderjarige vrouwen bestaan.

2.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Afghanistan zijn uitsluitend alleenstaande vrouwen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

In paragraaf C7/2.4.3 Vc staat beschreven in welke situaties de IND een vrouw als alleenstaand beschouwt.

De ingangsdatum van de te verlenen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw ligt niet voor 24 juni 2006.

2.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Afghanistan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

2.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Afghanistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

2.10 Bijzonderheden

Verwesterde vrouwen

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan een Afghaanse vrouw uitsluitend omdat zij na het vertrek uit Afghanistan een westerse levensstijl heeft aangenomen. De IND neemt namelijk aan dat de vrouw zich bij terugkeer zal kunnen aanpassen aan de traditionele Afghaanse normen. De omstandigheid dat een Afghaanse vrouw zich in Afghanistan niet op gelijke wijze kan uiten of ontplooien, vormt voor de IND onvoldoende grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3. Het asielbeleid ten aanzien van Angola

3.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Angola geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

3.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

3.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
3.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Angola niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging.

3.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Angola geen risicogroepen aangewezen.

3.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
3.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Angola is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

3.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Angola is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

3.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Angola geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

3.5 Bescherming
3.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

3.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

3.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
3.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

3.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

3.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Angola zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

3.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Angola komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

3.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Angola is adequate opvang in de zin van paragraaf B14.2.2.4Vc.

3.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Angola geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

3.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

4. Het beleid ten aanzien van Armenië

4.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

4.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

4.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
4.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Armenië niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging.

4.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Armenië geen risicogroepen aangewezen.

4.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
4.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Armenië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

4.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Armenië is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

4.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Armenië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

4.5 Bescherming
4.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

4.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

4.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
4.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

4.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

4.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Armenië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

4.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Armenië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

4.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Armenië is adequate opvang in de zin van paragraaf B14.2.2.4 Vc.

4.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Armenië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

4.10 Bijzonderheden

De IND beoordeelt of in de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw aan de hand van de vraag of de vreemdeling, onder andere:

  • het staatsburgerschap bezit van één van de republieken van de voormalige Sovjet-Unie; of

  • rechtmatig verblijf heeft (gehad) in één van de republieken van de voormalige Sovjet-Unie.

De algemene voorwaarden in paragraaf C2/6.2.5 Vc zijn van toepassing.

5. Het beleid ten aanzien van Azerbeidzjan

5.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

5.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

5.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
5.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Azerbeidzjan niet als land, waarin sprake is van groepsvervolging.

5.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Azerbeidzjan geen risicogroepen aangewezen.

5.4 Foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
5.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Azerbeidzjan is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

5.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Azerbeidzjan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

5.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Azerbeidzjan geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

5.4.4 Bijzonderheden

De vreemdeling kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als de vreemdeling in ieder geval voldoet aan tenminste één van de volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan;

  • de vreemdeling heeft de Azerbeidjaanse nationaliteit en is gehuwd met of onderhoudt een duurzame relatie met een vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan.

Om in aanmerking te komen voor de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gelden uitsluitend alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij in de periode tussen 1988 en 1992 Azerbeidzjan heeft verlaten;

  • de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat de op dat moment heersende oorlogssituatie reden is geweest voor het vertrek;

  • de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt geen andere nationaliteit te hebben verkregen.

Deze opsomming is limitatief. De algemene uitgangspunten van het beleid, zoals vermeld in paragraaf C2/3 Vc.

5.5 Bescherming
5.5.1 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Een vlucht- en vestigingsalternatief is aanwezig:

  • in het hoofdgebied van Azerbeidzjan voor de vreemdeling die behoort tot de Azeri bevolkingsgroep afkomstig uit Nagorny Karabach;

  • in Nagorny Karabach voor de vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep afkomstig uit Azerbeidzjan.

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • de vreemdeling, van wie de IND heeft geoordeeld dat hij op grond van paragraaf C7/5.4.4 Vc in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • de vreemdeling behorend tot de Armeense bevolkingsgroep uit Nagorny Karabach, van wie de IND heeft geconcludeerd dat hij in Nagorny Karabach te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM. De vervolging moet uitgaan van de Armeens-Karabachse autoriteiten;

  • de vreemdeling met de Azerbeidjaanse nationaliteit, die gehuwd is met of een duurzame relatie onderhoudt met een vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep in Azerbeidzjan.

De beleidsregel dat geen vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is, geldt in ieder geval niet in de volgende gevallen:

  • de vreemdeling onderhoudt een gemengd huwelijk of een gemengde duurzame relatie en is afkomstig uit Nagorny Karabach, terwijl hij na zijn vertrek uit Nagorny Karabach zonder problemen in het hoofdgebied van Azerbeidzjan heeft verbleven;

  • de vreemdeling onderhoudt een gemengd huwelijk of gemengde duurzame relatie en is afkomstig uit het hoofdgebied van Azerbeidzjan, terwijl hij na zijn vertrek uit Azerbeidzjan zonder problemen in Nagorny Karabach heeft verbleven.

Bovenstaande beleidsregels zijn ook geldig voor kinderen uit gemengde huwelijken of duurzame relaties. Als het kind verblijft in een gescheiden gezin, toetst de IND de situatie van het kind aan de hand van de bevolkingsgroep van de ouder, bij wie het kind verblijft.

5.5.2 Buitenlands vestigingsalternatief in Armenië

Etnische Armeniërs uit Azerbeidzjan hebben een buitenlands vestigingsalternatief in Armenië. Dit buitenlands vestigingsalternatief wordt niet toegepast bij:

  • de vreemdeling, van wie de IND heeft geoordeeld dat hij op grond van paragraaf C7/5.4.4 Vc in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd;

  • de vreemdeling uit Azerbeidzjan met een gemengde (huwelijks)relatie met een vreemdeling die behoort tot de Armeense bevolkingsgroep;

  • de vreemdelingen afkomstig uit Azerbeidzjan van niet-etnisch Armeense afkomst.

5.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
5.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

5.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

5.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Azerbeidzjan zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

5.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Azerbeidzjan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

5.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Azerbeidzjan in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

5.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Azerbeidzjan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

5.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

6. Het beleid ten aanzien van Bosnië Herzegovina

6.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Bosnië Herzegovina geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

6.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

6.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
6.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Bosnië Herzegovina niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

6.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Bosnië Herzegovina geen risicogroepen aangewezen.

6.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
6.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Bosnië Herzegovina is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

6.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Bosnië Herzegovina is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

6.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Bosnië Herzegovina geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

6.5 Bescherming
6.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

6.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

6.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
6.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

6.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

6.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Bosnië Herzegovina zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

6.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Bosnië Herzegovina komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

6.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Bosnië Herzegovina is adequate opvang in de zin van paragraaf B14.2.2.4 Vc.

6.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Bosnië Herzegovina geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

6.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

7. Het asielbeleid ten aanzien van Burundi

7.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Burundi geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

7.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

7.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
7.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Burundi niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

7.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Burundi geen risicogroepen aangewezen.

7.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
7.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Burundi is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

7.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Burundi is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

7.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Burundi geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

7.5 Bescherming
7.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorie niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.

7.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

7.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
7.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

7.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

7.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Burundi zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

7.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Burundi komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

7.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Burundi geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

7.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Burundi geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

7.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

8. Het asielbeleid ten aanzien van China

8.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van China geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

8.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

8.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
8.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt China niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

8.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot China geen risicogroepen aangewezen.

8.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
8.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In China is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

8.4.2 Systematische blootstelling aan in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In China is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

8.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot China geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

8.5 Bescherming
8.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

8.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

8.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
8.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

8.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

8.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van China zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

8.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit China komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

8.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In China is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

8.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van China geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

8.10 Bijzonderheden

Voor Oeigoeren uit China kan Turkije in individuele gevallen een land van eerder verblijf in de zin van artikel 31, eerste lid, aanhef en onder i, Vw zijn.

9. Het beleid ten aanzien van Colombia

9.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Colombia geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

9.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

9.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
9.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Colombia niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

9.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Colombia geen risicogroepen aangewezen.

9.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
9.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Colombia is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

In de regio Valle del Cauca is sprake van een gewapend conflict in de zin van dit artikel. Er is in de regio Valle del Cauca geen sprake van een uitzonderlijke situatie waarin iedere burger bij terugkeer enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM loopt.

9.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Colombia is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

9.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Colombia geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

9.5 Bescherming
9.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

9.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

In Colombia is geen vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig.

9.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
9.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

9.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

9.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Colombia zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

9.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Colombia komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw aan vreemdelingen uit Colombia die afkomstig zijn uit gebieden die in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken zijn aangemerkt als relatief onveilig. Vreemdelingen uit Colombia afkomstig uit onveilige gebieden hebben een verblijfsalternatief elders in Colombia.

9.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Colombia in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

9.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Colombia geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

9.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

10. Het asielbeleid ten aanzien van Congo DRC (Democratische Republiek Congo)

10.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

10.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

10.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
10.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Congo DRC niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

10.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Congo DRC geen risicogroepen aangewezen.

10.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
10.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Congo DRC is uitsluitend sprake van een uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc in:

  • Noord- en Zuid-Kivu;

  • Haut- en Bas Uélé.

Voor vreemdelingen van Congolese nationaliteit, afkomstig uit de provincies Noord- en Zuid Kivu en Haut-en Bas Uélé, is een vestigingsalternatief aanwezig in Kinshasa, indien de vrees een gevolg is van de uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG. (zie verder paragraaf C7/10.5.2 Vc.)

10.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Congo DRC is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

10.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot DRC geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

10.5 Bescherming
10.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • homoseksuelen:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.

10.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND neemt voor Congo DRC geen vlucht- of vestigingsalternatief aan, indien de IND heeft geconcludeerd dat de vreemdeling op basis van de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden een gegronde vrees voor vervolging heeft.

De IND neemt voor Congo DRC een vestigingsalternatief aan in Kinshasa voor de vreemdeling afkomstig uit een gebied waarvan in paragraaf C7/10.4.1 is vermeld dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, indien de vrees van de vreemdeling niet gebaseerd is op de vreemdeling zelf betreffende omstandigheden, maar alleen een gevolg is van de uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc.

10.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
10.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

10.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

10.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Congo DRC zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

10.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Congo DRC komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw aan vreemdelingen uit Congo DRC die afkomstig zijn uit de gebieden Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Haut-Uélé. Vreemdelingen uit Congo DRC afkomstig uit de gebieden Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Haut-Uélé hebben een verblijfsalternatief elders in Congo DRC (Kinshasa).

10.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Congo DRC is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

10.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Congo DRC geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

10.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

11. Het asielbeleid ten aanzien van Eritrea

11.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

11.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden

11.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
11.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Eritrea niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

11.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Eritrea geen risicogroepen aangewezen.

11.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
11.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Eritrea is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

11.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Eritrea is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

11.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Eritrea geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

11.4.4 Dienstplichtigen en deserteurs

Vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij zijn gedeserteerd komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanwege hun dienstweigering of dienstplichtontduiking in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

11.4.5 Illegale en legale uitreis

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling met de Eritrese nationaliteit, die illegaal Eritrea uitgereisd is.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling met de Eritrese nationaliteit, die legaal Eritrea uitgereisd is, tenzij er andere, individuele redenen zijn om de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw te verlenen.

11.5 Bescherming
11.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt vanwege hun geloofsovertuiging gegronde vrees voor vervolging te hebben;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging, tenzij uit individuele verklaringen of algemene bron gebleken is dat wel bescherming kan worden ingeroepen;

  • vreemdelingen met een homoseksuele geaardheid.

11.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

In Eritrea wordt geen vestigingsalternatief aanwezig geacht voor vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis.

11.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
11.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

11.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

11.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Eritrea zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

11.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Eritrea komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

11.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Eritrea is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

11.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Eritrea geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

11.10 Bijzonderheden

Gedwongen terugkeer van Eritrese vreemdelingen naar Eritrea zal niet plaatsvinden. Aangenomen wordt dat bij gedwongen terugkeer, zowel na legale als na illegale uitreis, een risico op schending van artikel 3 EVRM aanwezig is.

Uitgangspunt is echter dat een vreemdeling die legaal, met toestemming van de Eritrese autoriteiten, is uitgereisd, zelfstandig kan terugkeren. Bij deze groep zal dan ook niet op voorhand worden aangenomen dat bij terugkeer naar Eritrea sprake is van een schending van artikel 3 EVRM.

12. Het asielbeleid ten aanzien van Guinee

12.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Guinee geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

12.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden

12.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
12.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Guinee niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

12.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Guinee geen risicogroepen aangewezen.

12.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
12.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Guinee is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

12.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Guinee is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

12.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Guinee geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

12.5 Bescherming
12.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor geweldpleging;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis;

  • homoseksuelen.

12.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

12.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
12.6.1 Traumatabeleid

De IND weegt bij de beoordeling of een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw moet worden verleend, niet mee of de vreemdeling bescherming heeft gevraagd aan de autoriteiten.

Overigens geen bijzonderheden.

12.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

12.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Guinee zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

12.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Guinee komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

12.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Guinee geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

12.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Guinee geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

12.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

13. Het asielbeleid ten aanzien van Irak

13.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

13.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/6.2.8 Vc aan:

  • hoofden van de volgende inlichtingen- en veiligheidsdiensten:

    • a. de Algemene Inlichtingendienst;

    • b. de Militaire Inlichtingendienst;

    • c de Speciale Veiligheidsdienst;

    • d. de Algemene Veiligheidsdienst; en

    • e. de Militaire Veiligheidsdienst;

  • officieren van de Speciale Veiligheidsdienst.

13.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
13.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Iraakse vreemdelingen met een homoseksuele of biseksuele geaardheid en transgenders (verder: LHBT’s) als groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A Vluchtelingenverdrag.

De IND verleent aan Iraakse LHBT’s een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw, tenzij de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen.

13.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Irak geen risicogroepen aangewezen.

13.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
13.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Irak is geen gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

13.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Irak is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

13.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND beschouwt uitsluitend de volgende groepen als kwetsbare minderheidsgroep:

  • a. Christenen;

  • b. Mandeeërs;

  • c. Yezidi’s;

  • d. Joden;

  • e. Shabak;

  • f. Kaka’i.

ad a.

De IND betrekt bij de beoordeling of een in Nederland tot het christendom bekeerde vreemdeling bij terugkeer een risico loopt op schending van 3 EVRM, ook problemen die de vreemdeling in Irak heeft ondervonden om andere redenen dan de christelijke geloofsovertuiging, maar die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

13.5 Bescherming
13.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • Christenen

  • Mandeeërs

  • Yezidi’s

  • Joden

  • Shabak

  • Kaka’i

Indien vreemdelingen stellen te vrezen voor bloedwraak of vergelijkbare inter-tribale problemen van een andere familie, clan of stam, neemt de IND aan dat zij bescherming kunnen krijgen binnen de eigen familie, clan of stam.

13.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND neemt ten aanzien van Iraakse vreemdelingen geen vlucht- en vestigingsalternatief aan binnen Irak.

13.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
13.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

13.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

13.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Irak zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

13.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Irak komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

13.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Irak geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

13.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Irak geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

13.10 Bijzonderheden

Fayli-Koerden

De IND beschouwt Fayli-Koerden van wie de Iraakse nationaliteit is ontnomen tijdens het regime van Saddam Hoessein, niet als staatloos. De IND neemt aan dat zij de Iraakse nationaliteit hebben.

14. Het asielbeleid ten aanzien van Iran

14.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

14.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

14.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
14.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Iran niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

14.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Iran geen risicogroepen aangewezen.

14.3.3 Christenen, bahai’s en soefi’s

De IND stelt in het geval van christenen, bahai’s en soefi minder eisen aan de geloofwaardigheid van het individuele asielrelaas. Een christen, bahai of soefi komt in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling heeft problemen ondervonden van de zijde van de Iraanse autoriteiten of van medeburgers;

  • de vreemdeling heeft deze problemen met geringe indicaties geloofwaardig gemaakt.

14.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
14.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Iran is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

14.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Iran is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

14.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Iran geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

14.4.4 Christenen

Een in Nederland bekeerde christen kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien de vreemdeling in Iran problemen heeft ondervonden om andere redenen dan de nieuwe religie en die problemen op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

14.5 Bescherming
14.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

14.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

14.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
14.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

14.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

14.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Iran zijn met ingang van 18 oktober 2006 uitsluitend de volgende groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc:

  • homoseksuelen;

  • biseksuelen;

  • transseksuelen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, indien de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc zich voordoen.

14.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Iran komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

14.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Iran in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

14.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

14.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

15. Het asielbeleid ten aanzien van Ivoorkust

15.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Ivoorkust geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

15.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

15.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
15.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Ivoorkust niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

15.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Ivoorkust geen risicogroepen aangewezen.

15.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
15.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Ivoorkust is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

15.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Ivoorkust is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

15.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Ivoorkust geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

15.5 Bescherming
15.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • etnische minderheden;

  • homoseksuelen;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor geweldpleging;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis;

  • minderjarigen.

15.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

15.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
15.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

15.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

15.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Ivoorkust zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

15.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Ivoorkust komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

15.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Ivoorkust in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

15.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Ivoorkust geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

15.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden

16. Het asielbeleid ten aanzien van Libië

16.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Libië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

16.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

16.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
16.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Libië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

16.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Libië geen risicogroepen aangewezen.

16.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
16.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Libië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

16.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Libië is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

16.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND beschouwt uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen als kwetsbare minderheidsgroep:

  • homoseksuelen en lesbiennes, biseksuelen en transgenders (LHBT).

16.5 Bescherming
16.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Libië te vrezen heeft voor vervolging of schending van artikel 3 EVRM, verlangt de IND niet dat hij zich tot de Libische autoriteiten wendt voor bescherming.

16.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

16.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
16.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

16.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

16.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Libië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

16.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Libië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

16.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Libië geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

16.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Libië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

16.10 Bijzonderheden

De wijzigingen van omstandigheden in Libië hebben, gelet op de informatie uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken, een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft zoals bedoeld in artikel 3.37 e Vv. De IND zal daarom een aan Libische vreemdelingen verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heroverwegen vanwege de regimewisseling in Libië.

17. Het asielbeleid ten aanzien van Mongolië

17.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Mongolië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

17.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

17.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
17.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Mongolië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

17.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Mongolië geen risicogroepen aangewezen.

17.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
17.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Mongolië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

17.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Mongolië is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

17.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Mongolië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

17.5 Bescherming
17.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

17.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

17.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
17.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

17.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

17.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Mongolië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

17.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Mongolië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

17.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Mongolië is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

17.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Mongolië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

17.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

18. Het asielbeleid ten aanzien van Nepal

18.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Nepal geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

18.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

18.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
18.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Nepal niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

18.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Nepal geen risicogroepen aangewezen.

18.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
18.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Nepal is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

18.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Nepal is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

18.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Nepal geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

18.5 Bescherming
18.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • nationale, raciale en etnische minderheden als bedoeld in het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over Nepal;

  • vrouwen;

  • homoseksuelen.

18.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

18.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
18.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

18.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

18.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Nepal zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

18.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Nepal komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

18.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Nepal geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

18.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Nepal geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

18.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

19. Het asielbeleid ten aanzien van Nigeria

19.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Nigeria geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

19.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden

19.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
19.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Nigeria niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

19.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Nigeria geen risicogroepen aangewezen.

19.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
19.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Nigeria is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

19.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Nigeria is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

19.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Nigeria geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

19.5 Bescherming
19.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorie niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te maken hebben met (eventueel) op de persoon gericht geweld door militante groeperingen.

19.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

In Nigeria is een vlucht- en vestigingsalternatief voor de volgende categorieën vreemdelingen:

  • a) vrouwen die vrezen voor besnijdenis;

  • b) vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van militante groeperingen;

  • c) vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van de zijde van een geheim genootschap;

  • d) vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de noordelijke deelstaten van Nigeria hebben te vrezen voor strafrechtelijke vervolging op grond van de sharia.

Ad a) Of vrouwen zich kunnen onttrekken aan besnijdenis door zich elders (buiten de eigen leefgemeenschap) te vestigen kan per geval verschillen. Dit is afhankelijk van de vraag in hoeverre vrouwen elders een nieuw bestaan kunnen opbouwen. Hierbij speelt het sociale netwerk een belangrijke rol. Het sociale netwerk kan bestaan uit de familie- of gezinsleden, maar ook uit andere sociale netwerken zoals verenigingen en kerkgenootschappen.

19.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
19.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

19.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

19.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Nigeria zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

19.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Nigeria komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

19.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Nigeria dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

19.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Nigeria geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

19.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

20. Het asielbeleid ten aanzien van Pakistan

20.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Pakistan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

20.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

20.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
20.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Pakistan niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

20.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Pakistan geen risicogroepen aangewezen.

20.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
20.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Pakistan is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

20.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Pakistan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

20.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Pakistan geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

20.5 Bescherming
20.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

20.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND neemt ten aanzien van ahmadi’s en christenen geen vlucht- en vestigingsalternatief aan binnen Pakistan.

20.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
20.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

20.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

20.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Pakistan zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

20.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Pakistan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

20.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Pakistan geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

20.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Pakistan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

20.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

21. Het asielbeleid ten aanzien van Rusland

21.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Rusland geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

21.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

21.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
21.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Rusland niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

21.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Rusland geen risicogroepen aangewezen.

21.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
21.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Rusland is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

21.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Rusland is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

21.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Rusland geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

21.5 Bescherming
21.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

21.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

21.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
21.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

21.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

21.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

8en aanzien van Rusland zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

21.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Rusland komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

21.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Rusland in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

21.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Rusland geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

21.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

22. Het asielbeleid ten aanzien van Sierra Leone

22.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

22.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

22.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
22.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Sierra Leone niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

22.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Sierra Leone geen risicogroepen aangewezen.

22.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
22.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Sierra Leone is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

22.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Sierra Leone is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

22.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Sierra Leone geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

22.5 Bescherming
22.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis;

  • vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van geheime genootschappen.

22.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

In Sierra Leone is een vlucht- en vestigingsalternatief voor de volgende categorieën vreemdelingen:

  • a. vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor besnijdenis;

  • b. vreemdelingen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor vervolging van geheime genootschappen.

Ad a.

Het tegenwerpen van een vestigingsalternatief, bij vrees voor besnijdenis, wordt per vreemdeling bezien. Bij een meerderjarige vrouwelijke vreemdeling is hierbij van belang of zij aan de controle van haar familie kan ontkomen en hoe zij zich voor haar vertrek uit Sierra Leone heeft kunnen onttrekken aan de besnijdenis.

Van een minderjarige vrouwelijke vreemdeling kan niet worden verlangd dat zij zich elders in Sierra Leone vestigt, wanneer zij hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij zij zich eerder aan besnijdenis heeft kunnen onttrekken.

Ad b.

Van een meerderjarige vreemdeling wordt verwacht dat hij zich aan het lidmaatschap van het geheime genootschap onttrekt door zich elders in Sierra Leone te vestigen. Van een minderjarige vreemdeling wordt niet verlangd dat de vreemdeling zich elders in Sierra Leone vestigt, wanneer de vreemdeling hierin niet ondersteund wordt door familie of derden, tenzij de vreemdeling zich eerder aan het lidmaatschap van een geheim genootschap heeft kunnen onttrekken.

22.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
22.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

22.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

22.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

8en aanzien van Sierra Leone zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

22.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Sierra Leone komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

22.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Sierra Leone is adequate opvang in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

22.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Sierra Leone geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

22.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

23. Het asielbeleid ten aanzien van Somalië

23.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

23.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

23.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
23.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Somalië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

23.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt uitsluitend de Reer Hamar als risicogroep.

23.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
23.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Somalië is uitsluitend in de stad Mogadishu sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in paragraaf C2/3.3.

De vreemdeling uit Mogadishu komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als hij voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt in de stad Mogadishu te hebben gewoond en verbleven direct voorafgaand aan het vertrek uit Somalië;

  • de vreemdeling kan zich niet elders in Somalië vestigen.

Hoewel in de overige regio’s in Centraal- en Zuid-Somalië geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM, kan de terugkeer van vreemdelingen afkomstig uit deze regio’s wel leiden tot een schending van artikel 3 EVRM.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling afkomstig uit de overige regio’s in Centraal- en Zuid-Somalië, indien hij voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • a. de vreemdeling heeft aannemelijk gemaakt dat hij zich niet heeft kunnen handhaven onder de regels van Al-Shabaab;

  • b. de vreemdeling is afkomstig uit een gebied dat niet onder controle staat van Al-Shabaab; en

  • c. de vreemdeling kan dit gebied enkel bereiken via het gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab.

Deze opsomming is cumulatief.

Ad a.

Hierbij speelt het feit of de vreemdeling al dan niet recentelijk is vertrokken of ervaring heeft met het leven onder de Al-Shabaab een belangrijke rol.

23.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND neemt uitsluitend ten aanzien van de Reer Hamar systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3EVRM aan.

23.4.3 Alleenstaande vrouwen

Een alleenstaande vrouw kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, indien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor een onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Somalië.

De IND beschouwt een vrouw in ieder geval als alleenstaand, indien:

  • de huwelijksband met de echtgenoot is verbroken;

  • zij ongehuwd is en de gezinsband waartoe zij behoorde ten tijde van haar vertrek uit Somalië is verbroken.

23.4.4 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND beschouwt uitsluitend de Reer Hamar als kwetsbare minderheidsgroep.

23.4.5 Individuele kenmerken

De IND verleent in de volgende situaties een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een vreemdeling afkomstig uit de overige regio’s in Centraal- en Zuid-Somalië buiten Mogadishu, indien de vreemdeling:

  • afkomstig is uit een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab en aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet heeft kunnen handhaven onder de regels van Al-Shabaab;

  • afkomstig is uit een gebied dat niet of niet langer onder controle staat van Al-Shabaab, dit gebied enkel kan bereiken via het gebied dat wel onder controle staat van Al-Shabaab en aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich niet kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab.

De IND betrekt bij de beoordeling van de vraag of de vreemdeling zich kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab in ieder geval de volgende aspecten:

  • de ervaringen van de vreemdeling met het leven onder de regels van Al-Shabaab;

  • zou de vreemdeling vanwege verwestersing de negatieve aandacht van Al-Shabaab kunnen wekken, voor zover de vreemdeling ervaring heeft met het leven onder de regels van Al-Shabaab.

Bij de beoordeling of het verblijf in Nederland bij een individuele Somalische vreemdeling heeft geleid tot een verwestersing waarbij een of meer specifieke kenmerken bij terugkeer feitelijk niet meer verborgen kunnen worden gehouden, spelen in ieder geval de volgende elementen een rol:

  • de duur van het verblijf van de vreemdeling in Nederland; hierbij geldt als uitgangspunt dat bij vreemdelingen die meerderjarig waren toen zij Nederland inreisden en die minder dan tien jaar in Nederland hebben verbleven, in beginsel niet wordt aangenomen dat er sprake is van verwestersing;

  • de leeftijd bij aankomst in Nederland; zo zal van een vreemdeling die minderjarig was bij inreis, in Nederland onderwijs genoten heeft en meerdere van zijn vormende jaren (de leerplichtige periode) in Nederland heeft doorgebracht eerder kunnen worden aangenomen dat er sprake is van verwestersing. Hierbij wordt tevens het aantal vormende jaren betrokken dat de vreemdeling in Somalië heeft doorgebracht;

  • de mate waarin de vreemdeling de Nederlandse taal beheerst;

  • de mate waarin de vreemdeling deelneemt aan de Nederlandse samenleving.

23.5 Bescherming
23.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis.

23.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

In Somalië is geen sprake van een binnenlands vlucht- en of/vestigingsalternatief, tenzij de vreemdeling onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden tenminste zes maanden heeft verbleven in:

  • Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo), in de periode vanaf 1991;

  • Somaliland, in de periode vanaf 1997;

  • Sool; of

  • Sanaag.

Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich in het desbetreffende gebied onder de bescherming van zijn clan kan stellen.

De uitzonderlijke situatie van artikel 15c van richtlijn 2004/83 EG geldt voor de burgers verblijvend in de stad Mogadishu en is niet gerelateerd aan individuele vrees.

Een vreemdeling afkomstig uit de stad Mogadishu kan een vestigingsalternatief in een ander deel van Somalië hebben (inclusief Centraal- en Zuid-Somalië), wanneer de dreiging waaraan de vreemdeling in de stad Mogadishu wordt blootgesteld niet op de vreemdeling is gericht, maar uitsluitend een gevolg is van extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83 EG.

Aan een vreemdeling uit Mogadishu kan uitsluitend een vestigingsalternatief in de overige delen van Centraal- en Zuid-Somalië worden tegengeworpen als:

  • de vreemdeling nauwe familiebanden heeft in het gebied waar de vreemdeling naar terugkeert, waarbij de familie in staat moet zijn om hem opvang en ondersteuning te bieden;

  • de vreemdeling zich niet hoeft te vestigen in of hoeft te reizen door een gebied dat onder controle staat van Al-Shabaab, tenzij hij in staat kan worden geacht zich te handhaven onder de regels van Al-Shabaab.

Bij de beoordeling of de vreemdeling uit Mogadishu zich kan handhaven onder de regels van Al-Shabaab worden dezelfde elementen betrokken als bij vreemdelingen uit andere gebieden in Zuid- en Centraal-Somalië.

Een ontheemdennederzetting wordt niet aangemerkt als vestigingsalternatief.

In Somalië is verder geen sprake van een binnenlands vlucht- en of/vestigingsalternatief voor vrouwen, die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis.

23.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
23.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

23.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

23.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

8en aanzien van Somalië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

23.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Somalië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

Aanvragen tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend voor 19 mei 2009.

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, indien:

  • de vreemdeling de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend vóór 19 mei 2009;

  • de vreemdeling vóór 19 mei 2009 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

Herbeoordelen van verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en verlenen van verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd

Herbeoordeling van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw vindt plaats, indien tenminste één van de volgende situaties zich voordoet:

  • a. er is sprake van een intrekkingsgrond als bedoeld in artikel 32 Vw;

  • b. er is sprake van fraude en misbruik tijdens de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zoals vingermutilatie;

  • c. er is gebleken dat de hoofdpersoon misbruik maakt van het beleid om (gestelde) gezinsleden te laten overkomen.

In deze gevallen wijst de IND ook de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd of de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af.

De verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw, wordt niet herbeoordeeld om de enkele reden dat de verleningsgrond is komen te vervallen.

De aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, wordt niet afgewezen om de enkele reden dat de verleningsgrond is komen te vervallen.

23.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Somalië in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

23.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Somalië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

23.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

24. Het asielbeleid ten aanzien van Sri Lanka

24.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Sri Lanka geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

24.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

24.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
24.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Sri Lanka niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

24.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Sri Lanka geen risicogroepen aangewezen.

24.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
24.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Sri Lanka is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

24.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Sri Lanka is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

24.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Sri Lanka geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

24.4.4 Tamils

De IND beoordeelt een verzoek om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw van Srilankaanse Tamils mede aan de hand van de door het Europese Hof van de Rechten van de Mens benoemde risicofactoren. De genoemde risicofactoren vormen geen checklisten en zijn niet uitputtend bedoeld. Iedere genoemde individuele risicofactor hoeft op zich geen aanleiding te geven om er van uit te gaan dat er sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Colombo. Zij kunnen dit wel cumulatief zijn in combinatie met enkele andere risicofactoren.

De door het Europese Hof van de Rechten van de Mens, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien in het licht van de algemene situatie in Sri Lanka, zijn:

  • de vreemdeling is bij de Srilankaanse autoriteiten bekend als lid van de LTTE of wordt verdacht van deelname aan activiteiten voor de LTTE;

  • de vreemdeling heeft een strafblad of er is een arrestatiebevel uitgevaardigd ten name van de vreemdeling;

  • de vreemdeling si uit de gevangenis ontsnapt of op borgtocht vrijgelaten;

  • de vreemdeling heeft een bekentenis of een soortgelijke verklaring ondertekend;

  • de vreemdeling is door de Srilankaanse autoriteiten gevraagd om informant te worden;

  • de vreemdeling heeft littekens;

  • de vreemdeling moet naar Sri Lanka terugkeren vanuit Londen of een andere stad waar fondsen worden geworven voor de LTTE;

  • de vreemdeling heeft Sri Lanka op illegale wijze verlaten;

  • de vreemdeling is niet in het bezit van een identiteitsbewijs;

  • de Srilankaanse autoriteiten zijn ervan op de hoogte geraakt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend in het buitenland;

  • familieleden van de vreemdeling zijn actief voor de LTTE en de Srilankaanse autoriteiten zijn hiervan op de hoogte.

24.5 Bescherming
24.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND acht het in ieder geval voor de volgende categorieën niet aannemelijk dat het voor de vreemdeling mogelijk is de bescherming te verkrijgen van de autoriteiten of internationale organisaties:

  • homoseksuelen; en

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor (seksuele) geweldpleging.

24.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

24.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
24.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

24.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

24.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Sri Lanka zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

24.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Sri Lanka komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

24.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Sri Lanka geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

24.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Sri Lanka geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

24.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

25. Het asielbeleid ten aanzien van Sudan

25.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

25.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

25.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
25.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Sudan niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

25.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Sudan uitsluitend de volgende risicogroepen aangewezen:

  • vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur);

  • vreemdelingen behorend tot de bevolkingsgroep van de Nuba;

  • vreemdeling, die (vermeend) aanhanger is van SPLM/Noord in Sudan.

25.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
25.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Sudan is sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM voor:

  • Vreemdelingen afkomstig uit Noord- en Zuid-Darfur;

  • Vreemdelingen afkomstig uit Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile.

De uitzonderlijke situatie van artikel 15c van richtlijn 2004/83 EG is niet gerelateerd aan individuele vrees.

Een vreemdeling afkomstig uit Noord en Zuid-Darfur en uit Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile kan een vestigingsalternatief in een ander deel van Sudan hebben, wanneer de dreiging waaraan de vreemdeling wordt blootgesteld niet op de vreemdeling is gericht, maar uitsluitend een gevolg is van extreme situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83 EG.

Dit vestigingsalternatief geldt niet voor de vreemdeling, die:

  • behoort tot de niet-Arabische bevolkingsgroep uit Noord- en Zuid-Darfur;

  • behoort tot de bevolkingsgroep van de Nuba;

  • (vermeend) aanhanger is van SPLM/Noord in Zuid-Kordofan (inclusief Abyei) en Blue Nile.

Uitzondering hierop is de situatie dat de vreemdeling tenminste zes maanden zonder problemen heeft verbleven in de gebieden waar geen sprake is van een uitzonderlijke situatie.

25.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Sudan is geen sprake van systematische blootstelling aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

25.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND beschouwt uitsluitend als kwetsbare minderheidsgroep:

  • vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur);

  • vreemdelingen behorend tot de bevolkingsgroep van de Nuba.

25.5 Bescherming
25.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De autoriteiten en/of internationale organisaties in Sudan bieden in ieder geval geen bescherming aan de volgende categorieën vreemdelingen:

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor geweldpleging;

  • vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen hebben voor besnijdenis;

  • vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Zuid-, en West-Darfur);

  • vreemdelingen behorend tot de bevolkingsgroep van de Nuba;

  • vreemdeling, die (vermeend) aanhanger is van SPLM/Noord in Sudan.

25.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

De IND werpt een vlucht- of vestigingsalternatief niet tegen, behoudens de situatie als vermeld in paragraaf C7/25.4.1 Vc.

25.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
25.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

25.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

25.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

Ten aanzien van Sudan zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

25.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Sudan komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

25.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Daarbij geldt voor Sudan in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn;

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

25.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Sudan geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

25.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

26. Het asielbeleid ten aanzien van Syrië

26.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Syrië geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

26.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

26.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
26.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND beschouwt Syrië niet als land waarin sprake is van groepsvervolging.

26.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND heeft met betrekking tot Syrië geen risicogroepen aangewezen.

26.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
26.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Syrië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

26.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Syrië is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

26.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND heeft met betrekking tot Syrië geen kwetsbare minderheidsgroepen aangewezen.

26.4.4 Vreemdelingen die geen actieve aanhanger zijn van het regime

De IND acht het aannemelijk dat vreemdelingen uit Syrië die vanuit het buitenland terugkeren, bij of na inreis een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Een vreemdeling uit Syrië komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b Vw, indien de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw;

  • de vreemdeling is geen actieve aanhanger van het regime;

  • er is geen sprake van de omstandigheden genoemd in de paragrafen C2/5 Vc en C2/6 Vc die het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de weg staan.

26.5 Bescherming
26.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

26.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

26.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
26.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

26.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

26.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

8en aanzien van Syrië zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

26.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Syrië komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

26.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt of adequate opvang voor amv’s aanwezig is aan de hand van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

Voor Syrië geldt dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

26.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Syrië geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

26.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

27. Het beleid ten aanzien van Turkije

27.1 Besluitmoratorium

Ten aanzien van Turkije geldt geen besluit in de zin van artikel 43, aanhef en onder a, Vw.

27.2 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Geen bijzonderheden.

27.3 Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
27.3.1 Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

Niet van toepassing.

27.3.2 Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

Niet van toepassing.

27.3.3 Vervolging vanwege dienstweigering of desertie

Het algemene beleid, in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc is van toepassing.

De IND verleent in ieder geval geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als:

  • de vreemdeling zijn dienstplicht heeft afgekocht;

  • vrijgesteld is van zijn dienstplicht.

27.4 Foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 3 EVRM
27.4.1 Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

In Turkije is geen sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM.

27.4.2 Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Niet van toepassing.

27.4.3 Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Niet van toepassing.

27.5 Bescherming
27.5.1 Bescherming door autoriteiten en/of internationale organisaties in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

27.5.2 Vlucht- en vestigingsalternatief in de zin van paragraaf C2/6 Vc

Geen bijzonderheden.

27.6 Klemmende redenen van humanitaire aard in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc
27.6.1 Traumatabeleid

Geen bijzonderheden.

27.6.2 Bijzondere klemmende redenen van humanitaire aard

Geen bijzonderheden.

27.6.3 Specifieke groepen in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc

8en aanzien van Turkije zijn geen groepen aangewezen als specifieke groep in de zin van paragraaf C2/4.1 Vc.

27.7 Categoriale bescherming in de zin van paragraaf C2/4.2 Vc

Vreemdelingen uit Turkije komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

27.8 Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

In Turkije is adequate opvang beschikbaar in de zin van paragraaf B14/2.2.4 Vc.

27.9 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van Turkije geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

27.10 Bijzonderheden

Geen bijzonderheden.

TOELICHTING

ALGEMEEN

De vreemdelingencirculaire 2000 is geheel herschreven. In dit wijzigingsbesluit zijn de delen A en C opnieuw vastgesteld, op basis van de tekst zoals deze luidt per 1 januari 2013. De wijzigingen betreffen de structuur van de Vreemdelingencirculaire en de wijze waarop de tekst is geformuleerd. Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht, behoudens de wijzigingen die hieronder staan vermeld. Deze wijzigingen zijn uit efficiencyoverwegingen niet eerst in een apart wijzigingsbesluit neergelegd.

Het doel van de herschrijfoperatie is om de Vreemdelingencirculaire te laten voldoen aan de volgende uitgangspunten:

  • De ‘Aanwijzingen voor de regelgeving’ zijn leidend voor het formuleren van beleidsregels;

  • Eenduidig en helder taalgebruik;

  • Een beleidsregel eenmalig formuleren, geen doublures.

De Vreemdelingencirculaire bevat nu de beleidsregels die bij de Vreemdelingenwet 2000 en de lagere regelgeving horen. De teksten die een herhaling van wet- en regelgeving bevatten en de teksten die als voorbeelden of uitleg van de beleidsregels waren bedoeld, zijn geschrapt.

In de tekst zijn opsommingen opgenomen als er meer dan twee elementen in één zin voorkomen. Dat komt de duidelijkheid ten goede. Verder is er voor gekozen om te benoemen welke instantie of persoon een handeling verricht in plaats van de algemenere aanduiding, aangeduid met ‘er wordt’, in de oude tekst.

De structuur is aangepast. Elk hoofdstuk begint met een verwijzing naar de relevante wet- en regelgeving.

Waar mogelijk zijn de procedurele regels bij elkaar geplaatst. In het deel A zijn verschillende ongelijksoortige processen opgenomen, daar is het niet goed mogelijk om een uniforme indeling per hoofdstuk te maken. Verder zijn de oorspronkelijke hoofdstukken A1 en A7 vervallen. Het oude hoofdstuk A1 bevatte alleen verwijzingen, geen beleidsregels. Het oude hoofdstuk A7 was een beschrijving van het overgangsrecht van de Vreemdelingenwet 2000, dat na 13 jaar niet meer relevant is.

In het deel C is begonnen met de beschrijving van de aanvraagprocedures en de beoordeling van die aanvragen. Vervolgens wordt ingegaan op de specifieke aspecten. Zo zijn de internationale beschermingsgronden bij elkaar gevoegd, evenals de nationale beschermingsgronden. De landenparagrafen zijn nog steeds in een apart hoofdstuk opgenomen.

Het deel B zal zo spoedig mogelijk worden vastgesteld. De verwijzingen naar het deel B in de tekst van de delen A en C zullen daar dan op worden aangepast.

INHOUDELIJK

A

In hoofdstuk A2 is paragraaf 12 Signaleringen inhoudelijk gewijzigd. De oorspronkelijke tekst was niet correct en is aangepast aan het beleid conform richtlijn 2008/115/EG. De aanpassing ziet met name op de tekst aangaande het inreisverbod in relatie tot signalering van de vreemdeling.

B

In hoofdstuk A3 is paragraaf 4.1 Aanvragen van een geldig document voor grensoverschrijding inhoudelijk gewijzigd. De tekst over bewijsmiddelen die een vreemdeling verstrekt ter verkrijging van een geldig document voor grensoverschrijding is aangepast. De vreemdeling is er zelf verantwoordelijk voor dat informatie die hij verstrekt geen asielgerelateerde gegevens bevat.

C

In hoofdstuk A3 is paragraaf 11 Internationale overeenkomsten over terug- en overname inhoudelijk gewijzigd. De website waar naar verwezen werd voor verdragen of internationale overeenkomsten bestaat niet meer. In de tekst wordt verwezen naar de DT&V voor het verkrijgen van nadere informatie omtrent verdragen of internationale overeenkomsten en de te volgen procedures bij terug- of overname van vreemdelingen.

D

In hoofdstuk A5 is paragraaf 6.1 Vrijheidsontneming van vreemdelingen met rechtmatig verblijf inhoudelijk gewijzigd naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 augustus 2012.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, namens deze: L. Mulder, Directeur-generaal Vreemdelingenzaken.

Naar boven