Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 2609 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 2609 | Onteigeningen |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan onteigening uit kracht van een koninklijk besluit plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een inpassingsplan.
Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening
Provinciale Staten van Groningen verzoeken Ons bij besluit van 9 maart 2011, nr. A.3, om ten name van de provincie Groningen, over te gaan tot aanwijzing van een aantal onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Zuidhorn.
Op 16 maart 2011 hebben Gedeputeerde Staten van Groningen het besluit aan Ons voorgedragen.
Planologische grondslag
De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, zijn begrepen in het provinciale inpassingsplan Wegomlegging N355 (Noord- en Zuidhorn), verder te noemen: het inpassingsplan.
Het inpassingsplan is op 9 maart 2011, onder nr. A.2, vastgesteld door Provinciale Staten van Groningen en is ten tijde van dit besluit nog niet onherroepelijk van kracht.
Op de in het verzoek om onteigening begrepen onroerende zaken rusten de bestemmingen ‘Verkeer’, ‘Bedrijf-gronddepot’ en ‘Groen’.
Gelet op de status van verzoeker als opdrachtgever van het werk en toekomstig eigenaar en beheerder van de weg, kunnen wij verzoeker aanmerken als meest gerede partij bij de gevraagde onteigening.
Omdat het inpassingsplan ten tijde van dit besluit tot aanwijzing ter onteigening nog niet onherroepelijk van kracht is, zullen Wij aan dit besluit voorwaarden verbinden die zien op het tijdstip waarop een dagvaarding ingevolge artikel 18 van de onteigeningswet kan worden uitgebracht en die zien op het vervallen van dit besluit.
Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken en gegevens met ingang van 23 juni 2011 tot en met 3 augustus 2011 in de gemeente Zuidhorn en bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu (locatie Rijnstraat 8 te Den Haag) ter inzage gelegen.
Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb, heeft de burgemeester van Zuidhorn van het ontwerp koninklijk besluit en de terinzagelegging daarvan op 22 juni 2011 openbaar kennis gegeven in ‘Het Westerkwartier’. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerpbesluit openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 22 juni 2011, nr. 10774.
Verder heeft Onze Minister overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht het ontwerp koninklijk besluit per brief van 20 juni 2011, kenmerk BJZ 2011048251 toegezonden aan belanghebbenden, waaronder verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit.
Overwegingen
Noodzaak en urgentie
Het inpassingsplan voorziet in de aanleg van een nieuw tracé van de provinciale weg N355 ter hoogte van Zuidhorn en Noordhorn. Het huidige tracé loopt door de kernen van de deze plaatsen. De beoogde omlegging houdt in dat de weg ten oosten van de geplande nieuwbouwwijk Oostergast van Zuidhorn komt te lopen, met een vaste hoge brug het Van Starkenborghkanaal kruist en vervolgens westelijk afbuigt richting Noordhorn. Aldaar komt de weg gedeeltelijk in een tunnel te lopen en sluit uiteindelijk weer aan op het bestaande tracé. Door de omlegging worden de kernen ontlast van doorgaand verkeer, hetgeen de verkeersveiligheid en leefbaarheid ten goede komt. Daarnaast wordt voorkomen dat de bestaande weg een barrière gaat vormen tussen de kern Zuidhorn en de nieuw aan te leggen woonwijk. De nieuwe vaste brug krijgt een doorvaarthoogte die geënt is op de verbetering van het Van Starkenborghkanaal dat geschikt moet worden gemaakt voor containerschepen met maximaal vier gestapelde containers. De bestaande brug in de N355 zal bij opening minder verkeersoverlast genereren, nu het doorgaande verkeer via de vaste hoge brug het kanaal zal kruisen. De met de verdieping van het kanaal vrijkomende (zand)grond zal worden opgespoten ter plaatse van de in het inpassingsplan voorziene gronddepots. Op deze depots zullen de op- en afritten van de vaste brug worden aangelegd. Het inpassingsplan voorziet tevens in een groene inpassing van het tracé door Noordhorn. Om de uitvoering van het inpassingsplan mogelijk te maken zullen ook een aantal woonhuizen en een bedrijfspand gesloopt worden.
In de door de provincie voorgestane wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door het inpassingsplan met de daarbij behorende regels, toelichting en verbeelding, als ook door het Landschapsplan en het Beeldkwaliteitsplan.
Met de eigenaren van de in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken heeft de provincie overleg gevoerd om deze minnelijk in eigendom te kunnen verwerven. Met de eigenaren was ten tijde van het verzoekbesluit nog geen (definitieve) overeenstemming bereikt. Omdat het ten tijde van het verzoek niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn alsnog zou leiden tot vrijwillige eigendomsoverdracht, hebben Provinciale Staten van Groningen tot hun verzoek besloten om de tijdige verwezenlijking van het inpassingsplan zeker te stellen.
Zienswijzen
Het ontwerp koninklijk besluit met bijbehorende stukken heeft met ingang van 23 juni 2011 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Bij Ons zijn tijdig tegen de voorgenomen onteigening per brief en fax van 3 augustus 2011 zienswijzen ingediend door mr. W. van de Wetering namens de erven van mevrouw J. Smuling-de Groot, te weten: drs. H.M. van Es-Smuling te Bentveld, mr. J.J.A. Smuling te Overveen en mr. C.M. Smuling te Amsterdam, verder gezamenlijk te noemen: reclamanten.
Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet zijn reclamanten in de gelegenheid gesteld zich te doen horen. Van deze gelegenheid hebben reclamanten gebruik gemaakt.
Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen
Reclamanten brengen de volgende zienswijzen naar voren:
1. De kennisgeving (met het ontwerp koninklijk besluit) is toegezonden aan wijlen mevrouw Smuling-de Groot; overleden op 30 oktober 2001. Derhalve is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 78, lid 2, van de onteigeningswet, jo. artikel 3: 13, eerste lid, van de Awb. Daardoor is ook de termijn waarbinnen reclamanten nog zienswijzen konden indienen buitengewoon kort geweest. Reclamanten verzoeken om verlenging van de termijn met tenminste twee weken.
2. De bestemming ‘Bedrijf-Gronddepot’ is voor een belangrijk deel een tijdelijke bestemming. Bovendien is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het inpassingsplan waarbij deze bestemming kan worden gewijzigd in een agrarische bestemming. Uit het inpassingsplan blijkt niet dat alle te onteigenen gronden ook daadwerkelijk voor het gronddepot benodigd zijn. Alleen al om die reden staat de noodzaak tot onteigening onvoldoende vast, zo ook door de mogelijkheid dat de gronden na de functie van gronddepot weer de agrarische bestemming zullen herkrijgen. In het kader van onderhandelingen over minnelijke verwerving is met reclamanten niet gesproken over een mogelijkheid hun gronden terug te verwerven nadat de functie van gronddepot is geëindigd. De noodzaak tot onteigening is ook niet, althans onvoldoende aangetoond vanwege onduidelijkheid over de kwaliteit van het slib. De bestemming ‘Bedrijf-Gronddepot’ moet het storten van slib uit het Van Starkenborghkanaal mogelijk maken. De provincie heeft echter nagelaten aan te tonen dat het slib niet verontreinigd is. Indien het verontreinigd is kan het daarvoor bestemde depot dus niet gebruikt worden. Reclamanten zijn van mening dat de provincie onvoldoende serieuze pogingen heeft gedaan om de gronden in der minne te verwerven.
De zienswijzen van reclamanten geven Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.
Met betrekking tot de kennisgeving overwegen Wij dat overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de onteigeningswet, als eigenaar wordt beschouwd een ieder die als zodanig in de kadastrale registratie staat vermeld. In het onderhavige geval staat als eigenaar vermeld mevrouw J. de Groot, wonende Schulpweg 2, 2111 AM te Aerdenhout met postadres Mauricialaan 52, 2051 LH te Overveen. Op laatstvermeld adres is de heer J.J.A. Smuling woonachtig, één van de erfgenamen en reclamanten. Uit het ingestelde onderzoek is naar voren gekomen dat de erfgenamen vanaf dit adres corresponderen en kennis hebben genomen van brieven verzonden naar dit postadres. Zo heeft de heer J.J. van Es, echtgenoot van één van de erfgenamen, op 21 juli jl. nog gebeld met vragen over de onteigeningsprocedure, met daarbij de opmerking dat hij gedurende de vakantie van zijn zwager de belangen behartigde. Per brief van 21 juli 2011 is aan de gemachtigde van reclamanten op zijn verzoek de set stukken (persoonlijke kennisgeving van het ontwerp koninklijk besluit c.a.) toegezonden, zoals die eerder per brief op 6 juni 2011 aangetekend is verstuurd aan mevrouw J. de Groot, Schulpweg 2 te Aerdenhout. In verband met een verzuimde lokale publicatie hebben Wij een nieuwe termijn van terinzageligging bepaald. Op 14 juni 2011 zijn belanghebbenden, waaronder mevrouw De Groot op bovenvermeld adres hiervan in kennis gesteld, onder verwijzing naar de eerder toegezonden stukken.
Volledigheidshalve kan nog worden opgemerkt dat Gedeputeerde Staten van Groningen de erven op 18 januari 2011 hebben geïnformeerd over hun voornemen om provinciale staten te laten besluiten om de Kroon te verzoeken de benodigde gronden ter onteigening aan te wijzen. De erven zijn hierdoor ook in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de besluitvorming door provinciale staten voor hun belangen op te komen. Tot de datum van het besluit van provinciale staten hebben reclamanten hier geen gebruik van gemaakt.
Ons is gebleken dat door verzoeker bij het opmaken van de lijst van belanghebbenden als bedoeld in artikel 79, ten zesde, van de onteigeningswet, niettemin niet is onderkend dat reclamanten als belanghebbenden bij een ontwerp onteigeningsbesluit hierop dienden te worden vermeld. Als gevolg van het minnelijke overleg waren zij immers als zodanig bekend. Om die reden heeft Onze Minister niet op de juiste wijze toepassing kunnen geven aan artikel 3:13 van de Awb. Mede gelet op het feit dat reclamanten tijdig zienswijzen bij Ons naar voren hebben kunnen brengen en tijdens het horen op 22 november 2011 in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijzen nader toe te lichten, zijn Wij van oordeel dat reclamanten echter niet in hun belangen in deze onteigeningsprocedure zijn geschaad, zodat er in zoverre voor Ons geen aanleiding bestaat om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Ten aanzien van het door reclamanten gestelde over het ontbreken van de noodzaak van de onteigening overwegen Wij als volgt.
a. Toekomstige bestemming
Weliswaar wordt in de toelichting op het inpassingsplan de functie van gronddepot als een tijdelijke activiteit beschouwd, maar zoals blijkt uit artikel 3 van de regels van het inpassingsplan betreft het een definitieve bestemming, en geen voorlopige. De bestemming bedrijf/ gronddepot kan derhalve op de grond blijven rusten gedurende de looptijd van het plan. Het inpassingsplan kent een wijzigingsbevoegdheid om de bestemming onder voorwaarden te kunnen wijzigen in agrarisch. Zoals uit de regels blijkt, kent deze agrarische bestemming eveneens mogelijkheden voor natuur, landschap en ecologisch medegebruik en is daarmee anders dan de bestemming van voor het inpassingsplan. De exacte invulling van de agrarische bestemming zal echter eerst in de toekomst kunnen blijken uit een wijzigingsplan. Wel blijkt uit de hiervoor aangehaalde ruimtelijke ontwikkeling dat de agrarische bestemming moet passen binnen het grotere verband. Gegeven de in het bestemmingsplan vastgelegde mogelijkheid tot wijziging van de bestemming had – ter voorkoming van onteigening – de mogelijkheid van het bij minnelijke overeenkomst toestaan van het thans voorgenomen gebruik aan de orde kunnen komen. In dit geval was en is daarvoor naar Ons oordeel evenwel geen aanleiding. De erfgenamen hebben immers nimmer de wens uitgesproken de grond weer te kunnen gebruiken. Dit staat ook haaks op hun wens om alle gronden te verkopen waarbij zij zelf een regeling met hun pachter maken.
b. Kwaliteit van het slib
De kwaliteit van het slib lijkt Ons geen zienswijze die relevant is voor het al dan niet ter onteigening aanwijzen van de benodigde gronden. De milieuwetgeving biedt naar ons idee voldoende waarborgen om te zorgen dat het slib op een gepaste wijze wordt aangebracht, toegepast en/ of verwerkt.
c. Minnelijke verwerving
In dit verband overwegen Wij allereerst in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst door minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan, indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen, is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en dat op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kunnen Wij tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het bestemmingsplan zeker te stellen.
In het bijzonder overwegen Wij dat de provincie herhaaldelijk met de erven dan wel met de door de erven ingeschakelde onteigeningsdeskundige heeft gesproken over de verwerving van de benodigde percelen/ perceelsgedeelten. Vanaf 2005 zijn hierover reeds gesprekken gevoerd. Thans vindt er bijna driewekelijks een gesprek plaats met deze deskundige, zodat Wij van mening zijn dat er wel degelijke serieuze pogingen zijn en worden ondernomen om bij minnelijke overeenkomst tot verwerving van de gronden te komen. Gezien de wens van de erven en hun pachter is naast de minnelijke verwerving van de benodigde gronden eveneens gesproken over de verwerving van het gehele bedrijf. Deze gesprekken zijn tot op heden echter vruchteloos gebleken en een concreet uitzicht op minnelijke verwerving is erop dit moment niet.
Alles overziende geven de zienswijzen van reclamanten Ons geen aanleiding om het verzoek om onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Overige overwegingen
Per e-mail van 30 augustus 2011 is namens verzoeker aan Ons meegedeeld dat wegens het bereiken van definitieve overeenstemming inzake aankoop van de onroerende zaken met de grondplannummers 4 tot en met 16 het niet langer nodig is dat deze onroerende zaken door Ons onteigening worden aangewezen. Derhalve zullen Wij het verzoek tot aanwijzing ter onteigening in zoverre afwijzen wegens het ontbreken van de noodzaak daaraan.
Uit het besluit van Provinciale Staten van Groningen blijkt dat de overige in het verzoek tot onteigening begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het inpassingsplan bezwaarlijk kunnen worden gemist.
Ons is overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de toewijzing van het verzoek in de weg kunnen staan.
Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht, dat de provincie de eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.
BESLISSING
Gelet op de onteigeningswet,
Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 12 december 2011, nr. RWSCD BJV 2011/1500, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed;
Gelezen het besluit van Provinciale Staten van Groningen van 9 maart 2011, nr. A.3;
Gelezen de brief van Gedeputeerde Staten van Groningen van 16 maart 2011, kenmerk 2011-10.936/11 – 312806 en de e-mail van 30 augustus 2011 (14:51);
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 12 januari 2012 no. W14.11.0530/IV, en gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 20 januari 2012, nr. RWSCD BJV 2012/105, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.
Hebben Wij goedgevonden en verstaan:
Ten behoeve van de uitvoering van het inpassingsplan ‘Wegomlegging N355 (Noordhorn-Zuidhorn)’ van de provincie Groningen ten name van die provincie ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, zoals aangeduid op de grondtekeningen (d.d. 25 november 2010, nrs. 009-005, 009-006 en 009-007), die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Zuidhorn en bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu ter inzage hebben gelegen en voor zover die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.
Zulks onder de voorwaarden, dat niet zal worden overgegaan tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet, vóór dat het inpassingsplan onherroepelijk van kracht zal zijn met betrekking tot de in het onteigeningsverzoek begrepen gronden en dat dit aanwijzingsbesluit vervalt, indien het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan met betrekking tot die gronden in beroep zal worden vernietigd.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden gezonden.
Den Haag, 26 januari 2012
Beatrix
De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.
VERZOEKENDE INSTANTIE: PROVINCIE GRONINGEN
|
Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Zuidhorn |
|||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Grondplan nr. |
Te onteigenen grootte |
Als |
Ter grootte van |
Sectie en nr. |
Ten name van |
||||
|
ha |
a |
ca |
ha |
a |
ca |
||||
|
3 |
0 |
12 |
18 |
Wonen erf-tuin |
0 |
12 |
18 |
A 1436 |
Onbekend aandeel in de eigendom: Jannes Heemstra |
|
Onbekend aandeel in de eigendom: Lutgerdina Geertruida Westra |
|||||||||
|
21 |
1 |
79 |
95 |
Terrein (akkerbouw) |
1 |
93 |
60 |
A 362 |
Wijlen Johanna de Groot |
|
22 |
1 |
81 |
10 |
Terrein (akkerbouw) |
1 |
93 |
20 |
A 363 |
Als grondplannummer 21 |
|
23 |
1 |
31 |
30 |
Terrein (akkerbouw) |
1 |
31 |
30 |
A 372 |
Als grondplannummer 21 |
|
24 |
1 |
55 |
95 |
Terrein (akkerbouw) |
1 |
72 |
30 |
A 371 |
Als grondplannummer 21 |
|
25 |
2 |
32 |
85 |
Terrein (akkerbouw) |
2 |
44 |
80 |
A 373 |
Als grondplannummer 21 |
|
26 |
2 |
90 |
15 |
3 |
02 |
20 |
A 376 |
Als grondplannummer 21 |
|
Behoort bij koninklijk besluit van 26 januari 2012, nr. 12.000123.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-2609.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.