Advies Raad van State, betreffende besluit van ..., tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd

Nader Rapport

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 27 december 2011, nr. 11.003132, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen.

Dit advies, gedateerd 1 februari 2012, nr. W05.11.0538/I, bied ik U hierbij aan.

Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.

Het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur houdt verband met de Wet van 28 juni 2012 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onderwijskwaliteit, onderwijstijd en vakanties (Stb. 2012, 339). Naar aanleiding van de parlementaire behandeling van die wet is de nota van toelichting bij het ontwerp, zoals die eerder aan U is aangeboden ten behoeve van advisering door de Afdeling advisering van de Raad van State, op een paar punten geactualiseerd. Zo heeft onder meer aanpassing plaatsgevonden naar aanleiding van een toezegging van de regering en naar aanleiding van vragen van het parlement over de consequenties van de nieuwe regels voor het totale aantal beschikbare onderwijsdagen per schooljaar.

Tijdens de plenaire behandeling in de Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft de regering een aanscherping toegezegd van de formulering van het in de genoemde wet opgenomen artikel 14, vierde lid, van de Wet medezeggenschap op scholen. Het betreft een aanscherping in technische zin van de in dat artikellid gehanteerde zinsnede ‘de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van een onderwijsprogramma’. Het bij koninklijke boodschap van 12 juli 2012 ingediende voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om wetstechnische gebreken te herstellen, om de mogelijkheid tot afwijking van de wet bij lagere regelgeving in bepaalde gevallen te beëindigen, om uitgewerkte overgangsbepalingen te schrappen en het nog geldend overgangsrecht over te brengen naar de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en om de naamgeving van de ministeries aan te passen (Kamerstukken II 2011/2012, 33 336, nr. 2) strekt daartoe. In lijn daarmee staat genoemde zinsnede niet langer in de nota van toelichting.

Tijdens de parlementaire behandeling van de genoemde Wet van 28 juni 2012 (Stb. 2012, 339) werden vragen gesteld over de consequenties van de nieuwe regels – regels over het aantal dagen per schooljaar waarop geen onderwijs behoeft te woren verzorgd – voor het totale aantal dagen per schooljaar dat wél beschikbaar is voor het verzorgen van onderwijs. De regering heeft destijds in reactie daarop die consequenties uiteengezet. In lijn daarmee is ook in de nota van toelichting een passage opgenomen over die consequenties (zie paragraaf 3 van de toelichting, onder het opschrift ‘Onderwijsdagen en onderwijsvrije dagen’).

Tevens zijn in het ontwerp-besluit en de bijbehorende nota van toelichting enkele tekstuele aanpassingen van ondergeschikte aard aangebracht.

Ik moge U hierbij, mede namens mijn ambtgenoot van Economische zaken, Landbouw en Innovatie, het gewijzigde ontwerp-besluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

Advies Raad van State

No. W05.11.0538/I

’s-Gravenhage, 1 februari 2012

Bij Kabinetsmissive van 27 december 2011, no.11.003132, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling geeft U in overweging dienovereenkomstig te besluiten.

Gelet op artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, is de Afdeling van oordeel dat openbaarmaking van dit advies achterwege kan blijven.

De Vice-President van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ..., tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 20 december 2011, nr. WJZ/355154 (3834), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie;

Gelet op artikel 22, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 45, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs BES;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van xxx, nr. xxx);

Gezien het nader rapport van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van xxx, nr. xxx, directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT WVO

De artikelen 16 en 17 van het Inrichtingsbesluit WVO komen te luiden:

Artikel 16. Vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd
  • 1. Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste voor vakanties op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van de wet, mag worden besteed, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek.

  • 2. Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek. Op die zondagen respectievelijk zaterdagen en zondagen wordt geen onderwijs verzorgd.

  • 3. Tenzij vallend binnen een op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van de wet vastgestelde vakantie, worden de volgende dagen, waarop eveneens geen onderwijs wordt verzorgd, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid:

    • a. nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en de beide kerstdagen, alsmede

    • b. koninginnedag en bevrijdingsdag.

  • 4. Indien aan een bijzondere school onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het derde lid, onderdeel a, genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kan in plaats van op de dagen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, die vallen buiten een op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van de wet vastgestelde vakantie, geen onderwijs worden verzorgd op andere dagen. Bij toepassing van de eerste volzin worden laatstgenoemde dagen niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid. De eerste volzin kan per schooljaar worden toegepast voor ten hoogste het aantal dagen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, dat buiten een op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van de wet vastgestelde vakantie valt.

  • 5. Indien na aftrek van het aantal dagen dat wordt besteed voor vakanties op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van de wet, dagen resteren van de in het eerste lid bedoelde aantallen, kan het bevoegd gezag voor het betreffende schooljaar een of meer vakanties vaststellen waarvoor ten hoogste dat resterend aantal dagen mag worden besteed.

Artikel 17. Aanwijzing overige dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd

Buiten de vakanties en de andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd ingevolge artikel 6g, vierde lid, en artikel 22, tweede lid, tweede volzin, van de wet en artikel 16, tweede tot en met vijfde lid, wijst het bevoegd gezag bij een zesdaagse schoolweek vier dagen en bij een vijfdaagse schoolweek drie dagen per schooljaar aan waarop geen onderwijs wordt verzorgd.

ARTIKEL II. WIJZIGING INRICHTINGSBESLUIT WVO BES

Artikel 15 van het Inrichtingsbesluit WVO BES wordt vervangen door:

Artikel 15. Vakanties en andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd
  • 1. Het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste voor vakanties op grond van artikel 45, tweede lid, tweede volzin, van de wet, mag worden besteed, bedraagt 66 bij een zesdaagse schoolweek en 55 bij een vijfdaagse schoolweek.

  • 2. Onder dagen in het eerste lid wordt verstaan elke dag van de week met uitzondering van de zondag bij een zesdaagse schoolweek en met uitzondering van de zaterdag en de zondag bij een vijfdaagse schoolweek. Op die zondagen respectievelijk zaterdagen en zondagen wordt geen onderwijs verzorgd.

  • 3. Tenzij vallend binnen een op grond van artikel 45, tweede lid, tweede volzin, van de wet vastgestelde vakantie, worden de volgende dagen, waarop eveneens geen onderwijs wordt verzorgd, niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid:

    • a. nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en de beide kerstdagen, alsmede

    • b. koninginnedag en koninkrijksdag.

  • 4. Indien aan een bijzondere school onderwijs wordt gegeven gebaseerd op een levensbeschouwing volgens welke andere dan de in het derde lid, onderdeel a, genoemde dagen als feestdagen worden aangemerkt, kan in plaats van op de dagen, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, die vallen buiten een op grond van artikel 45, tweede lid, tweede volzin, van de wet vastgestelde vakantie, geen onderwijs worden verzorgd op andere dagen. Bij toepassing van de eerste volzin worden laatstgenoemde dagen niet meegeteld bij het aantal dagen, bedoeld in het eerste lid. De eerste volzin kan per schooljaar worden toegepast voor ten hoogste het aantal dagen als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, dat buiten een op grond van artikel 45, tweede lid, tweede volzin, van de wet vastgestelde vakantie valt.

  • 5. Indien na aftrek van het aantal dagen dat wordt besteed voor vakanties op grond van artikel 45, tweede lid, tweede volzin, van de wet, dagen resteren van de in het eerste lid bedoelde aantallen, kan het bevoegd gezag voor het betreffende schooljaar een of meer vakanties vaststellen waarvoor ten hoogste dat resterend aantal dagen mag worden besteed.

Artikel 15a. Aanwijzing overige dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd

Buiten de vakanties en de andere dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd ingevolge artikel 12a, vierde lid, en artikel 45, tweede lid, tweede volzin, van de wet en artikel 15, tweede tot en met vijfde lid, wijst het bevoegd gezag bij een zesdaagse schoolweek vier dagen en bij een vijfdaagse schoolweek drie dagen per schooljaar aan waarop geen onderwijs wordt verzorgd.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

De Minister van Economische zaken, Landbouw en Innovatie,

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Op 1 augustus 2012 treedt de Wet tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met onderwijskwaliteit, onderwijstijd en vakanties (hierna: wet Onderwijstijd VO) in werking. Die wet bevat een nieuwe regeling voor de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs. Deze nieuwe regeling vervangt de vorige, in verschillende wetsartikelen opgenomen, bepalingen over onderwijstijd, en biedt ruimte én waarborgen om de kwantitatieve en kwalitatieve invulling van het onderwijsprogramma en de betrokkenheid van ouders en leerlingen daarbij op schoolniveau vorm te geven.

In het dossier onderwijstijd is sprake van complexe en uiteenlopende – soms ook tegenstrijdige – belangen van de verschillende partijen. De wet Onderwijstijd VO en onderhavig besluit vormen een evenwichtig totaalpakket aan maatregelen met betrekking tot de onderwijstijd, waarbij die belangen in balans zijn gebracht. Een element van dat totaalpakket is het maximaliseren van het beschikbare aantal dagen om de benodigde onderwijstijd te realiseren. Dit element wordt in deze Algemene Maatregel van Bestuur uitgewerkt.

2. Beperking van het aantal dagen dat niet beschikbaar is voor onderwijs

Scholen moeten voldoende dagen beschikbaar hebben om de wettelijk voorgeschreven hoeveelheid onderwijstijd te kunnen verzorgen. De onderwijstijd moet nu echter in relatief korte tijd gerealiseerd worden. Ook vergen bijvoorbeeld vergaderingen, professionaliseringsactiviteiten en andere niet-lesgebonden werkzaamheden van leraren de nodige tijd. Als scholing van leraren voor een belangrijk deel binnen de reguliere schooltijden plaatsvindt, leidt dit tot een verdere beperking van het aantal beschikbare dagen waarop leerlingen onderwijs krijgen. Om dit te compenseren kiezen sommige scholen voor langere schooldagen. De Commissie Onderwijstijd, wiens advies ten grondslag ligt aan de wet Onderwijstijd VO, achtte dit kwalitatief niet verantwoord en was van mening dat het tot een verstoring van het jaarritme voor leerlingen leidt. De Commissie beval daarom aan om de lesvrije periode in de zomer minder lang te maken dan in de huidige situatie en om scholen meer ruimte te bieden om de voorziene uitval door het schooljaar heen te reduceren.

Het is dus nodig dat er voldoende dagen beschikbaar zijn om de wettelijk voorgeschreven hoeveelheid onderwijstijd te kunnen realiseren. Dat is evenwel niet de enige reden om het aantal dagen dat niet beschikbaar is voor het verzorgen van onderwijs te maximeren. Veel ouders constateerden immers dat er niet alleen veel te weinig onderwijstijd werd verzorgd, maar ook dat er te veel schooldagen uitvielen. Het maximeren van het aantal dagen waarop geen onderwijs verzorgd hoeft te worden geeft ouders en leerlingen de gewenste helderheid en zekerheid over het aantal dagen onderwijs waarop zij recht hebben.

Als uitwerking van de aanbevelingen van de Commissie Onderwijstijd zal bij ministeriële regeling op grond van artikel 22 van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) de duur van de door de overheid vastgestelde zomervakantie in het voortgezet onderwijs worden geharmoniseerd met de duur van de zomervakantie in het primair onderwijs: zes (in plaats van zeven) aaneengesloten weken. Daarnaast is in de wet (artikel 6g, vierde lid, WVO) het aantal werkdagen waarop geen onderwijs behoeft te worden verzorgd, beperkt tot maximaal negen.

In samenhang met wat zoals hierboven beschreven in de wet en bij ministeriële regeling wordt geregeld, regelt dit besluit het volgende.

3. Inhoud besluit
Minder vakantiedagen, aanwijzing drie onderwijsvrije dagen

In verband met het bovengenoemde inkorten van de centraal vastgestelde zomervakantie wordt het aantal vakantiedagen teruggebracht tot 55 bij een vijfdaagse schoolweek (nieuw artikel 16, eerste lid) . De verdiscontering van twee dagen in het aantal van negen dagen, bedoeld in artikel 6g, vierde lid, WVO, houdt verband met deze inkorting van de zomervakantie. Tevens staat tegenover deze inkorting dat ingevolge onderhavig besluit het bevoegd gezag drie dagen per schooljaar dient aan te wijzen waarop geen onderwijs wordt verzorgd (het nieuwe artikel 17 Inrichtingsbesluit WVO).

Het aanwijzen van de drie onderwijsvrije dagen biedt scholen meer ruimte om op schoolniveau keuzes te maken voor een jaarindeling die aansluit bij het onderwijsconcept en het gewenste werkritme van leerlingen, en om leraren in de gelegenheid te stellen niet-lesgebonden taken en daarmee de werkdruk beter over het jaar te spreiden. Het is aan werkgevers en werknemers om over de invulling van deze voor leerlingen onderwijsvrije dagen afspraken te maken.

Op grond van de wet (artikel 10 van de Wet medezeggenschap op scholen (WMS)) heeft de volledige medezeggenschapsraad instemmingsrecht op het plannen van de drie hierboven genoemde onderwijsvrije dagen. De personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad heeft daarnaast instemmingsrecht op de invulling van die drie dagen (artikel 12 WMS): welke werkzaamheden verrichten leraren op die dagen? Op schoolniveau kan bepaald worden dat leraren niet-lesgebonden activiteiten (die nu vaak leiden tot lesuitval of lange werkdagen en hoge werkdruk) op de voor leerlingen onderwijsvrije dagen uitvoeren, of dat leraren op (een deel van) die dagen vrij zijn.

Er is dus sprake van twee ‘categorieën’ onderwijsvrije dagen:

  • maximaal negen dagen waarop, op grond van artikel 6g, vierde lid, WVO, geen onderwijs behoeft te worden verzorgd als leraren op die dagen andere werkzaamheden verrichten (het mogen ook minder dan negen dagen zijn);

  • exact drie dagen waarop, op grond van het nieuwe artikel 17 Inrichtingsbesluit WVO, geen onderwijs wordt verzorgd en waarop leraren al dan niet andere werkzaamheden verrichten.

Feestdagen in centraal vastgestelde vakantieweken niet gecompenseerd

Bij ministeriële regeling op grond van artikel 22 WVO zullen zes weken zomervakantie, twee weken kerstvakantie en één week meivakantie worden vastgesteld. Als een nationale of christelijke feestdag binnen zo’n centraal vastgestelde vakantieweek valt, wordt dit ingevolge het nieuwe derde lid van artikel 16, niet meer gecompenseerd en leidt dit niet meer tot extra dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd. In de oude situatie fluctueerde het aantal dagen dat beschikbaar is om onderwijs te verzorgen. De reden daarvan was dat het aantal dagen waarop geen onderwijs verzorgd wordt per jaar verschilt, al naar gelang feestdagen in een vastgestelde vakantie vallen. Het aantal vakantiedagen werd ‘gecompenseerd’ ten koste van het aantal onderwijsdagen. In de nieuwe situatie wordt er (op grond van het nieuwe derde en vierde lid van artikel 16) niet meer ‘gecompenseerd’. Op deze wijze wordt een meer voorspelbare en stabiele situatie rondom vakanties en feestdagen gecreëerd, zodat leerlingen altijd het onderwijs kunnen krijgen waarop zij recht hebben.

De verdiscontering van twee dagen in het aantal van negen dagen, bedoeld in artikel 6g, vierde lid, WVO, houdt verband met dit niet langer compenseren.

Schooleigen keuzes voor vakantieweken

Er worden in totaal negen weken vakantie centraal vastgesteld. Aangezien er in totaal sprake is van 55 vakantiedagen, zijn er nog twee vakantieweken over. Op grond van het vijfde lid van artikel 16 kan het bevoegd gezag zelf voor een maximum van twee weken andere vakanties vaststellen. Op schoolniveau kan er bijvoorbeeld voor gekozen worden een tweede meivakantieweek of een week vakantie met carnaval in te plannen. De beschikbare dagen kunnen in weken, in één of meer losse dagen of een combinatie daarvan worden ingezet. Voorafgaande aan het schooljaar moet de school ouders en leerlingen en andere belanghebbenden informeren over de vakanties en de overige dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd. Zo is voor alle betrokkenen helder welke dagen wel en welke dagen niet beschikbaar zijn voor onderwijs.

4. Caribisch Nederland

Deze Algemene Maatregel van Bestuur regelt bovengenoemde punten zowel voor Nederland als voor Caribisch Nederland. Daarbij wordt, net zoals bij de wet Onderwijstijd VO, voor Caribisch Nederland aangesloten bij hoe één en ander voor Europees Nederland wordt geregeld, met dien verstande dat er enkele verschillen zijn. Caribisch Nederland kent niet de systematiek van de Wet medezeggenschap op scholen, en in Caribisch Nederland is – zoals dat al het geval was – Koninkrijksdag een onderwijsvrije dag in plaats van Bevrijdingsdag.

5. Draagvlak

De wet Onderwijstijd VO en deze Algemene Maatregel van Bestuur zijn grotendeels een uitwerking van de aanbevelingen van de Commissie Onderwijstijd. De Commissie Onderwijstijd heeft de verschillende belangen afgewogen en een pakket van maatregelen geadviseerd. Er is grotendeels begrip voor dat de aanbevelingen van de Commissie Onderwijstijd als totaalpakket gezien moeten worden, waarin alle partijen iets «krijgen» en iets moeten «geven», hetgeen impliceert dat een partij het ene onderdeel van het advies positiever waardeert dan het andere onderdeel. Dit is ook gebleken tijdens de diverse discussies bij de totstandkoming van de wet Onderwijstijd VO en de (parlementaire) bespreking daarvan. Met name de hoogte van de norm en het aantal (rooster)vrije dagen hebben geleid tot het nodige debat.

6. Uitvoeringsgevolgen

Dit besluit heeft geen uitvoeringsconsequenties voor DUO en leidt niet tot bezwaren op handhavingsvlak.

7. Administratieve lasten

Dit besluit brengt geen administratieve lasten met zich mee.

8. Financiële gevolgen

Dit besluit heeft geen financiële gevolgen voor de Rijksoverheid.

Artikelsgewijs

Artikel I
Artikel 16 Inrichtingsbesluit WVO

Het eerste lid van artikel 16 noemt het aantal dagen dat per schooljaar ten hoogste aan vakanties mag worden besteed. Het gaat dan om vakanties die bij ministeriële regeling worden vastgesteld op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, WVO.

Het tweede en derde lid van artikel 16 regelen dat op bepaalde dagen geen onderwijs wordt verzorgd. Het betreft de weekeinden en de feestdagen.

Het aantal zaterdagen, zondagen en feestdagen staat vast: elk jaar is immers bekend welke dagen dit zijn. Op die dagen wordt geen onderwijs verzorgd. Dit was al geregeld in het voormalige tweede lid van het artikel 16, en wordt nu gehandhaafd in het tweede en derde lid van het nieuwe artikel 16.

Tevens geven beide leden aan of die dagen meetellen als een ‘vakantiedag’. Het gaat dan louter over de vakanties waar het eerste lid het over heeft, namelijk de vakanties die worden vastgesteld bij ministeriële regeling op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, WVO. Als een feestdag in zo’n vakantie valt, dan telt die dag mee als vakantiedag. Er bestaat in zo’n geval geen recht op een extra onderwijsvrije dag.

De term ‘nationale feestdagen’ zoals die voorheen in artikel 16 stond, is vervangen door een precieze duiding van de dagen waar het om gaat: koninginnedag en bevrijdingsdag.

Het vierde lid bevat eenzelfde uitzondering voor het bijzonder onderwijs zoals voorheen al geregeld was in artikel 16, derde lid (oud). In de formulering heeft een technische doorwerking plaatsgevonden in verband met het niet langer compenseren van feestdagen die in een centraal vastgestelde vakantie vallen (zie het nieuwe derde lid).

Op grond van het vijfde lid kan het bevoegd gezag zelf vakanties vaststellen. Het bevoegd gezag kan dat doen als de vakanties die zijn vastgesteld bij ministeriële regeling op grond van artikel 22, tweede lid, tweede volzin, WVO, minder dagen omspannen dan ingevolge het eerste lid maximaal is toegestaan.

Ten opzichte van het oude artikel 16, geeft het nieuwe artikel 16 de systematiek omtrent de dagen waarop geen onderwijs wordt verzorgd uitdrukkelijker weer.

Artikel 17 Inrichtingsbesluit WVO

Dit artikel bevat de verplichting voor het bevoegd gezag om drie dagen per schooljaar aan te wijzen waarop geen onderwijs wordt verzorgd. Deze dagen mogen niet samenvallen met de dagen waarop ingevolge andere bepalingen geen onderwijs wordt verzorgd.

Artikel II

De wijzigingen die artikel I aanbrengt in het Inrichtingsbesluit WVO, worden door artikel II op overeenkomstige wijze doorgevoerd in de regelgeving voor Caribisch Nederland.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Naar boven