Besluit van 26 oktober 2012, nr. 12.002520, houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Katwijk krachtens artikel 78 van Titel IV van de onteigeningswet (onteigeningsplan Rijnsoever-Noord)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan onteigening uit kracht van een koninklijk besluit plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De raad van de gemeente Katwijk verzoekt Ons bij besluit van 30 juni 2011, om ten name van die gemeente over te gaan tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Katwijk. Bij brief van 15 september 2011 hebben burgemeester en wethouders van Katwijk het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek van de raad van Katwijk betrekking heeft, zijn begrepen in het bestemmingsplan “Rijnsoever-Noord” (verder te noemen: het bestemmingsplan) en het uitwerkingsplan “Rijnsoever-Noord fase 3” (verder te noemen: het uitwerkingsplan), van de gemeente Katwijk. Het bestemmingsplan is op 26 april 2007 vastgesteld door de raad van de gemeente Katwijk en is onherroepelijk van kracht vanaf 12 oktober 2007. Het uitwerkingsplan is door burgemeester en wethouders van Katwijk vastgesteld op 26 april 2011 en is onherroepelijk van kracht vanaf 18 juni 2011.

De in het verzoek om onteigening begrepen onroerende zaken zijn in het bestemmings- en uitwerkingsplan aangewezen voor de bestemming “Wonen (uit te werken)” met gedeeltelijk als dubbelbestemming “Hoogwaardig openbaar vervoertracé”; onderscheidenlijk de bestemmingen “Wonen”, “Tuin”, “ Water”, “Groen”, “Verkeer” en ”Verkeer-Verblijfsgebied”, alsmede de dubbelbestemmingen “Waarde-Archeologie” en “ Waarde-Archeologisch verwachtingsgebied”.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken en gegevens met ingang van 13 april 2012 tot en met 24 mei 2012 in de gemeente Katwijk en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht, ter inzage gelegen. Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb, heeft de burgemeester van Katwijk van het ontwerp koninklijk besluit en de terinzagelegging daarvan op 12 april 2012 openbaar kennis gegeven in de plaatselijk verschijnende “Katwijksche Post”. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerpbesluit openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 12 april 2012, nr 6516.

Verder heeft Onze Minister overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb het ontwerp koninklijk besluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een woongebied waarin plaats zal zijn voor ongeveer 435 woningen. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de wijk Rijnsoever en grenst aan de gemeente Noordwijk. Het uitwerkingsplan ziet op het noordwestelijke deel van het plangebied waarin ongeveer 142 woningen met bijbehorende (infrastructurele) voorzieningen zijn geprojecteerd. Het onteigeningsplan omvat twee onroerende zaken die zijn gelegen aan de Zwarteweg.

De uitvoering van het bestemmingsplan c.a. vindt plaats in drie fasen. Met de realisatie van de woningbouwplannen in de eerste twee fasen is al een begin gemaakt. Om de afronding van fase 3 mogelijk te maken moet de gemeente nog kunnen beschikken over de in de onteigening begrepen onroerende zaken. Zodra de eigendom is verworven van deze onroerende zaken zal met de bouw van de woningen en de aanleg van de infrastructuur een aanvang worden genomen. Daarmee wordt voldaan aan het voor de beoordeling van de urgentie van de verzochte onteigening door Ons gehanteerde maximale tijdvak van vijf jaar na de datum van dit besluit.

Met de eigenaar van het in het onteigeningsverzoek begrepen onroerende zaken heeft de gemeente Katwijk tot nu toe tevergeefs overleg gevoerd om de eigendom minnelijk te kunnen verwerven. Omdat het ten tijde van het verzoek niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn alsnog zou leiden tot vrijwillige eigendomsoverdracht, heeft de raad van Katwijk tot zijn verzoek besloten om de tijdige verwezenlijking van het bestemmingsplan zeker te stellen.

Zienswijzen

Gedurende de periode dat het ontwerpbesluit ter inzage heeft gelegen is hiertegen op 24 mei 2012 schriftelijk een zienswijze naar voren gebracht door

mr. A.K. Koornneef, namens C. van der Gugten te Katwijk, eigenaar van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Katwijk, sectie C, nrs. 3935 en 3940 (grondplannummers 1 en 2), verder te noemen: reclamant.

Ingevolge artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet, is reclamant door Onze Minister in de gelegenheid gesteld over zijn zienswijze te worden gehoord. Daartoe is op 6 juli 2012 een hoorzitting gehouden ten kantore van de gemeente Katwijk, van welke gelegenheid reclamant gebruik heeft gemaakt.

Reclamant brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren:

  • 1) Hij heeft geen persoonlijke kennisgeving ontvangen van het ontwerpbesluit. Hij heeft van de voorgenomen onteigening kennis moeten nemen door de openbare kennisgeving in de “Katwijksche Post”. Dit is in strijd met artikel 3:13 Awb;

  • 2) Reclamant bestrijdt urgentie en noodzaak van de onteigening. Al in 2004 heeft de gemeente zijn percelen onder de werking van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) gebracht. Pas vijf jaar later, in juni 2009 is in opdracht van de gemeente Katwijk een schadeloosstellingsrapport opgesteld. In de tussenliggende periode zijn er geen op vervreemding gerichte contacten geweest. De uitvoering van het bestemmingsplan heeft blijkbaar opeens een hoge urgentie, welke urgentie er in de daaraan voorafgaande jaren kennelijk niet was en ook niet werd voorzien. Dit laatste kan worden opgemaakt uit het ontbreken van contacten over minnelijke verwerving.

    Reclamant voert in dit verband tenslotte nog aan, dat het ook zonder verwerving door de gemeente denkbaar is dat het bestemmingsplan wordt uitgevoerd in de vorm waaraan de gemeente vanuit een oogpunt van publiek belang behoefte heeft. Deze mogelijkheid heeft de gemeente echter niet onderzocht, tenminste is hij daarover niet geïnformeerd;

  • 3) Reclamant beroept zich op onvoldoende noodzaak om tot onteigening over te gaan, gelet op de gang van zaken rond het minnelijk overleg. Hij verwijst naar de checklist minnelijk overleg die deel uitmaakt van het ter inzage gelegde dossier. Daarin concludeert de gemeente dat de eigenaar op bedrijfsverplaatsing aandringt en dat zij zich samen met de eigenaar heeft ingespannen om een andere locatie te vinden. Uiteraard is tevens meermalen schadeloosstelling aangeboden. De wens van verplaatsing houdt de eigenaar blijkbaar tegen om op de aangeboden schadeloosstelling in te gaan. Reclamant brengt daartegen naar voren dat nergens blijkt dat de gemeente serieuze inspanningen heeft gedaan om tot vrijwillige verwerving te komen. Van een inhoudelijke discussie over het schadeloosstellingsrapport is niet gebleken. Ook overigens heeft reclamant geen verwervingspogingen ervaren. Onteigening is een uiterste middel. In het overleg dat aan de aanvang van de administratieve onteigeningsprocedure vooraf dient te gaan, is niet alleen de koopprijs van belang. Ook de mogelijkheid van aanbiedingen tot koop of bemiddeling bij het zoeken naar gronden waar zijn bedrijf kan worden voortgezet, behoren bijvoorbeeld thuis in het minnelijk overleg. De gemeente heeft deze mogelijkheden niet serieus benut. Het melding maken van een mogelijkheid tot aankoop van een perceel elders, volstaat niet. Reclamant meent dat die mogelijkheid bestaat, als hij in staat wordt gesteld om een perceel aan te kopen, gelegen aan de Achterweg 21 in Noordwijk. Om daar stallen en een woning te kunnen bouwen is de planologische medewerking van de gemeente Noordwijk noodzakelijk. De gemeente Katwijk kan in deze bemiddelen;

  • 4) In het schadeloosstellingsrapport wordt een aankoopbedrag getaxeerd op basis van prijspeil juni 2009. Met brief van 14 september 2011 doet de gemeente een lager bod, onder verwijzing naar gewijzigde marktomstandigheden. Dit aanbod acht reclamant niet reëel, waardoor de gemeente het onmogelijk maakt om nog tot overeenstemming te komen. Hoewel de hoogte van de schadeloosstelling in de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling staat, moet deze gang van zaken wel worden beoordeeld in het licht van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg. Het is onbekend waarom er een fors lager bedrag wordt geboden. Dit moet zijn onderbouwd. Eerst daarna kan worden doorgepraat.

In de zienswijze geeft reclamant tevens uitvoerig de historie weer van de pogingen om de voortgezette bedrijfsvoering van zijn paardenpension- en manegebedrijf te verzekeren. Zijn percelen waren voor de laatste grenscorrectie tussen de gemeenten Noordwijk en Katwijk gelegen binnen de gemeente Noordwijk. In 1994 heeft de gemeente Noordwijk geen medewerking verleend aan een aanvraag voor de bouw van een manegehal, omdat dit niet pastte in de beoogde ontwikkeling van het gebied voor woningbouw. Dat betekent dat hij nu al achttien jaar wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering, inclusief een aanmerkelijk exploitatieschade. In 1996 heeft de gemeente Noordwijk aan de gemeente Katwijk verzocht om medewerking aan verplaatsing van het bedrijf naar de Mient Kooltuin-locatie aan de Wassenaarseweg in Katwijk. Daarnaast heeft de gemeente Noordwijk in 1997 aangeboden onder bepaalde voorwaarden mee te werken aan bedrijfsverplaatsing naar een perceel in die gemeente. Als dit geen doorgang zou kunnen vinden heeft de gemeente Katwijk toegezegd zich te zullen inspannen voor verplaatsing naar de Mient Kooltuin. Eerst einde 2010 wordt reclamant meegedeeld dat op de Mient Kooltuin-locatie vestiging van zijn bedrijf niet mogelijk is om milieuhygiënische redenen (Natura 2000). Reclamant is aldus de dupe geworden van een beleid dat hem een dode mus heeft voorgehouden. Hij voelt zich dan ook voor het blok gezet door de ingezette onteigeningsprocedure.

De zienswijze van reclamant geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Ad 1) Uit de Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek, is gebleken dat zich in het dossier kopieën bevinden van de persoonlijke kennisgevingen aan belanghebbenden, waar onder een kopie van de kennisgeving aan reclamant. Deze kopie is gedateerd 19 maart 2012, kenmerk RWSCD BJV 2012/485. Door middel van de afzonderlijke stempel “verzonden 19 maart 2012” die op de kennisgeving is geplaatst, wordt aangegeven dat deze op de voor Onze Minister gebruikelijke werkwijze, op datum van laatstbedoeld stempel, is verzonden. Daarmee is het naar Ons oordeel aannemelijk te achten dat verzending van de in artikel 3:13 van de Awb bedoelde persoonlijke kennisgeving daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Indien reclamant de brief niet zou hebben ontvangen, is hij daardoor evenwel niet in zijn belangen geschaad, omdat hij tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. In zoverre bestaat er voor Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Ad 2) Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente Katwijk om te bepalen op welke termijn met de uitvoering van ruimtelijke plannen een aanvang moet worden genomen. Om op voorhand de mogelijkheden van grondverwerving te optimaliseren, kan een gemeente in een vroeg stadium van de planvorming besluiten tot het toepassen van de Wvg. De Wvg is evenwel een van de onteigeningswet te onderscheiden instrument. De datum waarop een besluit op grond van de Wvg is genomen kan dan ook geen indicatie zijn voor de urgentie van een eventuele latere onteigeningsprocedure. De urgentie van onteigening wordt door Ons beoordeeld aan de hand van hetgeen verzoeker aangeeft over de aanvang van de (bouw)werken en werkzaamheden ter plaatse van de te onteigenen onroerende zaken. De daarbij in acht te nemen termijn bedraagt uiterlijk vijf jaar na de datum van het besluit tot aanwijzing ter onteigening. Ons is niet gebleken dat in dit dossier deze termijn op voorhand zal worden overschreden, zodat er aanleiding is de onteigening urgent te achten. De datum waarop een aanvang wordt genomen met het minnelijk overleg hangt evenmin samen met de Wvg-procedure. Wel zal een gemeente tijdig met bedoeld overleg moeten starten, wil zij ten tijde van het verzoekbesluit zeker zijn van een voldoend onderhandelingsdossier. Het verzoekbesluit van de raad van Katwijk dateert van 30 juni 2011. Het eerste schriftelijke bod dat verzoeker aan reclamant heeft uitgebracht dateert van 17 juni 2009. In zoverre kan niet met vrucht worden staande gehouden dat verzoeker eerst in een laat stadium pogingen heeft ondernomen om met reclamant in overleg te treden.

Wat betreft de mogelijkheid om ook zonder onteigening het bestemmingsplan op de door verzoeker voorgestane wijze uit te voeren, merken Wij op dat uit hetgeen door reclamant tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, blijkt dat reclamant zich op het standpunt stelt dat het bestemmingsplan niet tot uitvoering verplicht en dat er mogelijkheden zijn om zijn bedrijf in te passen. Een bestemmingsplan kan ook worden herzien aldus reclamant. Wij overwegen dat het huidige, onherroepelijke bestemmingsplan ten grondslag ligt aan de verzochte onteigening. De in dit verband aangevoerde argumenten zijn van planologische aard en staan Ons in deze onteigeningsprocedure niet ter beoordeling. Dit onderdeel van de zienswijze van reclamant geeft Ons geen aanleiding het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Ad 3) Wat betreft het gevoerde minnelijk overleg merken Wij allereerst in het algemeen op, dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden eerst door minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan, indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen, is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en dat op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kunnen Wij tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het bestemmingsplan zeker te stellen.

In het bijzonder overwegen Wij dat vorenbedoeld minnelijk overleg tot een redelijk punt moet zijn voortgezet met betrekking tot de financiële schadeloosstelling op onteigeningsbasis voor de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken. De onteigeningswet verplicht verzoeker niet tot schadeloosstelling op andere wijze, zoals in de vorm van vervangende grond, bedrijfsverplaatsing of herhuisvesting. Dit laat onverlet dat het, gelet op de omstandigheden van het geval, uit een oogpunt van zorgvuldigheid geboden kan zijn in het minnelijk overleg onder meer de (gevraagde) mogelijkheden van andere wijzen van schadeloosstelling dan die in geld, in de onderhandelingen te betrekken. Daarbij moet evenwel worden bedacht dat alternatieve oplossingen -gelet op de gewenste voortgang bij de uitvoering van een bestemmingsplan- vaak niet tijdig ter beschikking kunnen komen en dat de onteigenende overheid daarbij meestal afhankelijk is van de medewerking van particuliere grondeigenaren en in sommige gevallen van andere overheden. Uit de Ons overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek en uit hetgeen hierover naar aanleiding van de hoorzitting naar voren is gekomen, is Ons genoegzaam gebleken dat verzoeker in samenspraak met reclamant niettemin heeft getracht een alternatieve oplossing in de vorm van bedrijfsverplaatsing te bewerkstelligen. Dit is tot op heden niet gelukt, omdat afgezien van de wensen van reclamant, er nauwelijks geschikte locaties voorhanden zijn in verband met milieuwetgeving en (overige) planologische beperkingen. Dit onderdeel van de zienswijze van reclamant geeft Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Ad 4) Wat het minnelijk overleg betreft merken Wij verder op, dat uit de Ons overgelegde stukken blijkt dat verzoeker in ieder geval vanaf begin februari 2008 een aanvang heeft gemaakt met het overleg met reclamant. Dit spitste zich aanvankelijk toe op een vervangende locatie. Op 17 juni 2009 is een eerste schriftelijk bod uitgebracht op de thans in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken. Op 25 november 2010 is een tweede schriftelijk bod uitgebracht. Dit bod was - met een gestanddoeningstermijn van vier weken- gelijkluidend aan het eerste bod. Niettemin werd bij het tweede bod aangegeven dat wegens veranderde omstandigheden op de woningmarkt tengevolge van de economische crisis, verzoeker zich het recht voorbehield een volgend bod neerwaarts bij te stellen. Na het verzoekbesluit is op 14 september 2011 opnieuw een bod uitgebracht. Dit bod is -overeenkomstig de aankondiging in het bod van 25 november 2010- lager dan het op 25 november 2010 uitgebrachte bod.

Wij kunnen reclamant niet volgen in zijn redenering dat de gemeente Katwijk zich door een aanmerkelijke tussentijdse verlaging van het aanbod in de positie heeft gebracht dat minnelijke overeenstemming op voorhand als onmogelijk moet worden beschouwd. Naar Ons oordeel heeft de gemeente Katwijkzich als partij in het minnelijk overleg en gelet op de haar als gemeente toevertrouwde publieke belangen, gehandeld binnen de bandbreedte van artikel 40 van de onteigeningswet. De aanbiedingen die de gemeente heeft gedaan zijn steeds gericht op volledige schadeloosstelling. Zulks met inachtneming van het feit dat de gedane aanbiedingen zijn gebaseerd op de prijsontwikkelingen in de markt.

De gemeente kon dan ook rekening houden met een voor haar onder de gegeven omstandigheden acceptabele aankoopprijs. Naar Ons oordeel heeft verzoeker, gelet op het vorenstaande, in voldoende mate voldaan aan zijn onderhandelingsverplichting. Wat de hoogte van de schadeloosstelling betreft, is ingevolge artikel 18, eerste lid, juncto artikel 40 van de onteigeningswet, uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd tot het uitspreken van de onteigening en de vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling.

Dit onderdeel van de zienswijze van reclamant geeft Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat het in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het bestemmingsplan en het uitwerkingsplan bezwaarlijk kunnen worden gemist.

Ons is overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de toewijzing van het verzoek in de weg kunnen staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht, dat de gemeente Katwijk de eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij kunnen derhalve, met inachtneming van het hierboven gestelde, het verzoek van de raad van Katwijk tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet, toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 29 augustus 2012, nr. RWSCD BJV 2012/1275, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische zaken en Vastgoed;

Gelezen het besluit van de raad van Katwijk van 30 juni 2011;

Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Katwijk van 15 september 2011, nummer 2011-10451;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 12 oktober 2012, no. W14.12.0347/IV;

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 22 oktober 2012, nr. RWSCD BJV 2012/1801 Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische zaken en Vastgoed.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan “Rijnsoever-Noord” en het uitwerkingsplan “Rijnsoever-Noord fase 3” van de gemeente Katwijk, ten name van die gemeente ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, zoals aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Katwijk en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden gezonden.

’s-Gravenhage, 26 oktober 2012

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

Lijst van te onteigenen onroerende zaken en/of beperkte rechten

Verzoekende instantie: gemeente Katwijk

Naam onteigeningsplan: Rijnsoever-Noord

Grondplan

nr.

De te onteigenen grootte

Omschrijving volgens kadastrale registratie

Perceels-grootte volgens kadastrale registratie

Kadastrale aanduiding:

Tenaamstelling (zonder adres) volgens de kadastrale registratie met, indien van toepassing, vermelding van het op het perceel rustende rechten

ha

a

ca

ha

a

ca

Kad. gemeente

sectie

nummer

1

2

13

75

Wonen erf - tuin

2

13

75

Katwijk

C

3935

C. van der Gugten

2

 

15

20

Terrein (grasland)

 

15

20

Katwijk

C

3940

C. van der Gugten, zakelijk recht BP Leidsche Duinwater Maatschappij

Behorende bij koninklijk besluit van 26 oktober 2012, nr. 12.002520

Naar boven