TOELICHTING
Algemeen
In deze regeling wordt uitwerking gegeven aan het Besluit experiment integraal dagarrangement
(hierna het besluit). Het besluit creëert de basis om uitvoering te kunnen geven aan
een experiment waarbij het vormgeven van een integraal en afwisselend dagarrangement
van onderwijs en opvang centraal staat, waarbij ouders (die vallen binnen de doelgroep
van de Wet kinderopvang en kwaliteiteisen peuterspeelzalen) ook kinderopvangtoeslag
ontvangen indien de buitenschoolse opvang (bso) tussen onderwijsblokken plaatsvindt.
In deze regeling worden de volgende onderwerpen nader uitgewerkt en toegelicht: de
indiening van de aanvraag, uitsluiting van deelname, advies en procedure, het aantal
deelnemende samenwerkingsverbanden en de selectie, de mogelijkheid van een tweede
tranche en de duur van de deelname aan het experiment. Tevens zijn als bijlagen bij
de regeling opgenomen het formulier dat samenwerkingsverbanden die deel willen nemen
aan het experiment moeten indienen, alsmede het in te vullen rekenmodel.
Voor een uitgebreide beschrijving van de achtergronden, het doel en de vormgeving
van het experiment wordt verwezen naar algemene de toelichting bij het besluit.
Artikelsgewijs
Artikel 1
De begrippen integraal dagarrangement en samenwerkingsverband zijn al gedefinieerd
in artikel 1 van het besluit en hoeven in deze regeling daarom niet meer opnieuw gedefinieerd
te worden. De termijnen voor de eerste tranche en de tweede tranche zijn opgenomen
in artikel 6, 7 en 8 van deze regeling.
Artikel 2
Een samenwerkingsverband dat wil deelnemen aan het experiment moet ervoor zorgdragen
dat de volledige aanvraag, dat wil zeggen, met inbegrip van de op grond van artikel
4, tweede lid, van het besluit bij te voegen documenten vóór 1 november 2012 is ingediend
bij de minister.
De aanvraag wordt gedaan door het bevoegd gezag van de betrokken basisschool en door
de houder van het kindercentrum door middel van één aanvraagformulier waarvan het
model als bijlage is bij deze regeling is gevoegd. In dit formulier verklaren school
en kindercentrum tevens dat zij mee zullen werken aan onderzoeken in het kader van
het experiment.
Artikel 3
Op grond van artikel 4, tweede lid, onderdeel a, van het besluit is vereist dat een
document wordt bijgevoegd waaruit de samenwerkingsvisie blijkt en blijkt dat sprake
is van een al bestaand samenwerkingsverband. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een
convenant, een gezamenlijk pedagogisch kader, een gezamenlijke schoolgids of een vergelijkbaar
document. In het kader van de regelgeving ter uitvoering van de motie Aartsen/Bos
hebben bijna alle scholen aansluiting gezocht bij een bso-instelling en zijn er tussen
scholen en bso-instellingen daarover samenwerkingsovereenkomsten gesloten. De samenwerking
die in de onderhavige regeling bedoeld wordt gaat een stap verder dan bijvoorbeeld
louter afspraken over het gezamenlijk gebruik van materialen en ruimte.
Eén van de bij te voegen documenten betreft een financieel plan waaruit blijkt dat
de overheidsbijdrage in de vorm van kinderopvangtoeslagen niet toeneemt op het moment
dat het samenwerkingsverband gaat deelnemen aan het experiment (zie artikel 4, tweede
lid, onderdeel c, van het besluit). Dit financieel plan moet in ieder geval een berekening
bevatten die gebaseerd is op het rekenmodel dat is te vinden is op www rijksoverheid.nl/.
en opgenomen is als bijlage 2 bij deze regeling.
Met behulp van het rekenmodel is eenvoudig te zien hoeveel de uurprijs moet dalen
als de te verwachten stijging van het gebruik van bso wordt ingevuld en wat de invloed
van de inzet van verschillende middelen op de uurprijs is.
In artikel 4, tweede lid, onderdeel d, van het besluit staat aan welke eis het bijgevoegde
rooster moet voldoen.
Artikel 4
Artikel 4, vierde lid, van het besluit biedt de mogelijkheid om samenwerkingsverbanden
van deelname uit te sluiten die al deelnemen aan andere experimenten of subsidie ontvangen.
In de toelichting bij het besluit is in paragraaf 3.3 aangegeven dat scholen die subsidie
ontvangen op basis van de Subsidieregeling onderwijstijdverlenging basisonderwijs
(Stcrt. 2009, 77) in ieder geval bij ministeriële regeling zullen worden uitgesloten van deelname
aan dit experiment. Het is anders niet vast te stellen of de effecten op onder andere
de onderwijskwaliteit en de arbeidsparticipatie veroorzaakt worden door de extra onderwijstijd
of door het flexibiliseren van de onderwijstijd en het integreren van de kinderopvang
in de schooldag. Er lopen op dit moment geen andere experimenten waarvoor hetzelfde
geldt. Daarom beperkt de uitsluiting zich nu tot de genoemde regeling.
Artikel 5
Dit artikel bevat een nadere uitwerking van artikel 5 van het besluit en hierin is
bepaald op welke wijze de aanvragen door GGD-Nederland en het Landelijk Steunpunt
Brede Scholen beoordeeld worden.
Artikel 6
Het aantal samenwerkingsverbanden dat in totaal (dus in de eerste en eventueel tweede
tranche gezamenlijk) kan deelnemen aan dit experiment is ten hoogste 15.
Op grond van artikel 5 van het besluit wordt een aanvraag door de minister vervolgens
verzonden aan GGD-Nederland en het Landelijk Steunpunt Brede Scholen met het verzoek
hem te adviseren over het kwaliteitsplan en het financieel plan. Indien beide plannen
positief beoordeeld worden, de minister deze adviezen onderschrijft en de aanvraag
ook voor het overige positief beoordeelt, wordt bezien of er gezien het aantal aanvragen
een nadere selectie noodzakelijk is.
Wanneer blijkt dat er meer dan 15 aanvragen zijn van samenwerkingsverbanden die positief
beoordeeld zijn, vindt selectie plaats op basis van de in artikel 6, eerste lid, van
deze regeling opgenomen criteria.
Daarbij wordt allereerst gekeken naar het rooster en de variatie in tijdvakken van
schooltijd en opvang. Samenwerkingsverbanden die een rooster bieden met veel afwisseling
krijgen voorrang. Daarbij wordt allereerst gelet op het aantal tijdstippen per dag
waarop sprake is van wisseling in tijdvakken tussen onderwijs en opvang. Bijvoorbeeld,
een samenwerkingsverband dat op twee dagen een dagarrangement aanbiedt met drie wisseltijdstippen
krijgt voorrang boven een samenwerkingsverband dat op vijf dagen een dagarrangement
aanbiedt met één of twee wisseltijdstippen per dag.
Vervolgens wordt gekeken naar het aantal leerlingen dat naar schatting zal deelnemen
aan het experiment, waarbij samenwerkingsverbanden met veel leerlingen voorrang krijgen.
Tot slot zal, wanneer er dan nog steeds meer dan 15 samenwerkingsverbanden in aanmerking
komen voor deelname, gekeken worden naar de volgorde van ontvangst van de aanvragen,
waarbij eerder ontvangen aanvragen voorrang krijgen boven later ontvangen aanvragen.
Zowel wanneer géén nadere selectie nodig is, als wanneer die selectie wél nodig zou
zijn, beslist de minister uiterlijk 1 december 2012 over de aanvragen en informeert
hij de aanvragers hierover. In de beschikking die een samenwerkingsverband van de
minister ontvangt naar aanleiding van zijn aanvraag, zijn de voorwaarden opgenomen
waaronder mag worden afgeweken van de kwaliteitseisen zoals aangegeven in het kwaliteitsplan.
Tevens worden in deze beschikking de financiële randvoorwaarden op basis van het ingediende
financieel plan benoemd waaraan het samenwerkingsverband moet voldoen zodat de uren
tussen de onderwijsblokken in aanmerking kunnen komen voor kinderopvangtoeslag.
Artikel 7
De beslissing of er een tweede tranche komt zal met name afhangen van het feit of
blijkt dat er voldoende animo is onder scholen en kindercentra, maar zij er, om wat
voor redenen dan ook, niet in geslaagd zijn tijdig een volledige aanvraag in te dienen
vóór 1 november 2012.
Uiteraard zal de beslissing van de minister om een tweede tranche te starten worden
gepubliceerd in de Staatscourant en in de Nieuwsbrief Primair Onderwijs.
Tevens zal in de Nieuwsbrief Primair Onderwijs bekend worden gemaakt welke samenwerkingsverband
mogen deelnemen aan het experiment zodat kennisuitwisseling kan plaatsvinden met scholen
en kindercentra die een aanvraag tot deelname overwegen.
Artikel 8
Zowel in de situatie dat alleen deelname in de eerste tranche mogelijk is, als in
de situatie dat er ook een tweede tranche wordt opengesteld en er samenwerkingsverbanden
zijn wiens aanvraag in de tweede tranche wordt gehonoreerd, loopt het experiment in
principe uiterlijk tot 1 juli 2016, tenzij besloten zou worden tot een structurele
regeling (zie artikel 1.87, vierde lid, Wko). Het besluit over de vraag of overgegaan
wordt tot een structurele regeling wordt medio 2015 genomen. Dat betekent dat de samenwerkingsverbanden
het schooljaar 2015–2016 moeten benutten om de aanpassingen die noodzakelijk zijn
wanneer afgeweken wordt van de kwaliteitseisen door te voeren. Vanaf 1 juli 2016 (feitelijk
met ingang van het nieuwe schooljaar 2016/2017) zijn deze afwijkingen niet meer toegestaan
en zullen ouders ook geen kinderopvangtoeslag kunnen ontvangen voor opvang die plaatsvindt
tussen de onderwijsblokken.
Artikel 9
Deze regeling heeft uitsluitend betekenis zolang de mogelijkheid bestaat om deel te
nemen aan het experiment en is daarom per definitie tijdelijk. Samenwerkingsverbanden
die zich voor de eerste tranche hebben aangemeld en mogen deelnemen, kunnen dat doen
vanaf 1 januari 2013 tot 1 juli 2016. Wanneer besloten worden een tweede tranche open
te stellen, zal deze lopen vanaf 1 juli 2013 tot 1 juli 2016. Dit is geregeld in artikel
8 van deze regeling.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp.