Besluit van 7 december 2011, nr. 11.002971 houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte krachtens artikel 72a van de onteigeningswet in de gemeenten Bergen op Zoom en Steenbergen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Beschikken bij dit besluit op het verzoek van Rijkswaterstaat Noord-Brabant bij brief van 14 april 2011, kenmerk RWS/DNB-2011/1997, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet ten behoeve van de aanleg van de rijksweg A4 om Steenbergen tussen km 300.112 nabij Laageinde en km 310.493 nabij de brug over de Steenbergsche Vliet (deel 2 Steenbergen) met bijkomende werken, in de gemeenten Bergen op Zoom en Steenbergen.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu heeft de beslissing op het verzoek voorgedragen bij brief van 30 september 2011, nr. RWSCD BJV 2011/1149, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.

Overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben het ontwerp van het te nemen besluit alsmede de in artikel 63 van de onteigeningswet genoemde stukken in de periode van woensdag 18 mei 2011 tot en met dinsdag 28 juni 2011 in de gemeenten Bergen op Zoom en Steenbergen en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen. Voorafgaand daaraan is de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht aangekondigd in de huis-aan-huisbladen ‘Steenbergse Courant’ van vrijdag 13 mei 2011 en ‘De Bode, editie Bergen op Zoom’van zondag 15 mei 2011 en in de Staatscourant nr. 7706 van dinsdag 17 mei 2011. Voorts is overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp van het te nemen besluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening. Belanghebbenden zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Steenbergen op dinsdag 28 juni 2011. In genoemde kennisgeving zijn belanghebbenden op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen.

De volgende belanghebbenden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt:

  • 1. de heer R.T. Kirpestein namens de heer P. van der Wijk, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 94.1;

  • 2. de heer J.J.W.M.G. Monden namens de heer G.J. van Kuijk en mevrouw A.W.J. de Beijer, eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 108.1 en 111.1;

  • 3. de heer A.J.C. Klijsen namens de heer A.C.J. Dekkers, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 130.1;

  • 4. de heer J.R. Vermeulen namens Van Leeuwen-Van Dongen Beheer B.V., eigenares van de onroerende zaak met grondplannummer 204.3;

  • 5. de heer F. de Kubber namens:

    • a. de heer N.M. van der Spelt, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 1.1, 1.2, 68.1, 69.1, 72.1, 199.2, 200.2, 200.3, 211.1, 211.2, 211.3 en gedeeld eigenaar van de onroerende zaak met de grondplannummers 213.1 en 213.2;

    • b. de heer C.T.M. Moors, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 39.1, 59.1 en 63.1 alsmede mede-eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 40.1 en 79.1;

    • c. Van Tilburg en Vogelaar B.V., eigenares van de onroerende zaken met de grondplannummers 194.2, 195.2, 195.3;

    • d. de heer P.G.J. van Lakwijk, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 8.1, 20.1, en 22.1;

    • e. de heer A.C.P.M. Antonissen, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 19.1, 29.1 en 131.1;

    • f. de erven Perdaems, eigenaren van de onroerende zaak met grondplannummer 115.1 en gedeeld eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 213.1 en 213.2;.

Overwegingen

Ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de aanleg en verbetering van wegen, waaronder begrepen onteigening voor aanleg en verbetering van werken ter uitvoering van een tracébesluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet.

Reclamant sub 1.

Namens reclamant wordt in de eerste plaats opgemerkt dat de voorgenomen onteigening voorbarig is, aangezien er tegen het vastgestelde tracébesluit nog beroepen aanhangig zijn bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het is dan ook zeer de vraag of en in hoeverre het vastgestelde tracé stand zal houden. In de tweede plaats heeft reclamant gevraagd om nadere informatie over het eerste aanbod in het kader van de minnelijke verwerving en die informatie is nog niet verschaft. Het overleg is daarom niet adequaat en correct verlopen. Inhoudelijk wordt namens reclamant ten aanzien van het overleg opgemerkt, dat hij een bedrijf exploiteert dat gericht is op het fokken, houden en trainen van rijpaarden. Door de geplande aanleg van het werk wordt dit echter onmogelijk daar de paarden door onder meer geluid- en geurhinder niet meer ter plaatse gehouden kunnen worden. Reclamant wil eigenlijk helemaal geen grond afstaan, maar als dat toch nodig is dan wenst hij dat zijn eigendom geheel wordt aangekocht.

Met betrekking tot deze zienswijze merken Wij het volgende op.

Ten aanzien van het gestelde omtrent het nog aanhangig zijn van beroepen tegen het tracébesluit merken Wij op, dat artikel 72a van de onteigeningswet voor het starten van de administratieve onteigeningsprocedure niet de eis stelt dat een zodanig besluit onherroepelijk moet zijn. Voor de start van de procedure geldt in het algemeen, dat een aanvang moet zijn genomen met de planologische inpassing van het werk ten behoeve waarvan onteigening wordt verzocht. Hierbij geldt voor de procedure op grond van de Tracéwet, dat er ten minste sprake moet zijn van een in ontwerp ter inzage gelegd tracébesluit, waarbij belanghebbenden bovendien de mogelijkheid moeten hebben gehad tot het naar voren brengen van zienswijzen van planologische aard in de planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure. Zoals blijkt uit de ‘Overige overwegingen’ van dit besluit is in de onderhavige procedure aan deze eis voldaan. Ten tijde van de start van de onteigeningsprocedure was het tracébesluit vastgesteld. Gelet hierop kon de verzoeker om onteigening de administratieve procedure laten starten. Hierbij merken Wij op, dat met de uitvoering van het werk eerst kan worden gestart nadat de toepasselijke planologische procedures zijn doorlopen en de benodigde vergunningen en ontheffingen zijn verleend.

Het in de tweede plaats namens reclamant gestelde ziet in belangrijke mate op het gevoerde minnelijk overleg. Ten aanzien van dit punt merken Wij vooreerst in het algemeen op, dat de onteigening moet worden gezien als een uiterst middel, waarnaar eerst (door het starten van de administratieve onteigeningsprocedure) kan en mag worden gegrepen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. Daarbij geldt, dat in de procedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet in het algemeen genoegzaam aan deze eis is voldaan, indien voor de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden een aanvang met het minnelijk overleg is gemaakt. Dit overleg dient tot een redelijk punt te worden voortgezet alvorens, na gebleken noodzaak daartoe, de administratieve onteigeningsprocedure kan worden ingezet. Daarbij is het wenselijk doch niet altijd noodzakelijk, dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden reeds een formeel bod is uitgebracht. Voldoende is, dat sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Alsdan kan een verzoeker om onteigening – teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het betreffende plan van het werk over te kunnen gaan – in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het plan van het werk in eerste instantie moeten zijn ‘uitonderhandeld’. Het is, zoals hiervoor beschreven, voldoende als op dit tijdstip met de onderhandelingen een aanvang is gemaakt en genoegzaam is komen vast te staan, dat deze onderhandelingen voorlopig niet tot het gewenste resultaat zullen leiden.

Het voorgaande in aanmerking nemend merken Wij ten aanzien van reclamant sub 1 nu het volgende op.

Uit de door de verzoeker om onteigening overgelegde stukken blijkt dat op 4 december 2009 een opname van de in de onderhavige procedure betrokken onroerende zaak heeft plaatsgevonden. Reclamant uitte tijdens deze opname onder meer de wens tot compensatie in de vorm van vervangende grond. De verzoeker om onteigening heeft reclamant vervolgens bij brief van 21 januari 2010 een bod gedaan gericht op de aankoop van een oppervlakte van 250 m2 van deze onroerende zaak. Bij brief van 20 januari 2011 heeft de verzoeker reclamant een bod gedaan gericht op de aankoop van een oppervlakte van 260 m2, welke betrokken is in de onderhavige procedure. In januari 2011 bericht reclamant de verzoeker telefonisch dat zowel hijzelf als zijn adviseur niet kunnen begrijpen waarom het bedrag van de schadeloosstelling gelijk blijft, terwijl de te verwerven oppervlakte toeneemt. De namens de verzoeker om onteigening optredende verwerver heeft in het telefoongesprek hierover uitleg gegeven. Reclamant gaf hierop te kennen dat hij zonder onherroepelijk tracébesluit niet verder wilde praten. Bij brief van 17 februari 2011 heeft reclamant de verzoeker, onder opgave van de gegevens van de door hem inmiddels ingeschakelde adviseur, bericht dat nog onduidelijkheid bestaat over de gedane voorstellen en dat hij graag een nieuw voorstel tegemoet ziet. Tevens merkt hij op, nog geen antwoord te hebben ontvangen op de ingestuurde zienswijze tegen het tracébesluit, waardoor er geen zicht bestaat op de situatie na de aanleg van de rijksweg A4 en de eventuele bijkomende kosten.

Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen. De verzoeker heeft ruim voor de start van de onteigeningsprocedure een bod gedaan gericht op de verwerving van de oppervlakte welke voor de realisering van het onderhavig werk benodigd is. Reclamant gaf echter te kennen zonder een onherroepelijk tracébesluit niet verder te willen praten. Ondanks het feit dat na deze mededeling geen verder initiatief is genomen om in contact te treden met reclamant, heeft de verzoeker om onteigening wel verklaard dat hij in verband met het verzoek van reclamant pogingen heeft ondernomen tot het verwerven van ruilgrond. Hierover heeft de verzoeker echter door gevoeligheden rond de grondposities in het gebied verder geen mededelingen richting reclamant gedaan. De gang van zaken in aanmerking nemend stond naar Ons oordeel op het moment van de start van de procedure door middel van de terinzagelegging van de stukken genoegzaam vast dat de verzoeker om onteigening niet binnen een redelijke termijn met reclamant, al dan niet in de door hem gewenste vorm, tot overeenstemming kon komen. Daarbij merken Wij op, dat de onteigeningswet niet verplicht tot compensatie in de vorm van vervangende grond. Voorts merken Wij op, dat de verzoeker na de start van de onderhavige procedure pogingen heeft ondernomen om het minnelijk overleg voort te zetten. In juni 2011 is er diverse malen contact opgenomen met de adviseur van reclamant, echter zonder dat het tot een afspraak gericht op het voortzetten van het overleg is gekomen. De verzoeker is wel verder gegaan met pogingen tot het vinden van vervangende grond, in welk kader volgens de verzoeker ook vorderingen zijn geboekt. Wij merken op dat het overleg met reclamant dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal mogelijk alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Met betrekking tot het gestelde omtrent de geluid- en geurhinder merken Wij op, dat in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure geen zelfstandige uitspraken kunnen worden gedaan over de eventuele aan de aanleg van het werk verbonden aspecten van geluidhinder en luchtkwaliteit. De behandeling daarvan dient te geschieden in het kader van de Wet geluidhinder en in het kader van de Wet luchtkwaliteit. Voor het geval reclamant vreest dat de exploitatie van zijn bedrijf schade oploopt door de aanleg van het onderhavige werk, merken Wij op, dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure echter niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.

Tot slot merken Wij naar aanleiding van het verzoek van reclamant tot aankoop van zijn gehele eigendom op dat in de onderhavige procedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet alleen die gronden ter onteigening kunnen worden aangewezen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het werk. Onroerende zaken die slechts gedeeltelijk voor de realisatie van het werk nodig zijn kunnen mitsdien alleen voor dat gedeelte ter onteigening worden aangewezen. Ingevolge artikel 38 van de onteigeningswet hebben eigenaren in bepaalde omstandigheden de mogelijkheid om de gehele overname te vorderen van onroerende zaken waarvan slechts een gedeelte wordt onteigend. Deze mogelijkheid komt echter pas in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Voordien kan aankoop van overige gedeelten dan wel aankoop van een gehele betrokken onroerende zaak in het minnelijk overleg tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbenden betrokken worden.

Reclamanten sub 2.

Namens reclamanten wordt opgemerkt, dat de verzoeker om onteigening geen enkele moeite heeft gedaan om behoorlijke informatie te verstrekken. Ook is niet op fatsoenlijke wijze getracht tot overeenstemming te komen. Ter onderbouwing wordt opgemerkt dat op 8 oktober 2011 een gesprek tussen de adviseur van reclamanten en de vertegenwoordiger van de verzoeker heeft plaatsgevonden, waarbij gesproken is over de benodigde oppervlakten alsook summier over de schadeloosstelling. Naar blijkt zal de situatie van voor de aanleg van het werk sterk verschillen van de situatie na de aanleg. Dit vraagt volgens de adviseur van reclamanten om een gecombineerde behandeling. Bij brief van 20 oktober 2010 heeft de adviseur de verzoeker om onteigening daar ook om verzocht, zodat bij de verwerving eveneens de invloed van het werk, voor zover daarvan sprake is buiten de van reclamanten te verwerven oppervlakten, kan worden meegenomen. De verzoeker heeft echter bij brief van 16 december 2010 een bod uitgebracht met een summiere specificatie van de vermogenswaarde en de vergoeding van de deskundigenkosten. Tevens wordt opgemerkt dat contact zal worden opgenomen met de adviseur van reclamanten. Op 20 december 2010 heeft de adviseur zelf contact gezocht met een vertegenwoordiger van de verzoeker en gevraagd waarom de ontvangst van de brief van 20 oktober 2010 nog niet is bevestigd en wanneer een reactie alsnog tegemoet kan worden gezien. Hierop is geen antwoord ontvangen. Bij brief van 24 februari 2011 heeft de adviseur van reclamanten de verzoeker, met het verzoek om een bevestiging van ontvangst van deze brief, gevraagd wanneer een antwoord op de brief van 20 oktober 2010 kan worden verwacht. Tevens heeft de adviseur gevraagd waarom hij zich tot de vertegenwoordiger moet wenden, nu met hem immers al op 8 oktober 2010 werd gesproken. Daarbij was duidelijk dat de verwerving in aanmerking komt voor een gecombineerde behandeling. Reclamanten hebben op hun brief van 24 februari 2011 geen reactie ontvangen.

Met betrekking tot deze zienswijze merken Wij het volgende op.

Het namens reclamanten gestelde ziet in hoofdzaak op het verloop van het minnelijk overleg. In dit verband wijzen Wij vooreerst op hetgeen Wij reeds hiervoor in het algemeen hebben opgemerkt over het voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure te voeren overleg in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1. Het daar gestelde in aanmerking nemend overwegen Wij met betrekking tot het met reclamanten sub 2 gevoerde overleg het volgende.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de namens de verzoeker om onteigening optredende aankoper op 26 november 2009 een gesprek met reclamanten heeft gehad, waarbij deze onder meer het plan van het werk heeft toegelicht. Bij brief van 21 januari 2010 heeft de verzoeker reclamanten een bieding gedaan gericht op de aankoop van de benodigde gronden. De adviseur van reclamanten reageerde bij brief van 2 februari 2010 met de mededeling dat zij niet met het bod kunnen instemmen en met het verzoek om toezending van nadere informatie en stukken. De namens de verzoeker om onteigening optredende aankoper heeft de adviseur van reclamanten in maart 2010 telefonisch bericht, dat voor het kunnen verstrekken van de gevraagde informatie en stukken moet worden gewacht op gegevens van de aannemerscombinatie, wat enige tijd zou kunnen gaan duren.

Op 8 oktober 2010 hebben partijen overleg gevoerd, waarbij onder meer is gesproken over een strook grond die de verzoeker ter compensatie aan reclamanten zou kunnen aanbieden. Bij brief van 20 oktober 2010 deelt de adviseur van reclamanten de verzoeker mede dat bedoelde strook inderdaad onderdeel kan vormen van de schadeloosstelling. Tevens verzoekt hij de verzoeker om de schadeloosstelling in het kader van de aankoop te combineren met de schade die reclamanten los daarvan menen te lijden, in welk verband reclamanten nadeelcompensatie claimen.

Bij brief van 16 december 2010 heeft de verzoeker om onteigening reclamanten een aangepast bod uitgebracht. Bij brief van 24 februari 2011 wijst de adviseur van reclamanten de verzoeker erop dat hij nog geen reactie heeft ontvangen op de eerdere brief van 20 oktober 2010 en verzoekt hij de verzoeker om daarop alsnog een reactie te geven. De adviseur vraagt de verzoeker tevens om aan te geven wanneer de aan te kopen oppervlakte definitief vast staat en verzoekt om de ontvangst van deze brief alsook de ontvangst van de brief van 20 oktober 2010 te bevestigen. Op 22 april 2011 hebben partijen vervolgens overleg gevoerd, waarbij de brieven van 20 oktober 2010 en 24 februari 2011 zijn besproken en de gecombineerde behandeling van de schadeloosstelling en nadeelcompensatie aan de orde is geweest. In mei 2011 heeft de namens de verzoeker om onteigening optredende aankoper met de adviseur van reclamanten een afspraak gemaakt om op 20 juni 2011 door middel van een opname ter plaatse de mogelijkheid tot gecombineerde behandeling van de schadeloosstelling en nadeelcompensatie te bespreken.

Het bovenstaande in aanmerking nemend, zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om met reclamanten tot overeenstemming te komen. Op het moment van de start van de procedure door middel van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken stond genoegzaam vast dat de verzoeker niet binnen een redelijke termijn met hen, al dan niet in de door hen gewenste vorm, tot overeenstemming kon komen. Wij merken hierbij op, dat het minnelijk overleg na de start van de procedure is voortgezet. In dit verband kan worden opgemerkt, dat conform de hierboven bedoelde afspraak op 20 juni 2011 een opname van de gronden heeft plaatsgevonden met het oog op de gecombineerde behandeling van de schadeloosstelling en nadeelcompensatie. Op 2 september 2011 heeft overleg plaatsgevonden, waarbij gesproken is over de schadeloosstelling en nadeelcompensatie alsook over de ruiling van gronden. Een en ander heeft echter nog niet geleid tot overeenstemming tussen partijen, waarbij kan worden opgemerkt, dat de onteigeningswet niet verplicht tot compensatie in de vorm van vervangende grond. Wij merken verder op, dat het minnelijk overleg dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal mogelijk alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Reclamant sub 3.

Namens reclamant wordt opgemerkt, dat hij met de verzoeker om onteigening minnelijk overeenstemming heeft bereikt, wat is vastgelegd in een door beide partijen ondertekende overeenkomst. Juridische levering heeft plaatsgevonden, de feitelijke levering staat gepland op uiterlijk 1 juli 2011. Op 8 april 2011 heeft de verzoeker om onteigening reclamant een schriftelijk bod gezonden met een voorstel tot aankoop van een oppervlakte van 1.663 m2. Daarbij heeft de verzoeker een oppervlakte van 635 m2 als ruilgrond aangeboden. Het bevreemdt reclamant dat er, nadat overeenstemming was bereikt, toch nog extra grond nodig is voor de aanleg van het werk. Zoals reclamant echter mondeling te kennen heeft gegeven is hij bereid om tot overeenstemming te komen. Na het aanbod heeft een onderhoud plaatsgevonden tussen reclamant en zijn adviseur en een vertegenwoordiger van de verzoeker om onteigening. Hierin zijn aspecten aan de orde gekomen die reclamant ook als zienswijze naar voren wil brengen. Dit betreft de volgende zaken:

  • a. het bod van 8 april is niet vergelijkbaar met de huidige marktwaarde van landbouwgronden;

  • b. er is geen volledige schadeloosstelling opgenomen en geen vergoeding van deskundigenkosten. Dit is wel gebruikelijk;

  • c. als gevolg van gewijzigde tekeningen doet reclamant het verzoek om de twee akkerbouwloodsen met overblijvend erf niet te amoveren maar aan hem terug te verkopen. Dit betreft een nader op kaart aangegeven overblijvend gedeelte van de onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Steenbergen, sectie Y, nummer 627;

  • d. voorwaarde is dat beide loodsen goed in en uit te rijden zijn met landbouwwerktuigen;

  • e. volgens mededeling van de gemeente Steenbergen van 7 juni 2011 blijft voor het overblijvend gedeelte van genoemde onroerende zaak de vigerende bestemming gelden, waardoor bedoelde loodsen in functie behouden kunnen blijven.

Reclamant verzoekt dan ook om een voorstel waarin het bovenstaande is verwerkt en merkt op dat tot op heden niet is voldaan aan artikel 17 van de onteigeningswet omdat er, naast het aanbod van 8 april 2011, nog niet is onderhandeld.

Met betrekking tot deze zienswijze merken Wij het volgende op.

De overeenstemming waar reclamant in zijn zienswijze op doelt en op basis waarvan partijen een overeenkomst hebben gesloten betreft een ander gedeelte van de onroerende zaak met grondplannummer 130.1. Namens reclamant wordt in de zienswijze terecht opgemerkt dat de juridische levering van dit gedeelte heeft plaatsgevonden. In aanvulling op het namens reclamant verder gestelde kan worden opgemerkt dat de feitelijke levering van dit gedeelte volgens informatie van de verzoeker om onteigening ook heeft plaatsgevonden en wel op 1 september 2011.

In verband met een aanpassing van het plan van het werk heeft de verzoeker om onteigening op 16 maart 2011 met reclamant nog overleg gevoerd over de aankoop van een extra oppervlakte van genoemde onroerende zaak van 1663 m2, welke oppervlakte ook in de onderhavige procedure is betrokken. Bij brief van 8 april 2011 heeft de verzoeker reclamant een bod gedaan. In ruil voor de verwerving van genoemde oppervlakte heeft de verzoeker reclamant van dezelfde onroerende zaak een oppervlakte van 635 m2 aangeboden met als toegift een schadeloosstelling in geld. Dit heeft weliswaar tot overeenstemming geleid maar nog niet tot een zowel door reclamant als door het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf ondertekende ruilovereenkomst. Daarom moet worden onderkend dat van verkrijging van het voor de realisering van het werk benodigde gedeelte door de verzoeker om onteigening nog geen sprake is. Hierbij merken Wij op, dat blijkens de onteigeningspraktijk het bereiken van een grote mate van overeenstemming niet in alle gevallen automatisch tot spoedige ondertekening van een overeenkomst en probleemloze eigendomsoverdracht leidt. De urgentie van de uitvoering van het werk laat evenwel geen vertraging toe in de aanwijzing ter onteigening van het benodigde gedeelte. Dientengevolge blijft deze aanwijzing noodzakelijk. Overigens kan naar aanleiding van de brief van de verzoeker van 8 april 2011 worden opgemerkt, dat de onteigeningswet niet tot compensatie in de vorm van vervangende grond verplicht. Het overleg met reclamant dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal mogelijk alsnog tot een volledige oplossing kunnen leiden.

Met betrekking tot hetgeen namens reclamant wordt opgemerkt onder de punten a tot en met e merken Wij het volgende op.

Ad a en b.

Deze onderdelen zien op de hoogte van de schadeloosstelling. Zoals Wij in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1 al hebben opgemerkt, vindt de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure evenwel niet ter beoordeling, maar komt bij het uitblijven van minnelijk overeenstemming aan de orde in de gerechtelijke onteigeningsprocedure.

Ad c tot en met e.

De verzoeker om onteigening heeft medegedeeld dat in de bereikte overeenstemming over de ruil van grond met reclamant ook afspraken zijn gemaakt over het langer voortzetten van het gebruik van de twee bedoelde akkerbouwloodsen op de genoemde onroerende zaak kadastraal bekend gemeente Steenbergen, Sectie Y, nummer 627. De verzoeker heeft daarbij gesteld dat de twee loodsen in het Tracébesluit ‘A4 Dinteloord – Bergen op Zoom, gedeelte Steenbergen’ staan aangeduid als te amoveren. Gelet hierop moet in de onderhavige procedure, waarin het tracébesluit als zodanig niet ter beoordeling staat, voorbij worden gegaan aan het verzoek van reclamant om de loodsen niet te amoveren maar aan hem terug te verkopen. Niettemin kan worden opgemerkt dat de verzoeker om onteigening bereid is om te onderzoeken of de loodsen kunnen worden behouden.

Reclamante sub 4.

Namens reclamante wordt in de eerste plaats opgemerkt, dat op bijna het gehele perceelsgedeelte waarop de onteigening betrekking heeft een deel van een kas aanwezig is. Op het overige gedeelte is sprake van een erf. Met de onteigening zal in feite een doorsnijding van de als eenheid aan te merken kas plaatsvinden. Dit blijkt ook uit het tracébesluit, aangezien in de overzichtstabel in artikel 4 inzake de te verwijderen opstallen wordt verwezen naar het betreffende gedeelte van de kas gelegen aan de Stierenweg 16. Volgens de toelichting op het besluit (hoofdstuk 8) is bij het bepalen van het tracé zorgvuldig gelet op de bebouwing en bedrijven en is getracht deze zoveel mogelijk in tact te laten. Reclamante is echter van mening dat bedoelde zorgvuldigheid ten aanzien van haar eigendom niet in acht is genomen. Alle gebouwen die worden belemmerd door het tracé worden geheel verwijderd, terwijl de kas van reclamante gedeeltelijk wordt verwijderd. Zij wordt daardoor in een veel nadeliger positie gebracht dan de overige eigenaren van de gebouwen die worden belemmerd. Het tracé doorsnijdt immers de kas, als gevolg waarvan reclamante voor haar bedrijfsvoering aangewezen zal zijn op een kleinere oppervlakte. Dit heeft nadelige gevolgen voor reclamante, aangezien juist in de glastuinbouw de oppervlakte van belang is voor een rendabele bedrijfsvoering. Reclamante is van mening dat het ontwerpbesluit voor zover het op haar perceel ziet onzorgvuldig tot stand is gekomen en in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

In de tweede plaats wordt namens reclamante opgemerkt, dat slechts één schriftelijk aanbod is gedaan en wel bij brief van 3 februari 2011. De aangeboden schadeloosstelling ziet op een oppervlakte van 2.162 m2, welke nog geen 100 m2 meer betreft dan de te onteigenen oppervlakte van 2.067 m2. De totale oppervlakte van het perceel betreft 23.420 m2 en beslaat derhalve een aanzienlijk grotere oppervlakte dan het te onteigenen deel. Onder verwijzing naar artikel 38 van de onteigeningswet en de jurisprudentie van de Hoge Raad wordt namens reclamante opgemerkt, dat zij het recht heeft om in de civielrechtelijke procedure te vorderen dat de gehele kas door de verzoeker om onteigening wordt overgenomen. Reclamante is ermee bekend dat de Kroon in een eerder geval het standpunt heeft ingenomen dat in beginsel is voldaan aan het noodzaakcriterium indien het minnelijk overleg, in het geval dat artikel 38 door de eigenaar kan worden ingeroepen, is beperkt tot hetgeen onteigend dient te worden. Zij is echter van oordeel dat een juiste uitleg van bedoeld criterium met zich meebrengt dat onteigening alleen dan noodzakelijk is wanneer daadwerkelijk sprake is van een redelijke poging tot minnelijke verwerving. Van een zodanige poging is geen sprake indien het aanbod uitsluitend op een deel van een gebouw ziet, terwijl vast staat dat het gehele gebouw zal moeten worden overgenomen en de eigenaar aangeeft een beroep te zullen doen op genoemd artikel 38 van de onteigeningswet. Een eigenaar die dat artikel kan en zal inroepen weet immers dat hij geen genoegen heeft te nemen met de overname van slechts een deel van het gebouw. Daarmee is derhalve bij voorbaat uitgesloten dat een poging tot minnelijke verwerving kans van slagen heeft.

Met betrekking tot deze zienswijze merken Wij het volgende op.

Het in de eerste plaats namens reclamante gestelde over de doorsnijding van de kas ziet in hoofdzaak op het tracébesluit en de afweging die aan dit besluit ten grondslag ligt, in het bijzonder waar het betreft de keuze voor het gedeeltelijk verwijderen van deze kas. In de onderhavige procedure kan geen uitspraak worden gedaan over de vraag of bij de totstandkoming van het tracébesluit de juiste zorgvuldigheid ten aanzien van de eigendom van reclamante in acht is genomen dan wel of dit besluit in strijd met het gelijkheidsbeginsel is genomen. Een en ander dient aan de orde te komen in het kader van de procedure tegen het tracébesluit. Zoals uit het gestelde hierna onder ‘Overige overwegingen’ blijkt, zijn tegen de vaststelling van het tracébesluit beroepen ingesteld. Op deze beroepen is nog niet beslist, zodat op dit moment moet worden uitgegaan van het tracébesluit zoals dat is vastgesteld. Derhalve kan niet met vrucht worden gesteld dat het ontwerpbesluit zoals dat voorafgaand aan de start van de onderhavige procedure aan reclamante is toegezonden onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het namens reclamante gestelde omtrent de gevolgen voor haar bedrijfsvoering is financieel van aard en kan de aanwijzing van de grond ter onteigening niet in de weg staan. Zoals in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1 al is opgemerkt, vindt de onteigening plaats op basis van een volledige schadeloosstelling. De hoogte daarvan staat echter in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter discussie, aangezien deze, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, wordt vastgesteld in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure.

Het in de tweede plaats namens reclamante gestelde omtrent het feit dat slechts één schriftelijk aanbod is gedaan ziet op het verloop van het minnelijk overleg. In dit verband wijzen Wij vooreerst op hetgeen Wij reeds hiervoor in het algemeen hebben opgemerkt over het voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure te voeren overleg in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1. Het daar gestelde in aanmerking nemend overwegen Wij met betrekking tot reclamante sub 4 op, dat uit de door de verzoeker om onteigening overlegde stukken blijkt dat partijen reeds vanaf 2007 in overleg zijn. Na een taxatie en na enkele contacten heeft de verzoeker bij brief van 28 mei 2008 een bod uitgebracht gericht op de aankoop van een oppervlakte van 2162 m2 van de onroerende zaak met grondplannummer 204.3. Nadien is er gedurende de rest van 2008 alsook in 2009 en 2010 op verschillende momenten contact en overleg geweest tussen de verzoeker om onteigening en de adviseur van reclamante, waarbij op enkele momenten de door de verzoeker ingestelde taxatiecommissie betrokken is geweest. Op 28 oktober 2010 heeft overleg plaatsgevonden tussen de namens de verzoeker optredende aankoper en de adviseur van reclamante, waarbij namens de verzoeker opnieuw een bod is uitgebracht. Bij brief van 3 februari 2011 heeft de verzoeker een aangepast bod uitgebracht. De adviseur van reclamante heeft dit bod bij brief van 17 februari 2011 als te laag afgewezen. Nadien is de aankoopgrens ter plaatse van de onroerende zaak uitgezet en heeft de verzoeker om onteigening reclamante en haar adviseur nadere informatie toegezonden.

Het bovenstaande in aanmerking nemend, zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om met haar tot overeenstemming te komen. Op het moment van de start van de procedure door middel van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken stond genoegzaam vast dat de verzoeker niet binnen een redelijke termijn met reclamante, al dan niet in de door haar gewenste vorm, tot overeenstemming kon komen. Wij tekenen hierbij aan, dat noch uit de namens reclamante overgelegde kopie van de aanbiedingsbrief van 3 februari 2011 noch uit de kopie die de verzoeker daarvan heeft overgelegd blijkt dat daarin een oppervlakte is genoemd die afwijkt van de oppervlakte die in de onderhavige procedure is betrokken. Het minnelijk overleg dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal mogelijk alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Met betrekking tot het gestelde omtrent artikel 38 van de onteigeningswet merken Wij op, dat in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet alleen die gronden ter onteigening kunnen worden aangewezen die noodzakelijk zijn voor de aanleg van het werk. Onroerende zaken die slechts gedeeltelijk voor de aanleg van het werk nodig zijn kunnen mitsdien alleen voor dat gedeelte ter onteigening worden aangewezen. Ingevolge artikel 38 van de onteigeningswet hebben reclamanten in bepaalde omstandigheden de mogelijkheid om gehele overname te vorderen van onroerende zaken waarvan slechts een gedeelte wordt onteigend. Deze mogelijkheid komt echter pas in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Voordien kan aankoop van overige gedeelten dan wel gehele aankoop van de betrokken onroerende zaken in het minnelijk overleg tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbenden betrokken worden. De verzoeker om onteigening heeft aangegeven van mening te zijn dat de overblijvende kas niet onbruikbaar en onverkoopbaar wordt en dat reclamante niet in redelijkheid kan verlangen dat de gehele kas wordt overgenomen. De juistheid van dit standpunt staat in het kader van de onderhavige procedure echter niet ter beoordeling, maar kan, zoals opgemerkt, aan de orde worden gesteld in het kader van de gerechtelijke procedure.

Reclamanten sub 5a t/m f.

De adviseur van de reclamanten genoemd onder 5a tot en met 5f heeft in de op 28 juni 2011 gehouden zitting de zienswijzen namens deze reclamanten mondeling naar voren gebracht. In de zitting hebben de reclamanten sub 5a en 5b ook persoonlijk hun zienswijzen uiteengezet en toegelicht.

In de eerste plaats is door en namens de reclamanten gewezen op het feit dat het tracébesluit nog niet onherroepelijk is.

In de tweede plaats zijn door en namens reclamanten opmerkingen gemaakt die in hoofdzaak betrekking hebben op het minnelijke overleg. In dit verband is het volgende aangevoerd:

  • a. in het algemeen is door de adviseur van reclamanten gesteld dat de namens de verzoeker om onteigening optredende aankopers te weinig inspanningen leveren om tot minnelijke verwerving te komen. Argumenten die reclamanten aandragen worden direct afgewezen, wat een onbehaaglijk gevoel geeft;

  • b. reclamant sub 5a heeft in de hoorzitting opgemerkt, dat hij in april 2011 een tweede bod van de verzoeker heeft ontvangen. Dit bestond uit niet meer dan een A4-tje met een bedrag. Een week later vond overleg met de onderhandelaars plaats waarna het vier weken duurde voor reclamant de gevraagde specificatie ontving. Aan de andere kant wordt wel verwacht dat belanghebbenden binnen een week reageren. Naar de mening van reclamant is er geen sprake van onderhandelingen;

  • c. reclamant sub 5b heeft in de hoorzitting gewezen op het stroeve verloop van de onderhandelingen. Hij heeft met zes onderhandelaars te maken gehad en aangegeven dat hij zijn bedrijf wil verplaatsen. Hier is echter nooit over gesproken;

  • d. namens reclamanten sub 5f heeft de adviseur in de hoorzitting opgemerkt dat zij te maken hebben met een standpunt van de Belastingdienst. Zij hebben de aankoper van de verzoeker hier ook op gewezen. Er is weliswaar over verkoop van een gedeelte van de grond overeenstemming bereikt, maar na lang aandringen heeft de adviseur het eerste concept pas in de week voor de zitting ontvangen. De adviseur geeft aan dat hij nog op het concept zal reageren waarna het afwachten is hoelang het duurt voordat de verzoeker om onteigening reageert. Verder is nu slechts één conceptovereenkomst ontvangen terwijl twee gekoppelde overeenkomsten nodig zijn omdat de verhuiskosten uitsluitend van toepassing zijn op het vruchtgebruik.

Namens reclamanten zijn in de derde plaats opmerkingen gemaakt die betrekking hebben op het gekozen tracé van het werk. Opgemerkt is, dat de rijksweg door het landschap slingert. Er is geprobeerd om opstallen zoveel mogelijk te sparen waardoor een ongunstig tracé ontstaat en de rijksweg in sommige situaties op vier meter afstand van een schuur komt te liggen. Dit is onbehoorlijk en krijgt onvoldoende aandacht. Een aantal aankopers moet volgens reclamanten meer respect tonen voor de eigendommen van of situaties waarin ondernemers terecht komen. De belangen van de ondernemers moeten nu wijken voor het algemeen belang. Er zijn andere oplossingen mogelijk, maar deze worden niet onderzocht.

In de vierde plaats zijn door of namens de reclamanten opmerkingen gemaakt die betrekking hebben op de schadeloosstelling. De reclamant sub 5a heeft in de hoorzitting opgemerkt dat de verzoeker om onteigening hem een bedrag biedt dat lager is dan het bedrag dat hij vraagt. Er wordt niet gesproken over het verschil. Verder is er wellicht in de toekomst sprake van bestemmingswijzigingen. De term verwachtingswaarde is kennelijk bij de verzoeker niet bekend. De namens de verzoeker optredende aankopers kennen die term wel maar menen dat de verwachtingswaarde hier niet van toepassing is. Namens de reclamanten sub 5e is verder in de hoorzitting door de adviseur opgemerkt dat zij beschikken over schuren met mechanische koeling die geschikt zijn voor de opslag van landbouwproducten. Door de doorsnijding van bedrijf en gronden dalen de schuren in waarde. Bij eventuele verkoop is de boerderij niet meer geschikt voor agrarisch gebruik, wat een grote schadecomponent is. De verzoeker om onteigening denkt hier anders over en het is niet mogelijk hier verder over te praten.

In de vijfde plaats heeft reclamant sub 5b nog opgemerkt dat hij nooit het opgestelde taxatierapport heeft gezien. Volgens de verzoeker zou dat echter niet relevant zijn. Reclamant is van mening dat de toebedeelde planschade en de situering van zijn bedrijf ten opzichte van het te realiseren werk lastig is. De schade is niet toereikend en de verzoeker om onteigening wil alleen de gronden verwerven die nodig zijn voor de aanleg van de rijksweg. De adviseur van reclamant heeft er in dit verband nog op gewezen dat de verzoeker om onteigening woningen aankoopt die niet binnen het tracé van de weg liggen. Dit om eventuele planschade te voorkomen. De verzoeker is niet ingegaan op het verzoek van reclamant om ook zijn woning aan te kopen en heeft ook nog niet gereageerd op de taxatie van de boerderij.

Naar aanleiding van deze zienswijzen merken Wij het volgende op.

Met betrekking tot het in de eerste plaats gestelde over het nog niet onherroepelijk zijn van het tracébesluit wijzen Wij op hetgeen Wij reeds daarover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1.

Het in de tweede plaats onder a tot en met d door en namens reclamanten gestelde ziet op het minnelijk overleg. In dit verband wijzen Wij vooreerst op hetgeen Wij reeds hiervoor in het algemeen hebben opgemerkt over het voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure te voeren overleg in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1. Het daar gestelde in aanmerking nemend merken Wij nu met betrekking tot reclamanten sub 5a tot en met 5f afzonderlijk het volgende op.

Reclamant sub 5a (N.M. van der Spelt).

Op 9 oktober 2008 heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, waarna de door de verzoeker om onteigening ingestelde taxatiecommissie de gronden van reclamant op 11 november 2008 heeft opgenomen. In juli 2009 heeft de namens de verzoeker om onteigening optredende aankoper reclamant en zijn adviseur laten weten dat door uiteenlopende ontwerpen in het kader van de aanbesteding van het werk een aanbod gericht op de aankoop van de benodigde gronden enige tijd op zich zou laten wachten. Op 30 oktober 2009 heeft overleg plaatsgevonden, waarbij namens de verzoeker een aanbod is uitgebracht en een specificatie van de schadeloosstelling aan reclamant is overhandigd. Op 17 november 2009 hebben partijen overleg gevoerd waarbij ook de gemeente Steenbergen is betrokken. Hierbij zijn drie scenario’s besproken die reclamant de mogelijkheid kunnen bieden tot hervestiging. Vervolgens hebben partijen 8 september 2010, 2 november 2010, 19 november 2010 en 17 december 2010 verder overleg gevoerd. Bij brief van 29 december 2010 heeft de verzoeker om onteigening reclamant een bod gedaan. Reclamant heeft dit bod bij brief van 25 januari 2011 afgewezen en een tegenvoorstel gedaan. Per e-mail van 24 februari 2011 heeft de namens de verzoeker om onteigening optredende aankoper hier een eerste reactie op gegeven, waarna op 16 en 29 maart 2011 overleg heeft plaatsgevonden. Bij brief van 8 april 2011 heeft de verzoeker om onteigening reclamant een aangepast bod gedaan in verband met enkele wijzigingen in de aankoopgrenzen. In dit bod zijn de onroerende zaken en oppervlakten genoemd zoals die ook in de onderhavige procedure betrokken zijn. Wij merken hierbij op, dat de gedeelten van de onroerende zaak met grondplannummer 213.1 en 213.2, waarvan reclamant gedeeld eigenaar is, zijn gelegen buiten het tracé van de onderhavige weg. Reclamant heeft bij brief van 2 mei 2011 laten weten dat hij met verbazing kennis heeft genomen van het bod. Hij stelt bereid te zijn om over te gaan tot de verkoop van de gronden maar kan niet ingaan op de prijs.

Reclamant sub 5b (C.T.M. Moors).

Op 4 april 2008 heeft de namens de verzoeker om onteigening optredende aankoper overleg gevoerd met reclamant en zijn adviseur. Afgesproken werd dat eerstgenoemde in overleg zou treden met de gemeente Steenbergen over het voorstel tot het opstellen van één taxatie gericht op zowel de verwerving door de verzoeker als de gemeente, met als doel de gehele aankoop van de boerderij. Op 30 september 2008 heeft een taxatie van de boerderij plaatsgevonden door de ingestelde taxatiecommissie. Op 6 mei 2009 heeft telefonisch overleg plaatsgevonden tussen de namens de verzoeker optredende aankoper en de adviseur van reclamant waarin de aankoper heeft aangegeven dat alleen een bod zal worden gedaan gericht op de aankoop van de gronden die de verzoeker nodig heeft, aangezien de gemeente inmiddels geen interesse meer zou hebben in gehele aankoop van de boerderij. Bij brief van 30 juli 2009 heeft de verzoeker vervolgens een bod uitgebracht. Op 19 augustus 2009 hebben partijen overleg gevoerd. Bij brief van 9 augustus 2010 heeft de verzoeker reclamant op de hoogte gesteld van het feit dat door een wisseling in werkzaamheden het overleg verder door een andere aankoper zal worden gevoerd. Reclamant heeft hier bij brief van 25 augustus 2010 bezwaar tegen aangetekend. De verzoeker heeft reclamant hierop telefonisch nadere uitleg gegeven over bedoelde wisseling. De adviseur van reclamant heeft bij brief van 10 november 2010 tevens een verzoek om nadeelcompensatie bij de verzoeker ingediend. Vervolgens hebben partijen op 2 en 19 november 2010 en 2 en 22 december 2010 overleg gevoerd. Bij brief van 29 december 2010 heeft de verzoeker om onteigening reclamant opnieuw een aanbod gedaan. Reclamant heeft zijn bezwaren tegen dit bod bij brief van 12 januari 2011 richting de verzoeker kenbaar gemaakt en de verzoeker heeft hier bij brief van 3 februari 2011 op gereageerd. Bij brief van 8 april 2011 heeft de verzoeker een aanbod gedaan gericht op de aankoop van de onroerende zaken en oppervlakten die in de onderhavige procedure betrokken zijn, als ook op de pachtbeëindiging van de onroerende zaak met grondplannummer 40.1. Hierover heeft op 10 mei 2011 overleg plaatsgevonden.

In aanvulling op het voorgaande merken Wij op, dat de hier geschetste gang van zaken handelt over de gronden waarvan reclamant sub 5b eigenaar dan wel pachter is. Daarnaast is reclamant, samen met een aantal andere erfgenamen, mede-eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 40.1 en 79.1. Uit de door de verzoeker om onteigening overgelegde stukken blijkt dat deze op 13 november 2009 een eerste overleg met enkele afgevaardigden van de erfgenamen en hun adviseur heeft gevoerd. Per e-mail van 10 december 2009 heeft de verzoeker de adviseur een eerste aanbod gezonden gericht op de aankoop van deze onroerende zaken en een andere onroerende zaak waarvan reclamant geen mede-eigenaar is. Na telefonisch contact heeft de verzoeker de adviseur bij brief van 24 juni 2010 een nieuw bod toegezonden. Bij brieven van 6 april 2011 heeft de verzoeker alle erfgenamen, waaronder ook reclamant sub 5b, opnieuw biedingen gezonden, nu gericht op de aankoop van de oppervlakten die in de onderhavige procedure betrokken zijn. Dit heeft echter nog niet tot overeenstemming geleid.

Reclamante sub 5c (Van Tilburg en Vogelaar B.V.).

Na een taxatie van de gronden heeft de verzoeker om onteigening reclamante bij brief van 26 januari 2010 een bod uitgebracht. Reclamante heeft de ontvangst van deze brief bij brief van 1 februari 2010 bevestigd en medegedeeld dat het enige tijd zou kosten om zelf een taxatierapport te laten opmaken. Op 16 september 2010 heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden in vervolg waarop reclamante de namens de verzoeker optredende aankoper bij brief van 29 september 2010 nadere informatie heeft verschaft over de mogelijkheid tot woningbouw op de gronden wanneer het werk niet zou zijn aangelegd. Hierover is op 3 november 2010 overleg gevoerd. Bij brief van 10 november 2010 heeft de adviseur van reclamante een verzoek om nadeelcompensatie bij de verzoeker ingediend. Op 21 januari 2011 en 5 april 2011 hebben partijen verder overleg gevoerd. Bij brief van 8 april 2011 heeft de verzoeker reclamante vervolgens een aangepaste bieding gedaan waarop de adviseur van reclamante bij brief van 22 april 2011 heeft gereageerd met een tegenvoorstel.

Reclamant sub 5d (P.G.J. van Lakwijk).

Na een taxatie van de gronden heeft de verzoeker om onteigening reclamant bij brief van 21 januari 2010 een bod uitgebracht. Op 1 juni 2010, 3 november 2010 en 21 januari 2011 hebben partijen overleg gevoerd en bij brief van 25 januari 2011 heeft de verzoeker reclamant een aangepaste bieding gedaan. De adviseur heeft bij brief van 15 februari 2011 op deze bieding gereageerd. Op basis van voortgezet overleg hebben partijen in principe overeenstemming bereikt, in verband waarmee de verzoeker om onteigening een koopovereenkomst heeft opgesteld. Deze is ter ondertekening aan reclamant toegezonden.

Reclamant sub 5e (A.C.P.M. Antonissen).

De verzoeker om onteigening heeft vanaf 2006 met reclamant contact over de verwerving van de benodigde gronden voor het onderhavige project. Bij brief van 22 november 2007 heeft de verzoeker reclamant een bod gedaan gericht op de aankoop van de gronden en gedeelten daarvan die toen nodig waren voor de uitvoering van het werk. Na verdere contacten heeft de verzoeker reclamant bij brief 21 januari 2010 een aangepast aanbod gedaan. De adviseur van reclamant heeft naar aanleiding hiervan bij brief van 29 januari 2010 onder meer nadere informatie opgevraagd en tevens een verzoek om nadeelcompensatie gedaan. Op 31 maart 2010, 2 november 2010, 19 november 2010 en 1 december 2010 heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden waarna de verzoeker reclamant bij brief van 21 december 2010 een aangepaste bieding heeft gedaan. Bij brief van 17 januari 2011 heeft de adviseur de verzoeker medegedeeld dat de gestelde termijn voor de reactie op de brief van 21 december 2010 zal worden overschreden. Per e-mail van 27 januari 2011 heeft de namens de verzoeker optredende aankoper de adviseur van reclamant onder meer bericht dat geen bezwaar bestaat tegen bedoelde overschrijding. De adviseur van reclamant heeft hierop bij brief van 28 februari 2011 gereageerd met een berekening van de schadeloosstelling op basis van zijn (nog niet volledige) uitgangspunten. De adviseur wijst de verzoeker er tevens op, dat hij reeds op 29 januari 2010 een brief heeft geschreven met een aantal vragen waarop nog geen reactie is ontvangen. De verzoeker om onteigening heeft de adviseur van reclamant de ontvangst van de brief van 28 februari 2011 bij brief van 10 mei 2011 bevestigd en gereageerd op de namens reclamant voorgestelde schadeloosstelling.

Reclamanten sub 5f (erven Perdaems).

De verzoeker om onteigening heeft voor het eerst in 2006 contact gehad met toen nog de eigenaar F.M.J. Perdaems. Op 21 juni 2006 zijn de gronden getaxeerd, waarna de verzoeker bij brief van 28 augustus 2006 een bod heeft gedaan. Na verschillende contacten zijn de gronden op 27 oktober 2009 opnieuw getaxeerd. Bij brief van 12 februari 2010 heeft de verzoeker reclamanten een nieuw bod gedaan. De adviseur heeft hierop bij brief van 4 maart 2010 een eerste reactie gegeven met het verzoek om een aantal stukken toe te sturen. Hierop volgend is er op verschillende momenten contact geweest en is er op verschillende momenten overleg gevoerd. Bij brief van 31 maart 2011 heeft de verzoeker reclamanten opnieuw een bod gedaan, gericht op de aankoop van de oppervlakten welke in de onderhavige procedure betrokken zijn. Dit heeft weliswaar tot overeenstemming geleid maar nog niet tot een zowel door reclamant als door het Rijksvastgoed- en Ontwikkelingsbedrijf ondertekende ruilovereenkomst.

Het bovenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van mening dat de verzoeker om onteigening voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om met reclamanten sub 5a tot en met 5f tot overeenstemming te komen. Op het moment van de start van de procedure door middel van de terinzagelegging van de stukken stond naar Ons oordeel genoegzaam vast dat nog niet met reclamanten, al dan niet in de door hen gewenste vorm, overeenstemming kon worden bereikt. Alle reclamanten hebben voorafgaand aan de start van de procedure aanbiedingen ontvangen gericht op de aankoop van hun eigendommen. Met de reclamanten sub 5a tot en met 5c en 5e kon op basis daarvan tot op heden geen overeenstemming worden bereikt. Zoals uit het bovenstaande blijkt heeft de verzoeker op basis van de gedane biedingen en het gevoerde overleg wel overeenstemming kunnen bereiken met de reclamanten sub 5d en 5f. Dit heeft echter nog niet geleid tot ondertekende overeenkomsten. Daarom moet, voor zover het deze reclamanten betreft, worden onderkend dat van verkrijging van de voor de realisering van het werk benodigde gedeelten door de verzoeker om onteigening nog geen sprake is. Hierbij merken Wij op, dat blijkens de onteigeningspraktijk het bereiken van een grote mate van overeenstemming niet in alle gevallen automatisch tot spoedige ondertekening van een overeenkomst en probleemloze eigendomsoverdracht leidt. De urgentie van de uitvoering van het werk laat evenwel geen vertraging toe in de aanwijzing ter onteigening van het benodigde gedeelte. Dientengevolge blijft deze aanwijzing van deze gedeelten noodzakelijk.

Wij merken op, dat het overleg met alle reclamanten sub 5a tot en met 5f dient te worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal mogelijk alsnog tot een volledige oplossing kunnen leiden.

De in de derde plaats door en namens reclamanten naar voren gebrachte zaken omtrent het gekozen tracé van het werk, de omstandigheid dat belangen van ondernemers moeten wijken voor het algemeen belang en de andere oplossingen die ter zake mogelijk zijn, is planologisch van aard. Een inhoudelijke beoordeling van deze aspecten is in de onderhavige procedure niet aan de orde. Bedoelde zaken dienen aan de orde te komen in het kader van de procedure op grond van de Tracéwet.

Het in de vierde plaats door en namens reclamanten gestelde ziet op de hoogte van de schadeloosstelling. Zoals Wij reeds in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1 hebben opgemerkt vindt de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure evenwel niet ter beoordeling, maar komt bij het uitblijven van minnelijk overeenstemming aan de orde in de gerechtelijke onteigeningsprocedure.

Naar aanleiding van het in de vijfde plaats door reclamant sub 5b gestelde omtrent het taxatierapport heeft de verzoeker om onteigening medegedeeld dat een dergelijk rapport voor interne doeleinden wordt opgesteld. De verzoeker heeft reclamant wel specificaties van de schadeloosstelling toegezonden, wat Ons niet onjuist voorkomt. Het verder door reclamant gestelde omtrent de planschade valt buiten het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure, wat ook geldt voor het gestelde omtrent de vermeende aankoop door de verzoeker om onteigening van woningen buiten het tracé van de weg.

In aanvulling op hetgeen Wij hiervoor ten aanzien van de ingebrachte zienswijzen hebben overwogen merken Wij op, dat de verzoeker om onteigening bij e-mailbericht van 21 november 2011 heeft medegedeeld dat de onroerende zaken met grondplannummers 61.1, 22.1, 20.1, 24.1, 4.1, 28.1, 15.1, 8.1, 17.1 en 106.1 inmiddels zijn aangekocht en derhalve niet meer ter onteigening hoeven te worden aangewezen. De in dit besluit opgenomen lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

In genoemd e-mailbericht van 21 november 2011 heeft de verzoeker om onteigening met betrekking tot de onroerende zaken met grondplannummers 16.1, 109.1, 114.1, 115.1, 213.1, 213.2, 157.1 en 181.1 te kennen gegeven dat deze door de verzoeker zijn verworven. Deze zaken moeten echter in de lijst van de te onteigenen zaken worden gehandhaafd in verband met de daarop rustende zakelijke rechten.

Overige overwegingen

Op 9 september 1998 is door de Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu het Tracébesluit ‘A4 Dinteloord – Bergen op Zoom’ tussen km 2.800 (aansluiting Dinteloord) en km 20.5 (Knooppunt Zoomland) vastgesteld. In dit Tracébesluit was voorzien in een aanleg van de A4 oostelijk van Steenbergen. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2001, kenmerk E01.98.0552 is het gedeelte Steenbergen, oostelijk rond Steenbergen, tussen km 6.375 en km 13.356 vernietigd. De delen tussen km 2.800 en km 6.375, en km 14.330 tot km 15.060 zijn bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onherroepelijk geworden.

Voor het vernietigde gedeelte Steenbergen tussen km 6.357 en km 13.356, is door de minister van Verkeer en Waterstaat op 13 maart 2007 een nieuw standpunt ingenomen. Dit standpunt houdt in dat het tracé westelijk van Steenbergen wordt aangelegd. De westelijke omlegging heeft als consequentie dat een gedeelte van het onherroepelijk deel Klutsdorp niet behoeft te worden aangelegd. Het betreft hier het gedeelte tussen de Stierenweg km 13.356 en de Laageinde km 14.330.

Het Tracébesluit ‘A4 Dinteloord – Bergen op Zoom, gedeelte Steenbergen’, vastgesteld door de Minister van Infrastructuur en Milieu bij besluit van 18 februari 2011, vormt de planologische grondslag voor de aanleg van het werk. Het besluit heeft van 3 maart 2011 tot en met 14 april 2011 ter inzage gelegen, in welke periode diverse beroepen zijn ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Voorzitter van de Afdeling is verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 25 juli 2011, inzake nr. 201103533, heeft de Voorzitter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Op de tegen het tracébesluit ingestelde beroepen is nog niet beslist, zodat dit besluit nog niet onherroepelijk is.

Het tracébesluit geldt als een omgevingsvergunning waarbij ten behoeve van een project van nationaal belang met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken. Het Tracébesluit ‘A4 Dinteloord – Bergen op Zoom, gedeelte Steenbergen’ werkt daardoor rechtstreeks door in het ruimtelijk beleid van de betrokken gemeenten. De gemeenteraden van de betrokken gemeenten zijn verplicht binnen een jaar nadat het Tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of beheersverordening overeenkomstig het Tracébesluit vast te stellen.

Voor het gedeelte van de A4 tussen km 14.330 (nabij Laageinde) en km 15.060 (Eendrachtweg) en tussen km 2.800 (nabij viaduct in de Noord-Zeedijk) en km 6.375 (brug over de Steenbergsche Vliet) zijn de benodigde onroerende zaken bij koninklijk besluit van 12 februari 2011 nummer 11.000349, deel 1 en 3 ter onteigening aangewezen.

Er maken dagelijks zo’n 18.000 motorvoertuigen gebruik van de N259, dit leidt tot veel verkeersonveiligheid en vormt een ernstige aantasting van het woon- en leefmilieu. Bij de huidige inzichten zou de verkeersbelasting in 2020 toenemen tot zo’n 28.000 motorvoertuigen per dag. Op de verbinding tussen Dinteloord en Bergen Zoom blijken de problemen zich nu vooral in de bebouwde kom van Halsteren en Steenbergen en oostelijk van Steenbergen voor te doen.

Met de aanleg van de A4 bij Steenbergen wordt de ontbrekende schakel in de verbinding tussen Rotterdam en de Belgische grens gerealiseerd en dit zal ook voor een goede doorgaande verbinding zorgen. Tevens zal de verkeersveiligheid door de aanleg van de A4 bij Steenbergen sterk verbeteren en zullen de verkeersgerelateerde problemen zowel oostelijk van Steenbergen als binnen de bebouwde kom van Halsteren en Steenbergen afnemen. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport staan de gelden voor de A4 Dinteloord – Bergen op Zoom gereserveerd en zijn deze vanaf 2008 beschikbaar gesteld.

De start van de uitvoering voor het gedeelte tussen km 300.112 (Laageinde) en km 310.493 (Steenbergsche Vliet) is gepland voor de tweede helft 2011, en zal worden uitgevoerd door het Rijk (Rijkswaterstaat). De openstelling voor verkeer staat gepland voor eind 2013.

Het moet in het belang van een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid noodzakelijk worden geacht, dat de Staat (Infrastructuur en Milieu) de eigendom verkrijgt van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.

De door reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen worden niet van zodanig gewicht geacht dat op grond daarvan het verzoek om een koninklijk besluit ex artikel 72a van de onteigeningswet, moet worden afgewezen.

Beslissing;

Gelet op de onteigeningswet,

Gehoord de Afdeling advisering van de Raad van State, advies van 17 november 2011, nr. W14.11.0415/IV, en gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 2 december 2011, nr. RWSCD BJV 2011/1406, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed,

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Ten behoeve van de aanleg van de rijksweg A4 om Steenbergen tussen km 300.112 nabij Laageinde en km 310.493 nabij de brug over de Steenbergsche Vliet (deel 2 Steenbergen) met bijkomende werken, in de gemeenten Bergen op Zoom en Steenbergen zullen ten algemenen nutte en ten name van de Staat worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeenten Bergen en Zoom en Steenbergen en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst ter inzage hebben gelegen als:

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Steenbergen

Grondplannr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

62.1

0

24

54

Terrein (akkerbouw)

4

24

70

E 103

Brooijmans, Marinus Theodorus Augustinus, gehuwd met Koopmans, Monique Josephine Johanna, NIEUW-VOSSEMEER.

                   

58.1

1

16

38

Terrein (akkerbouw)

5

04

00

E 104

Brooijmans, Arnoldus Wilhelmus Johannes, STEENBERGEN NB.

                   

59.1

1

20

41

Terrein (akkerbouw)

3

09

20

E 105

Moors, Cornelis Thomas Maria, gehuwd met Nouwen, Maria Sijke, STEENBERGEN NB.

                   

63.1

1

16

01

Wonen Terrein (akkerbouw)

3

07

00

E 106

Moors, Cornelis Thomas Maria, gehuwd met Nouwen, Maria Sijke, STEENBERGEN NB;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB.

                   

78.1

0

33

26

Weiland Dijk

0

55

69

E 249

Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB.

                   

87.1

0

19

51

Wegen

0

46

00

E 370

Als grondplannummer 78.1

                   

77.1

0

02

12

Terrein (akkerbouw)

0

10

00

E 374

Als grondplannummer 78.1

                   

88.1

0

23

45

Wegen

0

87

30

E 429

Als grondplannummer 78.1

                   

194.2

0

32

31

Pakhuis Erf Weiland

0

59

00

E 439

Van Tilburg En Vogelaar BV, STEENBERGEN NB, zetel: STEENBERGEN.

               

81.0

geheel

Water

0

01

80

E 443

Als grondplannummer 78.1

               

71.0

geheel

Water

0

00

90

E 444

Als grondplannummer 78.1

                   

83.1

0

00

04

Water

0

17

90

E 445

Als grondplannummer 78.1

                   

84.1

0

44

46

Terrein (grasland)

0

65

19

E 511 ged.

½ eigendom: Oerlemans, Marinus Maria, gehuwd met Stander, Johanna Adriana,

STEENBERGEN NB;

½ eigendom: Stander, Johanna Adriana, gehuwd met Oerlemans, Marinus Maria, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

       

geschat

 
               
       

Terrein (grasland)

0

44

46

E 511 ged.

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet

Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

       

geschat

 
               

85.1

0

20

21

Water

0

99

95

E 524

Waterschap Brabantse Delta, BREDA.

                   

76.1

2

48

68

Terrein (akkerbouw)

6

65

20

E 525

Pluijm, Franciscus Cornelis Maria van der, RAAMSDONKSVEER.

                   

212.1

0

70

11

Water

2

70

85

E 526

Als grondplannummer 85.1

                   

212.2

0

04

17

Water

2

70

85

E 526

Als grondplannummer 85.1

                   

195.2

0

00

10

Bedrijvigheid (industrie) erf-tuin

0

34

70

E 640

Van Tilburg En Vogelaar Bv, STEENBERGEN NB, zetel: STEENBERGEN.

                   

195.3

0

00

03

Bedrijvigheid (industrie) erf-tuin

0

34

70

E 640

Als grondplannummer 195.2

                   

60.1

0

27

79

Terrein (akkerbouw)

1

72

66

E 647

Laurijsse, Johannes Henricus Adrianus Maria, gehuwd met Alphen, Cornelia Adriana Maria van, DE HEEN.

                   

67.1

0

13

64

Wegen

3

56

05

E 752

Provincie Noord-Brabant, ’S-HERTOGENBOSCH.

                   

89.1

0

27

64

Wegen

1

57

28

E 759

Als grondplannummer 78.1

                   

65.1

0

10

80

Terrein (akkerbouw)

4

13

62

E 764

Als grondplannummer 78.1

                   

74.1

1

05

29

Terrein (akkerbouw)

6

26

75

E 766

¼ eigendom: Riet, Thomas Adrianus Maria van der, gehuwd met Hopmans, Cornelia Maria Gertrudis, DE HEEN;

¼ eigendom: Riet, Alfonsus Laurentius Maria van der, WOUWSE PLANTAGE;

¼ eigendom: Riet, Anna Alphonsa Petronella Maria van der, VALKENSWAARD;

¼ eigendom: Riet, Johannes Wilhelmus Alphonsus Maria van der, CAPELLE AAN DEN IJSSEL.

                   

40.1

0

08

00

Terrein (akkerbouw)

3

58

00

Y 193

Moors, Agatha Wilhelmina Huberdina Lucia Maria, MILSBEEK, gehuwd met Bon, Wilhelmus Hendrikus Joseph van, NIJMEGEN;

Moors, Antonius Joseph Godefridus Maria, gehuwd met Looijen, Anna Elisabeth Jacoba Maria, STEENBERGEN NB;

Moors, Cornelis Franciscus Godefridus Maria, NIEUW-VOSSEMEER;

Moors, Cornelis Theodorus Leonardus, NIEUW-VOSSEMEER;

Moors, Huberdine Henriette Antoinette Lucia Maria, GENEVE Zwitserland;

Moors, Thomas Petrus Paulus, gehuwd met Koenraadt, Isabella Johanna Maria, MAARN;

Moors, Marie Charlotte Henriette Desire, STEENBERGEN NB;

Moors, Renate Palmyra Maria, STEENBERGEN NB;

Moors, Cornelis Thomas Maria, gehuwd met Nouwen, Maria Sijke, STEENBERGEN NB;

Moors, Alfred Joseph Marie, STEENBERGEN NB;

Moors, Johanna Maria, gehuwd met Visscher, Jan Willem, HIPPOLYTUSHOEF;

Moors, Augustinus Godefridus Maria, gehuwd met Ruijter, Catharina Anna, MIDDENMEER;

Moors, Johannes Henricus, gehuwd met Ruijs, Antonia Johanna, WIERINGERWERF;

Moors, Joseph Maria, MIDDENMEER;

Moors, Wilhelmina Petronella Henrika Maria, gehuwd met Mom, Andreas Josephus Arnoldus, LEIDEN;

Moors, Theodora Petronella Maria, AMSTERDAM;

Moors, Antonius Gregorius Maria, gehuwd met Bruijckere, Maria Anna Augusta de, WIERINGERWERF;

Moors, Petrus Cornelis Maria, MIDDENMEER;

Moors, Maria Elisabet, gehuwd met Scholten, Henricus Antonius, MIDDENMEER.

                   

50.1

0

12

00

Water

1

62

80

Y 232

Als grondplannummer 85.1

                   

48.1

0

13

83

Wegen

1

64

25

Y 243

Als grondplannummer 78.1

                   

47.1

0

04

26

Water

0

45

75

Y 244

Als grondplannummer 85.1.

                   

30.1

0

00

71

Wegen

1

43

25

Y 250

Als grondplannummer 78.1

                   

301.1

0

08

54

Water

0

38

30

Y 251

Als grondplannummer 85.1

                   

14.1

0

00

76

Wegen

0

40

60

Y 265

Als grondplannummer 78.1

                   

13.1

0

31

90

Wegen

1

69

90

Y 266

Als grondplannummer 78.1

                   

208.2

0

04

69

Water

0

10

90

Y 267

Als grondplannummer 85.1

                   

21.1

0

10

35

Water

0

22

90

Y 270

Als grondplannummer 85.1

                   

19.1

0

33

64

Terrein (akkerbouw)

5

30

20

Y 271

Antonissen, Antonius Cornelius Petrus Maria, gehuwd met Terheijden, Jaquelina Johanna Maria van, STEENBERGEN NB.

                   

31.1

0

01

74

Water

0

10

00

Y 282

Als grondplannummer 85.1

                   

9.1

0

07

89

Water

0

29

85

Y 497

Als grondplannummer 85.1

                   

6.1

0

18

80

Wegen

0

48

00

Y 499

Als grondplannummer 78.1

                   

215.1

0

00

64

Wegen

1

42

20

Y 503

Als grondplannummer 78.1

                   

215.2

0

20

48

Wegen

1

42

20

Y 503

Als grondplannummer 78.1

                   

130.1

0

16

63

Terrein (akkerbouw)

4

56

14

Y 505 ged.

Dekkers, Antonius Christianus Johannes, STEENBERGEN NB

       

geschat

 
       

Wegen

2

30

66

Y 505 ged.

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

       

geschat

 
                   

126.1

0

01

85

Water

0

09

10

Y 506

Als grondplannummer 85.1

                   

178.1

0

20

17

Wegen

1

35

40

Y 545

Als grondplannummer 78.1

                   

128.1

0

02

79

Water

0

04

90

Y 546

Als grondplannummer 85.1

                   

136.1

0

37

74

Wegen

0

95

25

Y 627

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH.

               

35.0

geheel

Wonen

0

04

05

Y 637

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB.

               

41.0

geheel

Dijk

0

01

40

Y 639

Joppe, Leonard Johannes, BIRMINGHAM Groot-Brittannië;

Joppe, Pieter Leonard, RENKUM.

               

32.0

geheel

Dijk

0

02

13

Y 642

Scheepvaart En Landbouw, ANTWERPEN België, zetel: STOMPWIJK.

                   

53.1

0

00

59

Water

0

14

35

Y 743

Als grondplannummer 85.1

                   

45.1

0

30

29

Terrein (akkerbouw)

0

77

45

Y 744

Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH.

                   

34.1

0

24

85

Terrein (akkerbouw)

0

25

00

Y 745

Als grondplannummer 45.1

                   

39.1

1

16

73

Terrein (akkerbouw)

5

38

60

Y 746

Moors, Cornelis Thomas Maria, gehuwd met Nouwen, Maria Sijke, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH.

                   

38.1

7

86

44

Terrein (akkerbouw)

13

61

70

Y 747

Brooijmans, Arnoldus Wilhelmus Johannes, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH.

               

51.0

geheel

Wonen Terrein (akkerbouw)

0

49

25

Y 748

Bolders, Joannes Gustaaf Maria, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water, ‘S-HERTOGENBOSCH.

                   

52.1

5

52

90

Terrein (akkerbouw)

5

60

10

Y 848

Als grondplannummer 51.0

                   

54.1

1

19

12

Terrein (akkerbouw)

5

21

00

Y 849

½ eigendom: Schillemans, Antonius Georgius Johannes Maria, gehuwd met Gabriels, Philomina Petronella Johanna Maria, LEPELSTRAAT;

½ eigendom: Gabriels, Philomina Petronella Johanna Maria, gehuwd met Schillemans, Antonius Georgius Johannes Maria, LEPELSTRAAT;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH.

               

42.0

geheel

Wonen

0

03

85

Y 1013

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, op gedeelte van perceel, gerechtigde: Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB.

                   

49.1

0

57

29

Terrein (akkerbouw)

1

27

05

Y 1016

Kock, Jacobus Joseph Maria de, gehuwd met Elsevier, Elisabeth Maria, STEENBERGEN NB.

                   

135.1

0

00

33

Wonen (agrarisch) Terrein (grasland)

1

21

35

Y 1030

Als grondplannummer 136.1

                   

26.1

0

57

46

Terrein (akkerbouw)

1

66

35

Y 1227

Als grondplannummer 49.1

                   

29.1

2

22

42

Terrein (grasland)

5

90

50

Y 1246

Antonissen, Antonius Cornelius Petrus Maria, gehuwd met Terheijden, Jaquelina Johanna Maria van, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

11.1

0

39

61

Water

1

56

30

Y 1259

¼ eigendom: J L G Van Adrichem Bv, DE LIER, zetel MAASLAND;

¼ eigendom: S E M Van Adrichem Bv, DE LIER, zetel MAASLAND;

¼ eigendom: C M Van Adrichem B V, STEENBERGEN NB, zetel DE LIER;

¼ eigendom: G M M Van Adrichem Bv, STEENBERGEN NB, zetel DE LIER.

                   

12.1

0

82

33

Terrein (akkerbouw)

10

30

35

Y 1260

Koenraadt, Matthias Josephus Constance Maria, gehuwd met Kock, Cornelia Elisabeth Dimphna Maria de, BERGEN OP ZOOM;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB.

                   

10.1

0

00

11

Water

0

01

50

Y 1261

Als grondplannummer 12.1

                   

56.1

1

17

55

Wegen

1

22

55

Y 1380

Als grondplannummer 78.1

                   

209.1

0

12

46

Wegen

0

71

40

Y 1381

Als grondplannummer 78.1

                   

209.2

0

00

14

Wegen

0

71

40

Y 1381

Als grondplannummer 78.1

                   

210.1

1

49

00

Wegen

1

71

95

Y 1382

Als grondplannummer 67.1

                   

16.1

0

05

32

Wegen

0

09

10

Y 1418

½ eigendom: Smits, Gerardus Johannes Petrus, STEENBERGEN NB;

½ eigendom: Koenraadt, Virginia Hélène Petronella, STEENBERGEN NB.

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Gemeente Steenbergen, STEENBERGEN NB.

                   

57.1

0

02

49

Wegen

1

82

76

Y 1463

Als grondplannummer 67.1

                   

199.2

0

01

87

Terrein (akkerbouw)

41

66

20

Z 1

Spelt, Nicolaas Marius van der, gehuwd met Nieuwenhuijzen, Jacqueline Neeltje van, STEENBERGEN NB.

                   

200.2

0

00

07

Terrein (akkerbouw)

21

07

60

Z 2

Als grondplannummer 199.2

                   

200.3

0

00

46

Terrein (akkerbouw)

21

07

60

Z 2

Als grondplannummer 199.2

                   

1.1

2

31

48

Dijk 10142

5

10

45

Z 8

Spelt, Nicolaas Marius van der, gehuwd met Nieuwenhuijzen, Jacqueline Neeltje van, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

1.2

0

45

49

Dijk 10142

5

10

45

Z 8

Als grondplannummer 1.1

                   

82.1

1

21

46

Wegen

1

49

35

Z 10

Als grondplannummer 78.1

               

73.0

geheel

Terrein (akkerbouw)

3

81

10

Z 11

1/10 eigendom: Moors, Cornelis Theodorus Leonardus, NIEUW-VOSSEMEER;

1/10 eigendom: Moors, Johanna Maria, gehuwd met Visscher, Jan Willem, HIPPOLYTUSHOEF;

1/10 eigendom: Moors, Augustinus Godefridus Maria, gehuwd met Ruijter, Catharina Anna, MIDDENMEER;

1/10 eigendom: Moors, Johannes Henricus, gehuwd met Ruijs, Antonia Johanna, WIERINGERWERF;

1/10 eigendom: Moors, Joseph Maria, MIDDENMEER;

1/10 eigendom: Moors, Wilhelmina Petronella Henrika Maria, gehuwd met Mom, Andreas Josephus Arnoldus, LEIDEN;

1/10 eigendom: Moors, Theodora Petronella Maria, AMSTERDAM;

1/10 eigendom: Moors, Antonius Gregorius Maria, gehuwd met Bruijckere, Maria Anna Augusta de, WIERINGERWERF;

1/10 eigendom: Moors, Petrus Cornelis Maria, MIDDENMEER;

1/10 eigendom: Moors, Maria Elisabet, gehuwd met Scholten, Henricus Antonius, MIDDENMEER.

                   

79.1

3

08

17

Terrein (akkerbouw)

7

00

35

Z 12

Moors, Agatha Wilhelmina Huberdina Lucia Maria, MILSBEEK, gehuwd met Bon, Wilhelmus Hendrikus Joseph van, NIJMEGEN;

Moors, Antonius Joseph Godefridus Maria, gehuwd met Looijen, Anna Elisabeth Jacoba Maria, STEENBERGEN NB;

Moors, Cornelis Franciscus Godefridus Maria, NIEUW-VOSSEMEER;

Moors, Cornelis Theodorus Leonardus, NIEUW-VOSSEMEER;

Moors, Huberdine Henriette Antoinette Lucia Maria, GENEVE Zwitserland;

Moors, Thomas Petrus Paulus, gehuwd met Koenraadt, Isabella Johanna Maria, MAARN;

Heijden, Anna Jeannette Cornelia Maria van der, BERGEN OP ZOOM;

Moors, Marie Charlotte Henriette Desire, STEENBERGEN NB;

Moors, Renate Palmyra Maria, STEENBERGEN NB;

Moors, Cornelis Thomas Maria, gehuwd met Nouwen, Maria Sijke, STEENBERGEN NB;

Moors, Alfred Joseph Marie, STEENBERGEN NB;

Moors, Johanna Maria, gehuwd met Visscher, Jan Willem, HIPPOLYTUSHOEF;

Moors, Augustinus Godefridus Maria, gehuwd met Ruijter, Catharina Anna, MIDDENMEER;

Moors, Johannes Henricus, gehuwd met Ruijs, Antonia Johanna, WIERINGERWERF;

Moors, Joseph Maria, MIDDENMEER;

Moors, Wilhelmina Petronella Henrika Maria, gehuwd met Mom, Andreas Josephus Arnoldus, LEIDEN;

Moors, Theodora Petronella Maria, AMSTERDAM;

Moors, Antonius Gregorius Maria, gehuwd met Bruijckere, Maria Anna Augusta de, WIERINGERWERF;

Moors, Petrus Cornelis Maria, MIDDENMEER;

Moors, Maria Elisabet, gehuwd met Scholten, Henricus Antonius, MIDDENMEER.

                   

70.1

0

14

13

Water

0

36

55

Z 13

Als grondplannummer 85.1

                   

211.1

10

43

95

Terrein (akkerbouw)

37

10

10

Z 14

Spelt, Nicolaas Marius van der, gehuwd met Nieuwenhuijzen, Jacqueline Neeltje van, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

211.2

0

99

74

Terrein (akkerbouw)

37

10

10

Z 14

Als grondplannummer 211.1

                   

211.3

0

29

09

Terrein (akkerbouw)

37

10

10

Z 14

Als grondplannummer 211.1

                   

69.1

0

71

50

Wonen erf – tuin

0

76

70

Z 16

Als grondplannummer 211.1

                   

68.1

0

06

82

Berging-stalling (garage-schuur)

0

34

00

Z 17

Spelt, Nicolaas Marius van der, gehuwd met Nieuwenhuijzen, Jacqueline Neeltje van, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH.

                   

72.1

1

64

73

Berging-stalling (garage-schuur) terrein (akkerbouw)

8

50

45

Z 20

Als grondplannummer 199.2

                   

75.1

0

04

64

Water

0

53

60

Z 23

Als grondplannummer 85.1

                   

216.1

0

00

40

Wegen

1

12

80

Z 24

Als grondplannummer 78.1

                   

3.1

0

00

20

Water

0

47

70

Z 38

Als grondplannummer 85.1

                   

98.1

1

26

87

Terrein (akkerbouw)

8

90

50

Z 44

Hage, Corstiaan Cornelis, STEENBERGEN NB;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Roosendaal, ROOSENDAAL.

                   

113.1

0

17

93

Water

0

92

50

Z 69

Als grondplannummer 85.1

                   

97.1

0

00

53

Water

0

21

55

Z 71

Als grondplannummer 85.1

                   

111.1

0

05

08

Erf – tuin

0

32

70

Z 72

½ eigendom: Kuijk, Godefridus Johannes van, gehuwd met Beijer, Adriana Wilhelmina Johanna de, STEENBERGEN NB;

½ eigendom: Beijer, Adriana Wilhelmina Johanna de, gehuwd met Kuijk, Godefridus Johannes van, STEENBERGEN NB.

                   

108.1

0

05

43

Wonen erf – tuin

0

17

50

Z 74

Als grondplannummer 111.1

                   

109.1

0

28

01

Terrein (akkerbouw)

20

93

95

Z 80

⅓ eigendom: Biebuyck, Philippe André Louis Joseph René, DE HAAN België;

⅓ eigendom: Biebuyck, Sabina Renée Marie Joseph Magdalena, KORTRIJK België;

⅓ eigendom: Biebuyck, Lucie Anne Marie Madeleine Joseph, ROESELAERE België.

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Waterschap Brabantse Delta, BREDA.

                   

102.1

0

09

58

Water

0

56

80

Z 95

Als grondplannummer 85.1

                   

100.1

2

42

77

Terrein (akkerbouw)

9

28

00

Z 96

Krijnen, Gerardus Johannes Adrianus Joseph, gehuwd met Aarts, Maria Johanna Wilhelmina, STEENBERGEN NB.

                   

101.1

3

76

94

Terrein (akkerbouw)

11

93

05

Z 98

Vruchtgebruik gerechtigde: Tuyll van Serooskerken, Hendrik Nicolaas Cornelis van, ‘S-GRAVENHAGE;

¼ eigendom belast met vruchtgebruik: Tuyll van Serooskerken, Samuel Ernest van, gehuwd met Roell, Edmee Elisabeth, HAARLEM;

¼ eigendom belast met vruchtgebruik: Tuyll van Serooskerken, Emmy Caroline van, gehuwd met Jonge, Bonifacius Cornelis de, BRUSSEL België;

¼ eigendom belast met vruchtgebruik: Tuyll van Serooskerken, Isabelle Rolande van, VELP;

¼ eigendom belast met vruchtgebruik: Tuyll van Serooskerken, Arnaud Waldor van, gehuwd met Huijgen, Maria Corine, QUAR NEAR GILLINGHAM Groot-Brittannië.

                   

122.1

0

00

81

Water

7

17

35

Z 105

Als grondplannummer 85.1

                   

120.1

0

66

55

Terrein (akkerbouw)

20

49

00

Z 129

Als grondplannummer 101.1

                   

119.1

2

41

88

Terrein (akkerbouw)

5

59

85

Z 130

Als grondplannummer 101.1

                   

121.1

1

49

36

Terrein (akkerbouw)

3

86

75

Z 131

Als grondplannummer 101.1

                   

123.1

0

78

12

Terrein (teelt – kweek)

3

84

55

Z 132

HOLDING A.C. VERBEEK B.V., STEENBERGEN NB.

                   

91.1

0

07

58

Water

0

22

95

Z 136

Als grondplannummer 85.1

                   

117.1

0

34

56

Wegen

1

38

75

Z 138

Als grondplannummer 101.1

                   

96.1

0

06

75

Wegen

0

27

20

Z 147

Als grondplannummer 78.1

                   

94.1

0

02

60

Wonen erf – tuin

0

62

55

Z 148

Wijk, Piet van der, gehuwd met Fassotte, Mireille Maria Elizabeth, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

93.1

0

01

09

Wonen

0

06

05

Z 292

Nieuwenhuijzen, Adriaan Leendert van, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

92.1

0

05

50

Erf – tuin

0

08

45

Z 294

Als grondplannummer 93.1

                   

95.1

2

45

13

Terrein (akkerbouw)

4

80

25

Z 295

Als grondplannummer 93.1

                   

112.1

0

02

48

Wegen

0

10

45

Z 304

Als grondplannummer 78.1

                   

116.1

2

01

17

Wegen

3

28

35

Z 315

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

114.1

0

00

13

Terrein (akkerbouw)

5

30

70

Z 325

Als grondplan 109.1

                   

118.1

0

13

98

Wonen terrein (teelt – kweek)

12

67

10

Z 327

HOLDING A.C. VERBEEK B.V., STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

115.1

0

15

22

Wonen (agrarisch) erf – tuin

0

20

10

Z 394

Eigendom belast met vruchtgebruik: Perdaems, Franciscus Marinus Johannes, gehuwd met Swagemakers, Anna Elisabeth Cornelia Maria, STEENBERGEN NB;

Gerechtigde vruchtgebruik: Nijssen, Cornelis Johannes Jacobus Maria, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Roosendaal, ROOSENDAAL.

                   

213.1

4

58

07

Terrein (akkerbouw)

18

12

00

Z 403 ged.

Spelt, Nicolaas Marius van der, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet

Privaatrecht, gerechtigde Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Roosendaal, ROOSENDAAL.

       

geschat

 
       

Terrein (akkerbouw)

9

29

95

Z 403 ged.

Perdaems, Franciscus Marinus Johannes, gehuwd met Swagemakers, Anna

Elisabeth Cornelia Maria, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Roosendaal, ROOSENDAAL.

       

geschat

 
               

213.2

0

00

11

Terrein (akkerbouw)

18

12

00

Z 403 ged.

Spelt, Nicolaas Marius van der, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Roosendaal, ROOSENDAAL.

       

geschat

 
               
       

Terrein (akkerbouw)

9

29

95

Z 403 ged.

Perdaems, Franciscus Marinus Johannes, gehuwd met Swagemakers, Anna Elisabeth Cornelia Maria, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: Gemeente Roosendaal, ROOSENDAAL.

       

geschat

 
                 
 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Halsteren

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte

Als

Ter grootte van

Sectie en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

147.1

0

03

65

Wonen Erf – Tuin

0

12

75

I 213

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Gemeente Bergen Op Zoom, BERGEN OP ZOOM.

                   

145.1

0

02

51

Wonen Erf – Tuin

0

12

60

I 214

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Gemeente Bergen Op Zoom, BERGEN OP ZOOM;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel, gerechtigde: Gemeente Bergen Op Zoom, BERGEN OP ZOOM.

               

151.0

geheel

Wegen

0

02

00

I 1295

Gemeente Bergen Op Zoom, BERGEN OP ZOOM.

                   

203.2

0

01

23

Wegen

0

19

80

I 1296

Als grondplannummer 151.0

                   

203.3

0

06

78

Wegen

0

19

80

I 1296

Als grondplannummer 151.0

                   

168.1

0

00

17

Wegen

0

73

88

K 23 ged.

West Brabantse Landgoederen, ANTWERPEN België.

       

geschat

 
       

Wegen

0

03

12

K 23 ged.

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

       

geschat

 
                   

167.1

0

05

18

Wonen Erf – Tuin

9

34

45

K 24 ged.

Als grondplannummer 168.1

       

geschat

 
       

Wegen

0

11

05

K 24 ged.

Als grondplannummer 168.1

       

geschat

 
                   

158.1

0

01

47

Water

0

42

05

K 26

Als grondplannummer 85.1

               

150.0

geheel

Water

0

00

75

K 35

Als grondplannummer 67.1

               

153.0

geheel

Water

0

04

20

K 36

Als grondplannummer 85.1

                   

220.1

0

52

67

Terrein (akkerbouw)

0

64

75

K 37

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

opstalrecht nutsvoozieningen, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

                   

221.1

0

19

18

Terrein (akkerbouw)

1

02

75

K 38

Als grondplannummer 220.1

                   

221.2

0

22

07

Terrein (akkerbouw)

1

02

75

K 38

Als grondplannummer 220.1

                   

222.1

0

11

66

Terrein (akkerbouw)

2

20

10

K 39

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

                   

222.2

0

03

12

Terrein (akkerbouw)

2

20

10

K 39

Als grondplannummer 222.1.

                   

169.1

0

00

51

Wegen

0

34

45

K 304

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Evides Nv, ROTTERDAM;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

                   

170.1

0

00

53

Wonen (agrarisch) erf – tuin

6

19

45

K 305

½ eigendom: Wensen, Cornelis van, gehuwd met Kanters, Maria Huberdina Barbara, BERGEN OP ZOOM;

½ eigendom: Kanters, Maria Huberdina Barbara, gehuwd met Wensen, Cornelis van, BERGEN OP ZOOM;

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, kid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Evides Nv, ROTTERDAM;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

               

172.0

geheel

Wegen

0

09

45

K 307

Als grondplannummer 151.0

               

174.0

geheel

Wegen

0

03

90

K 309

Als grondplannummer 151.0

                   

176.1

0

01

61

Wegen

0

74

90

K 311

Als grondplannummer 151.0.

                   

157.1

0

39

96

Terrein (akkerbouw)

0

46

30

M 16

Gommeren, Petrus Wilhelmus Johanna, STEENBERGEN NB, gehuwd met Koetsenruijter, Johanna Catharina, LEPELSTRAAT;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN;

zakelijk recht als bedoeld in art 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Waterschap Brabantse Delta, BREDA.

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

                   

152.1

0

02

22

Water

0

22

10

M 22

Als grondplannummer 85.1.

                   

185.1

0

06

22

Wegen

1

02

30

M 31

Als grondplannummer 151.0.

                   

300.1

0

04

66

Water

0

05

90

M 34

Als grondplannummer 85.1

                   

133.1

1

87

45

Wegen

3

45

50

M 44

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Gemeente Bergen Op Zoom, BERGEN OP ZOOM.

                   

166.1

1

08

32

Wegen

1

99

90

M 45

Als grondplannummer 133.1

                   

131.1

0

10

78

Terrein (akkerbouw)

5

79

80

M 46

Antonissen, Antonius Cornelius Petrus Maria, gehuwd met Terheijden, Jaquelina Johanna Maria van, STEENBERGEN NB.

                   

181.1

1

20

37

Wonen (agrarisch) Terrein (akkerbouw)

4

21

25

M 165

Koetsenruijter, Johanna Catherina, LEPELSTRAAT, gehuwd met Gommeren, Petrus Wilhelmus Johanna, STEENBERGEN NB;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ‘S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

zakelijk recht als bedoeld in art 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Waterschap Brabantse Delta, BREDA;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN.

                   

165.1

0

04

87

Wonen

0

08

40

M 170

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Waterschap Brabantse Delta, BREDA.

                   

214.1

3

40

62

Bedrijvigheid (kas) Terrein (teelt – kweek)

8

07

60

M 171

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Brabant Water N.V., ’S-HERTOGENBOSCH;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Waterschap Brabantse Delta, BREDA.

                   

214.2

0

00

35

Bedrijvigheid (kas) Terrein (teelt – kweek)

8

07

60

M 171

Als grondplannummer 214.1.

                   

204.3

0

20

67

Bedrijvigheid (kas) Bedrijvigheid (kas)

2

34

20

M 177

Van Leeuwen-Van Dongen Beheer B.V., LEPELSTRAAT;

opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel, gerechtigde: Gemeente Bergen Op Zoom, BERGEN OP ZOOM.

               

184.1

geheel

Terrein (grasland)

0

01

25

M 185

De Staat (Infrastructuur en Milieu), BREDA, zetel: ‘S-GRAVENHAGE;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht, gerechtigde: Aktivabedrijf Enexis Brabant B.V., ROSMALEN;

opstalrecht nutsvoorzieningen, gerechtigde: N.V. Nederlandse Gasunie, GRONINGEN.

               

183.1

geheel

Terrein (grasland)

0

68

95

M 187

Als grondplannummer 184.1

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift aan de Raad van State zal worden gezonden.

Den Haag, 7 december 2011

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Naar boven