Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 augustus 2012, nr. INSP/2012/11429, houdende de inrichting van de directie Werk en Inkomen, alsmede de toedeling van taken en doorverlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden aan de onder de directeur ressorterende functionarissen (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werk en Inkomen 2012)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 4, onderdeel l, en 14 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2012;

Besluit:

§ 1. Begripsbepaling

Artikel 1. Begrippen

In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de directie:

de directie Werk en Inkomen van de inspectie;

b. de directeur:

de directeur van de directie Werk en Inkomen;

c. AFM:

de Autoriteit Financiële Markten, genoemd in artikel 1 van de Pensioenwet;

d. DNB:

De Nederlandsche Bank N.V., genoemd in artikel 1 van de Pensioenwet;

e. RWI:

de Raad voor werk en inkomen, genoemd in hoofdstuk 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

§ 2. De organisatie en taken van de afdelingen

Artikel 2. Organisatie directie

  • 1. De directie bestaat uit de volgende afdelingen:

    • a. de programma-afdeling A;

    • b. de programma-afdeling B;

    • c. de programma-afdeling C;

    • d. de programma-afdeling D.

  • 2. Aan het hoofd van iedere afdeling staat een afdelingshoofd.

§ 3. Verantwoordelijkheden

Artikel 3. Verantwoordelijkheden afdelingshoofden

De afdelingshoofden zijn verantwoordelijk voor de volgende algemene taken:

  • a. het leiding geven aan de eigen afdeling, waaronder begrepen de HRM-taken ten aanzien van de medewerkers, de coaching van de medewerkers en het bevorderen van de sociale cohesie van de eigen afdeling;

  • b. het afleggen van verantwoording en het rapporteren aan de directeur over bijdragen van de eigen afdeling aan de uitvoering van het jaarplan van de inspectie;

  • c. het doen van voorstellen aan het IG-team met betrekking tot het aantrekken en ontslaan van personeel;

  • d. het bijdragen aan de totstandkoming van inspectiebrede producten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, e, f, h en j, en artikel 8, onderdeel d, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit inspecteur-generaal SZW 2012, binnen de daarvoor geldende departementale kaders dan wel volgens door de inspecteur-generaal dan wel de directeur gegeven richtlijnen.

Artikel 4. Verantwoordelijkheden programma-afdelingen

Alle programma-afdelingen zijn verantwoordelijk voor:

  • a. het projectmatig uitvoeren van onderzoeken naar onderwerpen betreffende het aandachtsgebied, en het opstellen van rapporten en programmarapportages daarover;

  • b. het signaleren van mogelijke risico’s voor de doeltreffendheid van de uitvoering;

  • c. het inbrengen van kennis van de uitvoeringspraktijk in de beleidsvorming door het ministerie.

Artikel 4a. Verdere verantwoordelijkheden programma-afdeling C

  • 1. De programma-afdeling C draagt, naast de verantwoordelijkheden, genoemd in artikel 4, tevens verantwoordelijkheid voor:

    • a. het houden van toezicht op de RWI, de AFM en DNB, voor zover dit toezicht is opgedragen aan de minister;

    • b. het rapporteren over de uitkomsten van het toezicht op de RWI, de AFM en DNB.

  • 2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 juli 2012.

Artikel 4b. Verdere verantwoordelijkheden programma-afdeling D

  • 1. De programma-afdeling D draagt, naast de verantwoordelijkheden, genoemd in artikel 4, tevens verantwoordelijkheid voor:

    • a. het voorbereiden van het jaarplan betreffende de door de Auditdienst van het ministerie in opdracht van de directie uit te voeren werkzaamheden ten behoeve van het organisatiegerichte rechtmatigheids- en doelmatigheidstoezicht (exclusief doeltreffendheid), van de directie;

    • b. het voorbereiden van de oordelen van de directie in het kader van het in onderdeel a genoemde toezicht;

    • c. het voorbereiden en uitvoeren van het ketengericht risico-onderzoek ten behoeve van het in onderdeel a genoemde toezicht.

  • 2. Dit artikel vervalt met ingang van 1 mei 2012.

Artikel 5. Verdere verantwoordelijkheden programma-afdeling A

De programma-afdeling A draagt, naast de verantwoordelijkheden, genoemd in artikel 4, tevens verantwoordelijkheid voor:

  • a. het voorbereiden en uitvoeren van de werkzaamheden ten behoeve van het organisatiegerichte rechtmatigheids- en doelmatigheidstoezicht (exclusief doeltreffendheid), van de directie;

  • b. het voorbereiden en uitvoeren van het ketengericht risico-onderzoek ten behoeve van het in onderdeel a genoemde toezicht.

Artikel 6. Verdere verantwoordelijkheden programma-afdeling C

De programma-afdeling C draagt, naast de verantwoordelijkheden, genoemd in artikel 4, tevens verantwoordelijkheid voor:

  • a. het houden van toezicht op de AFM en DNB, voor zover dit toezicht is opgedragen aan de minister;

  • b. het rapporteren over de uitkomsten van het toezicht op de AFM en DNB.

§ 4. Bevoegdheden

Artikel 7. Mandaat en machtiging betreffende personeelsaangelegenheden

Aan de afdelingshoofden van de directie wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op de personeelsaangelegenheden ten behoeve van medewerkers van de eigen organisatorische eenheid, voor zover het betreft:

  • a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;

  • b. het houden van manager-medewerker gesprekken;

  • c. het beslissen over verlof van medewerkers;

  • d. het toekennen van kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, ten bedrage van minder dan € 250,– per medewerker, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.

Artikel 8. Volmachten afdelingshoofden

De afdelingshoofden zijn gevolmachtigd tot het aangaan van overeenkomsten ter waarde van ten hoogste € 15.000,– per overeenkomst betreffende:

  • a. het opleiden van medewerkers van de eigen afdeling binnen de kaders van het opleidingsplan van de directie;

  • b. activiteiten ten behoeve van sociale en functionele cohesie, representatieve aangelegenheden, vergaderingen en recepties voor de eigen afdeling binnen de daarvoor geldende departementale, dan wel door de inspecteur-generaal vastgestelde financiële kaders.

Artikel 9. Plaatsvervanging

  • 1. Bij afwezigheid of verhindering van de directeur worden, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, zijn taken en bevoegdheden geheel of gedeeltelijk waargenomen door een daartoe aan te wijzen plaatsvervanger.

  • 2. Bij afwezigheid of verhindering van een afdelingshoofd worden, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, zijn taken en bevoegdheden geheel of gedeeltelijk waargenomen door een daartoe aan te wijzen plaatsvervanger.

§ 5. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 10. Intrekking

Het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Inspectie Werk en Inkomen 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt, met uitzondering van de artikelen 5 en 6, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 2012.

  • 2. Artikel 6 treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 mei 2012.

  • 3. Artikel 5 treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 juli 2012.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit directie Werk en Inkomen 2012.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 23 augustus 2012

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze: C.H.L.M. van de Louw, directeur Werk en Inkomen.

Naar boven