Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 1162 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2012, 1162 | Onteigeningen |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan onteigening uit kracht van een koninklijk besluit plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan.
Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening
De Staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu verzoekt Ons met brief van 10 december 2010, kenmerk RVDR/2010/2667, om ten name van de Staat (ministerie van Infrastructuur en Milieu) over te gaan tot aanwijzing van een aantal onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Zwolle.
Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure
Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken en gegevens, met ingang van 28 april 2011 tot en met 7 juni 2011 in de gemeente Zwolle en bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, locatie Rijnstraat 8 te Den Haag, ter inzage gelegen.
Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb, heeft de burgemeester van Zwolle van het ontwerp koninklijk besluit en de terinzagelegging daarvan, op 27 april 2011 openbaar kennis gegeven in de plaatselijk verschijnende ‘De Peperbus’.
Onze minister van Infrastructuur en Milieubeheer (Onze Minister) heeft van een en ander openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 27 april 2011, no.6979.
Verder heeft Onze Minister overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, het ontwerp koninklijk besluit met brief van 21 april 2011 (kenmerk BJZ 2011043641),toegezonden aan belanghebbenden, waaronder verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit.
Overwegingen
Noodzaak en urgentie
De gronden waarop het verzoek betrekking heeft, zijn begrepen in het bestemmingsplan ‘Dijkverlegging Westenholte’, verder te noemen: het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is op 6 december 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Zwolle en is ten tijde van dit besluit nog niet onherroepelijk van kracht.
Het onteigeningsplan heeft ten doel de verkrijging van particuliere eigendommen die nodig zijn om het bestemmingsplan te kunnen realiseren. Dit project maakt onderdeel uit van het programma Ruimte voor de Rivier, dat stoelt op de gelijknamige Planologische Kern Beslissing. Deze PKB heeft ten doel maatregelen te bevorderen om de verwachte veranderingen in het hoogwaterpatroon van de grote rivieren op te kunnen vangen door enerzijds verbetering van waterkeringen en anderzijds door het tijdelijk geven van meer ruimte aan piekdebieten in het winter- en voorjaarsseizoen. Daarnaast biedt de PKB ruimte om maatregelen te selecteren die mede worden bepaald door hun bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit.
Bij het realiseren van een adequate hoogwaterbescherming, zoals binnen het project ‘Ruimte voor de Rivier’, is sprake van een complementaire verhouding tussen Rijks- en decentraal niveau. Hier van uitgaande, is in het project Dijkverlegging Westenholte gekozen voor een gemeentelijk bestemmingsplan, met een leidende rol voor het Rijk op het vlak van de minnelijke verwerving van gronden en het zo nodig voeren van onteigeningsprocedures, zoals overeengekomen in de bestuursovereenkomst van 7 november 2005 tussen de Provincie Overijssel en de Staatsecretaris van Verkeer en Waterstaat. Daarnaast financiert het Rijk het dijkverleggingsproject en is het verantwoordelijk voor de bovengenoemde integrale aanpak van de rivierveiligheid en de ruimtelijke kwaliteit. De daadwerkelijke herinrichting van het gebied zal worden uitgevoerd door het Waterschap Groot Salland (realisator). Gelet op een en ander kunnen Wij verzoeker aanmerken als meest gerede partij bij de verzochte onteigening.
Het plangebied wordt thans vooral gebruikt voor agrarische doeleinden (grasland en maïsteelt). Daarnaast zijn in het huidige binnendijkse gebied een melkveehouderij en een schapenhouderij gevestigd. Verspreid over het gebied liggen op hoger gelegen gronden enkele woningen. De bestaande winterdijk langs de IJssel zal landinwaarts worden verlegd naar de laatst gangbare veiligheidseisen. Door deze dijkverlegging wordt het mogelijk om een nieuwe, vergrote uiterwaard te scheppen. De nieuwe uiterwaard zal dienen als vergroot rivier(winter)bed. Met deze maatregel kan de hoogwaterstand in de IJssel ter hoogte van kilometerraai 981 met circa 15 cm worden verlaagd, uitgaande van een verhoging van de maatgevende afvoer van de Rijn bij Lobith, van 15.000 m3 / sec tot 16.000 m3 /sec. Om een effectief gebruik voor de beoogde waterstaatsdoeleinden mogelijk te maken, zullen vrijwel alle in het plangebied aanwezige opstallen worden gesloopt. In de nieuwe uiterwaard zullen extra nevengeulen worden gegraven. Naast de waarborging van de waterveiligheid en de beperking van wateroverlast, voorziet het bestemmingsplan ook in de verdere ontwikkeling van natuurgebied en de daar mee samenhangende aanleg van onder meer natte natuur, bosjes en wandelpaden voor de extensieve dagrecreatie. Het plangebied maakt deel uit van het EHS / Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel. De uitvoering van het dijkverleggingsproject en van het bestemmingsplan zal worden verwezenlijkt door het verrichten van werken en werkzaamheden die zien op de dijkverlegging en op de herinrichting in brede zin van de vergrote uiterwaard.
De ter onteigening voorgedragen gronden zijn in het bestemmingsplan aangewezen voor de bestemmingen ‘Natuur’, ‘Water’, ‘Agrarisch met waarden-Landschap‘, en de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat-Waterkering’ en ‘Waterstaat-Waterstaatkundige functie’.
In de door verzoeker voorgestane wijze van planuitvoering, wordt inzicht verschaft door het bestemmingsplan met de daarbij behorende regels, toelichting en verbeeldingen en het inrichtingsplan van 9 december 2009 waar het Waterschap Groot Salland als verantwoordelijke overheidsinstantie invulling aan heeft gegeven. Ook heeft de raad van Zwolle, gelijktijdig met het bestemmingsplan, op 6 december 2010 het beeldkwaliteitplan Dijkverlegging Westenholte vastgesteld.
Met de zakelijk gerechtigden van de in het verzoek om onteigening begrepen gronden, heeft verzoeker minnelijk overleg gevoerd om deze gronden in eigendom te verkrijgen. Nu het ten tijde van het verzoek niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn zou leiden tot vrijwillige eigendomsoverdracht van alle bij de herinrichting van het gebied betrokken gronden, heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu besloten tot zijn onteigeningsverzoek, om aldus de tijdige verwezenlijking van het bestemmingsplan zeker te stellen.
Volgens de Ons bij het verzoek overgelegde planning, zullen de doelstellingen van het project Dijkverlegging Westenholte uiterlijk in 2015 moeten worden gehaald. De aanvang van de werkzaamheden ter uitvoering van het bestemmingsplan ter plaatse van de te onteigenen percelen en perceelsgedeelten, is dan ook voorzien binnen een periode van vijf jaar na de datum van dit besluit, te weten ultimo 2015.
Zienswijzen
Gedurende de termijn van terinzagelegging van het ontwerp koninklijk besluit zijn bij Ons op 31 mei 2011 mondelinge zienswijzen daartegen naar voren gebracht door:
1) G.J. van Weeghel te Zwolle, verder te noemen: reclamant onder 1);
2) A. van Weeghel en F.R. van Weeghel-van de Wetering te Wilsum, verder te noemen: reclamanten onder 2).
Reclamanten onder 2) hebben hun mondelinge zienswijzen schriftelijk aangevuld met brief van 7 juni 2011.
Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen
Reclamant onder 1) is voor de helft gerechtigd in de eigendom van het gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie S, nr. 698 (grondplannummer 9).
Reclamant onder 1) brengt in de eerste plaats naar voren dat de oorspronkelijk vastgestelde PKB-lijn zuidelijker liep. De bestemmingsplangrens gaat echter over de PKB-grens, waardoor er nu meer grond van hem nodig is. Tijdens vergaderingen over de PKB was uitgangspunt dat de bestemmingsplangrens binnen die van het PKB-gebied zou blijven. Als er toch overheen gegaan moest worden, dan zou de daarvoor bestemde grond alleen minnelijk worden verworven.
In de tweede plaats beroept reclamant onder 1) zich op zelfrealisatie onder de bestemmingen ‘Natuur’en ‘Agrarisch met waarden’. Hij kan toch hetzelfde als de toekomstige eigenaar, Natuurmonumenten. Daarbij komt dat Natuurmonumenten de gronden in pacht zal uitgeven en ook hij daarvoor is genomineerd.
In de derde plaats voert reclamant onder 1) aan, dat er plannen in ontwikkeling zijn om het zomerbed van de IJssel drastisch te verlagen. Dan ontbreekt uit oogpunt van rivierveiligheid de noodzaak tot onteigening. Voor natuur alleen kan evenmin worden onteigend omdat de politiek dit onaanvaardbaar vindt.
In de vierde plaats voert reclamant aan dat aan anderen veel meer geld is geboden als schadeloosstelling. De overeenkomsten met bedoelde eigenaren zijn echter nog niet ingeschreven bij het kadaster. Reclamant onder 1) vermoedt dat dit te maken heeft met pogingen om die hogere prijzen niet te hoeven betrekken in de met hem gevoerde onderhandelingen.
De zienswijzen van reclamant onder 1) geven Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.
Het bestemmingsplan is in zijn inhoud en begrenzing de basis voor het onteigeningsplan. Het bestemmingsplan zelf staat in deze onteigeningsprocedure niet ter beoordeling. Bezwaren tegen de begrenzing konden naar voren worden gebracht in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Van die mogelijkheid heeft reclamant onder 1), evenals reclamanten onder 2), gebruik gemaakt. Ter bescherming van de planologische belangen van reclamanten, zullen Wij aan dit aanwijzingsbesluit voorwaarden verbinden die zien op het tijdstip van dagvaarding en het eventueel vervallen van dit aanwijzingsbesluit. Voor zover reclamant onder 1) wijst op de belofte van het -althans gedeeltelijk- uitsluitend op basis van minnelijk overleg verwerven van gronden, merken Wij nog het volgende op. Uitgangspunt van de onteigeningswet is, dat onteigening een uiterste middel is. Daarmee is in overeenstemming dat voorafgaand aan een onteigeningsprocedure zoveel mogelijk wordt geprobeerd door onderhandelingen tot vrijwillige eigendomsoverdracht te komen. Indien dit niet lukt, dan kan als uiterste middel tot onteigening worden overgegaan. In een situatie als reclamant onder 1) schetst, mag de overheid het onteigeningsinstrument inzetten, indien het algemeen belang daartoe op enig moment dwingt. Dit laatste is naar Ons oordeel hier aan de orde.
Ten aanzien van een mogelijke zomerbedverdieping van de IJssel merken Wij op, dat deze zomerbedverdieping mede deel uitmaakt van het op de PKB gebaseerde Programma Ruimte voor de Rivier. De zomerbedverdieping is voorzien in de benedenloop van de IJssel en beoogt een snellere uitstroom van de IJssel in het IJsselmeer mogelijk te maken. Samen met de onderhavige dijkverlegging met bijbehorende werken en het project Scheller en Oldeneler Buitenwaarden kan de uiteindelijk in totaal gewenste peilverlaging tot 40 cm worden verwezenlijkt. Dijkverlegging met bijbehorende werken en zomerbedverdieping vullen elkaar aan en versterken elkaar. De dijkverlegging heeft derhalve een zelfstandige betekenis, zodat de noodzaak van deze maatregel bij toepassing van de onteigeningswet onveranderd aanwezig blijft.
Voor wat ‘onteigening voor natuur’ betreft, overwegen Wij dat op basis van een bestemmingsplan ook voor een als zodanig beschreven bestemming kan worden onteigend, mits noodzaak en urgentie van zo een voorgenomen onteigening vast staan.
Zo reclamant onder 1) in dit verband bedoelt te verwijzen naar het regeerakkoord, merken Wij op dat behoud en compensatie van natuur(waarden) bij (de uitvoering van) het bestemmingsplan onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. In zoverre is de onteigening naar Ons oordeel verantwoord.
Bovenstaande onderdelen van de zienswijzen van reclamant onder 1) geven Ons dan ook geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Voor zover reclamant onder 1) zich beroept op zelfrealisatie merken Wij allereerst in het algemeen op, dat een bestuursorgaan bij een voorgenomen onteigening moet aantonen, dat het doel waarvoor onteigend wordt niet op een andere manier te bereiken is. Van belang hierbij is dat wanneer een grondeigenaar aangeeft bereid en in staat te zijn om de aan zijn grond gegeven bestemming zelf te realiseren, onteigening in beginsel niet noodzakelijk is. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien het bestuursorgaan een andere vorm van planuitvoering wenst dan de grondeigenaar. Onteigening is dan pas gerechtvaardigd indien het bestuursorgaan aantoont, dat in het publieke belang dringend behoefte bestaat aan de door hem gewenste vorm van planuitvoering. Welke vorm van planuitvoering in het publieke belang is, staat in eerste instantie ter beoordeling van het bestuursorgaan. Of de grondeigenaar zelf tot planuitvoering in staat is, hangt af van de door het bestuursorgaan gekozen vorm van planuitvoering. In verband daarmee moet de grondeigenaar zich op de hoogte kunnen stellen van die gewenste vorm van planuitvoering. Over het algemeen kan deze worden gevonden in (de toelichting op) het bestemmingsplan, de bijbehorende regels, de beschrijving in hoofdlijnen bij het bestemmingsplan en een beeldkwaliteitsplan of inrichtingsschets. Ook uit een exploitatieplan (art. 6.12 Wro) kan de gewenste wijze van uitvoering worden opgemaakt. Andere mogelijke uitzonderingen op het zelfrealisatiebeginsel kunnen zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming zelf op doelmatige wijze te kunnen realiseren of dat de te onteigenen grond geen afzonderlijk deel van het te realiseren complex kan vormen. Wanneer er sprake is van een bestemmingsplan dat integraal moet worden uitgevoerd kan de grondeigenaar evenmin een beroep op zelfrealisatie doen, indien hij voor integrale uitvoering van het plan over onvoldoende grond beschikt.
In het bijzonder overwegen Wij dat op het te onteigenen perceelsgedeelte van reclamant onder 1) de bestemmingen ‘Natuur’, met dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterstaatkundige functie’, ‘Water’ en ‘Agrarisch met waarden-landschap’, met dubbelbestemming ‘Waterstaat-Waterkering’ zijn gelegd. Over het perceelsgedeelte met de laatstbedoelde dubbelbestemming is de nieuwe primaire waterkerende dijk geprojecteerd. Het perceelsgedeelte met de bestemming ‘Natuur’ zal als openbaar toegankelijk natuurgebied worden ingericht. Daargelaten dat reclamant onder 1) blijkens de overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek, eerst in zijn zienswijzen heeft aangegeven zelf te willen realiseren, overwegen Wij dat de aan te leggen waterkering een samenhangend werk van infrastructurele aard is, dat zich uitstrekt over meerdere percelen in het plangebied. Overeenkomstig Ons bestendig beleid, is het uit een oogpunt van integrale aanleg en beheer van infrastructurele werken, doelmatig te achten dat de overheid de daarvoor benodigde gronden zelf in eigendom verwerft.
Deze integrale aanpak staat in zoverre een succesvol beroep op zelfrealisatie door reclamant 1) in de weg. Overigens heeft reclamant onder 1) geen concrete plannen voor de door hem gedachte zelfrealisatie gepresenteerd, maar verwijst hij slechts naar hetgeen de toekomstige beheerder zal ondernemen ter uitvoering van het bestemmingsplan. Alles overziende, kan het beroep van reclamant onder 1) op zelfrealisatie niet slagen en geeft dit onderdeel van zijn zienswijzen Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Ten aanzien van de bezwaren die zien op het hanteren van verschillende prijsniveaus bij de aanbiedingen tot schadeloosstelling overwegen Wij allereerst in het algemeen, dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst door minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan, indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen, is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en dat op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kunnen Wij tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het bestemmingsplan zeker te stellen.
In het bijzonder overwegen Wij dat reclamant onder 1) dit onderdeel van zijn zienswijzen niet verder heeft onderbouwd. Uit de Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is niet geblekendat met reclamant onder 1) onvoldoende serieus minnelijk overleg zou zijn gevoerd. In dit verband merken Wij ook op, dat de hoogte van de schadeloosstelling in deze procedure niet aan Ons ter beoordeling kan staan. Op grond van artikel 40 van de onteigeningswet is de bepaling van de hoogte van de vergoeding uitdrukkelijk voorbehouden aan de burgerlijke rechter in de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure.
Reclamanten onder 2) zijn elk voor de helft gerechtigd in de eigendom van het gedeeltelijk mede in het onteigeningsplan begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Zwolle, sectie S, nr. 421 (grondplannummer 4).
Reclamanten onder 2) voeren in hun zienswijzen gelijkluidende bezwaren aan tegen het onteigeningsplan als reclamant onder 1). Daarenboven merken reclamanten onder 2) nog op, dat er geen rekening is gehouden met een te maken uitweg voor het overblijvende gedeelte van hun perceel en dat er in het aanbod van 16 mei 2011 ten onrechte wordt uitgegaan van onder meer een houtopstand van 2294 ca waar alleen sprake is van een elzensingel van hooguit 50 ca. Reclamanten hebben de grond als grasland gekocht. In hun aanvullende brief van 7 juni 2011 voeren reclamanten onder 2) nog het volgende aan. In het ontwerp koninklijk besluit is op geen enkele wijze zeker gesteld dat de schade aan reclamanten zal worden vergoed. Daarnaast verwijzen zij naar hun bijgevoegde beroepschrift en zienswijzengeschrift in de bestemmingsplanprocedure. Zij wensen de inhoud van deze stukken hier als herhaald en ingelast te beschouwen vanwege de onlosmakelijke samenhang tussen de bestemmingsplan- en de onteigeningsprocedure. Zij uiten hun twijfels aan de mogelijkheden het bestemmingsplan te kunnen uitvoeren, met name de financiële. Het minnelijk overleg is naar de mening van reclamanten onder 2) onvoldoende gevoerd, nu vóór de datum van het onteigeningsverzoek, 10 december 2010, met hen geen minnelijk overleg is gevoerd. Tot slot vragen reclamanten in hun zienswijzen, hoe zij kunnen controleren of de heer De Boer wel gemachtigd is om het verzoek tot onteigening te ondertekenen.
De zienswijzen van reclamanten onder 2) geven Ons aanleiding tot de volgende overwegingen. Voor zover de zienswijzen van reclamanten onder 2) overeenkomen met die van reclamant onder 1) verwijzen Wij naar hetgeen Wij daarover hebben overwogen bij de beoordeling van de zienswijzen van reclamant onder 1).
Voor het overige geven de zienswijzen van reclamanten onder 2) Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.
In het kader van het ingestelde onderzoek is Ons gebleken dat verzoeker wil voorzien in een uitweg voor het resterende perceelsgedeelte, die kan aansluiten op het in het inrichtingsplan aangeduide onderhoudspad aan de binnenzijde van de nieuw aan te leggen dijk.Met betrekking tot hetgeen reclamanten onder 2) naar voren brengen over de houtopstand, merken Wij op, dat in het op 20 oktober 2010 uitgebrachte bod niet wordt gesproken over beplantingen. In de kadastrale registratie staat het perceel aangemerkt als grasland. Daargelaten de feitelijke situatie is, in reactie op dit onderdeel van de zienswijzen, door verzoeker aangegeven dat er in het minnelijk overleg wel gesproken is over natuur / houtopstand, maar verzoeker geeft daarbij aan, dat zulks voor de te vergoeden waarde geen verschil maakt.
In het ontwerp koninklijk besluit is niet aangegeven op welke wijze de schadeloosstelling bij onteigening zal zijn verzekerd. Het besluit tot aanwijzing ter onteigening heeft ten doel onteigening mogelijk te maken. Het onteigeningsbesluit is een noodzakelijke voorwaarde om een grondeigenaar te kunnen dagvaarden in de zogenaamde gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Artikel 40 e.v. van de onteigeningswet waarborgt de zogenaamde volledige schadeloosstelling. De burgerlijke rechter is bij uitsluiting bevoegd de onteigening uit te spreken en de hoogte van de schadeloosstelling vast te stellen. Het vonnis van de rechter kan pas worden ingeschreven in het kadaster nadat een bewijs van betaling aan de onteigende partij is overgelegd.
De planologische bezwaren die reclamanten onder 2) naar voren hebben gebracht in de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wro, kunnen in deze administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling staan. Ditzelfde geldt voor hun bezwaren met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Uit de Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat reclamanten onder 2) vanaf 20 november 2009 eigenaar zijn van het desbetreffende perceel. Zij blijken dit gekocht te hebben in de wetenschap dat dit perceel mogelijk onteigend zou gaan worden. Verzoeker heeft met de vorige eigenaar al gesprekken gevoerd over minnelijke verwerving. Op 20 oktober 2010 heeft verzoeker aan reclamanten onder 2) een schriftelijk bod gedaan op hetgeen onteigend moet worden. In dit bod is ook aangegeven, welke contacten er vóór 20 oktober 2010 in het minnelijk overleg zijn geweest. Gelet hierop kunnen reclamanten onder 2) niet met vrucht staande houden dat er met hen onvoldoende serieus minnelijk overleg zou zijn gevoerd.
Wat de bevoegdheid van de heer De Boer betreft, merken Wij het volgende op.
De heer ir. I.J. de Boer, hoofdingenieur-directeur (HID) bij Rijkswaterstaat, is belast met de leiding van de Programmadirectie Ruimte voor de Rivier. Zijn mandaat om namens de minister of de staatssecretaris besluiten te nemen, ontleent de HID aan het ‘Besluit mandaat, volmacht en machtiging RWS 2008’, van 21 december 2007, nr. RWS 2007/2067/45854.
Alles overziende geven de zienswijzen van reclamanten onder 2) Ons geen aanleiding het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.
Overige overwegingen
Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het bestemmingsplan bezwaarlijk kunnen worden gemist.
Ons is overigens niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de toewijzing van het verzoek in de weg kunnen staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling in de gemeente Zwolle worden geacht, dat de Staat de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.
Het bestemmingsplan is vastgesteld met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling (toepassing artikel 3.30, eerste lid, onder b, van de Wro). Daartoe heeft de gemeenteraad van Zwolle op 11 mei 2010 besloten.
Derhalve is artikel 3:36b van de Wro rechtstreeks van toepassing op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Dit houdt in, dat de dagvaarding kan worden uitgebracht op basis van het vastgestelde bestemmingsplan. De rechter kan evenwel niet eerder uitspraak doen dan nadat het bestemmingsplan onherroepelijk van kracht is geworden met betrekking tot de onderdelen ter uitvoering waarvan wordt onteigend.
Wij kunnen derhalve, met inachtneming van het hierboven gestelde, het verzoek van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet, toewijzen.
BESLISSING
Met inachtneming van de onteigeningswet,
Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 27 september 2011, no. BJZ 2011052681, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken;
Gelezen het verzoek van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 10 december 2010, kenmerk RVDR/2010/2667;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 november 2011, no. W14.11.0409/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 28 november 2011, RWSCD BJV 2011/1460, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.
Hebben Wij goedgevonden en verstaan:
Ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Dijkverlegging Westenholte’ van de gemeente Zwolle ten name van de Staat (ministerie van Infrastructuur en Milieu) ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, zoals aangeduid op de grondtekening (d.d. 1 december 2010) die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet binnen de gemeente Zwolle en bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, locatie Rijnstraat 8 te Den Haag, ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.
Den Haag, 2 december 2011
Beatrix
De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.
|
ONTEIGENINGSPLAN ‘Dijkverlegging Westenholte’ – LIJST VAN TE ONTEIGENEN PERCELEN |
|||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Plaatselijk bekend |
Nummer van het grondplan |
Te onteigenen grootte |
Gemeente Zwolle |
||||||||
|
omschrijving kadastraal |
ter grootte van |
sectie |
nummer |
ten name van: |
|||||||
|
ha |
a |
ca |
object |
ha |
a |
ca |
|||||
|
Zalkerveerweg |
1a |
0 |
29 |
52 |
Terrein (grasland) |
2 |
11 |
90 |
S |
230 |
– de heer Lambertus van Weeghel, geboren 03-06-1937, g.m. mevrouw Jentje Plette, geboren 28-03-1940, beide wonende Zalkerveerweg 9, 8042 PL te Zwolle Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringswet privaatrecht Gemeente Zwolle, Lubeckplein 2, 8017 JZ te Zwolle, P/a postbus 10007, 8000 GA te Zwolle Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringswet privaatrecht Gemeente Zwolle, Lubeckplein 2, 8017 JZ te Zwolle, P/a postbus 10007, 8000 GA te Zwolle Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel Waterschap Groot Salland, Dokter van Thienenweg 1, 8025 AL te Zwolle, P/a postbus 60, 8000 AB te Zwolle |
|
Zalkerveerweg |
1b |
0 |
07 |
41 |
Terrein (grasland) |
2 |
11 |
90 |
S |
230 |
– de heer Lambertus van Weeghel, geboren 03-06-1937, g.m. mevrouw Jentje Plette, geboren 28-03-1940, beide wonende Zalkerveerweg 9, 8042 PL te Zwolle Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringswet privaatrecht Gemeente Zwolle, Lubeckplein 2, 8017 JZ te Zwolle, P/a postbus 10007, 8000 GA te Zwolle Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringswet privaatrecht Gemeente Zwolle, Lubeckplein 2, 8017 JZ te Zwolle, P/a postbus 10007, 8000 GA te Zwolle Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel Waterschap Groot Salland, Dokter van Thienenweg 1, 8025 AL te Zwolle, P/a postbus 60, 8000 AB te Zwolle |
|
Spoolderenkweg 12 |
2 |
Vervallen |
|||||||||
|
Spoolderenkweg |
3 |
1 |
81 |
10 |
Terrein (grasland) |
1 |
81 |
10 |
S |
260 |
– mevrouw Reintje Kamerman, geboren 07-02-1957, g.m. de heer Gerrit de Groot, geboren 17-04-1957, beide wonende Zalkerveerweg 4, 8042 PL te Zwolle |
|
Spoolderenkweg |
4 |
2 |
19 |
14 |
Terrein (grasland) |
2 |
20 |
45 |
S |
421 |
½ de heer André van Weeghel, geboren 22-08-1967, g.m. mevrouw Fennetta Roelien van de Wetering, geboren 06-09-1970, beide wonende Hendrik Evinkstraat 12, 8274 AZ te Wilsum ½ mevrouw Fennetta Roelien van de Wetering, geboren 06-09-1970, g.m. de heer André van Weeghel, geboren 22-08-1967, beide wonende Hendrik Evinkstraat 12, 8274 AZ te Wilsum Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel Waterschap Groot Salland, Dokter van Thienenweg 1, 8025 AL te Zwolle, P/a postbus 60, 8000 AB te Zwolle. Zetel: Zwolle |
|
Zalkerveerweg 11 |
5 |
0 |
16 |
67 |
Wonen terrein (grasland) |
1 |
19 |
46 |
S |
422 |
½ de heer Gerrit Jan van den Bosch, geboren 20-03-1956, g.m. mevrouw Marianne van Pijkeren, geboren 22-01- 1960, beide wonende Zalkerveerweg 11, 8042 PL te Zwolle ½ mevrouw Marianne van Pijkeren, geboren 22-01-1960, g.m. de heer Gerrit Jan van den Bosch, geboren 20-03- 1956, beide wonende Zalkerveerweg 11, 8042 PL te Zwolle |
|
Zalkerveerweg |
6 |
0 |
37 |
66 |
Terrein (grasland) |
0 |
76 |
25 |
S |
423 |
de heer Harm van Pijkeren, geboren 26-05-1930, wonende Meenteweg 36, 8041, AV te Zwolle |
|
Spoolderenkweg |
7 |
Vervallen |
|||||||||
|
Vreugdewykerweg |
8 |
Vervallen |
|||||||||
|
Zalkerveerweg |
9 |
0 |
22 |
22 |
Terrein (grasland) |
1 |
42 |
90 |
S |
698 |
½ de heer Gerrit Jan van Weeghel, geboren 24-07-1975, g.m. mevrouw Judith Regina Francisca Noordman, geboren 31-05-1977, beide wonende Meenteweg 7 – 2, 8041 AT te Zwolle ½ mevrouw Judith Regina Francisca Noordman, geboren 31-05-1977, g.m. de heer Gerrit Jan van Weeghel, geboren 24-07-1975, beide wonende Meenteweg 7 – 2, 8041 AT te Zwolle |
|
Zalkerveerweg |
10 |
Vervallen |
|||||||||
|
Spoolderenkweg |
11 |
Vervallen |
|||||||||
Behorend bij koninklijk besluit van 2 december 2011, no. 11.002923
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2012-1162.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.