Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, het Wetboek van Strafvordering en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in verband met de elektronische aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen, de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten en enkele verbeteringen

Voorstel van wet

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is het voor natuurlijke personen mogelijk te maken om in bepaalde gevallen langs elektronische weg een aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag in te kunnen dienen, de informatiepositie van het openbaar ministerie bij tenuitvoerlegging van geldboeten en schadevergoedingsmaatregelen te verbeteren en enkele verbeteringen door te voeren;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onder h, wordt ‘Onze Minister van Justitie’ vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

B

Artikel 15 komt te luiden:

Artikel 15
  • 1. Justitiële gegevens kunnen worden verstrekt ten behoeve van beleidsinformatie en wetenschappelijk onderzoek en statistiek, onder de voorwaarde dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten.

  • 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de verstrekking van justitiële gegevens, bedoeld in het eerste lid.

C

Artikel 28, tweede volzin, vervalt.

D

Artikel 31 komt te luiden:

Artikel 31

In afwijking van artikel 30 kan een aanvraag om afgifte van de verklaring omtrent het gedrag van een natuurlijk persoon desgewenst rechtstreeks elektronisch worden ingediend bij Onze Minister. Artikel 30, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 34, tweede lid, is niet van toepassing.

E

Artikel 32, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Bij de aanvraag doet degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht opgave van het risico voor de samenleving dat in het geding is.

F

In artikel 35, eerste lid, wordt ‘een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden’ vervangen door: het doel.

G

In artikel 36, eerste lid, wordt ‘kennis nemen van met betrekking tot de aanvrager vermelde justitiële gegevens in de justitiële documentatie alsmede van gegevens uit de politieregisters, bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet politieregisters’ vervangen door: kennis nemen van op de aanvrager betrekking hebbende justitiële gegevens alsmede van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet politiegegevens,.

ARTIKEL II

Het Wetboek van Strafvordering wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 572 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 572a

Een ieder is verplicht desgevorderd onverwijld aan het openbaar ministerie, dat met de tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking is belast, de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van het vonnis, het arrest of de strafbeschikking houdende veroordeling tot geldboete of tot een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De artikelen 217 en 218 zijn van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 576 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder b, vervalt ‘periodieke’.

2. Het tweede lid, derde volzin, komt te luiden: Zij wordt verstrekt aan degene onder wie het verhaal wordt genomen en betekend aan de veroordeelde.

3. Onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid vervalt het zevende lid.

ARTIKEL III

De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘Onze Minister van Justitie’ vervangen door: Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

B

Aan artikel 22 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Een ieder is verplicht desgevorderd onverwijld aan de officier van justitie, die met de inning van de administratieve sanctie is belast, de inlichtingen te verstrekken welke naar het redelijk oordeel van het openbaar ministerie noodzakelijk zijn ten behoeve van de toepassing van het eerste lid van dit artikel. De artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing.

C

Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onder b, vervalt ‘periodieke’.

2. Onder vernummering van het achtste lid tot zevende lid vervalt het zevende lid.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

MEMORIE VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt ertoe het mogelijk te maken om in bepaalde gevallen een aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen (VOG), als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg), rechtstreeks elektronisch bij de Minister van Veiligheid en Justitie in te dienen in plaats van bij de burgemeester van de gemeente waarin de aanvrager ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. De elektronische aanvraag van een VOG wordt geïntroduceerd als optie naast de bestaande regeling. Het blijft dus mogelijk om desgewenst de VOG via het loket bij de gemeente aan te vragen. De afhandeling en beoordeling van de VOG-aanvraag blijft in beide procedures gelijk. De elektronische VOG-aanvraag biedt de betrokken burgers en organisaties een gebruiksvriendelijke, plaats- en tijdsonafhankelijke procedure en vermindert de uitvoeringskosten van gemeenten. Vanwege deze voordelen en de steeds bredere verspreiding van digitale toepassingen die met de elektronische VOG-aanvraag verband houden, zoals internet, e-mail, internetbankieren en DigiD, is de verwachting dat in de toekomst een belangrijk deel van de aanvragen van een VOG elektronisch zal worden ingediend. De wijzigingsvoorstellen in het kader van de elektronische VOG-aanvraag betreffen de artikelen 31 en 32 Wjsg en worden toegelicht in paragraaf 2. De overige wijzigingsvoorstellen voor de Wjsg worden toegelicht in het artikelsgewijze deel. Dit betreft onder meer de verstrekking van justitiële gegevens voor onderzoek en statistiek (artikel 15), het mogelijk maken op de VOG andere mededelingen op te nemen dan enkel de mededeling dat er geen bezwaar is gebleken (artikel 28), het schrappen van de mogelijkheid voor de burgemeester om bij een VOG-aanvraag te adviseren over bijzondere omstandigheden in zijn gemeente (artikel 31), verduidelijking dat de VOG ook voor andere doelen dan het uitoefenen van een bepaalde taak of bezigheid kan worden aangevraagd (artikel 35) en het kunnen betrekken van alle justitiële gegevens in de beoordeling van een VOG-aanvraag, ongeacht het systeem waarin deze gegevens zijn opgeslagen (artikel 36). Daarnaast worden enkele wijzigingen van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) voorgesteld die onder meer ertoe strekken dat het openbaar ministerie (OM) bij de tenuitvoerlegging van geldboeten, schadevergoedingsmaatregelen en administratiefrechtelijke sancties in de verkeershandhaving niet alleen bij verhaal zonder dwangbevel (artikel 576 Sv) de voor de tenuitvoerlegging benodigde inlichtingen kan vorderen. Deze wijzigingen worden eveneens toegelicht in het artikelsgewijze deel van deze memorie.

2. Over de VOG en de elektronische aanvraag
2.1 VOG

De VOG is een verklaring van de Minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken persoon niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. Bij dit onderzoek wordt het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte van de VOG is gevraagd, afgewogen tegen het belang van de betrokkene, de aanvrager (artikel 28 Wjsg). Het merendeel van de verklaringen omtrent het gedrag wordt aangevraagd in verband met het verrichten van werkzaamheden. Voor sommige functies, zoals onderwijzers en taxichauffeurs, is deze verklaring wettelijk verplicht. De VOG kan ook worden vereist voor een ander doel dan een werkrelatie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het lidmaatschap van een schietvereniging of de aanvraag van sommige visa. Degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht – veelal dus de potentiële werkgever, maar soms bijvoorbeeld een verenigingsbestuur of buitenlandse autoriteit –, moet zorgen dat de aanvrager – de potentiële werknemer, het potentiële verenigingslid, de potentiële reiziger, enzovoorts – bij de aanvraag een opgave kan overleggen van het risico voor de samenleving dat in het geding is (artikel 32, derde lid, Wjsg). Dit risico vormt de basis voor de aspecten waarop de justitiële documentatie wordt getoetst, de zogeheten screeningsprofielen. Een VOG wordt in elk geval verleend als de aanvraag in behandeling wordt genomen en uit het onderzoek blijkt dat er géén strafbare feiten op naam van de aanvrager staan. Indien uit de justitiële documentatie blijkt dat er door de aanvrager strafbare feiten zijn gepleegd, dan wordt beoordeeld of het strafbare gedrag, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG is aangevraagd, in de weg zal staan (artikel 35, eerste lid, Wjsg). Het oordeel over de VOG-aanvraag – dus of er geen bezwaar naar voren is gekomen – wordt niet afgegeven aan degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht, maar in alle gevallen aan de persoon die de aanvraag heeft ingediend. De persoon van wie de justitiële documentatie is beoordeeld, beslist dus zelf of hij of zij de VOG wil overleggen. Uiteraard kan en zal degene te wiens behoeve de VOG is verzocht wel zijn conclusies (moeten) verbinden aan het geval waarin de aanvrager kiest de VOG niet te overleggen.

2.2 Elektronische VOG-aanvraag

Voorgesteld wordt voor natuurlijke personen de mogelijkheid van rechtstreeks indiening van de aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag te regelen in artikel 31 Wjsg. In alle gevallen waarin betrokken partijen voldoen aan de in het navolgende beschreven randvoorwaarden wordt indiening van een VOG-aanvraag langs elektronische weg mogelijk. Het gaat hier om een mogelijkheid voor de aanvrager en degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht, niet om een verplichting. Daarom is er in het voorgestelde artikel 31 Wjsg sprake van ‘desgewenst’. Niettemin is de verwachting dat het elektronisch indienen van een VOG-aanvraag snel na invoering een flinke vlucht zal nemen omdat de aanvraag thuis of op het werk vanachter de computer kan worden ingediend.

De voorbereiding van de elektronische aanvraagprocedure gebeurt door degene te wiens behoeve de verklaring wordt gevraagd. Zoals beschreven in paragraaf 2.1 en in het artikelsgewijze deel bij de voorgestelde wijziging van artikel 35 Wjsg, betreft dit veelal een werkgever. Daar waar de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd thans moet zorgen dat de aanvrager beschikt over een (papieren) opgave van het risico voor de samenleving dat in het geding is, moet deze organisatie bij de elektronische aanvraag zeven stappen in de internetapplicatie doorlopen om de aanvraagprocedure in gang te zetten. Deze stappen hebben allereerst betrekking op de voor de aanvraag benodigde basisgegevens van de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd en de aanvrager. Daarnaast moet de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd, kiezen welk screeningsprofiel voor de toetsing voor de VOG moet worden toegepast. De keuzes die hierbij mogelijk zijn, hangen af van de gebieden waarover de aanvrager de beschikking of zeggenschap krijgt (zoals informatie, geld, goederen, diensten, personen) en het risico voor de samenleving dat hierdoor in het geding is. De screeningsprofielen op de internetapplicatie stemmen inhoudelijk overeen met die welke thans worden gehanteerd voor het beoordelen van (papieren) aanvragen ter verkrijging van een VOG (bijlage bij de VOG-beleidsregels, Stcrt. 2010, nr. 14312). Tevens moet de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd, de functie van de betrokkene invullen en aangeven of er sprake is van eventuele bijzondere omstandigheden. Hierbij is ook ruimte om bijlagen als vacatureteksten of een functiebeschrijving aan te leveren. Tot slot wordt gevraagd om een bevestiging op alle ingevulde gegevens. De inbreng van de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd, is hiermee afgerond. Met het doorlopen van deze stappen is nog geen VOG-aanvraag ingediend. Dit blijft – net als binnen de huidige systematiek – voorbehouden aan de betrokkene van wie het gedrag wordt beoordeeld.

De aanvrager krijgt op basis van de hierboven beschreven start van de aanvraagprocedure een e-mailbericht met een link naar de internetapplicatie. Een eerste voorwaarde voor het elektronisch kunnen indienen van een VOG-aanvraag is dus dat de aanvrager moet beschikken over een e-mailadres. Om in te loggen in de internetapplicatie wordt gebruik gemaakt van DigiD. DigiD is de standaard voor legitimatie van burgers bij contacten met overheidsinstellingen via het internet en wordt onder meer door de belastingdienst gebruikt als ondertekening van de aangifte van de inkomstenbelasting. Een tweede voorwaarde is dus dat de aanvrager moet beschikken over een gebruikersnaam en wachtwoord van DigiD. Iedereen die in het bezit is van een burgerservicenummer kan een inlogcode voor DigiD aanvragen via www.digid.nl. Door het inloggen via DigiD worden automatisch de meest recente gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie ingevuld. De aanvrager treft hier naast deze persoonlijke gegevens – ter controle – de gegevens aan die zijn ingevuld door de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd. Dit betreft dus ook de aspecten waarop de justitiële documentatie wordt getoetst, de eerder genoemde screeningsprofielen. De aanvrager kan vervolgens aangeven hiermee akkoord te gaan en de aanvraag in te willen dienen. Dit leidt naar de slotstap voor de aanvrager, te weten betaling van de kostenvergoeding die voor een VOG-aanvraag wordt gevraagd. Voor de betaling wordt gebruik gemaakt van iDEAL, een systeem dat de aanvrager direct koppelt aan zijn of haar internetbankierprogramma. Zonder directe betaling wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Internetbankieren bij één van de aangesloten banken is dus een derde voorwaarde voor de elektronische VOG-aanvraag (zie www.ideal.nl). Een VOG-aanvraag die elektronisch is ingediend wordt door de verantwoordelijke uitvoeringsinstantie van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Dienst Justis, op dezelfde wijze afgehandeld als een reguliere VOG-aanvraag.

2.3 Beveiliging

Het belangrijkste verschil tussen de bestaande procedure voor de VOG-aanvraag via de gemeente en de voorgestelde elektronische aanvraag is dat elke stap digitaal gebeurt. Het contact bij de balie van burgerzaken bij de gemeente en het fysieke aanvraagformulier van de organisaties ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd, komen bij de elektronische VOG-aanvraag te vervallen. De controle op de identiteit van de aanvrager en de juistheid van de door de organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd aangeleverde gegevens zal hierdoor ook elektronisch gebeuren. Zoals in het voorgaande is geschetst, wordt hiervoor aangesloten bij de producten van DigiD en iDEAL. Door op deze manier aan te sluiten bij bestaande waarborgen is er voldoende zekerheid dat de aanvraag daadwerkelijk wordt ingediend door de persoon en voor de functie die op de VOG staan vermeld.

Tot op heden bevat de VOG geen enkele andere verklaring dan dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken persoon, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de aanvraag is ingediend niet is gebleken van bezwaren. Met de voorgestelde wijziging van artikel 28 Wjsg wordt het mogelijk om op de VOG aan te geven aan welk profiel is getoetst. Vanaf het moment dat deze mogelijkheid wordt benut, zal het profiel op elke verstrekte VOG worden vermeld. De organisatie ten behoeve van wie de VOG wordt aangevraagd, kan hierdoor aan de tekst op de door de aanvrager overgelegde VOG zien of de toets overeenstemt met het risico voor de samenleving dat voor de desbetreffende functie is opgegeven. In dit verband is het goed te benadrukken dat in geen enkele stap in de (elektronische) aanvraagprocedure noch op de uiteindelijke VOG, gegevens over de strafrechtelijke antecedenten van de betrokkene vermeld staan en daar ook niet indirect uit af te leiden zijn. De verstrekking van de justitiële gegevens vanuit de justitiële documentatie geschiedt in het kader van de VOG alleen aan de Dienst Justis die op grond hiervan de aanvraag beoordeelt aan de hand van zijn beleidsregels terzake.

2.4 Voorbereiding invoering elektronische VOG-aanvraag

In juli 2010 is gestart met een beperkte toepassing van het elektronisch kunnen aanvragen van een VOG. Dit houdt in dat op basis van vrijwilligheid aan een aantal organisaties en de personen die bij hen in dienst willen treden, de mogelijkheid is geboden de in paragraaf 2.2 beschreven stappen voor het indienen van een elektronische aanvraag te doorlopen. Met deze beperkte toepassing wordt beoogd ervoor te zorgen dat op het moment dat dit wetsvoorstel is aangenomen en tot wet wordt verheven de applicatie volledig functioneert en de uitvoeringspraktijk klaar is voor breder gebruik. Burgers en betrokken organisaties zullen tijdig geïnformeerd worden over de vanaf 1 juli 2011 beoogde bredere toepassing van de elektronische VOG-aanvraag.

3. Ontvangen adviezen

Over het ontwerp van dit wetsvoorstel is advies gevraagd aan het College bescherming persoonsgegevens (CBP), de Raad voor de rechtspraak (RvdR), de Nederlandse vereniging voor rechtspraak (NVvR), het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie (OM), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), de Nederlandse vereniging voor burgerzaken (NVvB) en het Nederlands genootschap van burgemeesters (NGB). Uit de ontvangen adviezen kan worden afgeleid dat de inhoud van het wetsvoorstel op instemming kan rekenen. In deze paragraaf wordt kort op de ontvangen adviezen ingegaan. Voor zover nodig wordt op de gemaakte specifieke opmerkingen nader ingegaan in de artikelsgewijze toelichting, bij het artikel waarop de opmerkingen betrekking hebben.

Het wetsvoorstel geeft het CBP en de RvdR geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke op- of aanmerkingen. Het CBP wijst er in zijn advies op dat in artikel 36, eerste lid, Wjsg abusievelijk nog wordt verwezen naar de inmiddels vervallen Wet politieregisters. Deze verwijzing is aangepast naar de thans geldende Wet politiegegevens. De NVvR volstaat met enkele opmerkingen. De NVvR signaleert als mogelijk risico voor de privacy van betrokkenen dat het zogeheten screeningsprofiel op de VOG wordt vermeld. Verder merkt de NVvR op dat aan de gegevensverstrekking ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek de eis wordt gesteld dat de resultaten van dit onderzoek geen persoonsgegevens mogen bevatten. De NVvR stelt voor deze eis zo aan te scherpen dat de resultaten van het onderzoek niet herleidbaar mogen zijn tot individuele natuurlijke personen. Op deze opmerkingen van de NVvR wordt in de toelichting op respectievelijk artikel 572a Sv en artikel 15 Wjsg nader ingegaan.

De VNG wijst op een mogelijke onduidelijkheid in het wetsvoorstel omdat het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 30, tweede lid, Wjsg, voor de elektronische aanvraag van een VOG, lijkt te impliceren dat de burgemeester ook de volledigheid dient te onderzoeken van aanvragen die niet bij de gemeente maar rechtstreeks bij de Minister van Veiligheid en Justitie worden ingediend. De VNG adviseert het wetsvoorstel op dit punt aan te passen of te verduidelijken. In reactie op dit advies merk ik op dat de uitdrukking ‘is van overeenkomstige toepassing’ in wetgeving wordt gebruikt om aan te geven dat de bepaling waarnaar wordt verwezen niet geheel letterlijk kan worden toegepast. Misverstand over de toe te passen tekst is in dit geval uitgesloten, aangezien het vanzelfsprekend niet mogelijk is voor de burgemeester de via een internetapplicatie ingediende elektronische VOG-aanvraag op volledigheid te controleren. Deze controle wordt uitgevoerd door de Dienst Justis, namens de Minister van Veiligheid en Justitie, die ook in artikel 30, tweede lid, Wjsg, staat vermeld. Daarnaast dringt de VNG er op aan de adviesrol van de burgemeester te handhaven voor het geval dat door toekomstige taken van de gemeente de adviesrol voor de burgemeester wel weer belangrijk wordt. In het artikelsgewijze deel van deze memorie van toelichting wordt hierop ingegaan bij de toelichting op het voorgestelde artikel 31 Wjsg. De NVvB staat positief tegenover de nieuwe mogelijkheden om een verklaring omtrent het gedrag elektronisch aan te vragen. Daarbij is het voor de NVvB van belang dat de burger de mogelijkheid houdt om ook bij de balie van de gemeente een aanvraag te doen. Ten slotte stelt de NVvB in haar advies enkele praktische vragen over de verdere implementatie van de elektronische VOG-aanvraag, waaronder vragen over de kosten voor de burger, de termijn van inwerkingtreding en de uitvoering van de beperkte start van de toepassing. Voor zover nodig wordt op deze vragen in het artikelsgewijze deel van de toelichting ingegaan.

Het OM ziet geen aanleiding tot het maken van opmerkingen over het onderdeel van het wetsvoorstel dat betrekking heeft op de elektronische VOG-aanvraag. Het OM heeft verder met instemming kennis genomen van het deel van het voorstel dat zorgt dat het OM bij de tenuitvoerlegging van geldboeten, schadevergoedingsmaatregelen en administratiefrechtelijke sancties in de verkeershandhaving de voor de tenuitvoerlegging benodigde inlichtingen kan vorderen. Het OM adviseert met betrekking tot de voorgestelde artikelen 572a Sv en 22 Wahv deze zo aan te passen dat deze informatie ook van de veroordeelde zelf kan worden gevorderd. Op dit punt wordt bij de toelichting op artikel 572a Sv nader ingegaan.

4. Financiële paragraaf en lastenvermindering

De met dit wetsvoorstel voorgestelde mogelijkheid om elektronisch een VOG-aanvraag in te dienen, heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting. Het voorstel geeft wel mogelijkheden voor een belangrijke lastenreductie voor burgers, voor de bedrijven en overheidsinstellingen die een VOG vereisen en voor de gemeenten.

De burger krijgt met dit wetsvoorstel een extra, elektronische mogelijkheid om een aanvraag voor een VOG in te dienen. Doordat het formulier niet meer persoonlijk hoeft te worden gebracht bij de gemeente, wordt een aanzienlijke administratieve lastenvermindering voor burgers gerealiseerd. Op basis van de standaardhandelingen uit de Werkmap administratieve lasten burgers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken betekent de elektronische VOG-aanvraag voor de burger door het wegvallen van de reis naar het gemeentehuis gemiddeld tot circa één uur aan tijdsbesparing. In 2009 zijn in totaal circa 450.000 VOG-aanvragen gedaan, waarvan ruim 99 procent op het gemeentehuis is ingediend. Direct na de algemene invoering zal de elektronisch ingediende VOG-aanvraag een beperkt deel uitmaken van het totale aantal VOG-aanvragen. Op grond van de hiervoor door de Regiegroep Regeldruk gehanteerde rekenmethodiek (RedICT/AddICT) zal dit aandeel echter in de daaropvolgende jaren blijven groeien tot circa 80 procent van het totaal in 2016. De verwachting is dat het totale aantal VOG-aanvragen komende jaren zal toenemen naar minimaal 550.000 per jaar. Bij elkaar bezien leidt dit voor burgers tot een besparing aan administratieve lasten die oploopt tot circa 400.000 uur per jaar. Door het wegvallen van de reiskosten – op grond van de genoemde standaardhandelingen € 1,28 per bezoek aan het gemeentehuis – levert dit wetsvoorstel daarnaast in 2016 een financiële besparing aan administratieve lasten voor burgers op van ruim een half miljoen euro per jaar.

Voor veel van de bedrijven en overheidsinstellingen die – al dan niet op grond van een wettelijke verplichting – een VOG vereisen van bijvoorbeeld potentiële werknemers of vrijwilligers wordt eveneens een lastenvermindering gerealiseerd. Door de elektronische VOG-aanvraag kan namelijk – afhankelijk van de interne procedure die thans door deze organisaties wordt gehanteerd – de procedure sneller en efficiënter in gang worden gezet (zie paragraaf 2.2).

Ten slotte biedt dit wetsvoorstel een groot potentieel voor reductie van de uitvoeringslasten voor gemeenten doordat de tussenkomst door de gemeente wegvalt bij de elektronisch ingediende VOG-aanvraag. De invoering van de elektronische VOG-aanvraag heeft hierdoor ook gevolgen voor de kosten van de aanvraag (leges). De gemeente behoudt thans per in behandeling genomen VOG-aanvraag € 7,50 van het legesbedrag. De rest wordt door de gemeente overgemaakt naar de binnen het ministerie van Veiligheid en Justitie verantwoordelijke uitvoeringsdienst, de Dienst Justis. Het totaalbedrag dat in 2009 door de gemeenten is behouden voor het in behandeling nemen van VOG-aanvragen is circa € 3.370.000. Indien door de mogelijkheid van het elektronisch indienen van een VOG-aanvraag het aantal bij de gemeenten ingediende VOG-aanvragen daalt, zal dit bedrag navenant dalen. De kosten van de VOG-aanvraag worden thans herberekend. Verwacht wordt dat door het vervallen van de afdracht aan de gemeente het legesbedrag voor een elektronische VOG-aanvraag lager zal komen te liggen dan voor de VOG-aanvraag die bij de gemeente wordt ingediend.

II. Artikelsgewijs deel

Artikel I
Onderdeel A (artikel 1 Wjsg)

De aanduiding van de minister die is belast met de verwerking van justitiële en strafvorderlijke gegevens is geactualiseerd.

Onderdeel B (artikel 15 Wjsg)

In de artikelen 15 en 39g Wjsg is de regeling neergelegd voor de verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en statistiek. Tot nu is de regeling voor de verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens voor wetenschappelijk onderzoek en statistiek gebaseerd op het uitgangspunt dat slechts geanonimiseerde gegevens worden verstrekt, dat wil zeggen dat verstrekking in zodanige vorm plaatsheeft dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. De Justitiële Informatiedienst verzorgt de verstrekking van de justitiële gegevens, namens de Minister van Veiligheid en Justitie. Het College van procureurs-generaal van het OM is op grond van artikel 39g jo. artikel 15 Wjsg bevoegd tot de verstrekking van geanonimiseerde strafvorderlijke gegevens met het oog op wetenschappelijk onderzoek en statistiek. Verstrekking van niet-geanonimiseerde gegevens vereist thans een ontheffing van de Minister van Veiligheid en Justitie. In de praktijk bestaat er behoefte aan dat het College zelf over de bevoegdheid tot verstrekking van niet-geanonimiseerde strafvorderlijke gegevens beschikt. Voorafgaande anonimisering van strafvorderlijke gegevens vormt namelijk een grote belasting voor de parketten en het College is goed in staat te beoordelen in hoeverre een verzoek tot verstrekking van strafvorderlijke gegevens kan worden ingewilligd. Daarom wordt voorgesteld de regeling van artikel 15 Wjsg nauw aan te sluiten bij die van de Wet politiegegevens en het Besluit politiegegevens (artikel 22 WPG jo. artikel 4:7 BPG). Daarnaast wordt met de voorgestelde tekst de mogelijkheid geboden om justitiële en strafvorderlijke gegevens te verstrekken ten behoeve van beleidsinformatie. Met de voorgestelde wijziging gelden voor de verstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens voor dit doel dezelfde voorwaarden als voor politiegegevens. Dit betekent dat niet-geanonimiseerde gegevens kunnen worden verstrekt onder de voorwaarde dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens bevatten. In het Besluit justitiële gegevens wordt de wettelijke regeling nader uitgewerkt naar het model van artikel 4:7 van het Besluit politiegegevens. Op grond van voornoemde bepaling kan toestemming slechts worden gegeven indien het betreffende onderzoek het algemeen belang dient, de organisatie van het OM of van de Justitiële Informatiedienst niet onevenredig wordt belast, het onderzoek zonder de betreffende gegevens niet kan worden uitgevoerd en de persoonlijke levenssfeer van de betreffende personen niet onevenredig wordt geschaad.

In haar advies geeft de NVvR in overweging de voorwaarde dat de resultaten van het onderzoek geen persoonsgegevens mogen bevatten verder aan te scherpen door in het voorgestelde artikel 15 Wjsg op te nemen dat de resultaten redelijkerwijs niet tot individuele natuurlijke personen herleid kunnen worden. Deze suggestie is niet overgenomen omdat het – zoals de NVvR zelf stelt in haar advies – voor zich spreekt dat de herleidbaarheid van de resultaten tot individuele personen wordt uitgesloten met het oog op de bescherming van de persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. Dit wordt mede geborgd door de hiervoor beschreven nadere regels die bij algemene maatregel van bestuur worden gesteld over onder meer de vereisten en voorwaarden die moeten zijn vervuld voordat justitiële of strafvorderlijke gegevens worden verstrekt in zodanige vorm dat herleiding tot individuele natuurlijke personen mogelijk is.

Onderdeel C (artikel 28 Wjsg)

Met het voorstel de tweede volzin van artikel 28 Wjsg te schrappen, wordt het mogelijk op de VOG andere mededelingen op te nemen dan enkel de mededeling dat er geen bezwaar is gebleken tegen de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon. Hierbij moet vooralsnog alleen worden gedacht aan mededeling van de profielen waarop de justitiële documentatie van de aanvrager nagetrokken is. De vermelding van een dergelijk screeningsprofiel geeft meer zelfstandige betekenis aan de VOG doordat iedereen die het document onder ogen krijgt, direct kan zien op welke risico’s voor de samenleving gelet is bij het onderzoek naar de betrokken persoon.

In haar advies signaleert de NVvR dat vermelding van het screeningsprofiel mogelijk een risico vormt voor de privacy van de betrokkene. Dit is niet het geval. Het screeningsprofiel is namelijk uitsluitend gekoppeld aan het doel waarvoor de betrokkene de VOG aanvraagt. Het gehanteerde screeningsprofiel zegt dus niets over de persoon van de aanvrager, noch iets over de eventuele justitiële gegevens die op zijn of haar naam geregistreerd staan. Ook na de voorgestelde wijziging blijft dus ongewijzigd dat de verklaring geen justitiële gegevens mag bevatten. De gegevens die nodig zijn om de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan te duiden volgen uit het aanvraagformulier. Het gaat hierbij voor natuurlijke personen om gegevens zoals geslachtsnaam, voornamen, adres, geboorteplaats, geboortedatum en persoonsidentificerende nummers. Voor rechtspersonen gaat het om de naam, de rechtsvorm, de vestigingsplaats en het nummer in het handelsregister. Justitiële gegevens over de strafbare feiten die zijn gepleegd en de sancties die hiervoor zijn opgelegd, zullen dus nooit – direct of indirect – op de VOG worden vermeld. Dit zou immers een verstrekking van justitiële gegevens zijn die op grond van het gesloten verstrekkingsregime van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens niet is toegestaan.

Onderdeel D (artikel 31 Wjsg)

Dit artikel maakt het mogelijk dat in bepaalde gevallen de VOG-aanvraag desgewenst ook rechtstreeks via een beveiligde internetapplicatie bij de Dienst Justis kan worden ingediend en dat dit dus niet altijd hoeft via de burgemeester van de gemeente waarbij de indiener ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. Deze extra mogelijkheid om een aanvraag in te dienen is toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting.

De mogelijkheid voor de burgemeester om binnen tien dagen na de dag waarop de aanvraag bij hem is ingediend te adviseren over de bijzondere omstandigheden in zijn gemeente voor zover deze van belang zijn voor de beoordeling van de aanvraag van de VOG (huidig artikel 31 Wjsg), komt met de voorgestelde wijziging te vervallen. Een reden hiervoor is dat door de invoering van de elektronische VOG-aanvraag, de aanvragen om afgifte van een VOG voor een natuurlijk persoon niet meer in (vrijwel) alle gevallen via de burgemeester zal verlopen. De burgemeester is bij een elektronische aanvraag van een VOG dus niet meer in de positie om een dergelijk advies op grond van het huidige artikel 31 Wjsg in te dienen. Belangrijker is echter dat in de afgelopen jaren is gebleken dat deze formele bevoegdheid van de burgemeester een dode letter is verworden. Op de paar miljoen VOG-aanvragen die in de afgelopen vijf jaar via de afdelingen burgerzaken van gemeenten in behandeling zijn genomen, is in slechts één geval een dergelijk burgemeestersadvies uitgebracht. De gemeente fungeert in de papieren aanvraagprocedure feitelijk dus enkel als doorgeefluik voor de ingevulde aanvraagformulieren.

In haar advies heeft de VNG erop aangedrongen de adviesrol van de burgemeester te handhaven, omdat het niet uit te sluiten valt dat deze rol voor de burgemeester in de toekomst, door toename van het aantal taken van de gemeente wel belangrijk wordt. Anders dan de VNG ziet de regering in mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het takenpakket van de gemeente geen reden om deze adviesrol van de burgemeester te handhaven. Om deze redenen wordt voorgesteld deze adviesbevoegdheid voor de burgemeester te schrappen uit de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Onderdeel E (artikel 32 Wjsg)

Op grond van het voorgestelde artikel 31 Wjsg kan de opgave van het risico voor de samenleving dat in het geding is door degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht ook elektronisch geschieden. Met de voorgestelde wijziging van artikel 32, derde lid, Wjsg, komt te vervallen dat een schriftelijke opgave moet worden overgelegd. Dit doet er echter niet aan af dat degene te wiens behoeve de verklaring wordt verzocht nog steeds het risico voor de samenleving dat in het geding is, moet opgeven. Dit is beschreven in paragraaf 2.2.

Onderdeel F (artikel 35 Wjsg)

Met de voorgestelde wijziging wordt verduidelijkt dat de VOG niet alleen voor uitoefening van een bepaalde taak of bezigheden kan worden aangevraagd, maar ook voor andere doelen zoals in verband met een visumaanvraag, een voorgenomen emigratie of een lidmaatschap van een branchevereniging of een schietvereniging. Dat het bij de toetsing voor de VOG gaat om het doel waarvoor de VOG wordt aangevraagd, blijkt onder meer uit de artikelen 28, 32 en 34 Wjsg.

Onderdeel G (artikel 36 Wjsg)

Met de voorgestelde wijziging van artikel 36 Wjsg wordt in het eerste lid de toevoeging ‘in de justitiële documentatie’ na justitiële gegevens geschrapt. Hiermee wordt bereikt dat voortaan alle justitiële gegevens bij de beoordeling van de VOG-aanvraag kunnen worden betrokken, ongeacht het (geautomatiseerde) systeem waarin deze justitiële gegevens zijn opgeslagen. De concrete aanleiding voor deze voorgestelde wijziging is het volgende. Bij de beoordeling van een VOG-aanvraag worden de justitiële gegevens van in elk geval de vier jaar daarvoor betrokken. Op grond van de beleidsregels voor het beoordelen van VOG-aanvragen wordt de periode dat iemand in detentie heeft doorgebracht niet meegerekend. Als iemand in de vier jaar voorafgaand aan de VOG-aanvraag één jaar in detentie heeft gezeten, wordt voor de beoordeling dus vijf jaar teruggekeken. Het is hierbij wenselijk dat niet wordt uitgegaan van de door de rechter opgelegde vrijheidsstraf, maar van de feitelijke detentieperiode, die hier veelal van zal afwijken. De datum van aanvang en de datum van beëindiging van een vrijheidsstraf zijn justitiële gegevens op grond van artikel 7, eerste lid, onder k en l, van het Besluit justitiële gegevens. Deze gegevens worden enkel opgeslagen in de systemen van de Dienst Justitiële Inrichtingen en niet in de justitiële documentatie bij de Justitiële Informatiedienst. Op grond van de oude tekst van artikel 36 Wjsg kan de Dienst Justis deze buiten de justitiële documentatie opgeslagen gegevens niet betrekken in de beoordeling van de VOG-aanvraag. De voorgestelde tekst maakt het – indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven en in werking treedt – mogelijk de feitelijke detentieperiode te hanteren.

Met de voorgestelde wijziging van artikel 36 Wjsg wordt tevens de verwijzing naar de inmiddels vervallen Wet politieregisters vervangen door een verwijzing naar artikel 1, onder a, Wet politiegegevens. Hiermee wordt gevolg gegeven aan het advies van het CBP.

Artikel II
Onderdeel A (artikel 572a Sv)

Voor de tenuitvoerlegging van een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel is het belangrijk voor het OM om over een goede informatiepositie te beschikken. Het gaat dan bijvoorbeeld om informatie van banken over tegoeden, om gegevens over eventuele schulden, maar ook om praktische zaken zoals een telefoonnummer waaronder de betrokkene bereikbaar is. Dergelijke gegevens maken een persoonsgerichte aanpak in de executiefase mogelijk. De verplichting om desgevorderd inlichtingen aan het OM te verstrekken is thans alleen geregeld voor het verhaal zonder dwangbevel (artikel 576, zevende lid, Sv). Voorgesteld wordt deze verplichting vast te leggen in artikel 572a Sv, zodat deze ook geldt voor de aan verhaal voorafgaande inningsfase (artikel 572 Sv), de andere verhaalsvormen (artikelen 573 tot en met 575 Sv) en – in geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete – de op verhaal volgende toepassing van het dwangmiddel gijzeling (artikel 578b Sv).

Het OM verzoekt in zijn advies om het toepassingsbereik van het voorgestelde artikel 572a Sv te vergroten door in deze nieuwe bepaling de uitzondering die thans in artikel 576, zevende lid, Sv, voor de veroordeelde wordt gemaakt, te laten vervallen. Anders dan de NVvR in haar advies vermoedt, is er in de praktijk dus behoefte aan een ruimere kring van personen die kunnen worden benaderd om inlichtingen te verstrekken met het oog op de tenuitvoerlegging van geldsancties. Ter onderbouwing van zijn verzoek besteedt het OM in zijn advies uitgebreid aandacht aan de verhouding tussen het nemo tenetur-beginsel en de voorgestelde verplichting inlichtingen te verstrekken. Met het OM kan worden geconcludeerd dat dit beginsel en de invulling die hieraan in concrete gevallen wordt gegeven door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), er niet aan in de weg staan om actieve medewerking van de persoon van de veroordeelde te vorderen. Om deze reden is aan het verzoek van het OM gevolg gegeven. Op grond van het voorgestelde artikel 572a Sv kan dus ook de veroordeelde zelf worden gevorderd de voor de tenuitvoerlegging benodigde inlichtingen te verstrekken. Het verdient hierbij opmerking dat de vordering beperkt moet blijven tot het vorderen van die inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de geldsanctie. Voor de veroordeelde geldt op zijn beurt dat alleen die inlichtingen hoeven te worden verstrekt die nodig zijn voor het kunnen executeren van de openstaande geldsanctie. Het OM kan dus met toepassing van deze bepaling geen inzicht krijgen in het totale vermogen van de veroordeelde. In dit verband zij nog opgemerkt dat de hier bedoelde vordering zich niet kan richten tot degenen die zich op grond van artikel 217 en artikel 218 Sv kunnen verschonen. Bij de afweging van het belang van de effectiviteit van de tenuitvoerlegging, het belang om familierelaties te handhaven (artikel 217 Sv) en het belang dat mensen bij bepaalde hulpverlenende ambten of beroepen de zekerheid hebben dat al hetgeen in vertrouwen is meegedeeld, ook geheim blijft (artikel 218 Sv), ben ik van oordeel dat de twee laatstgenoemde belangen moeten prevaleren boven het eerstgenoemde belang.

Bij gelegenheid van de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel tot verruiming van de mogelijkheden van voordeelontneming (Handelingen II 2009/10, blz. 6578–6589) is toegezegd te bezien of het niet verstrekken van inlichtingen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) strafbaar gesteld zou kunnen worden. Het CJIB is de uitvoeringsinstantie die in opdracht van het OM feitelijk de tenuitvoerlegging verzorgt van het overgrote deel van geldboeten en schadevergoedingsmaatregelen. In dit verband wordt opgemerkt dat, zoals nu reeds het geval is bij het niet voldoen aan een vordering krachtens artikel 576, zevende lid, Sv, het niet voldoen aan de vordering van de officier van justitie om de hier bedoelde gegevens te verschaffen, strafbaar is op grond van artikel 184 Sr. De door de NVvR in haar advies gestelde vraag of het niet voldoen aan een dergelijke vordering valt onder de strafbaarstelling van artikel 184 Sr, kan derhalve bevestigend worden beantwoord. De bevoegde ambtenaar die inlichtingen vordert ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een geldboete of een schadevergoedingsmaatregel, wordt gedekt door artikel 184 Sr dat ertoe strekt het openbaar gezag te beschermen tegen verhindering of belemmering bij de uitvoering van wettelijke taken. Het uitgangspunt van de NVvR dat de bepalingen uit dit wetsvoorstel met betrekking tot de verplichting inlichtingen te verstrekken alleen van toepassing zijn op (rechts)personen die zich in Nederland bevinden, kan eveneens worden onderschreven.

Onderdeel B (artikel 576 Sv)

Met de wijziging van artikel 576, eerste lid, onder b, Sv wordt voorgesteld verhaal zonder dwangbevel ook mogelijk te maken voor niet-periodieke uitkeringen aan de veroordeelde. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de finale teruggaaf van de belastingdienst. Het is van belang dat geldboeten ook op deze uitkeringen kunnen worden verhaald om te zorgen dat veroordeelden niet kunnen ontkomen aan geldboeten of door de rechter opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

Met de wijziging van artikel 576, tweede lid, derde volzin, Sv komt de eis van betekening van de schriftelijke kennisgeving van het verhaal van de in een vonnis, een arrest of een strafbeschikking opgelegde geldboete aan degene onder wie het verhaal wordt genomen, te vervallen. Deze kennisgeving kan op grond van dit voorstel voortaan per gewone post worden verstrekt. Deze wijziging maakt het verhaalstraject efficiënter doordat de werklast van banken en het OM wordt verminderd. Aan de veroordeelde wordt deze kennisgeving wel nog betekend. Met dit voorstel wordt de regeling in het Wetboek van Strafvordering gelijk getrokken aan de regeling terzake in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (artikel 27, tweede lid, Wahv).

Het zevende lid van artikel 576 Sv kan vanwege de in het bovenstaande beschreven invoeging van artikel 572a Sv komen te vervallen.

Artikel III
Onderdeel A (artikel 1 Wahv)

De aanduiding van de minister die is belast met de administratiefrechtelijke handhaving van de verkeersvoorschriften is geactualiseerd.

Onderdeel B (artikel 22 Wahv)

De voorgestelde wijziging van artikel 22 Wahv heeft dezelfde strekking als het hierboven toegelichte nieuwe artikel 572a Sv. Ook voor de tenuitvoerlegging van een administratieve sanctie op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is het van belang dat het OM over alle informatie beschikt die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de inning. In het kader van de Wahv gaat het om de (reguliere) inning (artikelen 22 tot en met 25 Wahv), verschillende vormen van verhaal (artikelen 26 en 27 Wahv) en – voor wat betreft de dwangmiddelen – naast gijzeling (artikel 28 Wahv), om inneming van het rijbewijs (artikel 28a Wahv) en buitengebruikstelling van het voertuig (artikel 28b Wahv). De plicht de gevraagde inlichtingen te verstrekken geldt niet voor degenen die zich op grond van de artikelen 217 en 218 Sv kunnen verschonen. Zie over de achtergrond van deze inlichtingenplicht nader de hierboven gegeven toelichting bij het voorgestelde artikel 572a Sv.

Onderdeel C (artikel 27 Wahv)

Doordat de plicht tot het verstrekken van inlichtingen aan het OM in artikel 22 Wahv is opgenomen, komt het zevende lid van artikel 27 Wahv te vervallen.

Artikel IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De verschillende onderdelen van deze wet kunnen op verschillende momenten in werking treden, zodat rekening gehouden kan worden met de situatie bij de betrokken uitvoeringsorganisaties op het gebied van de implementatie van de voorgestelde wijzigingen. Inwerkingtreding van de bepalingen die zien op de elektronische aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag wordt nagestreefd per 1 juli 2011.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Advies Raad van State

No. W03.10.0557/II

’s-Gravenhage, 7 februari 2011

Aan de Koningin

Bij Kabinetsmissive van 15 december 2010, no. 10.003434, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, het Wetboek van Strafvordering en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in verband met de elektronische aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen, de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten en enkele verbeteringen, met memorie van toelichting.

Het wetsvoorstel strekt er onder meer toe dat een aanvraag voor een verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen elektronisch kan worden ingediend. Daarnaast wordt voorgesteld dat het openbaar ministerie van een ieder, ook van de veroordeelde zelf, de voor de tenuitvoerlegging van geldboeten of schadevergoedingsmaatregelen benodigde inlichtingen kan vorderen.

De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een opmerking over de samenhang tussen de onderwerpen van het wetsvoorstel. Zij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

De Afdeling constateert dat in het wetsvoorstel onderwerpen zijn opgenomen die onvoldoende inhoudelijke samenhang hebben. In lijn met de advisering van de Afdeling inhoudende dat het bijeenbrengen van voorstellen van inhoudelijk verschillende aard in een wetsvoorstel zoveel mogelijk dient te worden vermeden,1 adviseert de Afdeling het wetsvoorstel te splitsen in een wetsvoorstel dat betrekking heeft op de elektronische aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen en een wetsvoorstel dat regels stelt over de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De waarnemend vice-president van de Raad van State,

P. van Dijk.

Nader Rapport

15 maart 2011

Nr. 5687688/11/6

Directie Wetgeving/sector straf- en sanctierecht

Aan de Koningin

Nader rapport inzake het voorstel van wet over de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 15 december 2010, nr. 10.003434, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 7 februari 2011, nr. W03.10.0557/II, bied ik U hierbij aan.

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling advisering onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar constateert dat in het wetsvoorstel onderwerpen zijn opgenomen die onvoldoende inhoudelijke samenhang hebben en adviseert het wetsvoorstel te splitsen in een wetsvoorstel dat betrekking heeft op de elektronische aanvraag van een verklaring omtrent het gedrag voor natuurlijke personen en een wetsvoorstel dat regels stelt over de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten.

Aan dit advies is gevolg gegeven. Overeenkomstig dit advies is het wetsvoorstel in twee delen gespitst. Het voorliggende wetsvoorstel betreft de verstrekking van inlichtingen aan het openbaar ministerie. Dit heeft geleid tot redactionele aanpassing van de memorie van toelichting onder punt I, paragraaf 2 (Ontvangen adviezen).

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in het wetsvoorstel een redactionele wijziging aan te brengen. In artikel II, onderdeel B, van het wetsvoorstel is in artikel 2, zesde lid, van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften de verwijzing naar Onze Minister van Verkeer en Waterstaat vervangen door een verwijzing naar Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. Dit heeft tevens geleid tot aanpassing van de toelichting op dit artikel.

Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I.W. Opstelten.


X Noot
1

Zie onder meer het Advies van 3 december 2010 inzake de notitie verzamelwetgeving (W03.10.0467/II, nog niet gepubliceerd).

Naar boven