Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2011, 2764Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 januari 2011, nr. VO/BVB/143738, houdende regels met betrekking tot de aanwijzing van internationale, buitenlandse en ambassadescholen in Nederland als school in de zin van de Leerplichtwet 1969 (Regeling aanwijzing internationale en buitenlandse scholen)

De Minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 1a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969;

Besluit:

§ 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. de wet:

de Leerplichtwet 1969;

c. school:

een internationale school, een buitenlandse school of een ambassadeschool waaraan voltijds onderwijs wordt geboden aan leerlingen in een of meer van de leeftijdsgroepen variërend van 5 jaar tot 18 jaar;

d. internationale school:

een school die als zodanig passend geaccrediteerd is, ofwel kandidaat is voor accreditatie, door een internationale accreditatieorganisatie die is opgenomen in bijlage 1;

e. buitenlandse school:

een school die wat het aan de school te geven onderwijs betreft onder toezicht staat van de autoriteiten van een ander land;

f. ambassadeschool:

een buitenlandse school waar uitsluitend leerlingen aan het onderwijs deelnemen die niet de Nederlandse nationaliteit bezitten en ouders, voogden of verzorgers hebben die behoren tot het personeel van een ambassade;

g. aanwijzing:

aanwijzing in de zin van artikel 1a, eerste lid, van de wet;

h. bevoegd gezag:

de persoon of het bestuur van de rechtspersoon van wie de school uitgaat;

i. duurzaam verblijf in Nederland:

een verblijf met vaste woonplaats in Nederland van een periode van vijf jaar of langer.

§ 2. Aanvraag aanwijzing

Artikel 2. Aanvrager

Een aanvraag tot aanwijzing in de zin van artikel 1a, eerste lid, van de wet wordt ingediend door het bevoegd gezag.

Artikel 3. Procedure

  • 1. Een aanvraag tot aanwijzing wordt schriftelijk en in de Nederlandse of Engelse taal ingediend bij DUO, Postbus 606, 2700 ML, Zoetermeer.

  • 2. Met de aanvraag tot aanwijzing wordt het bewijs van toezicht, bedoeld in artikel 4, meegezonden.

Artikel 4. Bewijs van toezicht

De school legt een in de Nederlandse of Engelse taal opgesteld bewijs over van een internationale accreditatieorganisatie die is opgenomen in bijlage 1, of van de autoriteiten van het betreffende land, dat de school onder haar of hun toezicht staat.

Artikel 5. Besluit minister

  • 1. De minister besluit uiterlijk acht weken na ontvangst van de aanvraag;

  • 2. De minister stelt de leerplichtambtenaar van de gemeente waar de school gevestigd is op de hoogte van het besluit.

Artikel 6. Intrekking aanwijzing

  • 1. De minister kan de aanwijzing intrekken indien uit de wijzigingen in het toezicht, bedoeld in artikel 7, blijkt dat de school niet langer onder toezicht staat van een van de in artikel 4 bedoelde instanties.

  • 2. Alvorens een aanwijzing op grond van het eerste lid in te trekken, consulteert de minister de internationale accreditatieorganisatie, dan wel de autoriteiten van het betreffende land, onder het toezicht waarvan de school staat blijkens het eerder overgelegde bewijs, bedoeld in artikel 4.

§ 3. Verplichtingen aangewezen school

Artikel 7. Wijziging toezicht

Een school die is aangewezen als school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 4, van de wet, informeert de minister zo spoedig mogelijk over wijzigingen in het toezicht dat ten aanzien van de school wordt uitgeoefend.

Artikel 8. Toelating van leerlingen

  • 1. Tot een internationale school en een buitenlandse school kan als leerlingworden toegelaten zowel degene die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als degene die de Nederlandse nationaliteit bezit.

  • 2. Tot een ambassadeschool kan als leerling worden toegelaten degene die niet de Nederlandse nationaliteit bezit en ouders, voogden of verzorgers heeft die behoren tot het personeel van een ambassade.

Artikel 9. Nederlandse taal

  • 1. Tot het onderwijs aan leerlingen met de Nederlandse nationaliteit behoort onderwijs in de Nederlandse taal dat voldoet aan de criteria in bijlage 2. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de naleving hiervan.

  • 2. Tot het onderwijs aan leerlingen die meer dan één nationaliteit hebben, waaronder de Nederlandse nationaliteit, behoort onderwijs in de Nederlandse taal dat voldoet aan de criteria in bijlage 2. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de naleving hiervan.

Artikel 10. Voertaal

  • 1. Het bevoegd gezag van de school bepaalt wat de voertaal van het onderwijs is. De Nederlandse taal kan niet de voertaal zijn van een school die wordt of is aangewezen op grond van deze regeling.

  • 2. Indien leerlingen met de Nederlandse nationaliteit die duurzaam in Nederland verblijven tot de school zijn toegelaten, is de voertaal van het onderwijs Engels, Frans of Duits.

Artikel 11. Handhaving verplichtingen jegens Nederlandse leerlingen

  • 1. Indien geconstateerd wordt dat een aangewezen school niet of niet langer voldoet aan de in deze regeling opgenomen verplichtingen met betrekking tot het onderwijs aan leerlingen met de Nederlandse nationaliteit, treedt de Inspectie van het onderwijs in overleg met de school met als doel volledige naleving van de verplichtingen door de school binnen een termijn van maximaal een jaar.

  • 2. Indien het overleg als bedoeld in het eerste lid binnen de overeengekomen termijn met een maximum van een jaar niet leidt tot volledige naleving van de in deze paragraaf opgenomen verplichtingen, besluit de minister dat leerlingen met de Nederlandse nationaliteit niet langer hun leerplicht kunnen vervullen aan de school en stelt ook de leerplichtambtenaar van de gemeente waar de desbetreffende school gevestigd is op de hoogte van de beslissing.

  • 3. Alvorens tot een besluit te komen als bedoeld in het tweede lid, consulteert de minister door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken de autoriteiten van het land dan wel de accreditatieorganisatie onder het toezicht waarvan de school staat blijkens het bewijs als bedoeld in artikel 4.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 12. Overgangsbepaling

Een school die voor 1 juli 2011 een aanwijzing aanvraagt in de zin van deze regeling en die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling tenminste een volledig schooljaar operationeel was, dient uiterlijk op 1 augustus 2012 aan de in deze regeling opgenomen bepalingen te voldoen.

Artikel 13. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 april 2011.

Artikel 14. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing internationale en buitenlandse scholen.

Deze regeling zal met de toelichting en bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst. Een Engelse vertaling van de regeling zal worden gepubliceerd op www.ocwduo.nl.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

BIJLAGE 1 BIJ ARTIKEL 4 VAN DE REGELING AANWIJZING INTERNATIONALE EN BUITENLANDSE SCHOLEN: INTERNATIONALE ACCREDITATIEORGANISATIES

Als internationale accreditatieorganisaties bedoeld in artikel 4 van de regeling worden de volgende organisaties erkend.

Independent Schools Inspectorate

London, United Kingdom

Council of British International Schools

Hampshire, United Kingdom

International Baccalaureate Organization

Genève, Switzerland

International Primary Curriculum

London, United Kingdom

AdvancED

Alpharetta, United States

New England Association of Schools and Colleges Bedford

Massachusetts, United States of America

Independent Schools Council

London, United Kingdom

Council of British International Schools

Hampshire, United Kingdom

Middle States Association of Schools and Colleges

Philadelphia, United States of America

Western Association of Schools and Colleges

Burlingame, United States of America

Southern Association of Schools and Colleges

Decatur, United States of America

BIJLAGE 2 BIJ ARTIKEL 9 VAN DE REGELING AANWIJZING INTERNATIONALE EN BUITENLANDSE SCHOLEN: CRITERIA ONDERWIJS IN DE NEDERLANDSE TAAL AAN LEERLINGEN MET DE NEDERLANDSE NATIONALITEIT

In deze bijlage worden de in het Nederlandse onderwijs gebruikelijke termen ‘primair onderwijs’ en ‘voortgezet onderwijs’ gehanteerd. Voor de toepassing van de criteria van deze bijlage worden bedoeld met het primaire onderwijs: de eerste acht leerjaren van kinderen van 4 tot en met 11 of 12 jaar, en met het voortgezet onderwijs: de leerjaren daarna van kinderen tot 18 jaar of ouder. Met ‘bovenbouw van het voortgezet onderwijs’ wordt bedoeld de laatste twee, drie of vier leerjaren daarvan.

  • 1. Bij het toezicht op het onderwijs in de Nederlandse taal aan leerlingen met de Nederlandse nationaliteit hanteert de Inspectie de volgende criteria.

    • a. De aangeboden leerinhouden voor de Nederlandse taal zijn dekkend voor de kerndoelen, bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs. In de bovenbouw van het voortgezet onderwijs leiden de leerinhouden toe naar examens Nederlandse taal, dan wel naar een vergelijkbare beheersing van het Nederlands binnen het betreffende internationale curriculum.

    • b. Bij het aanbieden van de leerinhouden voor Nederlandse taal en het toewerken naar examens Nederlandse taal houdt de school rekening met de taal- en onderwijsachtergrond van de leerlingen die het Nederlandse taalonderwijs volgen.

    • c. De school neemt in het primair onderwijs voor de kerndoelen Nederlandse taal de referentieniveaus Nederlandse taal 1F en 2F als uitgangspunt, zoals opgenomen in bijlage 1 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen. Bij de verzorging van onderwijs Nederlandse taal in het voortgezet onderwijs neemt de school de referentieniveaus Nederlandse taal tot uitgangspunt die corresponderen met die van de Nederlandse afsluitende schoolexamens voortgezet onderwijs dan wel met het niveau van examens NT2 of Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CNaVT).

    • d. De school gebruikt een samenhangend systeem van instrumenten en procedures voor het volgen en meten van de prestaties en de ontwikkeling van de leerlingen.

    • e. De Inspectie beoordeelt de leerresultaten aan het einde van de schoolperiode overeenkomstig de in Nederland vigerende beoordeling van opbrengsten voor Nederlandse taal, zij het dat daarbij rekening wordt gehouden met de eerdere schoolloopbaan van de leerlingen, indien dit heeft geleid tot een langdurig of structureel verminderd Nederlands taalaanbod. In het voortgezet onderwijs hanteert de Inspectie als criterium dat het niveau van de (school)examens voor Nederlandse taal niet afwijkt van het te verwachten niveau op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie, en dat eveneens de examenresultaten hiermee overeenkomen.

  • 2. Als de resultaten zoals bedoeld onder 1.e. achterblijven hanteert de Inspectie daarnaast de onderwijstijd als criterium, waarbij geldt dat deze dient te zijn afgestemd op de ontwikkeling van de leerling, de voortgang in ontwikkeling van de leerling en het te bereiken taalniveau.

  • 3. Voor zover op basis van het toezicht als bedoeld in artikel 4 van de regeling aan het bevoegd gezag aanbevelingen zijn gedaan of aanwijzingen zijn gegeven het onderwijs betreffende, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat deze aanbevelingen of aanwijzingen, voor zover van toepassing, tevens voor het onderwijs Nederlandse taal worden uitgewerkt.

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling stelt regels voor de aanwijzing van internationale, buitenlandse en ambassadescholen als school waar de leerplicht kan worden vervuld (hierna ook: b4-scholen). Deze scholen staan onder toezicht van een buitenlandse autoriteit of een internationale accreditatieorganisatie. Voor een aanwijzing is het in beginsel voldoende dat scholen dit aantonen. Het toezicht door de Nederlandse Inspectie kan beperkt blijven zodat deze scholen niet onnodig met een dubbele toezichtslast worden opgezadeld. In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt een algemene toelichting gegeven op de Leerplichtwet 1969 (hierna: Leerplichtwet) en de aanwijzingsprocedure. In paragraaf 3.1. wordt het toezicht nader beschreven.

Internationale, buitenlandse en ambassadescholen zijn in beginsel bedoeld voor kinderen van wie de ouders tijdelijk in Nederland verblijven. Dit zijn overwegend kinderen met een buitenlandse nationaliteit, maar ook kinderen van Nederlandse expats zitten op internationale en buitenlandse scholen. Nederlandse leerlingen worden niet uitgesloten van het onderwijs aan b4-scholen, met uitzondering van de ambassadescholen. Vanwege de bijzondere status van ambassades en buitenlands ambassadepersoneel is de ambassadeschool een aparte categorie in deze regeling. Ambassadescholen worden uitsluitend bezocht door kinderen van buitenlands ambassadepersoneel. De toelating van leerlingen wordt toegelicht in paragraaf 3.2.

In deze regeling is geregeld dat alle Nederlandse leerlingen onderwijs in de Nederlandse taal krijgen. Daar worden inhoudelijke criteria aan gesteld waar de Nederlandse Inspectie toezicht op houdt. Internationale en buitenlandse scholen worden ook steeds meer bezocht door Nederlandse kinderen die duurzaam in Nederland verblijven. Vanwege het belang van een internationaal georiënteerde Nederlandse beroepsbevolking wordt dat niet verboden. Naast de eis van onderwijs in de Nederlandse taal, worden dan wel eisen gesteld aan de voertaal van het onderwijs. Dit moet dan wel een taal zijn die van fundamenteel belang is voor de Nederlandse beroepsbevolking. De taaleisen worden toegelicht in paragraaf 3.3.

2. Leerplicht

De Leerplichtwet kent vier categorieën scholen waar leerlingen de leerplicht kunnen vervullen. Dit is geregeld in artikel 1, onderdeel b, van de Leerplichtwet 1969. Onder onderdeel 4 van genoemde bepaling, vallen volgens deze regeling internationale, buitenlandse en ambassadescholen die in Nederland gevestigd zijn. Deze categorie wordt daarom ook wel aangeduid als b4-scholen. Deze aanduiding wordt ook in deze toelichting gebruikt. B4-scholen worden niet door de Nederlandse overheid bekostigd. Zij onderscheiden zich daarmee van het internationaal georiënteerde onderwijs dat onder voorwaarden onderdeel kan uitmaken van een reguliere Nederlandse school en door het Ministerie van OCW wordt bekostigd. Oorspronkelijk is de categorie b4 in de Leerplichtwet bedoeld voor kinderen van een bepaalde niet-Nederlandse nationaliteit en de kinderen van zogenaamde expats, met als bedoeling hen bij terugkeer of wijziging van de standplaats van de ouders snel in te kunnen voeren in het daar geldende onderwijssysteem.

Om leerlingen hun leerplicht te kunnen laten vervullen aan niet door de Nederlandse overheid bekostigde internationale, buitenlandse of ambassadescholen moeten deze scholen conform artikel 1a, eerste lid, van de Leerplichtwet zijn aangewezen als school in de zin van die wet. Een dergelijke aanwijzing is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Binnen de huidige regelgeving is niet uitgewerkt hoe met een verzoek tot aanwijzing wordt omgegaan. Daarom worden met deze regeling de procedure en voorwaarden voor het verkrijgen van een aanwijzing uitgewerkt. Artikel 1a, eerste lid van de Leerplichtwet biedt de grondslag voor het stellen van voorwaarden aan de aanwijzing van b4-scholen. Met deze uitwerking ontstaat een consequente en kenbare lijn voor de aanwijzing van dit soort scholen. Op deze manier kan rechtszekerheid geboden worden wat betreft het voldoen van de leerplicht aan de betrokken leerlingen en ouders in Nederland. Voor de reeds bestaande scholen is een overgangsregeling opgenomen.

Het gevolg van deze regeling is duidelijkheid voor alle betrokken partijen – scholen, ouders en leerlingen, leerplichtambtenaar en Inspectie – of en wanneer een school een school is waar de leerplicht kan worden vervuld, en hoe het toezicht op het onderwijs geregeld is. De Leerplichtwet is van toepassing op alle leerplichtige kinderen in Nederland. Hoofdstuk I, Titel I van de Wet op het primair onderwijs (WPO) geldt voor alle scholen in Nederland, met uitzondering van de scholen die uitsluitend bestemd zijn voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Titel I van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) is van toepassing op alle scholen in Nederland, met uitzondering van militair onderwijs. Deze titels bevatten onder meer een bepaling die scholen verplicht tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven (artikel 4a van de WPO en artikel 3 van de WVO).

Hoewel de verplichtingen op grond van de Leerplichtwet geen nieuwe verplichtingen betreffen, is de verplichte naleving hiervan door de internationale en buitenlandse scholen eerst met deze regeling geëxpliciteerd. Redelijkheid en billijkheid brengen dan ook een ruime overgangsperiode met zich mee, die de bestaande scholen die dit betreft voldoende tijd gunt om aan de voorschriften van deze regeling en de consequenties daarvan te voldoen. In overleg met betrokken partijen is een ruime overgangsperiode bepaald.

3. Hoofdlijnen regeling

3.1. Toezicht

Het belangrijkste uitgangspunt van de regeling is dat de voorwaarden voor aanwijzing van internationale en buitenlandse scholen een waarborg bieden voor de kwaliteit van het onderwijs. De Nederlandse overheid gaat ervan uit dat het toezicht van een buitenlandse overheid of van een in deze regeling erkende accreditatieorganisatie deze waarborgen in beginsel biedt. Het toezicht vanuit de Nederlandse overheid kan hierdoor beperkt blijven.

Een school die als b4-school wil worden aangewezen moet conform de regeling onder toezicht staan van de autoriteiten van het moederland, of een internationale accreditatieorganisatie. De school dient een bewijs van dit toezicht te overleggen met de aanvraag om aanwijzing. Internationale scholen zullen enkel een bewijs van toezicht van een accreditatieorganisatie kunnen overleggen. In de regeling wordt verwezen naar een lijst van accreditatieorganisaties, waarvan het toezicht op de onderwijskwaliteit van de aangesloten scholen in ieder geval als voldoende beschouwd worden (bijlage 1 van de regeling). Met de lijst wordt voorkomen dat met een bewijs van een willekeurige instantie, aangehaald als internationale accreditatieorganisatie, voldaan kan worden aan het criterium van artikel 4 van de regeling. Buitenlandse scholen en ambassadescholen zullen zowel een bewijs van toezicht van het land waar ze aan verbonden zijn, als van een accreditatieorganisatie kunnen overleggen.

Als uit de bevindingen van het toezicht door de buitenlandse autoriteiten dan wel accreditatieorganisatie blijkt dat de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, wordt ervan uitgegaan dat de internationale of buitenlandse toezichthouder een traject opstart om de kwaliteit te verbeteren. Indien de buitenlandse toezichthouder oordeelt dat de school haar bestaansrecht heeft verloren, bijvoorbeeld doordat de kwaliteit ernstig tekortschiet, wordt niet langer voldaan aan het toezichtvereiste van deze regeling. Hetzelfde geldt als een accreditatieorganisatie de accreditatie intrekt. Op grond van artikel 6, lid 1, kan de minister de aanwijzing als b4-school vervolgens intrekken. Het is niet wenselijk dat de Nederlandse overheid de aanwijzing intrekt op basis van informatie van een andere toezichthouder, als de andere toezichthouder niet van mening is dat de school haar bestaansrecht heeft verloren.

Na intrekking van de aanwijzing is de school geen school meer in de zin van de Leerplichtwet en kunnen kinderen hun leerplicht niet langer vervullen aan die school. Dit heeft tot gevolg dat de leerplichtambtenaar de ouders van de betreffende kinderen er binnen veertien dagen over informeert dat aan deze school de leerplicht niet meer kan worden vervuld. De leerplichtambtenaar controleert binnen vier weken na de kennisgeving of de leerplicht op een andere wijze wordt vervuld.

Hoewel zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het toezicht dat reeds door een buitenlandse autoriteit en/of internationale accreditatieorganisatie wordt uitgeoefend, kan toezicht door de Nederlandse autoriteiten niet volledig achterwege blijven. Indien een school is aangewezen in de zin van de Leerplichtwet valt de school onder de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). De Inspectie van het Onderwijs is hierdoor bevoegd toezicht uit te oefenen, onder andere op de kwaliteit van het onderwijs van de Nederlandse taal (zie paragraaf 3.3). Ook de bepalingen over vertrouwensinspecteurs uit de WOT zijn van toepassing. De Inspectie ziet ook toe op de bepalingen uit WPO en de WVO die in het vorige hoofdstuk zijn genoemd. Het toezicht op de Leerplichtwet is opgedragen aan de gemeenten1. De opsomming van het toezicht is niet limitatief, maar geeft een beeld van de belangrijkste onderwerpen waar de Nederlandse autoriteiten toezicht op houden of kunnen houden. Dit laat onverlet dat het uitgangspunt van deze regeling is dat het toezicht op de onderwijskwaliteit in beginsel door de buitenlandse autoriteiten en/of een internationale accreditatieorganisatie wordt uitgeoefend.

3.2. Toelating leerlingen

In 2005 en 2006 is in opdracht van het Ministerie van OCW door het SCO-Kohnstamm Instituut onderzoek gedaan naar de positie van internationale en buitenlandse scholen in Nederland. Het onderzoek richtte zich op de scholen die in aanmerking zouden komen voor de categorie b4. Een van de onderzochte elementen was de samenstelling van de schoolpopulatie. Het onderzoek laat zien dat veruit het grootste gedeelte van de leerlingenpopulatie van internationale en buitenlandse scholen bestaat uit leerlingen met een niet-Nederlandse nationaliteit, en leerlingen die minder dan vijf jaar in Nederland verblijven. Dit is in overeenstemming met de oorspronkelijke bedoeling van de categorie b4-scholen: het bieden van een plek waar de leerplicht kan worden vervuld voor kinderen van een bepaalde nationaliteit en/of de kinderen van zogenaamde expats, om hen bij terugkeer of wijziging van de standplaats van de ouders snel in te kunnen voeren in het daar geldende onderwijssysteem.

Hoewel het een kleine groep betreft, zijn er ook kinderen met de Nederlandse nationaliteit die onderwijs volgen aan internationale en buitenlandse scholen in Nederland. De groep Nederlandse leerlingen betreft ongeveer 5% van het totaal aantal leerlingen van dit soort scholen, hoewel het percentage per school sterk varieert. Dit zijn voornamelijk kinderen van Nederlandse expats, maar ook Nederlandse kinderen waarvan de ouders geen expats zijn gaan naar deze scholen. Hoewel deze scholen in beginsel niet zijn bedoeld voor deze duurzaam in Nederland verblijvende Nederlandse kinderen willen we deze kinderen niet verbieden naar een internationale of buitenlandse school te gaan. Wel willen we, indien scholen duurzaam in Nederland verblijvende Nederlandse kinderen willen toelaten, eisen stellen aan de voertaal van het onderwijs dat deze kinderen krijgen. De beleidsmatige overweging hierbij wordt toegelicht in paragraaf 3.3.2. Voor dit moment is het voldoende op te merken dat we duurzaam in Nederland verblijvende Nederlandse kinderen in beginsel niet willen verbieden om naar een internationale of buitenlandse school te gaan.

Tot het onderwijs aan een ambassadeschool kunnen alleen kinderen van het personeel van een ambassade met een buitenlandse nationaliteit worden toegelaten. De categorie ambassadeschool is opgenomen om in de specifieke onderwijsbehoefte te voorzien die het buitenlandse personeel van een ambassade kan hebben. Het criterium voor aanwijzing van een school als ambassadeschool is gelijk aan dat voor een buitenlandse school; dat de school onder toezicht staat van buitenlandse autoriteiten of een accreditatieorganisatie. Gelet op de status aparte van een ambassade en uitgezonden ambassadepersoneel, is de Nederlandse inmenging in het reilen en zeilen van de school zo beperkt mogelijk.

3.3. Taaleisen
3.3.1. Onderwijs in de Nederlandse taal

Aan het onderwijs van een b4-school aan leerlingen met een buitenlandse nationaliteit worden geen eisen gesteld op het gebied van taal. De school is ook vrij zelf de voertaal van het onderwijs te kiezen. Indien een b4-school besluit om kinderen met de Nederlandse nationaliteit tot het onderwijs toe te laten, gelden wel nadere voorwaarden ten aanzien van onderwijs in de Nederlandse taal. Het bevoegd gezag van een aangewezen b4-school kan er ook voor kiezen geen leerlingen met de Nederlandse nationaliteit toe te laten zodat de school niet geconfronteerd wordt met taaleisen.

De kwaliteitsagenda’s voor primair en voortgezet onderwijs leggen een grote nadruk op de beheersing van de Nederlandse taal. Dit wordt als een belangrijke basis gezien voor een toekomst in de Nederlandse maatschappij. Ook de Nederlandse kinderen die op b4-scholen zitten dienen het Nederlands goed te beheersen. Het biedt een waarborg voor de taalkennis van de Nederlandse leerlingen die alsnog in het reguliere Nederlandse onderwijs terecht komen.

Op het punt van de beheersing van de Nederlandse taal wordt niet volstaan met toezicht door een buitenlandse autoriteit of internationale accreditatieorganisatie. Om te verzekeren dat Nederlandse kinderen de Nederlandse taal goed leren beheersen, houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op het onderwijs in de Nederlandse taal. Hierbij hanteert de Inspectie grotendeels dezelfde criteria als die worden gehanteerd voor het Nederlands op andere scholen in Nederland. Er wordt onder meer gekeken naar het onderwijsaanbod, de onderwijsprestaties, de leerlingenzorg en de onderwijstijd. De regeling verwijst voor deze criteria naar bijlage 2 bij de regeling. De Inspectie werkt de criteria van bijlage 2 uit in een leidraad voor beoordelingen op maat. Tijdens de overgangsperiode van deze regeling toetst de Inspectie deze leidraad in de praktijk en past deze waar nodig aan.

In eerste aanleg beoordeelt de Inspectie jaarlijks de opbrengsten van de school voor wat betreft het onderwijs in de Nederlandse taal. Als de opbrengsten op of boven het niveau liggen dat op grond van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht, zal er in beginsel geen nader toezicht zijn. Als de opbrengsten onder het niveau liggen dat op grond van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht zal de Inspectie het onderwijsproces inspecteren en eventueel de tussenopbrengsten opvragen. Als de Inspectie het onderwijs in de Nederlandse taal als onvoldoende beoordeelt, wordt dezelfde werkwijze gevolgd als bij de andere scholen in Nederland waar de Inspectie toezicht op houdt. De school wordt gevraagd een verbeterplan op te stellen en de Inspectie ziet toe op de uitvoering van het verbeterplan. Als de school er niet in slaagt om binnen een redelijke termijn het onderwijs in de Nederlandse taal voldoende te verbeteren, dan kan de minister als ultimum remedium de school niet langer toegankelijk verklaren voor kinderen met de Nederlandse nationaliteit. Kinderen met de Nederlandse nationaliteit kunnen dan niet langer de leerplicht vervullen op deze scholen.

3.3.2. Voertaal

De b4-scholen zijn in eerste aanleg bedoeld voor buitenlandse kinderen en kinderen van Nederlandse expats die tijdelijk in Nederland verblijven. In de praktijk zitten ook duurzaam in Nederland verblijvende kinderen op b4-scholen. De vraag is aan de orde dit te verbieden of toe te staan. En indien dit wordt toegestaan, of er dan nog aanvullende voorwaarden worden gesteld aan het onderwijs. Zoals eerder aangegeven willen we dit niet verbieden. Wel willen we eisen stellen aan de voertaal van het onderwijs aan deze leerlingen.

Het Innovatieplatform heeft in 2009 een advies uitgebracht over het internationaal onderwijs genaamd ‘Deuren open’. Het Innovatieplatform doet hierin aanbevelingen om het internationaal onderwijs te versterken. Het Innovatieplatform stelt hierbij het belang van de internationaal georiënteerde beroepsbevolking voorop. Vanuit dat belang is het ongewenst om Nederlandse kinderen die duurzaam in Nederland verblijven uit te sluiten van het onderwijs op een internationale of buitenlandse school.

Met kinderen die duurzaam in Nederland verblijven worden kinderen bedoeld die voor langere periode in Nederland wonen en leven. Gelet op de gebruikelijke (maximum)termijnen voor uitzending van expats, wordt hieronder een periode van vijf jaar en langer verstaan. Deze begripsbepaling wordt ook gehanteerd in het eerdergenoemde onderzoek van het SCO-Kohnstamm Instituut. Nederlandse kinderen die (naar verwachting) vijf jaar of langer in Nederland verblijven nemen duurzaam deel aan de Nederlandse samenleving. Ook kan van hen verwacht worden dat ze in Nederland een vervolgstudie zullen volgen en/of in Nederland zullen gaan werken.

Het is niet de bedoeling ieder duurzaam in Nederland verblijvend Nederlands kind zonder meer op iedere b4-school toe te laten. Geredeneerd vanuit het belang van de internationaal georiënteerde beroepsbevolking kunnen duurzaam in Nederland verblijvende kinderen alleen tot het onderwijs worden toegelaten als de voertaal Engels, Frans of Duits is. Onderwijs met Engels als voertaal wordt toegestaan omdat Engels dé voertaal is voor de Nederlandse internationale beroepsbevolking. Vanwege de economische en culturele banden met Frankrijk, Duitsland en België, zijn ook het Frans en het Duits van eminent belang voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Zoals ook aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor invoering van de mogelijkheid voor onderwijs in de Duitse of Franse taal op basisscholen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 29 959, nr. 3) krijgen leerlingen vanwege de band die Nederland in economische en culturele zin van oudsher heeft met Duitsland, België en Frankrijk, in hun beroepsleven te maken met Frans- en Duitstalige handelspartners. Om deze reden worden naast het Engels ook Frans en Duits toegestaan als voertaal op b4-scholen aan duurzaam in Nederland verblijvende Nederlandse kinderen. Een pleidooi dat, vanuit het belang van de internationaal georiënteerde beroepsbevolking, ook andere voertalen moeten worden toegestaan wordt niet ondersteund door de praktijk. De b4-scholen waar duurzaam in Nederland verblijvende Nederlandse kinderen deelnemen aan het onderwijs hebben als voertaal Engels, Frans of Duits.

Voor de duidelijkheid: b4-scholen zijn vrij in de keuze van hun voertaal. Scholen die een andere voertaal hebben dan Engels, Frans of Duits mogen alleen geen duurzaam in Nederland verblijvende kinderen toelaten. Een school die is aangewezen als school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 4, van de wet, die een andere voertaal kent dan Engels, Frans of Duits, en die onderwijs geeft aan een leerling met de Nederlandse nationaliteit, moet kunnen aantonen dat die leerling niet duurzaam in Nederland verblijft. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door aan de leerplichtambtenaar van de gemeente waar de leerling woon- of verblijfplaats heeft een werkgeversverklaring of andersoortige verklaring over te leggen waaruit blijkt dat de ouders of verzorgers van de leerling niet duurzaam in Nederland verblijven. Het overleggen van een dergelijke verklaring wordt eveneens gebruikt voor de toelating van leerlingen tot Internationaal georiënteerd (bekostigd) voortgezet onderwijs.

Ook voor de verplichting ten aanzien van de voertaal geldt dat als een school hier geen gevolg aan geeft, de minister als ultimum remedium de school niet langer toegankelijk kan verklaren voor kinderen met de Nederlandse nationaliteit.

Voor de goede orde zij vermeld dat de Nederlandse taal niet de voertaal kan zijn op een b4-school. Scholen in Nederland, met de voertaal Nederlands, die niet door de Nederlandse overheid worden bekostigd, kunnen een school zijn, zoals bedoeld in artikel 1, onder b, onderdeel 2 of 3 van de Leerplichtwet 1969.

4. Administratieve lasten

Uit deze regeling volgen een aantal administratieve lasten voor de desbetreffende 17 instellingen. De voornaamste administratieve lasten zijn het indienen van een verzoek tot aanwijzing en het toezenden van opbrengstgegevens aan de inspectie. De hele regeling is zo opgezet dat de lasten voor de instellingen, en dus ook de administratieve lasten tot een minimum beperkt blijven. De totale administratieve lasten die voortvloeien uit deze regeling zijn éénmalig 1530 euro. De totale jaarlijks administratieve lasten worden geschat op 2430 euro. De regeling is ter beoordeling voorgelegd aan DUO voor het uitvoeren van een administratieve lastentoets.

Artikelsgewijs

Artikel 1

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een internationale school, een buitenlandse school en een ambassadeschool omdat de regeling een aanwijzing van deze drie categorieën scholen als b4-school identificeert. De regeling is van toepassing op scholen in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Aangezien dit geen internationaal erkende termen zijn, en de verschillende onderwijsstelsels uiteen lopen, wordt ter inkadering de leerplichtige leeftijd gehanteerd. Met een als zodanig passende accreditatie wordt bedoeld een accreditatie die de kwaliteit van het op de school aangeboden onderwijs betreft. Met de autoriteiten van een ander land wordt ook wel het moederland bedoeld.

Artikel 3, tweede lid

Voor toelichting over het vereiste bewijs van toezicht, zie de toelichting onder artikel 4.

Artikel 4

Onder een bewijs bedoeld in dit artikel wordt in ieder geval verstaan een actuele, schriftelijke verklaring van een ambassade, moederland of internationale accreditatieorganisatie dat de school die de aanwijzing aanvraagt onder diens toezicht staat.

Artikel 5

Met de aanvraag wordt bedoeld de complete aanvraag, inclusief het bewijs zoals bedoeld in artikel 4. De leerplichtambtenaar moet op de hoogte zijn van de beslissing, omdat deze gevolgen heeft voor het al dan niet vervullen van de leerplicht aan de desbetreffende school. Het is voor het Ministerie ondoenlijk om alle leerplichtambtenaren van de gemeenten waar de betreffende leerlingen wonen op de hoogte te stellen. Om die reden wordt in dit opzicht een coördinerende rol verwacht van de leerplichtambtenaar van de gemeente waar de school gevestigd is. Dit geldt ook voor artikel 11, tweede lid.

Artikel 6, eerste lid

Het intrekken van een aanwijzing betreft altijd het uiterste middel, als overleg tussen betrokken partijen niet tot naleving van de bepalingen heeft geleid. Bij dit overleg zijn in ieder geval de Nederlandse Inspectie en het bevoegd gezag van de school aanwezig.

Artikel 6, tweede lid

De consultatie van het desbetreffende moederland of accreditatieorganisatie is een voorwaarde voor het kunnen intrekken van een aanwijzing. De resultaten van een dergelijke consultatie zijn dat echter niet. De minister laat een eventuele reactie van het land of de organisatie wel meewegen in zijn beslissing om de aanwijzing al dan niet in te trekken.

Artikel 7

Met wijzigingen in het toezicht worden gewijzigde omstandigheden van het toezicht bedoeld ten opzichte van het moment van aanvragen van de aanwijzing als b4-school. De wijzigingen kunnen ook de toezichthouder betreffen. Voorbeelden van wijzigingen in het toezicht zijn de volgende.

  • Op een school die ten tijde van de aanvraag voor een aanwijzing als b4-school onder toezicht van de autoriteiten van het moederland stond, wordt nu toezicht gehouden door een internationale accreditatieorganisatie.

  • Er wordt geen toezicht meer gehouden.

Artikel 9

De criteria zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regeling kunnen worden aangepast. Scholen die op grond van deze regeling zijn aangewezen zullen worden geïnformeerd over wijzigingen in de bijlage.

Artikel 10, eerste lid

Met de voertaal wordt bedoeld de taal van het onderwijs anders dan het taalonderwijs.

Artikel 10, tweede lid

De bedoelde verklaring van niet-duurzaam verblijf in Nederland is alleen nodig als de voertaal van de school niet Frans, Duits of Engels is, en de school onderwijs geeft aan duurzaam in Nederland verblijvende Nederlandse leerlingen.

Artikel 11, eerste lid

Voorbeelden van het niet of niet meer voldoen aan de verplichtingen jegens Nederlandse leerlingen zijn de volgende.

  • De Nederlandse taal wordt niet onderwezen aan de Nederlandse leerlingen gegeven of dit onderwijs voldoet niet aan de criteria van bijlage 2.

  • Een internationale of buitenlandse school geeft onderwijs in een andere voertaal dan Engels, Frans of Duits aan Nederlandse leerlingen, zonder dat verklaringen zijn overgelegd waaruit blijkt dat de ouders of verzorgers van de leerling niet duurzaam in Nederland verblijven.

Artikel 11, tweede lid

Een beslissing dat Nederlandse leerlingen hun leerplicht niet langer kunnen vervullen aan een internationale of buitenlandse school is altijd het uiterste middel, als overleg tussen betrokken partijen niet tot naleving van de bepalingen heeft geleid. Bij dit overleg zijn in ieder geval de Nederlandse Inspectie en het bevoegd gezag van de school aanwezig. De leerplichtambtenaar wordt in ieder geval over de uitkomst van dit overleg geïnformeerd, omdat hij de ouders van de desbetreffende leerlingen moet informeren als hun kinderen niet langer hun leerplicht kunnen vervullen aan deze school. Als de leerlingen van de school in verschillende gemeenten wonen, dan vervult de leerplichtambtenaar van de gemeente waar de school gevestigd is een coördinerende rol in het doorgeven van de informatie.

Artikel 11, derde lid

De consultatie van het desbetreffende moederland of accreditatieorganisatie is een voorwaarde voor een beslissing dat leerlingen hun leerplicht niet langer kunnen vervullen aan een bepaalde school. De resultaten van een dergelijke consultatie zijn dat echter niet. De minister laat een eventuele reactie van het land of de organisatie wel meewegen in zijn beslissing.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.


XNoot
1

Het is het voornemen om dit toezicht over te dragen aan de Inspectie van het Onderwijs. Daarvoor is een wijziging van de Leerplichtwet noodzakelijk.