Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2011, 24010Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 23 december 2011, nr. 2011-2000589459, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdentiende wijziging)

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

Gelet op de artikelen 59, 60, 62, derde lid, 62a, 63 en 66a van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 4.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.13 komt te luiden:

Artikel 4.13

De korpschef is bevoegd om met toepassing van artikel 4.51 van het Besluit:

  • a. ontheffing te verlenen van de verplichting tot periodieke aanmelding, bedoeld in artikel 4.51 van het Besluit, en

  • b. de termijn van een week, genoemd in artikel 4.51, tweede lid, van het Besluit, te verkorten of te verlengen.

B

Aan artikel 5.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. De maatregel, bedoeld in artikel 59, eerste lid, van de Wet, wordt verlengd als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Wet, door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a of b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is.

C

Na artikel 6.2 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6.3

  • 1. De verlenging, bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet, van de vertrektermijn, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Wet, vindt uitsluitend plaats indien de vreemdeling ervoor zorg heeft gedragen dat de voor zijn vertrek uit eigen beweging noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn.

  • 2. De verlenging van de vertrektermijn bedraagt maximaal 90 dagen.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, kan de vertrektermijn met ten hoogste zes maanden worden verlengd indien de vreemdeling op verzoek van het Internationale Strafhof in Nederland verblijft en de maximale duur van het aan hem verleende visum niet kan worden verlengd.

  • 4. Bij het besluit omtrent verlenging van de vertrektermijn worden onder meer de aanwezigheid van schoolgaande kinderen of het bestaan van andere gezinsbanden en sociale banden betrokken.

  • 5. Het verzoek om de vertrektermijn te verlengen, wordt in persoon ingediend bij de ambtenaar belast met het begeleiden van de terugkeer of het loket van de IND.

Artikel 6.4

  • 1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid van de Wet, wordt gegeven door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a of b, van de Wet.

  • 2. Indien de kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Wet, wordt gegeven, wordt de vreemdeling in een taal die de vreemdeling begrijpt of redelijkerwijze geacht mag worden te begrijpen mondeling of schriftelijk op de inhoud en de rechtsgevolgen daarvan gewezen, en wordt de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.

Artikel 6.5

  • 1. Het inreisverbod, bedoeld in artikel 66a van de Wet, wordt uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is, of door de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Wet, die tevens hulpofficier van justitie is.

  • 2. Het inreisverbod wordt uitgevaardigd, gewijzigd of opgeheven door de ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst die daartoe bevoegd is, indien daaraan de rechtgevolgen, bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Wet, zijn verbonden.

  • 3. Indien het inreisverbod wordt uitgevaardigd, wordt in een taal die de vreemdeling begrijpt of redelijkerwijze geacht mag worden te begrijpen mondeling of schriftelijk op de inhoud en de rechtsgevolgen daarvan gewezen, en wordt de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid daartegen rechtsmiddelen aan te wenden.

Artikel II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 31 december 2011. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 30 december 2011, treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, en werkt zij terug tot en met 31 december 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 23 december 2011

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

G.B.M. Leers.

TOELICHTING

ALGEMEEN

Op 24 december 2008 is de Richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven gepubliceerd in het Publicatieblad (PbEU 2008, L 348/98) (hierna: de richtlijn). De onderhavige regeling strekt tot aanpassing van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 ter implementatie van die richtlijn. Daarnaast zijn de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000 aangepast en zal de Vreemdelingencirculaire 2000 worden aangepast.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

In artikel 7, derde lid, van de richtlijn wordt onder meer de mogelijkheid vastgelegd om maatregelen te treffen om het risico op onderduiken te beperken. Het betreft belangrijke instrumenten in die gevallen waarin oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 niet op haar plaats is, maar aanvullende maatregelen van toezicht wel wenselijk zijn. Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 kende al een bepaling waarin de aanpassing van de wekelijkse meldplicht als vermeld in artikel 4.51 van het Vreemdelingenbesluit 2000 bij de korpschef was neergelegd. De formulering van deze bepaling werd in de uitvoering en de jurisprudentie onjuist uitgelegd, hetgeen de directe aanleiding is om thans in de tekst te expliciteren dat de korpschef een andere dan een wekelijkse meldplicht kan opleggen, bijvoorbeeld een dagelijkse meldplicht of een maandelijkse. Het in deze bepaling neerleggen van de bevoegdheid van de korpschef doet niet af aan de bevoegdheid van de daartoe bevoegde ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek, die zijn bevoegdheid aan het besluit ontleent, gelezen in samenhang met de ter zake opgestelde mandaatbesluiten.

B

In artikel 15, zesde lid, van de richtlijn is bepaald dat de termijn van zes maanden, genoemd in het vijfde lid van dat artikel, kan worden verlengd met ten hoogste twaalf maanden, indien aan de in dat artikellid genoemde voorwaarden is voldaan. Deze bepaling is in de Vreemdelingenwet 2000 geïmplementeerd in artikel 59, zesde lid. Nu de maatregel ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt opgelegd door de minister, ligt in de rede dat de minister eveneens bevoegd is te besluiten tot de verlenging van de maatregel. Dit betekent dat de krachtens hun mandaat daartoe bevoegde ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek bevoegd zijn de maatregel van vreemdelingenbewaring te verlengen. Nu deze beslissing betrekking heeft op de verlenging van een vrijheidsontnemende maatregel, is wenselijk geacht deze bevoegdheid buiten twijfel te stellen door haar op te nemen in het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Hoewel te voorzien is dat de praktijk zal zijn dat de verlengingsbeslissing zal worden genomen door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek, is het wenselijk dat buiten twijfel is dat de ambtenaar, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000, die tevens hulpofficier van justitie is, eveneens een verlengingsbesluit kan nemen. De hulpofficier van justitie is in beginsel bevoegd tot het verrichten van alle uit de Vreemdelingenwet 2000 volgende handelingen ten aanzien van de uitvoering van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

C

Artikel 6.3

De richtlijn schrijft voor dat de termijn voor vrijwillig vertrek moet kunnen worden verlengd. Een dergelijke handeling is met name noodzakelijk om gevolgen van het niet voldoen aan de vertrektermijn weg te nemen in die gevallen waar daarvoor aanleiding bestaat. Met het toekennen van een verlenging van de vertrektermijn zal terughoudend worden omgegaan. Uitgangspunt van de Vreemdelingenwet 2000 is immers dat in Nederland verblijvende vreemdelingen na het eindigen van hun rechtmatig verblijf zo snel mogelijk uit eigen beweging uit Nederland dienen te vertrekken. De daarvoor gestelde termijn van 28 dagen is in beginsel redelijk. Het verlengen van de vertrektermijn brengt niet mee dat de vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft. Hij blijft gehouden Nederland te verlaten. Er bestaat uitdrukkelijk geen recht op opvang. Wel zal ten aanzien van minderjarige vreemdelingen in onderwijs worden voorzien en blijft de noodzakelijke medische zorg beschikbaar. Uiteraard kan bij ongewijzigde omstandigheden, niet voor het einde van de termijn tot uitzetting uit hoofde van artikel 63 van de Vreemdelingenwet 2000 worden overgegaan. Wel kunnen door de overheid voorbereidende handelingen worden getroffen met het oog daarop, zoals het aanvragen van vervangende reisdocumenten. De vertrektermijn kan uiteraard alsnog worden ingekort omdat een omstandigheid als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opkomt die aanleiding geeft de vertrektermijn in te korten. Uitgangspunt in het bestuursrecht is dat een eenmaal verstreken termijn niet kan worden verlengd. Daaruit volgt dat indien de vertrektermijn bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met toepassing van het tweede lid, is bekort tot nul dagen, het niet mogelijk is deze termijn te verlengen.

Verlenging van de vertrektermijn is niet bedoeld om de vreemdeling uitstel te bieden bij het verkrijgen van de voor vertrek benodigde documenten. Voorts moet er voldoende zekerheid over bestaan dat de vreemdeling na afloop van de verlengde vertrektermijn alsnog daadwerkelijk vertrekt. Vrijwillig vertrek is niet vrijblijvend, maar wordt in de richtlijn gedefinieerd als: het nakomen van de verplichting om binnen de in het terugkeerbesluit gestelde termijn terug te keren. Daarom is in het eerste lid opgenomen dat de vreemdeling ervoor zorg heeft gedragen dat de voor zijn vertrek noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. De omstandigheid dat de vreemdeling in afwachting is van een vervangend reisdocument, vormt op zichzelf geen reden voor een verlenging, tenzij de vreemdeling aannemelijk maakt en zo nodig onderbouwt, dat deze documenten voor de ommekomst van de verlenging aanwezig zullen zijn. Voorts kan er zonder de daadwerkelijk gebleken bereidheid vrijwillig terug te keren, van een verlenging van de termijn voor vrijwillig vertrek geen sprake zijn.

In het tweede en derde lid is opgenomen dat de duur van een eventuele verlenging is beperkt. Indien op voorhand voorzienbaar is dat de vreemdeling voor langere tijd aan Nederland gebonden zal zijn, ligt het in de systematiek van de Vreemdelingenwet 2000 besloten dat een andere oplossing wordt gevonden. Verlenging is daarom in de regel niet aan de orde voor een tijdvak van meer dan 3 maanden. Uitzondering hierop vormen de vreemdelingen die na afloop van de duur van hun visum, omwille van een bijdrage aan het Internationaal Strafhof in Nederland verblijven. Voor deze zeer uitzonderlijke categorie is een uitzondering gemaakt waardoor hun aanwezigheid in Nederland gedurende een tijd van zes maanden wordt gedoogd. Er bestaat in deze situatie geen grond voor het verlenen van een verblijfsvergunning, terwijl internationale verplichtingen de aanwezigheid wel noodzakelijk maken.

In het vierde lid is opgenomen welke omstandigheden een rol spelen bij het bepalen van de termijn, dit met inachtneming van de uit het tweede en derde lid volgende maximale termijnen. Nu al wordt er naar gestreefd om het vertrek uit Nederland van gezinnen met minderjarige kinderen zoveel mogelijk te laten samenvallen met de schoolvakanties. De nieuwe regeling beoogt geen wijziging, maar voegt daaraan wel een mogelijkheid toe dit door middel van de verlenging formeel te bekrachtigen. De enkele aanwezigheid van familieleden in Nederland is onvoldoende om een verlenging van de termijn te aanvaarden. Verlenging om die reden zal aan de orde zijn indien sprake is van bijzondere omstandigheden die een min of meer éénmalig karakter hebben waarbij het niet bijwonen daarvan in samenhang met afgedwongen vertrek, ernstig leed met zich kan meebrengen. Daarbij kan bijvoorbeeld aan de begrafenis van één van de ouders van de vreemdeling worden gedacht.

In het vijfde lid is tot uitdrukking gebracht dat het verzoek om verlenging in persoon dient te geschieden. De bijzondere aard van de verlenging van de vertrektermijn maakt dat van de vreemdeling gevergd mag worden dat hij het verzoek hiertoe in persoon doet. Voorafgaand daaraan wordt een afspraak gemaakt. Van belang is dat de beambte die de beslissing over de verlenging neemt aan de vreemdeling vragen over de feiten en omstandigheden kan stellen die aan het verzoek ten grondslag liggen. Gezien de termijnen die gelden is het wenselijk dat eventuele wedervragen onmiddellijk kunnen worden gesteld, waarna zo mogelijk direct een beschikking kan worden gegeven. Indien de vreemdeling de aanvraag niet in persoon indient zal deze in de regel worden afgewezen omdat niet alle voor de beslissing noodzakelijke bescheiden aanwezig zijn.

Het verzoek om verlenging wordt ingediend bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. In de meeste gevallen zal de vertrektermijn volgen uit een beschikking van die dienst, terwijl de Dienst Terugkeer en Vertrek nog niet in alle gevallen beschikt over het dossier van de vreemdeling.

Artikel 6.4

Dit artikel regelt enkele zaken met betrekking tot de kennisgeving, bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Allereerst wordt bepaald dat de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn de kennisgeving bedoeld in artikel 62, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 te geven. Deze situatie zal zich met name voordoen indien er aan een vreemdeling een toezichts- of bewaringsmaatregel wordt opgelegd terwijl de vreemdeling daarvoor nog niet eerder was aangetroffen in Nederland. Deze bevoegdheid doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de minister en de onder hem ressorterende ambtenaren die gemandateerd zijn tot het nemen van besluiten namens de minister. Aan de bevoegdheid om de kennisgeving te geven is uiteraard ook de bevoegdheid verbonden deze aan te passen of in te trekken. Nu de kennisgeving steeds wordt gegeven namens de minister, kan het intrekken of wijzigen daarvan ook door een andere ambtenaar plaatsvinden dan de ambtenaar die de kennisgeving oorspronkelijk heeft gegeven.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, eerste alinea, van de richtlijn dient de minister op verzoek van de vreemdeling in een taal die de vreemdeling geacht wordt te begrijpen, de vreemdeling te informeren over de belangrijkste onderdelen van de kennisgeving bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. In de bestaande Nederlandse systematiek is het reeds staande praktijk de vreemdeling te informeren over de inhoud en rechtsgevolgen van de aan hem uitgereikte beschikking. In veel gevallen, in ieder geval als het terugkeerbesluit tegelijk met een maatregel van vrijheidsbeneming wordt opgelegd of indien de kennisgeving gelijktijdig met een afwijzende beschikking op een asielaanvraag wordt gegeven, zal tevens een rechtshulpverlener ten behoeve van de vreemdeling ingeschakeld zijn, die in aanvulling op de toelichting vragen kan beantwoorden.

Artikel 6.5

In dit artikel wordt aangegeven dat de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn het inreisverbod uit te vaardigen. Deze situatie zal zich met name voordoen indien er aan een vreemdeling een toezichts- of bewaringsmaatregel wordt opgelegd terwijl de vreemdeling daarvoor nog niet eerder was aangetroffen in Nederland. Deze bevoegdheid doet ook hier geen afbreuk aan de bevoegdheid van de minister en de onder hem ressorterende ambtenaren die gemandateerd zijn tot het nemen van besluiten namens de minister. Aangezien in de meeste gevallen het inreisverbod deel zal uitmaken van de beslissing tot afwijzing van een toelatingsaanvraag, zal dit niet zeer vaak aan de orde zijn. Met de bevoegdheid om het inreisverbod uit te vaardigen is uiteraard ook de bevoegdheid deze aan te passen of op te heffen gegeven. Nu het inreisverbod steeds wordt uitgevaardigd namens de minister, kan het opheffen of wijzigen daarvan ook door een andere ambtenaar plaatsvinden dan de ambtenaar die het verbod oorspronkelijk heeft uitgevaardigd.

Indien aan het inreisverbod de rechtsgevolgen worden verbonden genoemd in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, brengt dat met zich mee dat de vreemdeling kan worden vervolgd wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht indien hij na de uitreiking van het besluit in Nederland wordt aangetroffen. In de gevallen waarin dit aan de orde is, kan uitsluitend door de IND een inreisverbod worden uitgevaardigd. Onder omstandigheden kan dit betekenen dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd direct nadat de vreemdeling is aangetroffen, en nadien, na een afweging door de IND, een inreisverbod wordt uitgevaardigd. Indien daarvan sprake is kan een reeds uitgevaardigd inreisverbod worden opgeheven en vervangen door een inreisverbod dat het in het tweede lid bedoelde rechtsgevolg inhoudt. Vanzelfsprekend vermeld het inreisverbod deze rechtsgevolgen.

Ingevolge artikel 12, tweede lid, eerste alinea, van de richtlijn dient de minister op verzoek van de vreemdeling in een taal die de vreemdeling geacht wordt te begrijpen, de vreemdeling te informeren over de belangrijkste onderdelen van het inreisverbod bedoeld in artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000. In de bestaande Nederlandse systematiek is het reeds staande praktijk de vreemdeling te informeren over de inhoud en rechtsgevolgen van de aan hem uitgereikte beschikking. In veel gevallen, in ieder geval als het terugkeerbesluit tegelijk met een maatregel van vrijheidsbeneming wordt opgelegd of indien de kennisgeving gelijktijdig met een afwijzende beschikking op een asielaanvraag wordt gegeven, zal tevens een rechtshulpverlener ten behoeve van de vreemdeling ingeschakeld zijn, die in aanvulling op de toelichting vragen kan beantwoorden.

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

G.B.M. Leers.