Regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 december 2011, nr. 2011-2000538070, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte (uitbreiding geschillenbeslechting huurcommissie)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op de artikelen 7a, derde lid, en 10, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de minister: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;.

2. In onderdeel f wordt ‘artikel 7, achtste lid’ vervangen door: de artikelen 7, achtste lid, en 7a, derde lid.

B

In artikel 11, eerste lid, wordt na ‘Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte’ ingevoegd: of uiterlijk binnen vier weken na de datum waarop een verzoek als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet op het overleg huurders verhuurder bij de huurcommissie is ingediend.

C

In bijlage VI wordt ‘artikel 27, eerste lid, aanhef, van de Wet op de huurtoeslag’ telkens vervangen door: artikel 27, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 27 oktober 2011 tot wijziging van de Wet op het overleg huurders verhuurder en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (uitbreiding geschillenbeslechting huurcommissie) (Stb. 2011, 529) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 8 december 2011

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.P.H. Donner.

TOELICHTING

Algemeen

De wet van 27 oktober 2011 tot wijziging van de Wet op het overleg huurders verhuurder en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (uitbreiding geschillenbeslechting huurcommissie) (Stb. 2011, 529) treedt met ingang van 1 januari 2012 in werking. Als gevolg van dit wetsvoorstel kunnen geschillen op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder worden voorgelegd aan de huurcommissie.

De Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte dient hiermee in overeenstemming te worden gebracht. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt nog enkele redactionele en technische wijzigingen in de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte door te voeren.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A, onder 1

De wijziging in artikel 1, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte betreft een wijziging van de tenaamstelling van de minister.

Artikel I, onderdelen A, onder 2, en B

Nu geschillen op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder bij de huurcommissie kunnen worden voorgelegd, is in artikel 7a van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw) een aparte regeling ten aanzien van de aan de Staat verschuldigde vergoeding opgenomen. Op grond van artikel 7a, eerste lid, van de Uhw is de verzoeker deze vergoeding verschuldigd. Op verzoek van de verzoeker die een natuurlijk persoon is, is de voorzitter van de huurcommissie op grond van artikel 7a, derde lid, van de Uhw bevoegd vrijstelling te verlenen van deze vergoeding (artikel I, onderdeel A, onder 2). In artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte is nu mede geregeld de termijn waarbinnen een vrijstellingsverzoek aan de voorzitter van de huurcommissie betreffende de aan de Staat verschuldigde vergoeding bij verzoeken op grond van de Wet op het overleg huurders verhuurder moet worden ingediend. Die termijn is gesteld op vier weken nadat het verzoek om beslechting van het geschil op grond van die wet is ingediend (artikel I, onderdeel B).

Artikel I, onderdeel C

De in bijlage VI bij de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte doorgevoerde wijzigingen zijn technisch van aard.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J.P.H. Donner.

Naar boven