Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en InnovatieStaatscourant 2011, 22069Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 29 november 2011, nr. WJZ/11142170, houdende het vaststellen van beleidsregels betreffende de cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Beleidsregels cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie)

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

§ 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

besluit:

het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

cumulatietoets:

de toets waarmee wordt vastgesteld of en in welke mate overstimulering optreedt;

exploitatiekosten:

de kosten die gemaakt worden bij de exploitatie van een productie-installatie voor duurzame energie;

exploitatiesteun:

steunmaatregelen die dienen om de exploitatiekosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren;

investeringssteun:

steunmaatregelen die dienen om de investeringskosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren;

investeringskosten:

de kosten, inclusief bouwrente, die nodig zijn voor de realisatie van een productie-installatie voor duurzame energie;

milieusteunkader:

Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (PbEU 2008/C 82/01);

investeringssteun:

steunmaatregelen die dienen om de investeringskosten van een productie-installatie geheel of gedeeltelijk te compenseren;

minister:

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

overstimulering:

cumulatie van steun die uitstijgt boven het toegestane steunplafond van het milieusteunkader;

particulier:

privépersoon die met het exploiteren van de productie-installatie waarvoor SDE-subsidie is verleend geen economische activiteit(en) uitoefent;

producent:

producent die een productie-installatie voor duurzame energie opricht, in stand houdt en exploiteert waarvoor aan hem SDE-subsidie is verleend of waarvoor hij een aanvraag voor SDE-subsidie heeft ingediend;

productie-installatie:

productie-installatie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van het besluit;

steunmaatregel:

een publiekrechtelijke maatregel op grond waarvan aan een producent steun wordt verleend in de vorm van subsidie, fiscale voordelen of andere voordelen.

§ 2 Opgaveformulier

Artikel 2

  • 1. De minister stuurt de producent binnen een jaar na ingebruikname van de productie-installatie een brief inclusief een opgaveformuliermet het verzoek de benodigde gegevens met betrekking tot de cumulatietoets aan te leveren.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de producent een particulier is.

  • 3. Een model van het opgaveformulier is opgenomen in de bij deze beleidsregels behorende bijlage.

Artikel 3

  • 1. De producent zendt het ingevulde opgaveformulier binnen acht weken na ontvangst van het opgaveformulier naar Agentschap NL, Postbus 10073, 8000 GB Zwolle. De minister kan deze termijn op verzoek van de producent eenmalig verlengen met een door de minister te bepalen redelijke termijn.

  • 2. Het opgaveformulier wordt voorzien van een accountantsverklaring over de investeringskosten indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan 125.000 euro.

  • 3. Indien het opgaveformulier onvolledig of onjuist is ingevuld, kan de minister – overeenkomstig artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht – de producent in de gelegenheid stellen er zorg voor te dragen dat dit formulier juist is ingevuld. Daarbij stelt de minister een door hem te bepalen redelijke termijn.

  • 4. Indien het opgaveformulierniet tijdig, juist en volledig is ingevuld, dan kan de minister besluiten tot één of meer van de volgende maatregelen:

    • a. het stopzetten van het uitbetalen van voorschotten;

    • b. het terugvorderen van reeds uitbetaalde voorschotten;

    • c. het intrekken van de SDE-subsidie.

§ 3 Cumulatietoets in het kader van de SDE-subsidieverlening

Artikel 4

  • 1. Indien uit het opgaveformulier van de producent blijkt dat hij naast SDE-subsidie steun op grond van andere steunmaatregelen geniet, heeft genoten of zal genieten voert de minister een cumulatietoets uit.

  • 2. In afwijking van het eerste lid voert de minister de cumulatietoets niet uit indien aan de producent SDE-subsidie is verleend en:

    • a. uit het opgaveformulier van de producent blijkt dat hij naast SDE-subsidie uitsluitend steun op grond van een of meerdere van de volgende steunmaatregelen geniet:

      • 1°. De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001;

      • 2°. Regeling groenprojecten 2005, of

    • b. aan de producent subsidie is verleend voor een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaïsche zonnepanelen met een vermogen kleiner of gelijk aan 7,5 kWp.

  • 3. In afwijking van het tweede en derde lid voert de minister altijd een cumulatietoets uit, indien een aanvraag voor SDE-subsidie op grond van punt 5.1. van het milieusteunkader voor een nadere beoordeling moet worden aangemeld bij de Europese Commissie.

Artikel 5

De cumulatietoets wordt uitgevoerd aan de hand van de in paragraaf 5 opgenomen rekenregels.

Artikel 6

De minister verlaagt de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 indien uit de cumulatietoets blijkt dat er sprake is van € 10.000 of meer overstimulering en past de beschikking tot subsidieverlening hierop overeenkomstig aan.

Artikel 7

  • 1. De producent meldt iedere wijziging van de steun die hij ontvangt of zal ontvangen, met uitzondering van de SDE-subsidie, aan de minister.

  • 2. De minister bepaalt aan de hand van de gewijzigde gegevens en het bepaalde artikel 4, tweede en derde lid, of er alsnog of opnieuw een cumulatietoets dient te worden uitgevoerd en – indien van toepassing – voert de cumulatietoets uit met de gewijzigde gegevens en stelt de producent op de hoogte van de uitkomst van de cumulatietoets.

  • 3. De minister verlaagt of verhoogt de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 indien uit de cumulatietoets blijkt dat er in vergelijking met de op dat moment geldende maximale subsidiabele productie sprake is van € 10.000 meer of minder overstimulering en past de beschikking tot subsidieverlening daarop aan met dien verstande dat de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 niet meer bedraagt dan de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 die in de oorspronkelijke beschikking tot subsidieverlening is opgenomen.

Artikel 8

Indien op grond van artikel 6 of 7 de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 is verlaagd kan de producent op grond van gewijzigde omstandigheden tot drie maanden voor het verstrijken van de subsidieperiode, verzoeken om een nieuwe cumulatietoets.

§ 4 Cumulatietoets in het kader van de SDE-subsidievaststelling

Artikel 9

  • 1. De minister gaat bij het nemen van een besluit tot vaststelling van de SDE-subsidie na of na de laatste cumulatietoets wijzigingen met betrekking tot de steun op grond van andere steunmaatregelen hebben plaatsgevonden die de producent niet heeft gemeld.

  • 2. Indien er geen ongemelde wijzigingen hebben plaatsgevonden gebruikt de minister de uitkomst van de laatst uitgevoerde cumulatietoets bij de vaststelling van de SDE-subsidie.

  • 3. Indien er ongemelde wijzigingen hebben plaatsgevonden voert de minister een cumulatietoets uit en gebruikt de minister de uitkomst van deze cumulatietoets bij de vaststelling van de SDE-subsidie.

§ 5 Uitvoering cumulatietoets

Artikel 10

Bij de berekening van de waarde van SDE-subsidie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • a. Indien het afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de werkelijke productie in MWh of Nm3 die per jaar voor subsidie in aanmerking komt per jaar vermenigvuldigd met het basisbedrag minus de voor de betreffende kalenderjaren vastgestelde correcties.

  • b. Indien het nog niet afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de maximale productie in MWh of Nm3 die voor subsidie in aanmerking komt vermenigvuldigd met het basisbedrag minus de basiselektriciteitsprijs of de basisgasprijs.

Artikel 11

  • 1. Onder de maatregelen voor investeringssteun wordt in elk geval verstaan:

    • a. de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001;

    • b. de Regeling groenprojecten 2005;

    • c. het Besluit subsidies CO2-reductieplan;

    • d. het Subsidieprogramma Reductie Overige Broeikasgassen op grond van artikel 2.1.1 van de Subsidieregeling milieugerichte technologie;

    • e. het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten;

    • f. het Subsidieprogramma Innovatieve Biobrandstoffen;

    • g. de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    • h. de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001;

    • i. de Regeling groenprojecten 2010;

    • j. regionale of Europese subsidies.

  • 2. Bij de berekening van de waarde van de investeringssteun worden de volgende rekenregels gehanteerd:

    • a. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen op grond van artikel 3.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt

      • 1°. in geval van maximaal 12 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,917*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 12 (0,083*Z*X)

      • 2°. in geval van maximaal 15 jarige subsidieperiode NCW Y,1 (0,933*Z*X) - ∑NCW Y,2 tm 15 (0,067*Z*X) waarbij:

        NCW Y,1= de disconteringsfactor bij

        disconteringspercentage Y in jaar 1;

        NCW Y,2 tm 12 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 12;

        NCW Y,2 tm 15 = de som van de disconteringsfactoren bij disconteringspercentage Y in de jaren 2 tot en met 15;

        Z = het meldingsbedrag VAMIL dat in aanmerking komt voor aftrek;

        Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;

        X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;

    • b. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel krachtens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 bedraagt NCW Y,1 (X*W*V), waarbij: disconteringspercentage Y in jaar 1;

      Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;

      X = het maximale belastingpercentage Inkomstenbelasting of Vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de Inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;

      W = het meldingsbedrag EIA dat in aanmerking komt voor aftrek;

      V = het EIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de investering in het kader van de EIA;

    • c. de netto contante waarde van het genoten en nog te genieten voordeel van de milieu-investeringsaftrek op grond van artikel 3.42a van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt NCW Y,1 (X * U * T), waarbij: NCW Y,1 = de disconteringsfactor bij disconteringspercentage Y in jaar 1;

      Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;

      X = het maximale belastingpercentage inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting dat van toepassing is in het jaar na het jaar van ingebruikname van de productie-installatie, waarbij in 2009 voor de inkomstenbelasting wordt uitgegaan van 52% en voor de vennootschapsbelasting van 25,5%;

      U = het meldingsbedrag MIA dat in aanmerking komt voor aftrek;

      T = het MIA aftrekpercentage dat van toepassing is op het moment van melding van de soort investering in het kader van de MIA;

    • d. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit een financiering op grond van de Regeling groenprojecten wordt forfaitair vastgesteld op de netto contante waarde per datum aanvang project van 1% van het jaarlijkse leningsbedrag waarbij wordt uitgegaan van een over een periode van 10 jaar lineair aflopend leningsbedrag;

    • e. de waarde van het genoten en nog te genieten voordeel uit overige investeringssteunmaatregelen bedraagt de netto contante waarde per datum aanvang project van de op grond van die maatregelen daadwerkelijk ontvangen of verrekende bedragen.

  • 3. De minister kan bij de berekening van de cumulatietoets afwijkende waarden hanteren, indien:

    • a. de subsidieaanvrager deze waarden kan aantonen door middel van een accountantsverklaring. Uitgangspunt daarbij is dat de fiscale voordelen worden toegerekend aan het jaar waarin ze in de belastingaangifte zijn geclaimd;

    • b. er sprake is van een aantoonbare langere bouwtijd dan 1 jaar. In dat geval kunnen de uitkomsten van de rekenregels van het tweede lid, onder a tot en met c, vermenigvuldigd worden met de factor 1 / (1 + Y) (S – 12)/24, waarbij:

      Y = het disconteringspercentage bedoeld in artikel 13;

      S = de bouwtijd in maanden. Hieronder wordt verstaan de tijd tussen de start van de bouw van de installatie de datum ingebruikname van de installatie.

  • 4. De netto contante waarde van de financieringslasten verbonden aan de investering (rentevergoeding over vreemd vermogen en een billijke kapitaalvergoeding over het geïnvesteerde eigen vermogen) wordt berekend bij een gemiddeld rendement van het geïnvesteerde vermogen van 8% uitgaande van een geïnvesteerd vermogen in de installatie dat lineair afloopt over de periode waarover SDE-subsidie wordt verleend.

  • 5. De minister kan een afwijkende waarde voor het gemiddelde rendement van het geïnvesteerde vermogen hanteren indien de producent schriftelijk aantoont dat bij de start van de financiering voor hem een andere verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen van toepassing is, waarbij als grenswaarden gelden maximaal 15% als vergoeding voor inbreng van eigen vermogen en maximaal 6% voor inbreng van het vreemd vermogen.

  • 6. De netto investeringskosten zijn gelijk aan de investeringskosten na aftrek van de investeringssteun.

Artikel 12

  • 1. Met betrekking tot de exploitatielasten en -baten gelden met uitzondering van de categorieën elektriciteit uit biomassa en afvalverbranding en van hernieuwbaar gas de volgende uitgangspunten en rekenregels:

    • a. voor de exploitatiekosten worden de exploitatiekosten gebruikt zoals vermeld in het ‘ECN-model onrendabele topberekening’ behorende bij de basisprijs die van toepassing is op de producent.

    • b. wanneer een producent aangeeft dat de exploitatiekosten van zijn productie-installatie hoger zijn dan in het ‘ECN-model onrendabele topberekening’ kan extra steunruimte ontstaan. De producent dient de afwijkende exploitatiekosten te onderbouwen. Indien de exploitatiekosten hoger zijn dan de verkoopinkomsten uit energie wordt getoetst aan artikel 109, lid A, van het milieusteunkader;

  • 2. Met betrekking tot de exploitatielasten en -baten voor de categorieën elektriciteit uit biomassa en afvalverbranding en van hernieuwbaar gas gaat het opgaveformulier vergezeld van een exploitatieoverzicht van de verwachte exploitatielasten- en baten over de subsidieperiode en gelden de volgende uitgangspunten:

    • a. de variabele kosten bestaan uit kosten voor inkoop en aanvoer van biomassa, kosten voor afvoer van reststoffen, onderhoudskosten, verzekeringskosten, garantiekosten, administratiekosten en arbeidskosten voor operationeel beheer;

    • b. de vaste kosten bestaan uit netaansluitingskosten, grondkosten en onroerend zaakbelasting;

    • c. de variabele exploitatiebaten bestaan uit verkoop van warmte aan derden, poortgelden, verkoop van restproducten en vermeden aardgaskosten.

  • 3. Bij de berekening van de waarde van de verkoopinkomsten van energie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

    • a. indien het afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de werkelijke productie in MWh of Nm3 per jaar vermenigvuldigd met de op grond van het besluit de voor de betreffende kalenderjaren vastgestelde elektriciteitsprijs en gasprijs.

    • b. indien het nog niet afgesloten productiejaren betreft: de netto contante waarde per datum aanvang project van de verwachte productie in MWh of Nm3 vermenigvuldigd met de basiselektriciteitsprijs of de basisgasprijs;

    • c. wanneer de producent met facturen aantoont dat zijn verkoopinkomsten afwijken van de vastgestelde energieprijzen, wordt met de door de producent opgegeven prijzen gerekend.

Artikel 13

De minister gebruikt voor de berekening van de netto contante waarde van de SDE-subsidie, de investeringssteun, de investeringskosten, de exploitatielasten, de exploitatiebaten en exploitatiesteun het discontopercentage dat op het moment van de subsidieaanvraag geldt en dat door de Europese Commissie wordt gepubliceerd op de website van de Europese Commissie1.

Artikel 14

  • 1. Er is sprake van overstimulering indien [Netto investering + Return on Capital + Exploitatiesaldo] < [SDE subsidie + andere exploitatiesubsidies + verkoopinkomsten energie] en indien

    [Netto investering + Return on Capital] < [SDE subsidie + andere exploitatiesubsidies].

§ 5 Slotbepalingen

Artikel 15

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst.

  • 2. Indien een producent de productie-installatie voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels in gebruik heeft genomen, stuurt de minister de producent binnen een jaar na de inwerkingtreding een opgaveformulier aan deze producent.

Artikel 16

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels cumulatietoets steun in het kader van het Besluit stimulering duurzame energieproductie.

Deze beleidsregels zullen met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst,

Den Haag, 29 november 2011

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.

OPGAVEFORMULIER MSK TOETS EN INVESTERINGSKOSTEN

(opgaveformulier behorend bij de Beleidsregels cumulatietoets in het kader van het Besluit stimulering

Deel I

Projectgegevens:

Projectnummer::

Aanvragernaam:

Type installatie:

«CATEGORIE»

Technologie:

«TECHNOLOGIE»

Energiebron:

«ENERGIEBRON»

Nominaal vermogen:

«NOM_OPG_VERMOGEN» «VERMOGENSEENHEID»

Gerealiseerde datum ingebruikname:

«GEREALISEERDE DATUM INGEBRUIKNAME»

Startdatum subsidie:

«GEREAL_STARTDATUM_SUBS»

Einddatum subsidie:

«EINDDATUM_SUBS»

Totaal gecommitteerd bedrag:

«DOSSIER_TOTAAL_GECOMMITTEERD»

Deel II (Zelf invullen)

Financieringsgegevens:

  • A Investeringskosten: € ......

    Indien het verleende SDE-subsidiebedrag hoger is dan € 125.000 dan dient u een specificatie van de investeringskosten voorzien van een accountantsverklaring bij te voegen. Het model accountantsverklaring + controleprotocol is als bijlage aan dit formulier toegevoegd.

  • B Welk deel van de financiering wordt uit eigen vermogen gedaan?: .................. %

    Toelichting:

     
     
     

    Maakt u gebruik van een leaseconstructie?: ...... Ja / Nee

    Zo ja, geef een beschrijving van de aard van deze constructie:

     
     
     
     

Deel III (Zelf invullen)

Subsidiegegevens:

Geniet u naast de SDE-subsidie voor deze installatie ook nog steun op grond van een van onderstaande of overige steunmaatregelen, of heeft u die reeds genoten dan wel zult u die nog genieten.

Regeling

     

Meldings-/Subsidiebedrag

         

EIA

 

Ja / Nee

 

€ ......

EIA meldingsnummer(s)

 

......

   

 

       

MIA/ VAMIL

 

Ja / Nee

 

€ ......

MIA/ VAMIL meldingsnummer

 

......

   
         

TWA (regeling tijdelijke willekeurige afschrijving)

 

Ja / Nee

   
         

Groenfinanciering

 

Ja / Nee

 

€ ......

 

       

DEN, ROB, EOS, UKR of andere subsidies

 

Ja / Nee

 

€ ......

 Projectnummer DEN,ROB, EOS en/of UKR

       
         

Overige, EU, provinciale, gemeentelijke subsidies .........

 

Ja / Nee

 

€ ......

Naam en projectnummer subsidieregeling(en)

       

Deel IV

Exploitatiegegevens

  • A Is u aan u SDE-subsidie verleend in de categorie elektriciteit uit biomassa of afvalverbranding of hernieuwbaar gas?

    Ja / Nee

    Indien ja, dan dient u een overzicht van de exploitatiegegevens als bijlage te verstrekken. U kunt daarbij eventueel gebruikmaken van het ‘model exploitatieoverzicht’. Deze is te vinden op de website www.agentschapnl.nl/sde

    Indien nee, ga dan verder met vraag B

  • B Voor de exploitatiekosten worden de exploitatiekosten gebruikt zoals vermeld in het ‘ECN-model onrendabele topberekening’ behorende bij de basisprijs die van toepassing is voor de producent. Wilt u op grond van artikel 12 lid B van de Beleidsregels afwijken van de forfaitaire waarden uit de onrendabele topberekening van ECN(Link toevoegen)?

    Ja / Nee

    Indien ja, dan dient u deze afwijkingen in de exploitatiekosten te onderbouwen.

Deel V

Ondertekening:

Aldus naar waarheid ingevuld

Naam ondertekenaar ........

Plaats ........

Datum ........

Handtekening ........

TOELICHTING

I Algemeen

Om de productie van duurzame energie te stimuleren, kunnen producenten van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbaar gas subsidie aanvragen op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Besluit SDE). Het Besluit SDE sluit niet uit dat een producent, naast SDE, andere subsidie kan ontvangen. In artikel 4 van het Besluit SDE is bepaald dat de voordelen die een subsidie-ontvanger ontvangt of geniet uit steunmaatregelen (dit kunnen subsidies zijn, maar ook fiscale voordelen) voor zijn productie-installatie in mindering kunnen worden gebracht op de SDE-subsidie. Deze correctie op de subsidie is noodzakelijk omdat de Europese Commissie regels heeft opgesteld waarin aan de te ontvangen steun maxima zijn verbonden. De regels zijn opgenomen in de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming, PbEU 2008/C 82/01 (verder: milieusteunkader). In dit verband wordt nog opgemerkt dat ingevolge artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen, de algemene bevoegdheid heeft om de subsidie te weigeren, lager vast te stellen dan overeenkomstig de subsidieverlening of een subsidieverlening dan wel subsidievaststelling in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen.

Om te berekenen of het noodzakelijk is de voordelen uit andere steunmaatregelen in mindering te brengen op de SDE-subsidie, voert de minister een berekening uit die cumulatietoets wordt genoemd. Deze beleidsregels geven aan hoe de cumulatietoets wordt uitgevoerd en hoe de resultaten worden verwerkt. De berekening die moet uitwijzen of er sprake is van overstimulering is relatief complex en de uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de gehanteerde uitgangspunten en invoerwaarden. Om ten aanzien van alle productie-installaties gelijke uitgangspunten en berekeningsmethodiek te hanteren, schrijven deze beleidsregels de rekenregels voor die moeten worden gevolgd bij het uitvoeren van de cumulatietoets. Voor productie-installaties die worden onderworpen aan de cumulatietoets wordt de maximale toegestane steun vastgesteld.

II Artikelsgewijs

Artikel 1

Dit artikel geeft een aantal definities van begrippen zoals deze gehanteerd worden in de onderhavige beleidsregels. Eén daarvan is het begrip particulier. Onder particulier wordt verstaan een privépersoon die geen economische activiteit(en) uitoefent met het exploiteren van de productie-installatie waarvoor aan hem SDE-subsidie is verleend. Hiervan is sprake als de opgewekte energie uitsluitend wordt aangewend voor eigen verbruik als privépersoon, de teruglevering aan het net wordt gesaldeerd met zijn verbruik of indien de leverancier een op grond van artikel 95c, derde lid, een redelijke vergoeding voor de teruglevering aan de particulier betaalt.

Artikel 2 en 3

In deze artikelen is omschreven dat de minister ten behoeve van de verplichte cumulatietoets een opgaveformulier heeft opgesteld. Dit opgaveformulier is opgesteld om de schriftelijke opgave te standaardiseren zodat voor iedere productie-installatie over dezelfde gegevens wordt beschikt. Dit opgaveformulier is als bijlage bij de regeling in de Staatscourant gepubliceerd. De producent kan desgewenst zelf de rekenmodule downloaden, invullen en opsturen naar de minister.2 De minister stuurt het opgaveformulier aan de producent die binnen acht weken dit formulier ingevuld aan Agentschap NL, Postbus 10073, 8000 GB Zwolle, dient te retourneren. De producent kan eenmalig verzoeken deze termijn te verlengen. Het milieusteunkader is niet van toepassing op particulieren; om die reden ontvangen particulieren geen opgaveformulier. Een producent kan meerdere productie-installaties in stand houden. Indien dat het geval is, ontvangt hij per productie-installatie waarvoor SDE-subsidie is verleend, een opgaveformulier.

Artikel 4

Artikel 4 geeft aan wanneer wel en wanneer niet een cumulatietoets wordt uitgevoerd voor een productie-installatie waarmee duurzame energie wordt opgewekt. Er wordt geen cumulatietoets uitgevoerd indien de producent SDE-subsidie ontvangt en daarnaast uitsluitend EIA (Uitvoeringsregeling energie-investerings 2001) en/of steun op grond van de Regeling groenprojecten 2005. De reden hiervoor is dat bij het bepalen van de hoogte van de basisbedragen en maximum tenderbedragen reeds rekening is gehouden met de ontvangst van steun op grond van deze twee regelingen. Indien bij de cumulatietoets de steun die wordt genoten op grond van deze twee regelingen mee te tellen, wordt deze steun twee keer meegeteld. Hierop wordt een uitzondering gemaakt. Indien de verlening van de SDE-subsidie op grond van het milieusteunkader voor een nadere beoordeling moet worden aangemeld bij de Europese Commissie (projecten met een omvang van meer dan125 MWe opgesteld vermogen), wordt altijd een cumulatietoets uitgevoerd.

Tevens wordt geen cumulatietoets uitgevoerd indien de productie-installatie van de producent een installatie betreft voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht met behulp van fotovoltaische zonnepanelen waarvan het vermogen kleiner of gelijk is aan 7,5 kWp. Dit type zonnepanelen wordt meestal toegepast door particulieren, die reeds uitgesloten zijn van de cumulatietoets. Het basisbedrag dat voor deze kleine installaties is vastgesteld, is gebaseerd op een aansluiting van maximaal 3x80 A, waarop het regime van salderen en de terugleververgoeding van de Elektriciteitswet 1998 van toepassing is.

Artikel 5

De minister is belast met de uitvoering van de SDE-subsidie en daarmee ook met het uitvoeren van de cumulatietoets. De berekening ten behoeve van de cumulatietoets wordt uitgevoerd aan de hand van de in paragraaf 5 van deze beleidsregels opgenomen rekenregels.

Artikel 6

Wanneer sprake is van overstimulering zal de minister de subsidiabele productie in MWh of Nm3 overeenkomstig verlagen. De wijze van berekening van het bedrag van overstimulering is opgenomen in paragraaf 5 van deze beleidsregels.

Om redenen van administratieve lastenbeperking, voorkoming van correcties van gering belang en efficiënte uitvoering van deze beleidsregels, is een drempelwaarde bepaald van € 10.000 voor het wijzigen van de beschikking tot subsidieverlening. Indien de overstimulering minder dan € 10.000 bedraagt zal de minister de beschikking tot subsidieverlening niet wijzigen.

Indien de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 reeds is verlaagd als gevolg van een cumulatietoets en de uitkomst van de nieuwe cumulatietoets is dat er meer of minder sprake is van overstimulering dan zal de minister de maximale subsidiabele productie in MWh of Nm3 respectievelijk verlagen of ophogen.

Artikel 7

De cumulatietoets bepaalt de steunruimte en de eventuele overstimulering als gevolg van een cumulatie van steun. Indien sprake is van een wijziging in de financiële situatie van de productie-installatie, is in beginsel altijd een nieuwe cumulatietoets nodig. De uitkomsten van de cumulatietoets zijn namelijk afhankelijk van het geheel van investerings- en exploitatiekosten en -opbrengsten en de steun die wordt genoten op grond van meerdere steunmaatregelen. Om deze reden moet de producent wijzigingen in de steunsituatie verplicht doorgeven aan de minister.

In de cumulatietoets zal worden uitgegaan van de werkelijke investeringskosten. De werkelijke investeringskosten dienen vergezeld te gaan van een accountantsverklaring indien het verleende subsidiebedrag hoger is dan € 125.000.

Veranderingen in de exploitatie van de productie-installatie ten opzichte van de begroting, behoudens eventuele later verstrekte specifieke aanvullende subsidies, worden buiten beschouwing gelaten, omdat hiermee normaliter bij verlening en vaststelling van investeringssubsidies evenmin rekening wordt gehouden.

Een wijziging van de steunsituatie leidt tot een (nieuwe) cumulatietoets die op zijn beurt kan leiden tot een herziening van de SDE-subsidieverlening. De wijziging kan zowel investeringssteun als exploitatiesteun betreffen die in enig stadium wordt ontvangen.

Artikel 8

De producent kan een verzoek indienen tot een nieuwe cumulatietoets als er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De producent kan dit verzoek indienen tot uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van de periode waarover SDE-subsidie wordt verstrekt.

Artikel 9

Bij de vaststellingsprocedure van de SDE-subsidie zal de minister nagaan of er wijzigingen in de steunsituatie aan de orde zijn die niet eerder zijn verwerkt. Zo niet, dan kan de minister de SDE-subsidie conform de laatste subsidieverlenende beschikking vaststellen. Bij de eindafrekening kan blijken dat er nog subsidie tegoed is. Dit tegoed zal door de minister worden uitbetaald. Ook het tegendeel kan het geval zijn. In dat geval zal het teveel betaalde door de minister teruggevorderd worden.

Indien er wel ongemelde wijzigingen zijn, zullen die onderzocht worden en zal voorafgaand aan het besluit tot subsidievaststelling eerst een nieuwe cumulatietoets uitgevoerd worden.

Artikel 10 tot en met 14

In de artikelen 10 tot en met 14 worden de rekenregels van de cumulatietoets beschreven. Er wordt berekend of en in welke mate de opbrengsten uit de SDE-subsidie, overige exploitatiesubsidies en verkoopinkomsten energie groter zijn dan de netto investeringskosten plus een return on capital plus exploitatiesaldo, waarbij op grond van artikel 109, lid A, van het milieusteunkader ook nog geldt dat [Netto investering + Return on Capital] < [SDE subsidie + andere exploitatiesubsidies]. Deze laatste voorwaarde is niet van toepassing voor installaties die hernieuwbare energie opwekken met biomassa of afval, omdat op grond van artikel 109, lid C, van het milieusteunkader lidstaten exploitatiesteun voor het opwekken van hernieuwbare energie uit biomassa mogen aanvaarden die de investeringskosten overstijgt, wanneer de lidstaten kunnen aantonen dat de totale kosten van de ondernemingen na afschrijving van de installaties, nog steeds hoger liggen dan de marktprijs van de energie

Deze berekening is in zijn uitwerking complex met name doordat rekening moet worden gehouden met diverse investeringsconstructies, de opeenstapeling van subsidies en belastingvoordelen en een groot aantal aannames over toekomstige ontwikkelingen.

In artikel 11, eerste lid, is een aantal regelingen opgenoemd waarvoor producenten die duurzame energie opwekken in aanmerking kunnen komen. Deze opsomming is niet uitputtend. In het eerste lid zijn alleen regelingen van het rijk opgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat ook tijdelijke wijzingen van deze regelingen, zoals van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving 2001. Indien een producent echter steun ontvangt op grond van een regeling op Europese Unie, provinciaal of gemeentelijk niveau zullen die ook worden meegenomen in de cumulatietoets. Daarnaast kunnen er in de toekomst nieuwe regeling tot stand komen op grond waarvan een producent wellicht steun kan ontvangen.

Bij het vaststellen van de onrendabele top wordt uitgegaan van de exploitatiekosten van een referentie-installatie. Een producent kan significant afwijkende exploitatiekosten hebben die hem meer steunruimte geven. Indien dit het geval is dient de producent zijn afwijkende exploitatiekosten te onderbouwen. Dit kan hij doen door overzichten van zijn kosten mee te sturen of door een verklaring van een accountant mee te sturen.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.


X Noot
1

http://ec.europa.eu/comm/competition/state_aid/legislation/reference_rates.html

X Noot
2

http://www.Agentschap NL.nl/sde/msk