Beleidsbeslissing van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 27 november 2011 houdende een uitbreiding van de voorschotregeling voor oude bij het CJIB nog openstaande schadevergoedingsmaatregelen

Wettelijk kader

Artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt sinds 1 januari 2011:

Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij de maatregel bedoeld in het eerste lid is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze uitkering gedurende een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen tijd wordt beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven.

In het overgangsrecht van de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces is bepaald dat artikel 36f, zesde lid, Sr alleen geldt voor schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd bij rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden na de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2011.

Artikel 6, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven bepaalt:

In gevallen waarin het onderzoek naar de vraag of in de vergoeding van de schade niet op andere wijze kan worden voorzien, dan wel het invorderen van het bedrag van de schade, zou leiden tot ernstige vertraging in de behandeling van het verzoek, of tot van de benadeelde in redelijkheid niet te vergen kosten, kan niettemin bij de uitkering met die schade rekening worden gehouden.

Redengeving

Uit het voorgaande valt af te leiden dat voorzien is in de mogelijkheid om beleid te voeren ten aanzien van die slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven die vertraging ondervinden bij het innen van een schadevergoeding. In de gevallen waarin dat tot onredelijke vertraging leidt, kan het schadefonds bijspringen.

Artikel 36f, zesde lid, juncto artikel 1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit voorschot schadevergoedingsmaatregel (hierna: Uitvoeringsbesluit) bepaalt dat slachtoffers van bepaalde gewelds- en zedenmisdrijven die acht maanden nadat de rechterlijke uitspraak bij welke een schadevergoedingsmaatregel aan de veroordeelde is opgelegd en onherroepelijk geworden, nog geen of slechts ten dele een schadevergoeding van de veroordeelde hebben ontvangen, in aanmerking komen voor een uitkering van een voorschot van het ontbrekende bedrag door de staat. In het Uitvoeringsbesluit is opgenomen dat de uitkering van het voorschot wordt gedaan door het CJIB. Op grond van het Uitvoeringsbesluit zijn op 1 september 2011 de eerste uitkeringen gedaan aan slachtoffers en nabestaanden die het toegewezen bedrag nog niet of niet geheel hadden ontvangen. Dat is acht maanden na de inwerkingtreding van deze regeling.

Met het trekken van de grens van 1 januari 2011 ontstaat er ongelijkheid tussen de slachtoffers met een nog bij het CJIB openstaande schadevergoedingsmaatregel die wel voor een voorschot van het CJIB in aanmerking kunnen komen, en de slachtoffers met een nog bij het CJIB openstaande schadevergoedingsmaatregel die daarvoor niet in aanmerking komen.

Er is daarmee een grote maatschappelijke urgentie om aan deze groep slachtoffers eveneens bij voorschot het bedrag dat door de veroordeelde had moeten worden betaald, uit te keren. Om deze reden zie ik aanleiding om over te gaan tot het vastleggen van het onderhavige buitenwettelijk beleid.

Aan het in de wettelijke regeling gemaakte onderscheid ligt ten grondslag dat de kosten van invoering van deze regeling overzienbaar moesten zijn, omdat voor de dekking van deze bij amendement ingevoegde bepaling geen geld was gereserveerd. Daarom is volledige inwerkingtreding van deze bepaling ten behoeve van slachtoffers van alle misdrijven ook met vijf jaar uitgesteld.

Thans is mij gebleken dat inmiddels een beperkte extra budgettaire ruimte binnen de begroting is gevonden. Uit deze budgettaire ruimte kan een voorschot worden uitbetaald met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregelen die op 24 september 2011 bij het CJIB nog als openstaand staan geregistreerd, aan slachtoffers en nabestaanden van de misdrijven genoemd in artikel 1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit, waarbij is voldaan aan alle in artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht en in het Uitvoeringsbesluit genoemde criteria en die zijn opgelegd bij een rechterlijke uitspraak die vóór 1 januari 2011 onherroepelijk is geworden. Als peildatum wordt 24 september 2011 aangehouden, omdat op deze datum de onderhavige uitbreiding van de voorschotregeling is aangekondigd.

Van een openstaande schadevergoedingsmaatregel is sprake indien uit de registratie van het CJIB blijkt dat ten aanzien van een schadevergoedingsmaatregel een van de volgende situaties zich niet voordoet:

  • het totale bedrag is al voldaan,

  • de vordering is verjaard,

  • de veroordeelde heeft ter zake van deze schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie ondergaan,

  • de veroordeelde is overleden,

  • schuldsanering bij de veroordeelde waardoor de vordering is komen te vervallen, of

  • de veroordeelde en het slachtoffer zijn samen tot een onderlinge regeling gekomen.

Met de uitvoering van deze beslissing is het CJIB belast dat daartoe waar nodig overleg voert met het Schadefonds Geweldsmisdrijven ter afstemming en voorkoming van dubbele uitkeringen.

Voor de uitbreiding van de voorschotregeling als hiervoor weergegeven is een bedrag van € 10,4 mln. nodig.

Besluit:

Dat aan het CJIB een bedrag van maximaal € 10,4 mln. beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van het uitkeren van voorschotten op schadevergoedingsmaatregelen aan slachtoffers en nabestaanden die aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven.

Naar boven