Besluit van de Minister voor Immigratie en Asiel van 9 november 2011, nummer WBV 2011/14, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Minister voor Immigratie en Asiel,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C24/12 IranVreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

(12) Het asielbeleid ten aanzien van Iran

1 Achtergrond

Deze landenparagraaf bevat het landgebonden asielbeleid voor Iran. Het landgebonden asielbeleid is een uitwerking van het algemene beleid van C1 tot en met C23 en kan niet worden gezien als een uitzonderingsregeling. De algemene wet- en regelgeving blijft steeds de basis voor de individuele beoordeling van een asielaanvraag.

De beleidsconclusies in deze landenparagraaf zijn mede gebaseerd op het algemeen ambtsbericht van de Minister van BuZa over de situatie in Iran (zie de website van het Ministerie van BuZa).

2 Groepen van personen die verhoogde aandacht vragen
2.1 Activisten voor illegale politieke bewegingen

De Mujaheddin-e Khalq (MEK/MKO) of PMOI, de Koerdische Democratische Partij van Iran en de Komala zijn nog steeds actieve illegale politieke bewegingen die van buiten Iran worden gecoördineerd. Een relatief nieuwe gewapende Koerdische beweging is de PJAK (Party of Free Life of Kurdistan). Het enkele behoren tot een van deze groepen is geen reden om vervolging aan te nemen.

Bij aanvragen van activisten van genoemde of soortgelijke illegale politieke bewegingen dient grondig aandacht te worden gegeven aan mogelijke misdrijven als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag, aangezien deze groeperingen in verband worden gebracht met gebruik van geweld, waaronder aanslagen.

Activisten voor deze verboden bewegingen die aannemelijk maken dat zij een gegronde vrees voor vervolging door de Iraanse autoriteiten hebben (en van wie niet aannemelijk is dat zij misdrijven hebben begaan als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag), kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

2.2 Christenen

Het christendom wordt in de grondwet als minderheidsreligie erkend. Discriminatie op religieuze gronden komt echter voor. Voor erkende religieuze minderheden (zoals christenen) is het uiterst moeilijk in geval van discriminatie op religieuze gronden een beroep te doen op de overheid.

Uit het ambtsbericht blijkt dat de overheid geen direct verband legt tussen geloofsovertuiging en vervolging maar dat zij wel een verband legt tussen evangelisering en vervolging. In vergelijking met ‘oude’ kerken staan de (over het algemeen actiever evangeliserende) ‘nieuwe’ kerken om deze reden in een grotere belangstelling van de autoriteiten. Bezoekers – en met name leiders – van deze ‘nieuwe’ kerken lopen daarom meer kans hinder van de autoriteiten te ondervinden.

Het enkele feit dat een persoon geboren christen is of tot het christendom is bekeerd, is niet voldoende om vervolging dan wel schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer aan te nemen.

Bij de individuele beoordeling van asielaanvragen wordt uitgegaan van de notie dat Iraanse christen asielzoekers behoren tot een groep die bijzondere aandacht vraagt. Door van dit gegeven uit te gaan, worden minder eisen gesteld ten aanzien van de aannemelijkheid van het individuele asielrelaas. Dit betekent dat wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, het aannemelijk wordt geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

In Nederland bekeerde christenen

Iraniërs die zich in het buitenland hebben bekeerd en vervolgens terugkeren naar Iran, komen aldaar in dezelfde positie te verkeren als andere personen die zich tot het christendom hebben bekeerd. Ten aanzien van Iraanse christenen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom is C2/2.6 van toepassing. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b Vw in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe, in Nederland aangenomen geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

2.3 Bahais

Het bahai-geloof wordt niet erkend in de Iraanse grondwet en wordt gezien als een sekte. Aanhangers van het bahai-geloof worden als geloofsafvalligen van de islam beschouwd. De onderdrukking van bahais uit zich vooral op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting, reizen en culturele activiteiten. Volgens het ambtsbericht is er sprake van voortgaande aanhouding en vervolging van bahais op basis van hun geloof door de Iraanse autoriteiten.

Van personen die in Iran het bahai-geloof aanhangen wordt niet verlangd dat zij dit verborgen houden. Wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn bahai-geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties aannemelijk kan maken, wordt aannemelijk geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

2.4 Soefi’s

Het soefisme is niet als zodanig bij wet verboden, maar wordt als heterodoxe uiting in Iran feitelijk niet getolereerd. Het soefisme wordt in de grondwet niet expliciet genoemd als een van de vormen van de islam die is toegestaan. Volgens het ambtsbericht blijft de positie van soefi’s in Iran onder druk staan. In de praktijk komt intimidatie, discriminatie en soms vervolging van soefi’s en soefi-instellingen voor.

Van personen die in Iran het soefi-geloof aanhangen wordt niet verlangd dat zij dit verborgen houden. Wanneer een vreemdeling in Iran vanwege zijn soefi-geloof problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten of van medeburgers en deze met geringe indicaties geloofwaardig kan maken, wordt aannemelijk geacht dat sprake is van negatieve aandacht bij terugkeer naar het land van herkomst. In dat geval komt hij, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, VW in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel.

2.5 Homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen

Uit het ambtsbericht blijkt dat homoseksualiteit in het openbare leven een taboe is. Homoseksuele mannen en vrouwen kunnen niet vrijelijk voor hun geaardheid uitkomen. Specifieke en recente gevallen van discriminatie van homoseksuelen door de autoriteiten en/of medeburgers zijn niet bekend.

Homoseksualiteit op zich is in Iran niet strafbaar. Homoseksuele personen worden niet onderworpen aan systematische vervolging door de autoriteiten. Voor zover bekend leidt een (toegeschreven) homoseksuele geaardheid van een persoon niet tot onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van een straf, die wordt opgelegd bij (strafrechtelijke) vervolging wegens een commuun delict.

Openlijke seksuele handelingen tussen mensen van hetzelfde geslacht zijn wel strafbaar en kunnen volgens de wet worden bestraft met de doodstraf. Strafrechtelijke vervolging en/of veroordeling enkel en alleen op grond van seksuele handelingen vindt plaats.

Transseksualiteit komt voor in Iran. Blijkens het ambtsbericht wordt het in Iran als een medische kwestie gezien. Het is in Iran mogelijk om van geslacht te veranderen. In het algemeen wordt pragmatisch met transseksualiteit omgegaan, hoewel het met name buiten de grote steden nauwelijks sociaal geaccepteerd is. Religieuze leiders zouden zich daarentegen tamelijk onbevooroordeeld opstellen jegens transseksuelen.

Homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun seksuele oriëntatie, respectievelijk transseksualiteit op een dusdanige wijze worden gediscrimineerd dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren (zie C2/2.5), of die daardoor een gegronde vrees hebben voor vervolging door de Iraanse autoriteiten, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel.

Ten aanzien van homoseksuelen, biseksuelen en transseksuelen geldt, dat zij met ingang van 18 oktober 2006 zijn aangewezen als specifieke groepen, die, behoudens contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/4.4).

3 Traumatabeleid

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C2/4.2, is van toepassing. Voor het overige zijn er met betrekking tot Iran geen bijzonderheden.

4 Categoriale bescherming

Asielzoekers uit Iran komen niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel (zie C2/5).

5 Verdere beleidsconclusies en aandachtspunten
5.1 Vlucht- en/of vestigingsalternatief

Het algemene beleid, zoals weergegeven in C4/2.2, is van toepassing.

5.2 Veilig land van herkomst

Iran wordt niet beschouwd als veilig land van herkomst.

5.3 Veilig derde land/land van eerder verblijf

Iran wordt niet beschouwd als veilig derde land.

5.4 Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Het beleid zoals neergelegd in C4/3.11.3 is van toepassing. Voor de procedure omtrent getuigen van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid wordt verwezen naar C11/3.1.

6 Opvangmogelijkheden Amv’s

Ten aanzien van Amv’s uit Iran kan niet op voorhand worden geconcludeerd dat adequate opvang aanwezig is. In het ambtsbericht staat immers dat de capaciteit van de organisatie die is belast met de opvang van alleenstaande minderjarigen in het algemeen, te klein is om in de opvang en behoeften van alle in Iran levende alleenstaande minderjarigen te voorzien. De aanwezigheid van adequate opvang dient dan ook per individueel geval te worden vastgesteld. Het algemene beleid is van toepassing. Bij de feitelijke terugkeer moet de toegang tot een concrete opvangplaats geregeld zijn, tenzij betrokkene zich zelfstandig kan handhaven.

7 Vertrekmoratorium

Ten aanzien van asielzoekers uit Iran geldt geen besluit in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 9 november 2011

De Minister voor Immigratie en Asiel,

voor deze:

de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken,

L. Mulder.

TOELICHTING

Algemeen

De Minister van Buitenlandse Zaken heeft in augustus 2011 een algemeen ambtsbericht over Iran uitgebracht. Het ambtsbericht beslaat de periode van oktober 2010 tot en met juli 2011.

Uit het ambtsbericht blijkt dat de overheid geen direct verband legt tussen geloofsovertuiging en vervolging, maar dat zij wel een verband legt tussen evangelisering en vervolging. In vergelijking met ‘oude’ kerken staan de (over het algemeen actiever evangeliserende) ‘nieuwe’ kerken om deze reden in een grotere belangstelling van de autoriteiten. Bezoekers – en met name leiders – van deze ‘nieuwe’ kerken lopen daarom meer kans hinder van de autoriteiten te ondervinden. Gelet op de inhoud van het ambtsbericht is besloten het beleid ten aanzien van (bekeerde) christenen te continueren.

Volgens het ambtsbericht blijft de positie van soefi’s in Iran onder druk staan. In de praktijk komt intimidatie, discriminatie en soms vervolging van soefi’s en soefi-instellingen voor. Deze informatie heeft aanleiding gegeven om soefi’s in het landenbeleid op te nemen als groep die verhoogde aandacht vraagt.

Het ambtsbericht heeft voorts geen aanleiding gegeven om het beleid ten aanzien van homoseksuelen uit Iran te wijzigen. Zij worden gelet op hun slechte positie in Iran nog immer aangewezen als specifieke groep, die, behoudens, contra-indicaties, op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel.

In het wijzigingsbesluit is onder paragraaf 2 (groepen van personen die verhoogde aandacht vragen), een aantal groepen verwijderd. Het gaat hierbij om de volgende groepen:

  • (on line) journalisten, schrijvers, kunstenaars, uitgevers, intellectuelen, internettechnici, mensenrechtenactivisten

  • vakbondsleden

  • nationalistisch religieuzen

  • etnische Arabieren of Ahwazi

  • Koerden

  • studenten

  • vrouwen

Nu aan de positie van deze groepen in Iran uitvoerig aandacht wordt besteed in het ambtsbericht en er geen specifiek asielbeleid geldt voor deze groepen, bestaat er geen aanleiding om deze groepen nogmaals apart onder de aandacht te brengen in het landgebonden asielbeleid voor Iran. De verwijdering van de genoemde groepen uit het wijzigingsbesluit betreft derhalve geen beleidswijziging.

De informatie in het huidige en vorige ambtsbericht laat niet meer toe de conclusie te trekken dat er ten aanzien van Iraanse alleenstaande minderjarigen op voorhand kan worden aangenomen dat in Iran sprake is van adequate opvang van overheidswege. Gebleken is immers dat de capaciteit van de organisatie die is belast met de opvang van alleenstaande minderjarigen in het algemeen, te klein is om in de opvang en behoeften van alle in Iran levende alleenstaande minderjarigen te voorzien. Gelet op deze gewijzigde informatie wordt niet meer op voorhand aangenomen dat de overheid in Iran adequate opvang biedt. De aanwezigheid van adequate opvang zal voortaan individueel worden beoordeeld.

Ten slotte zijn in dit wijzigingsbesluit enkele actualiseringen opgenomen.

De Minister voor Immigratie en Asiel,

voor deze:

de Directeur-generaal Vreemdelingenzaken,

L. Mulder.

Naar boven