Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Nederlandse Orde van AdvocatenStaatscourant 2011, 20846Besluiten van algemene strekking

Verordening vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur

Het College van Afgevaardigden;

Overwegende dat vakbekwaamheidseisen dienen te worden gesteld aan de advocaat bij de Hoge Raad, in eerste instantie aan de advocaat bij de Hoge Raad in civiele zaken;

Gelet op de artikelen 9j en 28 van de Advocatenwet;

Gelet op het voorstel met toelichting van de Algemene Raad;

Gelet op de adviezen van de Raad van Advies en van de Adviescommissie Regelgeving;

Stelt de navolgende verordening vast:

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. de advocaat:

de in Nederland ingeschreven advocaat die in het bezit is van een stageverklaring als bedoeld in artikel 10 van de Stageverordening 2005, alsmede de advocaat als bedoeld in artikel 16h van de Advocatenwet;

b. de advocaat bij de Hoge Raad:

de advocaat als bedoeld in artikel 9j, eerste lid, van de Advocatenwet die civiele cassatiezaken behandelt;

c. de Algemene Raad:

de Algemene Raad als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Advocatenwet;

d. de secretaris:

de secretaris als bedoeld in artikel 34 van de Advocatenwet;

e. het tableau:

het tableau als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Advocatenwet;

f. de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur:

de Commissie als bedoeld in artikel 9 van deze verordening;

g. de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur:

de Commissie als bedoeld in artikel 10 van deze verordening.

Artikel 2

  • 1. Op schriftelijk verzoek van de advocaat gaat de secretaris over tot diens voorlopige inschrijving, inschrijving of tot verlenging van de inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad.

  • 2. De voorlopige inschrijving, de inschrijving of de verlenging van de inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad bestaat uit een aantekening op het tableau met vermelding van de termijn waarvoor de voorlopige inschrijving, de inschrijving of de verlengde inschrijving van de advocaat bij de Hoge Raad geldt.

  • 3. Voorlopige inschrijving vindt pas plaats nadat de advocaat de verklaring omtrent het examen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, heeft overgelegd. De voorlopige inschrijving heeft een geldingsduur van drie jaar.

  • 4. De secretaris bericht de voorlopig ingeschreven advocaat ten hoogste zes en uiterlijk drie maanden voor het verlopen van de voorlopige inschrijving dat deze zal verlopen.

  • 5. Inschrijving vindt plaats nadat de advocaat uiterlijk een maand voor het verlopen van de voorlopige inschrijving de verklaring omtrent de proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en de verklaring omtrent de beoordeling als bedoeld in artikel 6, tweede lid, heeft overgelegd. De inschrijving heeft een geldingsduur van drie jaar.

  • 6. De secretaris bericht de ingeschreven advocaat ten hoogste zes en uiterlijk drie maanden voor het verlopen van de inschrijving dat deze zal verlopen.

  • 7. Verlenging van de inschrijving vindt pas plaats nadat de advocaat uiterlijk een maand voor het verlopen van de inschrijving de verklaring als bedoeld in artikel 6, tweede lid, heeft overgelegd. De inschrijving wordt voor de duur van drie jaar verlengd.

  • 8. Indien de advocaat niet tijdig het verzoek tot inschrijving of verlenging van de inschrijving doet, kan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur besluiten dat de advocaat de proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 5 opnieuw moet afleggen.

Artikel 3

Onverminderd het bepaalde in artikel 2 gaat de secretaris pas tot voorlopige inschrijving, inschrijving of verlenging van de inschrijving over nadat de advocaat eveneens een verklaring van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur heeft overgelegd, waaruit blijkt dat hij een op voorstel van die Commissie door de Algemene Raad vast te stellen aantal punten per jaar als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Verordening op de vakbekwaamheid heeft behaald door het volgen of geven van door die Commissie aangewezen opleidingen of cursussen dan wel door het publiceren van artikelen in voor de (cassatie)rechtspraktijk of rechtswetenschap relevante boeken of tijdschriften.

Artikel 4

  • 1. Het examen ten behoeve van de voorlopige inschrijving omvat toetsing door ten minste twee leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur van de kennis die nodig is voor de behoorlijke uitoefening van de civiele cassatiepraktijk. Het examen wordt mondeling afgenomen.

  • 2. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur geeft de advocaat die het examen met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan een verklaring af.

Artikel 5

  • 1. De proeve van bekwaamheid ten behoeve van de inschrijving bestaat uit toetsing door ten minste twee leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur van het vermogen zelfstandig naar behoren cassatieadviezen, cassatiemiddelen en cassatieverweren op te stellen. Bedoelde stukken worden opgesteld aan de hand van door die Commissie verschafte dossiers van ten minste twee cassatiezaken dan wel van een gelijk aantal door de advocaat aangebrachte en door die Commissie goedgekeurde cassatiedossiers. Van de proeve maakt een mondelinge nabespreking van de opgestelde stukken deel uit.

  • 2. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur geeft de advocaat die de proeve met goed gevolg heeft afgelegd, daarvan een verklaring af.

Artikel 6

  • 1. De advocaat die inschrijving of verlenging van de inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad verzoekt, dient gedurende de aan het verzoek voorafgaande periode van drie jaar zelfstandig ten minste twaalf civiele cassatiezaken te hebben behandeld, waarvan ten minste zes zaken tot een beoordeling door de Hoge Raad hebben geleid. Hierbij worden niet meegerekend zaken waarin het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk is verklaard.

  • 2. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur beoordeelt of aan de in het vorige lid gestelde eis is voldaan en geeft in het bevestigend geval de advocaat daarvan een verklaring af.

  • 3. De Algemene Raad kan, gehoord de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur, in bijzondere gevallen gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van het in het eerste lid vereiste aantal van twaalf respectievelijk zes cassatiezaken.

Artikel 7

De secretaris gaat over tot doorhaling van de voorlopige inschrijving, inschrijving of verlengde inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad:

  • a. op verzoek van de advocaat;

  • b. indien de geldigheidsduur van de voorlopige inschrijving, inschrijving, of de verlenging van de inschrijving is verstreken;

  • c. ter uitvoering van de onherroepelijk geworden beslissing als bedoeld in artikel 9k, eerste lid, van de Advocatenwet van de raad van discipline respectievelijk het hof van discipline tot doorhaling van de inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad.

Artikel 8

De Algemene Raad stelt, op voorstel van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en gehoord de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur, het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur vast. Hierin worden ten minste regels gesteld over:

  • a. de inrichting, omvang en leerstof van het examen, alsmede de inrichting, omvang, en voorwaarden van de proeve van bekwaamheid;

  • b. de tijden waarop het examen en de proeve van bekwaamheid kunnen worden afgelegd;

  • c. de mogelijkheid van het opnieuw afleggen van het examen en van de proeve van bekwaamheid;

  • d. de mogelijkheid van vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de in de artikelen 3 tot en met 5 gestelde eisen;

  • e. het in rekening te brengen bedrag voor

    • de verklaring als bedoeld in artikel 3

    • het afleggen van het examen, van de proeve van bekwaamheid

    • het verkrijgen van de verklaring nodig voor voorlopige inschrijving, inschrijving of verlenging van de inschrijving;

  • f. opleidingsverplichtingen voortvloeiend uit het bepaalde in artikel 3.

Artikel 9

  • 1. Er is een Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur.

  • 2. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur heeft tot taak:

    • a. het afnemen van het examen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, en van de proeve van bekwaamheid als bedoeld in artikel 5, eerste lid;

    • b. de beoordeling of voldaan is aan het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 6, eerste lid, en het op basis daarvan afgeven van de desbetreffende verklaringen;

    • c. het nemen van besluiten over verzoeken tot vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de in de artikelen 3 tot en met 5 gestelde eisen;

    • d. het doen van een voorstel voor het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur als bedoeld in artikel 8 van deze verordening;

    • e. het zo nodig organiseren of doen organiseren van onderwijs op het gebied van de civiele cassatiepraktijk;

    • f. al het nodige te doen ter uitvoering van deze verordening, waaronder begrepen het nemen van besluiten krachtens mandaat van de Algemene Raad, alsmede het adviseren van de Algemene Raad;

    • g. het verschaffen van alle gewenste inlichtingen aan de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur.

  • 3. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur bestaat uit ten minste vijf op het terrein van de civiele cassatie deskundige leden.

  • 4. De Algemene Raad benoemt, gehoord de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur, de voorzitter en leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur voor een periode van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming voor ten hoogste vier jaar is een maal mogelijk. De Algemene Raad voorziet in het secretariaat.

  • 5. De Algemene Raad draagt de door de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur gemaakte kosten. De leden ontvangen vacatiegeld op de voet van de Regeling vacatiegelden en reis- en verblijfkosten Nederlandse Orde van Advocaten.

  • 6. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur stelt een huishoudelijk reglement op, dat de goedkeuring van de Algemene Raad, gehoord het advies van de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur, behoeft.

  • 7. De leden en de secretaris van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur die niet tevens advocaat zijn, zijn tot geheimhouding gehouden ten aanzien van hun in die functie ter kennis gekomen gegevens die onder de geheimhoudingsplicht van de advocaat vallen.

  • 8. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur brengt jaarlijks een verslag van haar werkzaamheden uit aan de Algemene Raad, die dit ter kennis van het College van Afgevaardigden brengt. Het jaarverslag is openbaar en wordt op de website van de Nederlandse Orde van Advocaten gepubliceerd.

Artikel 10

  • 1. Er is een Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur.

  • 2. De Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur houdt toezicht op de wijze waarop de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur haar taken uitoefent en adviseert de Algemene Raad over een ingevolge artikel 11, eerste lid, ingediend bezwaar. De Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur rapporteert en, zo nodig, adviseert over haar toezichthoudende taak aan de Algemene Raad onder gelijktijdige toezending van haar rapportage of advies aan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur.

  • 3. De Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur bestaat uit ten minste drie en ten hoogste vijf leden, van wie de meerderheid bestaat uit leden die bij de civiele cassatiepraktijk zijn betrokken. De leden zijn niet tegelijkertijd lid van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur.

  • 4. De Algemene Raad benoemt de voorzitter en de leden voor een periode van ten hoogste vier jaar. Herbenoeming voor ten hoogste vier jaar is een maal mogelijk. De Algemene Raad voorziet in het secretariaat.

  • 5. Artikel 9, vijfde, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

  • 1. Ter zake van de beslissing van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur inhoudende dat de advocaat respectievelijk de advocaat bij de Hoge Raad het examen of de proeve van bekwaamheid niet met goed gevolg heeft afgelegd, of niet heeft voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 3 tot en met 6, eerste lid tot het verkrijgen van een verklaring als bedoeld in deze artikelen, alsmede tegen de beslissing tot weigering van een verzoek om vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de in de artikelen 3 tot en met 5 gestelde eisen, kan de advocaat respectievelijk de advocaat bij de Hoge Raad binnen zes weken een bezwaarschrift indienen bij de Algemene Raad.

  • 2. De Algemene Raad beslist op het bezwaar met inachtneming van het door de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur over het bezwaar uitgebrachte advies.

  • 3. Het bepaalde in de vorige leden is van overeenkomstige toepassing op de beslissing van de Algemene Raad, inhoudende de gehele of gedeeltelijke weigering van de vrijstelling als bedoeld in artikel 6, derde lid.

Artikel 12

De advocaat bij de Hoge Raad adviseert de cliënt zo tijdig mogelijk schriftelijk over:

  • a. de kansen van een principaal of incidenteel cassatieberoep dan wel -verweer,

  • b. de daaraan verbonden kosten en risico’s en

  • c. de opportuniteit van het cassatieberoep dan wel het cassatieverweer gelet op de na vernietiging en eventuele verwijzing of terugverwijzing te verwachten rechtsgang.

Artikel 13

  • 1. De advocaat die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening gedurende de daaraan voorafgaande periode van drie jaar zelfstandig ten minste twaalf civiele cassatiezaken heeft behandeld, waarvan ten minste zes zaken tot een beoordeling door de Hoge Raad hebben geleid, is vrijgesteld van het afleggen van het examen als bedoeld in artikel 4 en wordt op diens verzoek voorlopig ingeschreven als advocaat bij de Hoge Raad. Een voorlopige inschrijving op deze grond is twee jaar geldig.

  • 2. Artikel 6, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14

  • 1. Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur.

  • 2. Deze verordening treedt in werking op de dag van inwerkingtreding van artikel I van het wetsvoorstel 32 576 Wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (Wet versterking cassatierechtspraak).

  • 3. Evaluatie van de werking van deze verordening, mede met het oog op regels voor het optreden bij de Hoge Raad in strafzaken en belastingzaken, vindt plaats uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding.

TOELICHTING

I. Algemeen

Aanleiding en voorgeschiedenis

Deze verordening strekt tot uitvoering van artikel 9j, derde lid, van de Advocatenwet, zoals gewijzigd bij de Wet houdende wijziging van de Advocatenwet, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten ter versterking van de cassatierechtspraak (Wet versterking cassatierechtspraak). De wetgever draagt het College van Afgevaardigden op bij verordening regels te stellen over het verkrijgen, het behouden en het verliezen van de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad, in het bijzonder door het stellen van vakbekwaamheidseisen, alsmede over de aantekening op het tableau.

De Advocatenwet stelt niet langer de eis dat alleen advocaten die kantoor houden in het arrondissement Den Haag advocaat bij de Hoge Raad zijn (het oude artikel 12, tweede lid, Advocatenwet is vervallen). Het ‘Haagse monopolie’ op de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad in civiele zaken is hiermee opgeheven. Iedere in Nederland op het tableau ingeschreven advocaat, waar ook gevestigd, alsmede de EU-advocaat als bedoeld in artikel 16h Advocatenwet, kan zich kwalificeren als advocaat bij de Hoge Raad en dientengevolge in een civiele zaak cassatieberoep bij de Hoge Raad instellen dan wel weerspreken. De behandeling van deze zaken vergt echter wel specifieke deskundigheid. Dit rechtvaardigt dat aan advocaten die cassatieberoepen bij de Hoge Raad willen behandelen additionele vakbekwaamheidseisen worden gesteld, naast die welke voortvloeien uit de algemene inschrijving in het tableau en in het bijzonder uit de Verordening op de vakbekwaamheid.

Bij gebreke van een wettelijke grondslag is deze verordening niet van toepassing op andere binnen het Koninkrijk gevestigde advocaten. Daarbij valt met name te denken aan de zogenoemde BES-eilanden. Sinds 10 oktober 2010 zijn deze eilanden bestuurlijk gezien openbare lichamen in de zin van artikel 134 van de Nederlandse Grondwet, die als bijzondere gemeenten functioneren binnen het land Nederland.

Deze verordening heeft uitsluitend betrekking op de advocaat bij de Hoge Raad in civiele zaken. De verordening spreekt weliswaar telkens van ‘de advocaat bij de Hoge Raad’, maar deze is in artikel 1 gedefinieerd als de advocaat bij de Hoge Raad die civiele zaken behandelt.

Artikel 9j Advocatenwet ziet ook op vakbekwaamheidsregels die moeten worden gesteld voor het optreden bij de Hoge Raad in straf- en belastingzaken. Ingevolge artikel IV, tweede lid, van de Wet versterking cassatierechtspraak kunnen regels voor laatstgenoemde rechtsgebieden later worden opgesteld. De Nederlandse Orde van Advocaten en de wetgever zijn het erover eens dat de prioriteit bij de civiele cassatieadvocatuur ligt.

Artikel 14, derde lid, houdt een evaluatiebepaling in mede met het oog op het stellen van regels voor het optreden bij de Hoge Raad in strafzaken of belastingzaken. De citeertitel van deze verordening luidt Verordening vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. De Algemene Raad heeft overwogen het bijvoeglijk naamwoord ‘civiele’ achterwege te laten, nu in een later stadium ook kwaliteitseisen aan de straf- en fiscale cassatieadvocatuur zullen worden gesteld. Het is echter niet vanzelfsprekend dat deze uitbreiding bij wege van toegevoegde modules in deze verordening zal worden opgenomen. Denkbaar is of zijn een of meer aparte verordeningen. Vandaar toch het woord ‘civiele’ in de naam van deze verordening.

De Wet versterking cassatierechtspraak beoogt versterking van de cassatierechtspraak onder meer door eisen van vakbekwaamheid te stellen aan advocaten die bij de Hoge Raad optreden en door de introductie van de mogelijkheid tot niet-ontvankelijkheidverklaring van een cassatieberoep door de Hoge Raad aan het begin van de procedure. Deze wet is erop gericht de Hoge Raad in staat te stellen zich als cassatierechter te concentreren op zijn kerntaken. Een adequate uitvoering van deze kerntaken staat onder druk door het instellen van cassatieberoep in zaken die zich niet lenen voor een beoordeling in cassatie, en doordat sommige kwesties waarin een uitspraak van de Hoge Raad wenselijk is, de Hoge Raad niet of niet tijdig bereiken. Met het stellen van kwaliteitseisen aan advocaten wordt beoogd dat bij beroepen in cassatie kwalitatief deugdelijke schrifturen worden ingediend. De Hoge Raad kan zijn kerntaken immers pas dan optimaal vervullen als hem cassatiemiddelen worden voorgelegd die aan de eisen voldoen en vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming aan de orde stellen. Een kwalitatief goede cassatieadvocatuur draagt daarmee bij aan de versterking van de cassatierechtspraak.

Voor de behandeling van een zaak in cassatie gelden eigen regels die een bijzondere deskundigheid vergen van de bij de Hoge Raad optredende advocaat. Niet alleen zal de advocaat geverseerd moeten zijn in de cassatietechniek, hij zal ook moeten beschikken over diepgaande kennis van het materiële recht, het procesrecht, alsook over een ruime proceservaring.

De memorie van toelichting op de Wet versterking cassatierechtspraak gaat nader op de voorgeschiedenis in. Voor een goed inzicht in de achtergronden van de Wet versterking cassatierechtspraak en van deze verordening is kennisneming van de memorie van toelichting sterk aan te bevelen.

Uit bedoelde toelichting blijkt dat in het belang van de rechtsstaat zowel vanuit de positie van de rechterlijke macht als vanuit de advocatuur regels gesteld worden ter versterking van de cassatierechtspraak welke complementair aan elkaar zijn. De advocatuur heeft ten deze uitdrukkelijk een eigenstandige positie.

Toelating als advocaat bij de Hoge Raad

Deze verordening benoemt de eisen van vakbekwaamheid voor de advocaat bij de Hoge Raad. Naast de vakbekwaamheidseisen van de Verordening op de vakbekwaamheid moet de advocaat bij de Hoge Raad ook voldoen aan de vereisten van deze verordening. Daarmee wordt onderstreept dat het voeren van de cassatiepraktijk een specialisme is, waarvoor anders dan bij andere specialismen specifieke en aanvullende voorwaarden gelden. Deze verordening geeft hieraan uitvoering door ervarings- en studie-eisen en een algemene eis in artikel 12 te stellen. De nieuwe intreder moet bovendien een examen afleggen. Dit examen en de overige vakbekwaamheidseisen voor de advocaten die inschrijving of verlenging van de inschrijving verzoeken, moeten van hoog niveau zijn maar geen onredelijke belemmering voor nieuwe toetreders opwerpen. Een stage- of opleidingsplaats bij een bestaand cassatieadvocatenkantoor is dan ook niet vereist.

De verordening roept twee Commissies in het leven: de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur komt onder meer de taak toe te beoordelen of de advocaat aan de gestelde eisen voldoet. De Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur houdt toezicht op de werkzaamheden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en adviseert de Algemene Raad onder meer over ingediende bezwaren ingevolge artikel 11.

Artikel 10 bepaalt dat de meerderheid van de leden van de Commissie toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur bestaat uit leden (advocaten of niet) die bij de civiele cassatiepraktijk zijn betrokken. Hierdoor wordt de schijn vermeden dat alleen bij de cassatiepraktijk betrokken personen toezicht houden. De legitimatie van het toezicht door deze Commissie wordt aldus verhoogd.

Van belang is dat de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur beide een openbaar jaarverslag uitbrengen aan de Algemene Raad, die dit ter kennis van het College van Afgevaardigden brengt. Aldus wordt openbaar debat bevorderd over de vraag of deze verordening in voldoende mate haar doelstelling bereikt.

Te stellen eisen; routebeschrijving

De advocaat die civiele cassatiezaken wil gaan behandelen, moet om te beginnen ingevolge artikel 9j, eerste lid, Advocatenwet onvoorwaardelijk als advocaat zijn ingeschreven, dat wil zeggen zijn stageverklaring hebben behaald.

Artikel 9j, zesde lid, Advocatenwet geeft de Algemene Raad de bevoegdheid hiervan in uitzonderlijke gevallen vrijstelling te verlenen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een overstap van een raadsheer in de Hoge Raad of advocaat-generaal bij de Hoge Raad naar de civiele cassatieadvocatuur.

Vervolgens dient de advocaat de hierna beschreven ‘route’ te volgen om advocaat bij de Hoge Raad te worden en te blijven.

  • 1. De advocaat verzoekt de secretaris van de Algemene Raad om voorlopige inschrijving, die drie jaar duurt. Daarvoor moet hij het in artikel 4, eerste lid, bedoelde examen hebben behaald, wat blijkt uit een door de advocaat over te leggen verklaring van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. Het examen bestaat uit een toets van de theoretische kennis van de kandidaat op het gebied van de civiele cassatiepraktijk. De nadruk zal liggen op kennis van het burgerlijk procesrecht en van de cassatietechniek, maar kan ook materieelrechtelijke onderwerpen (idealiter uit de eigen praktijk van de advocaat) omvatten. De vereiste kennis zal vooral door het bestuderen van verplichte literatuur worden opgedaan en berust uiteraard mede op de ervaring die de kandidaat als advocaat heeft opgedaan. Het examen wordt mondeling afgelegd ten overstaan van ten minste twee leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. De Algemene Raad stelt ingevolge artikel 8 op voorstel van laatstgenoemde Commissie en gehoord de Commissie toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur, het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur vast. Daarin zal onder meer de leerstof worden vermeld. Voor zover de markt geen passende opleidingen op het gebied van de civiele cassatie aanbiedt, zal de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur bevorderen dat hierin wordt voorzien.

    Naast het afleggen van het examen moet de advocaat die voorlopige inschrijving verzoekt, evenals de advocaat die inschrijving of verlenging van de inschrijving verzoekt, een door de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur vast te stellen aantal punten – als onderdeel van het voor de permanente opleiding in artikel 3 van de Verordening op de vakbekwaamheid voorgeschreven aantal punten – behaald hebben door het volgen of het geven van eveneens door die Commissie aan te wijzen opleidingen of cursussen op het gebied van de civiele cassatie of aanverwante onderwerpen dan wel behaald met het publiceren van artikelen op genoemd gebied in voor de (cassatie)rechtspraktijk of rechtswetenschap relevante boeken of tijdschriften.

    Het gaat derhalve om een cumulatieve eis: zowel het met goed gevolg afleggen van het examen, als het behalen van het voorgeschreven aantal punten. Deze cumulatieve eis draagt bij aan het vereiste hoge peil van vakbekwaamheid van de advocaat bij de Hoge Raad. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur onderzoekt of de advocaat het vastgestelde aantal punten heeft behaald en geeft, indien het antwoord bevestigend luidt, daarvan een verklaring aan de advocaat af.

  • 2. De voorlopig ingeschreven advocaat bij de Hoge Raad is gerechtigd civiele cassatiezaken te behandelen. Hij zal die veelal behandelen onder ‘mentorschap’ van een ervaren cassatiecivilist, bij voorkeur een kantoorgenoot. Het komt in deze fase vooral aan op het opdoen van praktische ervaring en het zelfstandig opstellen van cassatieadviezen, cassatiemiddelen, en cassatieverweren. De voorlopig ingeschreven advocaat bij de Hoge Raad is niet aangewezen op een opleidingsplaats bij een bestaand cassatieadvocatenkantoor, al verdient dit verre de voorkeur. Indien dit niet het geval is, is een ‘mentoraat’ voor de beginnende cassatieadvocaat sterk aan te bevelen. Denkbaar is dat praktiserende of gewezen civiele cassatieadvocaten bereid zullen zijn als mentor of begeleider op te treden van niet-kantoorgenoten.

  • 3. Wenst de voorlopig ingeschreven advocaat inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad dan moet hij dat eveneens aan de secretaris van de Algemene Raad schriftelijk verzoeken. Deze schrijft in als de advocaat een verklaring van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur over legt, waaruit blijkt dat hij de in artikel 5, eerste lid, genoemde proeve van bekwaamheid met goed gevolg heeft afgelegd én aan de ‘vliegureneis’ van artikel 6, eerste lid, heeft voldaan, dat wil zeggen in de afgelopen drie jaar minstens twaalf cassatiezaken zelfstandig heeft behandeld waarvan ministens zes zaken tot een beoordeling door de Hoge Raad hebben geleid. Het aantal van twaalf is ontleend aan de aanbevelingen van de Commissie-Fleers. Daarnaast dient de advocaat die om inschrijving vraagt, een verklaring van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur over te leggen, waaruit blijkt dat hij het vastgestelde aantal punten heeft behaald (zie hiervoor onder 1). In zeer uitzonderlijke gevallen kan de Algemene Raad vrijstelling verlenen van de eis van twaalf respectievelijk zes zaken; zie nader de artikelsgewijze toelichting op artikel 6, derde lid.

Ook de inschrijving heeft een geldigheidsduur van drie jaar.

De proeve is een praktijktoets, te beoordelen door twee of meer leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. De proeve zal bestaan uit een schriftelijk onderdeel, bijvoorbeeld het thuis en/of op kantoor zelfstandig opstellen van een cassatieschriftuur of -advies, en een mondeling deel bestaande uit de bespreking van het schriftelijk werk. De kandidaat moet blijk geven in staat te zijn zelfstandig een cassatieadvies, cassatiemiddel of -verweer naar behoren op te stellen. Dit wordt getoetst aan de hand van twee dossiers. Deze dossiers worden of door de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur aan de advocaat ter hand gesteld of, hetgeen de voorkeur verdient, de Commissie gaat akkoord met door de advocaat zelf voorgestelde dossiers. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur kan, in het voornoemde door de Algemene Raad vast te stellen Reglement, nadere regels stellen. Het kan gaan om door de kandidaat zelf behandelde, maar ook om fictieve dossiers. Aandacht verdient de inachtneming van de geheimhoudingsplicht als het een reëel dossier betreft. Dit zal als regel moeten worden geanonimiseerd. Een andere mogelijkheid is dat de kandidaat toestemming van de desbetreffende cliënt vraagt en verkrijgt om diens cassatiedossier voor dit doel te gebruiken. Ter meerdere zekerheid bepaalt artikel 9, zesde lid, dat de leden en secretaris van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur voor zover dezen niet advocaat zijn, gebonden zijn aan dezelfde geheimhoudingsplicht als die welke voor advocaten geldt. Hetzelfde is ingevolge artikel 10, vijfde lid, van toepassing voor de leden- en secretaris-niet-advocaat van de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur.

Verlenging van de inschrijving – eveneens met een duur van drie jaar – kan telkens na drie jaar worden verzocht. Hiervoor is geen proeve van bekwaamheid nodig. Wel moet de verzoekende advocaat voldoen aan de door artikel 6, eerste lid, vereiste ervaring en aan de permanente opleidingseis van artikel 3. Hij dient zijn kennis en ervaring immers op het vereiste peil te houden zowel door civiele cassatiezaken te behandelen als door het volgen of geven van opleidingen of cursussen dan wel het publiceren van relevante artikelen op bedoeld rechtsgebied. De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur beoordeelt of aan beide eisen is voldaan en, zo ja, geeft daarvan aan de advocaat een verklaring af.

Samengevat:

  • voorlopige inschrijving na het behalen van het examen een na het behalen van het voorgeschreven aantal punten;

  • na drie jaar inschrijving na een positieve proeve van bekwaamheid én na het voldoen aan de ‘vliegureneis’ van artikel 6, eerste lid, en na het behalen van het voorgeschreven aantal punten;

  • telkens na drie jaar verlenging van de inschrijving na het voldoen aan de ‘vliegureneis’ en na het behalen van het voorgeschreven aantal punten.

Daarnaast is in artikel 12 de algemeen geldende regel verwoord betreffende de informatieverstrekking door de advocaat aan de cliënt aangaande kansen en kosten van een eventueel cassatieberoep.

Niet uitgesloten wordt geacht dat deze algemene informatieplicht jegens de cliënt nog nader zal worden uitgewerkt tot een Best Practice Guide waarin de chronologische beschrijving van de noodzakelijke werkzaamheden van een advocaat bij de Hoge Raad worden opgenomen.

Dekentoezicht

Onverminderd de taken van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur brengt de systematiek van de in de Advocatenwet geregelde tuchtrechtspraak met zich mee dat de Raad van Toezicht van het arrondissement waarbinnen de advocaat kantoor houdt, toezicht houdt op de naleving van – ook – deze verordening. Integraal toezicht dient de kwaliteit van de advocatuur. Klachten over de civiele cassatiepraktijk van een advocaat kunnen immers ook wijzen op gebreken in de overige praktijkvoering. Een samenloop van door de plaatselijk deken bij de tuchtrechter aangebrachte klachten kan van invloed zijn op de door de tuchtrechter op te leggen maatregel.

Dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om het toezicht te splitsen, blijkt ook uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel versterking cassatierechtspraak (nr. 32 576) waarin is opgenomen dat de advocaat ook voor zijn werkzaamheden als advocaat bij de Hoge Raad onder het toezicht valt van de Raad van Toezicht van het arrondissement waar hij kantoor houdt.

Bij klachten over een advocaat bij de Hoge Raad ligt het voor de hand dat de plaatselijk deken overleg pleegt met de deken in het arrondissement Den Haag. Bij deze deken en bij de Haagse Raad van Toezicht is immers veel kennis over de civiele cassatiepraktijk voorhanden. Traditioneel heeft de Haagse Raad van Toezicht formeel en informeel contact met de Hoge Raad. Dit kan ertoe leiden dat de Haagse deken in voorkomend geval met de deken in het arrondissement waarin de advocaat bij de Hoge Raad kantoor houdt, contact opneemt.

Financiële paragraaf

Een enigszins exacte schatting van de kosten van deze verordening is lastig te geven. Zeker in de begintijd zal de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur betrekkelijk zwaar belast zijn met verzoeken om (voorlopige) inschrijving. De Commissie zal in elk geval over een juridisch secretariaat moeten beschikken, waarin het bureau van de Orde zal voorzien. Deze secretaris zal in de begintijd, naar valt te verwachten, voor ongeveer 0,3 fte beschikbaar moeten zijn. De Commissie vakbekwaamheidseisen zal met een zekere frequentie moeten vergaderen. Inkomsten worden verkregen uit de bijdragen van de verzoekende advocaten zelf. Het is de bedoeling de inkomsten zoveel mogelijk kostendekkend te laten zijn.

Ingekomen adviezen

De Raad van Advies en de Adviescommissie regelgeving hebben over de conceptverordening en toelichting advies uitgebracht. De Algemene Raad heeft deze adviezen aan het College van Afgevaardigden overgelegd.

Het advies van de Adviescommissie Regelgeving is, voor zover betrekking hebbend op de verordening (een deel richt zich op het wetsvoorstel), vrijwel geheel overgenomen. Niet is overgenomen het advies over de samenstelling van de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur om in artikel 10, derde lid, achter de eerste zin toe te voegen: ‘,maar wel geacht wordt deskundig te zijn op het gebied van de civiele cassatieadvocatuur’. De Algemene Raad heeft dit punt juist willen openhouden. In zijn ogen behoeven de niet bij de civiele cassatiepraktijk betrokken leden van de Commissie niet deskundig op dat terrein te zijn. Het gaat om de ‘blik van buitenaf’.

De Raad van Advies meent weliswaar dat de verordening voorziet in het door de wetgever beoogde doel, maar doet de suggestie te bezien of de kwaliteitsborging van de cassatieadvocatuur niet bij een specialisatievereniging kan worden belegd, onder door de Algemene Raad te stellen voorwaarden en toezicht. Dit moet dan wel, aldus de Raad van Advies, een bijzondere specialisatievereniging zijn van een andere statuur dan de huidige. Er zal in deze visie ook sprake moeten zijn van verplicht lidmaatschap van die vereniging. De Algemene Raad onderschrijft op zichzelf de wens die kwaliteitsborging idealiter bij of zo dicht mogelijk bij de desbetreffende professionals te leggen. In zekere zin doet de verordening dit ook door de belangrijke rol die is toegekend aan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. De Algemene Raad heeft echter na ampele overweging gemeend dit voorstel niet over te nemen. Het lijkt niet te stroken met de bedoeling van de wetgever. De inschrijving op het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten met de aantekening advocaat bij de Hoge Raad is een verantwoordelijkheid die de wet bij de Algemene Raad heeft gelegd. Nu het hier een nieuw instituut betreft, namelijk een aparte aantekening op het tableau via een stelsel van kwaliteitsbevordering, dat bovendien binnen enkele jaren zal worden uitgebreid met andere rechtsgebieden, is het gewenst de lijnen met en de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de Algemene Raad kort respectievelijk glashelder te hebben. De Algemene Raad denkt voorts dat opvolging van het advies van de Raad van Advies de regelgeving er niet eenvoudiger op zal maken. Dit neemt niet weg dat de suggestie van de Raad van Advies verdient te worden onthouden. Specialisatieverenigingen zijn belangrijke vehikels bij de kwaliteitsbevordering. De verdere ontwikkeling van de bloemrijke tuin der specialisatieverenigingen zou op den duur de kant kunnen opgaan die de Raad van Advies voor ogen staat.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

Onder b wordt de advocaat bij de Hoge Raad gedefinieerd als de advocaat bij de Hoge Raad die civiele zaken behandelt. Hiertoe beperkt deze verordening zich immers vooralsnog.

In de verordening wordt verder gesproken van ‘advocaat bij de Hoge Raad’. Zie ook hoofdstuk I van deze toelichting onder aanleiding en voorgeschiedenis.

Artikel 2

De secretaris gaat op grond van de door de verzoekende advocaat overgelegde verklaring van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur over het examen, de proeve van bekwaamheid, de punteneis van artikel 3 en de ervaringseis van artikel 6, eerste lid, zonder nader onderzoek over tot voorlopige inschrijving, inschrijving of verlenging daarvan. Ingevolge artikel 9j, zevende lid, Advocatenwet staat tegen een weigering tot voorlopige inschrijving of (verlengde) inschrijving beroep open bij het hof van discipline.

De in de leden 4 en 6 vermelde berichten van de secretaris moeten worden beschouwd als serviceverlening aan de advocaat, opdat deze zich tijdig realiseert dat de (voorlopige) inschrijving of (verlengde) inschrijving verloopt. Het blijft vanzelfsprekend de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat tijdig het verzoek in te dienen.

Als de advocaat te laat is met het doen van een verzoek om inschrijving of verlenging van de inschrijving, kan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur ingevolge het achtste lid besluiten dat de advocaat opnieuw de proeve van bekwaamheid moet afleggen. Dit biedt de Commissie ruimte voor individuele beoordeling. Zo nodig kunnen hiervoor in het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur beleidsregels worden opgenomen.

Artikel 3

Elke advocaat is ingevolge de Verordening op de vakbekwaamheid verplicht zijn professionele kennis en kunde te onderhouden, onder meer door het jaarlijks behalen van punten met opleidingen betreffende het rechtsgebied waarop hij werkzaam is of wil zijn (zie ook artikel 2 Regeling vakbekwaamheid). Voor advocaten bij de Hoge Raad of voor hen die dit willen worden bepaalt artikel 3 dat zij een minimum aantal punten per jaar moeten behalen door het volgen of geven van opleidingen op het gebied van en van belang voor de civiele cassatiepraktijk dan wel door het publiceren van artikelen in voor de (cassatie)rechtspraktijk of rechtswetenschap relevante boeken of tijdschriften.

De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur is opgedragen het minimum aantal punten vast te stellen. Dit moet zich uiteraard bewegen binnen de grenzen van de Verordening op de vakbekwaamheid en de Regeling vakbekwaamheid. Voorts zal de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur de opleidingen of cursussen aanwijzen waaruit kan worden gekozen.

Deze eis geldt zowel voor de beginnende advocaat bij de Hoge Raad die zich voorlopig wil laten inschrijven als voor hen die zijn ingeschreven. Het gaat dus om permanente educatie.

Het ligt voor de hand dat de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur belast wordt met het onderzoek of de advocaat aan de punteneis heeft voldaan. Deze Commissie heeft immers zowel bij de voorlopige inschrijving (examen afnemen) als bij de inschrijving (proeve van bekwaamheid en ‘vlieguren’) en bij de verlenging van de inschrijving (‘vlieguren’) de taak vast te stellen of de advocaat aan die eisen heeft voldaan. Hierbij past ook de verificatie door die Commissie of aan de punteneis is voldaan. De Commissie verstrekt hiervan de advocaat een verklaring.

Artikel 4

Het aan de voorlopige inschrijving voorafgaande examen is gericht op het toetsen van kennis, zowel op het terrein van het materiële recht en het burgerlijk procesrecht als op het terrein van de cassatietechniek. Deze kennis zal in het bijzonder door literatuur- en jurisprudentiestudie moeten worden verworven. Het Reglement als bedoeld in artikel 8 zal dit preciseren. Het examen is in zoverre maatwerk, dat de toetsing van de kennis mede zal zijn gebaseerd op de specialisaties van de kandidaat.

Het examen wordt mondeling afgenomen door twee of meer leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. Bij goed gevolg geeft de Commissie aan de advocaat een verklaring daarvan af.

Artikel 5

De proeve van bekwaamheid is een praktijktoets aan de hand van ten minste twee cassatiedossiers om te toetsen of de kandidaat blijk heeft gegeven in staat te zijn zelfstandig naar behoren een cassatieadvies, cassatiemiddel (als bedoeld in artikel 407 c.q. artikel 426a Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering) en -verweer te formuleren. Het Reglement zal nadere regels bevatten over die dossiers en de wijze van toetsing. In beginsel moet hierin zoveel mogelijk vrijheid bestaan. Het kan gaan om fictieve dossiers of om echte dossiers die door de kandidaat zelf zijn behandeld, waarbij dat laatste de voorkeur heeft. In beide gevallen dient de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur akkoord te gaan met de door de advocaat voorgedragen zaken. Echte dossiers zullen in de regel moeten worden geanonimiseerd met het oog op de geheimhoudingsplicht. De advocaat dient de opdracht thuis of op kantoor zelfstandig uit te voeren zonder hulp van anderen. De leden van de Commissie die de proeve beoordelen, zullen de overtuiging moeten hebben dat de kandidaat zelfstandig de proeve heeft voorbereid. Hierbij staat het vertrouwen dat in een advocaat behoort te worden gesteld, voorop. In geval van ontdekking dat de advocaat heeft verzwegen (aanzienlijke) hulp van een of meer anderen te hebben gehad, ligt tuchtrechtelijk optreden tegen de kandidaat of de hulpverlener in de rede.

De proeve van bekwaamheid bestaat uit een schriftelijke voorbereiding en een mondelinge bespreking en beoordeling daarvan. Na een positieve proeve geeft de Commissie een verklaring daarvan aan de advocaat af.

Artikel 6

Voorafgaande aan de (verlengde) inschrijving moet voldoende zelfstandige praktijkervaring als advocaat bij de Hoge Raad zijn opgedaan (‘vliegureneis’). Deze kan het beste worden beoordeeld aan de hand van een bepaald aantal behandelde cassatiezaken. Overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie-Fleers is voor het aantal van twaalf zaken gedurende de voorafgaande periode van drie jaar gekozen. Dit is een realistisch en haalbaar aantal. Hierbij dient te worden bedacht dat het totaal aantal civiele cassatieberoepen bij de Hoge Raad jaarlijks relatief gering is, namelijk in de orde van grootte van 500. Het aantal uitgebrachte negatieve cassatieadviezen bedraagt waarschijnlijk het drie- tot vijfvoudige daarvan.

Om een reëel beeld van de praktijkervaring te krijgen, dienen minimaal zes zaken tot inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad te hebben geleid (met inbegrip van artikel 81 RO afdoeningen). De kandidaat kan zowel aan de eisende als aan de verwerende kant hebben opgetreden. De artikel 80a RO afdoening telt niet mee, omdat in deze zaken geen klachten zijn aangevoerd die behandeling in cassatie rechtvaardigen. Het ligt in de rede dat de advocaat die (her)inschrijving verzoekt, opgave doet van de zaken die volgens hem kunnen worden meegerekend bij de beantwoording van de vraag of aan de ‘vliegureneis’ is voldaan.

Het tweede lid bepaalt dat de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur beoordeelt of de kandidaat aan de ervaringseis heeft voldaan. In het bevestigend geval geeft de Commissie daarvan een verklaring af. Van de secretaris kan bezwaarlijk worden gevergd dat hij die eis zou verifiëren. De Commissie kan de civiele cassatieadvocatuur en -praktijk veel beter overzien en beoordelen. Het verkrijgen van een verklaring van de Commissie zal dus weliswaar bij elke (verlengde) inschrijving nodig zijn, maar zal in het geval van een serieus verzoek, waarvan moet worden uitgegaan, voor zowel de advocaat als de Commissie geen onevenredige lasten met zich meebrengen.

In het derde lid is een vrijstellingsmogelijkheid voor de ‘vliegureneis’ opgenomen. Deze dient om in bijzondere gevallen van evidente hardheid en zonder concessie aan de vakbekwaamheid te doen de advocaat toch in staat te stellen zich te kunnen laten inschrijven of de inschrijving te verlengen. Hierbij kan worden gedacht aan de bestaande, uitzonderlijke gevallen van zeer gespecialiseerde advocaten die uitsluitend binnen hun specialisme in cassatie procederen en niet altijd aan twaalf cassatiezaken in drie jaar toekomen. Voorts is denkbaar dat vrijstelling wordt verleend bij ziekte of tijdelijke uitval.

Om het uitzonderlijke karakter van de beslissing op een dergelijk vrijstellingsverzoek te onderstrepen, is de beslissing bij de Algemene Raad gelegd, die niet beslist dan na het advies van de beide Commissies te hebben ingewonnen, zo mogelijk in de vorm van een gemeenschappelijk advies.

Besluiten over verzoeken om vrijstelling kunnen alleen door een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht worden genomen. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft hierover in een uitspraak van 21 september 2006, LJN: AY8684, geoordeeld in een beroep tegen de Nederlandse Orde van Accountans-administratieconsulenten, evenals de NOvA een openbaar lichaam. Het College overweegt dat de ledenvergadering – bij ons het College van Afgevaardigden – aan de wet niet de bevoegdheid kan ontlenen nieuwe bestuursorganen (bij verordening) in het leven te roepen Noch de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur noch de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur is daarom als bestuursorgaan aan te merken.

Wel is mogelijk de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van verzoeken om vrijstelling van de ‘vliegureneis’ te mandateren. De Algemene Raad heeft hiertoe echter niet besloten gezien het uitzonderlijke karakter van de beslissing op een dergelijk verzoek. Deze beslissing is naar het oordeel van de Algemene Raad op één lijn te stellen met de verlening van de in artikel 9j, zesde lid, van de Advocatenwet bedoelde vrijstelling (van het vereiste van onvoorwaardelijke inschrijving als advocaat). Deze beslissing is eveneens opgedragen aan de Algemene Raad.

De beslissing op verzoeken om vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de overige in de artikelen 3 tot en met 5 gestelde eisen heeft de Algemene Raad wél gemandateerd, en wel aan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur (zie artikel 9, tweede lid, onder f, van deze verordening). Deze soort beslissingen behoort immers bij uitstek tot het domein van die Commissie.

Het overgangsrecht van artikel 13 verklaart in het tweede lid van dat artikel bovengenoemde vrijstellingsmogelijkheid van overeenkomstige toepassing bij de beoordeling van de ‘vliegureneis’ ten aanzien van advocaten die onder het overgangsrecht vallen.

Artikel 8

De hoofdeisen voor voorlopige inschrijving, inschrijving en verlenging van de inschrijving zijn in de artikelen 2 tot en met 6 van deze verordening vastgelegd. Dit dient de duidelijkheid. De kandidaat-advocaat bij de Hoge Raad weet zo waar hij aan toe is. Het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur zal uitwerking moeten geven aan de vakbekwaamheidseisen (zoals de bepaling van de examenleerstof en de precieze punteneis) en overigens regels van huishoudelijke aard bevatten.

Artikel 9j, derde lid, onder c, Advocatenwet schrijft voor dat de verordening regels bevat over het verkrijgen van een vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de opleiding of examinering. De memorie van toelichting bij de Wet versterking cassatierechtspraak zegt hierover:

‘[Met de vrijstellingmogelijkheid] kan worden voorkomen dat ervaren advocaten, die in het verleden al menige cassatieprocedures hebben gevoerd, net als nieuwkomers de gehele opleiding moeten volgen en het volledige examen moeten afleggen’.

In bijzondere gevallen kan een vrijstellingsmogelijkheid billijk zijn. Deze verordening kent in artikel 9, tweede lid, onder f, de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur de bevoegdheid toe krachtens mandaat van de Algemene Raad te besluiten op een verzoek om vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de in de artikelen 3 tot en met 5 gestelde eisen. Het Reglement van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur geeft hieraan uitwerking. Ter zake van de beslissing van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur, inhoudende de weigering een vrijstelling als bedoeld in artikel 11, eerste lid, kan ingevolge artikel 11 een bezwaarschrift bij de Algemene Raad worden ingediend.

In artikel 13 is vrijstelling van rechtswege voor het afleggen van het examen opgenomen voor die advocaten die minstens drie jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening de civiele cassatiepraktijk hebben beoefend en gedurende die periode aan de ‘vliegureneis’ hebben voldaan.

Het Reglement stelt de aan de verzoeker in rekening te brengen kosten vast van examen, proeve van bekwaamheid en van het afgeven van de verklaring met betrekking tot de ervaringseis en de verklaring over de punteneis. Deze kosten mogen uiteraard niet prohibitief zijn en daardoor een ontoelaatbare beperking vormen.

Het Reglement wordt opgesteld door de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en, gehoord de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur, door de Algemene Raad vastgesteld en gepubliceerd.

Artikel 9

De Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur is een wat lange benaming voor wat in de beroepsopleiding examencommissie heet. Die benaming zou echter hier de lading niet volledig dekken.

De Commissie doet immers meer dan exameneisen ontwikkelen en examens afnemen. Zij neemt de proeve van bekwaamheid af, besluit op een verzoek tot vrijstelling voor bepaalde onderdelen van de in de artikelen 3 tot en met 5 gestelde eisen, en beoordeelt of de advocaat aan de eisen van de artikelen 3 tot en met 6 heeft voldaan. Het begrip ‘vakbekwaamheid’ sluit aan bij hetzelfde begrip in artikel 1, aanhef en onder f, van de Verordening op de vakbekwaamheid: ‘het voldoen aan eisen betreffende de professionele kennis en kunde van de advocaat, de betamelijkheid van zijn handelen of nalaten als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet, de kantoororganisatie en de dienstverlening’, een en ander gericht op de civiele cassatiepraktijk.

Het tweede lid somt de taken van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur op. De onder a, b, c, en d genoemde taken zijn reeds toegelicht.

Onder e wordt mede tot de taak van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur gerekend het (doen) organiseren van onderwijs op het gebied van de civiele cassatie, in het bijzonder ter voorbereiding op het examen, maar ook als permanente opleiding voor civiele cassatieadvocaten. Dit vloeit voort uit artikel 9j, vijfde lid, Advocatenwet: de Algemene Raad draagt zorg voor de uitvoering van de verordening. De Algemene Raad draagt die taak, onder zijn eindverantwoordelijkheid, op aan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. Of het (doen) organiseren van enigerlei opleiding – eventueel via e-learning of andere moderne leermogelijkheden – nodig is, valt te bezien. De reguliere opleidingsmarkt zal in een zeker aanbod kunnen voorzien. Als dat ontoereikend is, zal de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur zelf overgaan tot het (doen) organiseren van (onderdelen van) een opleiding.

Met het oog op de goede uitoefening van de toezichthoudende taak van de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur is de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur verplicht alle gewenste inlichtingen aan eerstgenoemde Commissie te verschaffen.

De leden van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur moeten op het terrein van de civiele cassatie deskundig zijn. Hierbij kan worden gedacht aan oud-raadsheren in de Hoge Raad dan wel oud-leden van het parket van de Hoge Raad, (oud)civiele cassatieadvocaten, (oud)hoogleraren burgerlijk (proces)recht, en voormalige medewerkers van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad. Zittende leden van de Hoge Raad en van het parket komen niet in aanmerking. Een dergelijke betrokkenheid zou de onafhankelijke positie van die leden van de Hoge Raad of parket ten opzichte van degenen die als advocaat bij de Hoge Raad optreden, in het geding kunnen brengen, alsook de onafhankelijkheid van de cassatieadvocatuur zelf (aldus ook de Raad van State in zijn advies). De Algemene Raad kan over de samenstelling of over een voorgenomen benoeming de President van en Procureur-Generaal bij de Hoge Raad alsmede de Haagse deken advies vragen.

Er is geen maximum aan het aantal leden gesteld. De Commissie heeft een aanzienlijk takenpakket. Hoeveel tijd hiermee zal zijn gemoeid, zal moeten blijken. Afgezien van advocaten die inschrijving zullen verzoeken, is bovendien te verwachten dat in de twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een relatief groot aantal praktiserende civiele cassatieadvocaten – niet alleen in Den Haag, maar ook in Amsterdam – om inschrijving zal verzoeken. Hun (voorlopige) inschrijving zal waarschijnlijk een aanzienlijk tijdsbeslag en daarom de inzet van een betrekkelijk groot aantal leden vergen. Wanneer een meer stabiele situatie is ontstaan, zou het aantel leden kunnen worden teruggebracht. Om deze flexibiliteit mogelijk te maken is alleen een minimum aantal leden voorgeschreven.

Ingevolge het vijfde lid zijn de kosten van de Commissie voor rekening van de Algemene Raad. Het grootste deel van de kosten zal evenwel moeten worden gedekt door bijdragen van de verzoekende advocaten zelf. Het zou immers onredelijk zijn de balie in haar geheel te laten opdraaien voor deze kosten. Van de direct belanghebbenden mag (mede)financiering worden gevraagd.

Artikel 8, aanhef en onder e, schrijft voor dat het Reglement vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur hiertoe tarieven vaststelt. Verwezen zij voorts naar de Financiële Paragraaf van deze toelichting.

Het zevende lid houdt voor de leden en de secretaris van de Commissie die geen advocaat zijn, dezelfde geheimhoudingsplicht in als die welke voor elke advocaat geldt. De leden en secretaris kunnen immers onder meer kennisnemen van concrete cassatiedossiers.

Artikel 10

Deze Commissie is tot op zekere hoogte vergelijkbaar met het Curatorium in de beroepsopleiding. Zij heeft twee hoofdtaken: toezicht op de werkwijze van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en advisering van de Algemene Raad over de uitvoering van deze verordening alsmede over bezwaren ingevolge artikel 11. Rapportages over de wijze waarop de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur haar taken uitoefent richt de Commissie aan de Algemene Raad. Ter wille van de transparantie zendt zij die rapportage tegelijkertijd aan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur. De Algemene Raad zal die adviezen en rapporten als regel openbaar maken, tenzij daarin gegevens voorkomen die de persoonlijke levenssfeer van verzoekende advocaten onevenredig zouden aantasten. Overigens stelt de Commissie ingevolge het vijfde lid een openbaar jaarverslag op.

De Commissie is kleiner dan de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur, die een ruimere taak heeft. Ook de samenstelling van de Commissie verschilt. Niet alle leden behoeven ervaring te hebben in de civiele cassatiepraktijk. Artikel 10 schrijft voor dat een meerderheid van de leden, niet per se advocaten, bij de civiele cassatiepraktijk zijn betrokken. Bij een omvang van drie leden zijn derhalve twee leden bij de civiele cassatiepraktijk betrokken, terwijl in het geval de Commissie uit vier respectievelijk vijf leden bestaat dit aantal op drie uitkomt. De Algemene Raad acht het van belang dat het toezicht op de selectie van kandidaten voor de civiele cassatieadvocatuur mede wordt uitgeoefend door personen die afkomstig zijn van buiten de kring van direct betrokkenen en dus geen bijzondere kennis van of ervaring met de civiele cassatiepraktijk hebben. Zie voor de overwegingen hiervan ook hoofdstuk I van deze toelichting onder Toelating als advocaat bij de Hoge Raad.

Voor de samenstelling van de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur is een dergelijke ‘gemengde’ samenstelling juist niet gewenst, nu deze Commissie het examen en de proeve van bekwaamheid moet afnemen en moet beoordelen of aan de eis van artikel 5 is voldaan. Dit is slechts mogelijk op basis van gedegen kennis van en ervaring met de civiele cassatiepraktijk bij alle leden. Ook bij benoemingen in de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur kan de Algemene Raad advies vragen aan de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad en aan de Haagse deken.

Artikel 11

Tegen de in het eerste lid genomen beslissingen moet kunnen worden opgekomen. Weliswaar verzet de Algemene wet bestuursrecht zich niet tegen het openstellen van administratief beroep in lagere wetgeving en is een grondslag voor administratief beroep in een wet in formele zin niet noodzakelijk, maar die mogelijkheid bestaat voor de in het eerste lid bedoelde beslissingen niet nu deze door de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele advocatuur worden genomen in mandaat van de Algemene Raad.

Een parallel trekken met artikel 9e Advocatenwet (beroep op het Curatorium) ligt dan ook niet voor de hand.

Het is om die reden dat ten deze volstaan wordt met een heroverweging door de Algemene Raad van de door de Commissie vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur genomen beslissing. De Algemene Raad hoort de Commissie van toezicht en advies civiele cassatieadvocatuur voordat hij beslist op het bezwaar.

De Advocatenwet bevat enkele beroepsbepalingen, te weten in artikel 9j, zevende lid, en artikel 9k, derde lid. Het gaat in artikel 9j, zevende lid, om de mogelijkheid van beroep op het Hof van Discipline tegen de beslissing inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad te weigeren en tegen de beslissing van de Algemene Raad geen ontheffing te verlenen van de eis van onvoorwaardelijke inschrijving als advocaat. Dit beroep op het Hof van Discipline is blijkens de memorie van toelichting vergelijkbaar met het beklag bij het Hof van Discipline tegen verzet tegen de reguliere inschrijving als advocaat (artikel 5 Advocatenwet). De beoordeling van dat beroep of dat beklag is van andere aard dan het in artikel 11 opengestelde bezwaar tegen een examen- of proeveresultaat.

Artikel 9k ziet op een geheel andere situatie, namelijk op het beroep op het Hof van Discipline tegen de beslissing van de Raad van Discipline op verzoek van de Raad van Toezicht tot doorhaling van de inschrijving als advocaat bij de Hoge Raad.

Artikel 12

Naast de vakbekwaamheidseisen nodig voor voorlopige inschrijving, inschrijving en de verlenging van de inschrijving, zoals hiervoor beschreven, bepaalt artikel 12 dat geen cassatieberoep of -verweer mag worden ingesteld, respectievelijk ingediend zonder dat de cliënt over onder meer de kansen is geadviseerd. Hoe uitvoerig of gedetailleerd dit advies zal moeten zijn, valt in het algemeen niet te zeggen. Onder omstandigheden zal met een summier advies kunnen worden volstaan. Advisering kan het risicodat op ontoereikende gronden cassatie wordt ingesteld of nodeloos verweer wordt gevoerd verminderen en het toezicht op het functioneren van de advocaat bij de Hoge Raadeffectiever doen zijn. Voorts is advisering behulpzaam om na te gaan of de advocaat bij de Hoge Raad zich er voldoende van heeft vergewist dat er geen sprake is van een kansloze zaak. Weliswaar kent artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie een dergelijke bepaling, doch die is gericht tot de rechterlijke macht. De advocatuur heeft ten dezen een eigenstandige verantwoordelijkheid. Deze bepaling beoogt dan ook te voorkomen dat een advocaat bij de Hoge Raad zich (bij herhaling) geen rekenschap geeft van de beperkingen die aan het rechtsmiddel cassatie zijn gesteld.

Die eigenstandige verantwoordelijkheid brengt met zich mee – en de bepaling laat derhalve onverlet – dat de advocaat bij de Hoge Raad in voorkomend geval tot de conclusie komt dat er pleitbare argumenten zijn om te trachten de Hoge Raad op andere gedachten te brengen. Hij zal dan cassatieberoep moeten (kunnen) instellen.

Anderzijds brengt die eigenstandige verantwoordelijkheid met zich mee dat cassatieberoep wordt ontraden tegen feitelijke oordelen waartegen geen klachten zijn te formuleren die aan de daaraan te stellen eisen voldoen.

Artikel 13

Artikel IV Wet versterking cassatierechtspraak regelt het overgangsrecht:

  • ‘1. De advocaat die op de datum van inwerkingtreding van... (ondermeer artikel 9j) kantoor houdt in het arrondissement ’s-Gravenhage, is, voor zover de advocaat als advocaat bij de Hoge Raad optreedt, tot uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van deze artikelen uit dien hoofde advocaat bij de Hoge Raad, en daarna uitsluitend voor zaken die op dat moment aanhangig zijn bij de Hoge Raad en waarin hij in eigen naam optreedt.’

De memorie van toelichting zegt hierover:

‘Deze overgangstermijn biedt de advocaten die de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad reeds bezitten de gelegenheid om zonder hun hoedanigheid te verliezen aan de te stellen kwaliteitseisen te voldoen en de vereiste aantekening op het tableau te verkrijgen. In deze overgangsperiode zal moeten worden beoordeeld of een advocaat voldoet aan de in de verordening gestelde eisen en voor welke onderdelen van de opleiding en het examen de advocaat een vrijstelling kan krijgen. Daarna moet de advocaat die onderdelen van de opleiding volgen waarvoor hij geen vrijstelling heeft gekregen en hiervoor examen afleggen. Tot slot moet worden beoordeeld of de advocaat kan worden ingeschreven als advocaat bij de Hoge Raad.’

De in artikel IV bedoelde advocaten zullen zich derhalve na die twee jaar moeten kwalificeren om advocaat bij de Hoge Raad te blijven. De normale ‘route’ bepaalt dat de advocaat eerst voorlopig wordt ingeschreven na het behalen van het examen. Deze eis is voor ervaren cassatieadvocaten niet zinvol. Om deze reden verleent artikel 13 aan deze categorie advocaten vrijstelling van het afleggen van het examen. Deze categorie zal wel moeten voldoen aan alle overige voor inschrijving gestelde eisen, dat wil zeggen zowel de proeve van bekwaamheid van artikel 5, eerste lid, als de punteneis van artikel 3 als – behoudens vrijstelling in bijzondere gevallen – de ervaringseis van artikel 6, eerste lid. Aldus wordt, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, het verzoek van een ‘zittende’ cassatieadvocaat om te worden ingeschreven als advocaat bij de Hoge Raad aan een serieuze beoordeling onderworpen.

Het ligt in de rede de in artikel 13 verleende vrijstelling ook van toepassing te doen zijn op die ervaren civiele cassatieadvocaten die bij de inwerkingtreding van deze verordening niet in het arrondissement Den Haag kantoor houden. Hierbij moet in het bijzonder worden gedacht aan enkele Amsterdamse, veelal voormalige Haagse, advocaten die via een Haagse advocaat zelfstandig en ten volle de civiele cassatiepraktijk uitoefenen. Er is in dit opzicht geen te rechtvaardigen onderscheid te maken tussen de categorie in het arrondissement Den Haag kantoor houdende cassatieadvocaten en buiten dat arrondissement kantoor houdende cassatieadvocaten. Het gaat immers niet om het enkele feit waar zij kantoor houden, maar om hun kennis en ervaring als cassatieadvocaat.

Er bestaat in zoverre verschil tussen beide categorieën advocaten, dat alleen voor de Haagse advocaten het overgangsrecht van artikel IV geldt. Zij hebben dus twee jaar de tijd om inschrijving te verzoeken. De niet in dat arrondissement kantoor houdende cassatieadvocaten zullen per de inwerkingtreding van deze verordening moeten zijn ingeschreven. Vóór de inwerkingtreding moet daarom inschrijving kunnen worden verzocht. De Algemene Raad zal derhalve tijdig voor de inwerkingtreding van deze verordening de nodige maatregelen moeten treffen waardoor inschrijving per de datum van inwerkingtreding mogelijk is, en tijdig moeten communiceren wanneer de verordening in werking treedt.

Ingevolge het tweede lid kan de Algemene Raad vrijstelling van de vliegureneis verlenen in bijzondere gevallen. Verwezen zij naar de toelichting op artikel 6, derde lid.

Artikel 14

Het derde lid bevat een evaluatieverplichting na drie jaar na de inwerkingtreding van de verordening. Deze evaluatie zal mede grondslag zijn voor de beslissing van het College van Afgevaardigden ingevolge artikel IV, tweede lid, Wet versterking cassatierechtspraak regels te stellen voor het optreden van een advocaat bij de Hoge Raad in strafzaken en belastingzaken. De evaluatie zal ook antwoord moeten geven op de vraag of voldoende advocaten bij de Hoge Raad beschikbaar zijn.