Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2011, 17689 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Rijkswaterstaat | Staatscourant 2011, 17689 | Onteigeningen |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Beschikken bij dit besluit op het verzoek van het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hollandse Delta bij brief van 7 december 2010, kenmerk JZ/U1007912, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 62 van de onteigeningswet ten behoeve van de versterking van de Oostmolendijk, dijkvak 2, vanaf het Nieuwe Veer (hm. 496,5) tot 50 meter na het pand Oostmolendijk nr. 40 (hm 501,8), met bijkomende werken in de gemeente Ridderkerk.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft de beslissing op het verzoek voorgedragen bij brief van 20 mei 2011, nr. RWSCD BJV 2011/317, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.
Overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben het ontwerp van het te nemen besluit alsmede de in artikel 63 van de onteigeningswet genoemde stukken in de periode van donderdag 10 februari 2011 tot en met woensdag 23 maart 2011 in de gemeente Ridderkerk en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen. Voorafgaand daaraan is de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht aangekondigd in de Staatscourant van 9 februari 2011 nr. 1763 en op 3 februari 2011 in het huis-aan-huisblad ‘De Combinatie Ridderkerk’.
Voorts is overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp van het te nemen besluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de verzoeker om onteigening.
Belanghebbenden zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Ridderkerk op woensdag 23 maart 2011.
In genoemde kennisgeving zijn belanghebbenden op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen.
De volgende belanghebbenden hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt:
1. de heer P. Plaisier, eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 1 en
2. de heer J.M. Plaisier, mede namens mevrouw G.E. Plaisier en de heer A.J. Plaisier, eigenaren van de onroerende zaak met het grondplannummer 3.
Overwegingen
Ingevolge artikel 62 van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de aanleg en verbetering van dijken.
Reclamant sub 1.
Reclamant is van mening dat de onderhavige procedure ten onrechte is gestart. De verzoeker om onteigening is van mening dat verwerving van het benodigde perceelsgedeelte op minnelijke wijze niet mogelijk is, maar volgens reclamant is er wel degelijk grond voor een minnelijke schikking en heeft hij hier ook op aangestuurd. In 2009 is een deel van een ander perceel van reclamant voor de dijkversterking verworven en hiervoor heeft hij een acceptabele prijs ontvangen. Deze prijs is voor reclamant inzet geweest in de onderhandelingen die nu lopen, onder meer omdat hetzelfde bestemmingsplan van toepassing is. De taxateur heeft nu echter een aanzienlijk lagere en voor reclamant onacceptabele prijs vastgesteld. Reclamant merkt op, dat hij daarvoor in de directe omgeving geen vervangende grond kan vinden. Dit is in oktober 2009 inzet geweest van een gesprek met vertegenwoordigers van de verzoeker om onteigening. Die gaven volgens reclamant evenzeer aan het vreemd te vinden dat met twee verschillende maten wordt gemeten. De vertegenwoordigers hebben bij reclamant de verwachting gewekt, dat ook bij de onderhavige transactie een vergoeding zou moeten gelden zoals die bij de eerdere transactie overeen werd gekomen. Dit uitgangspunt zouden de vertegenwoordigers volgens reclamant ook voorleggen aan het bestuur van de verzoeker om onteigening, maar dat is een valse verwachting gebleken. Enkele maanden geleden kreeg reclamant namelijk formeel de melding dat het bestuur bij nader inzien wenste vast te houden aan het oorspronkelijk uitgebrachte bod. Reclamant is hier niet mee akkoord gegaan. Inmiddels is het bod wel verhoogd, maar dit staat niet in verhouding tot de inmiddels gemaakte kosten voor de verwerving. Reclamant wijst erop, dat het in de onderhavige procedure gaat om 1092 m2 grond en hij vraagt zich af wie met de geschetste gang van zaken gebaat is.
Naar aanleiding van deze zienswijze merken Wij het volgende op.
De zienswijze van reclamant ziet in de eerste plaats op het verloop van het minnelijk overleg. Naar aanleiding daarvan merken Wij vooreerst op, dat de onteigening moet worden gezien als een uiterst middel (ultimum remedium), waarnaar eerst (door het starten van de administratieve onteigeningsprocedure) kan en mag worden gegrepen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. Daarbij geldt, dat in de procedure op grond van titel II van de onteigeningswet in het algemeen genoegzaam aan deze eis is voldaan, indien voor de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden een aanvang met het minnelijk overleg is gemaakt. Dit overleg dient tot een redelijk punt te worden voortgezet alvorens, na gebleken noodzaak daartoe, de administratieve onteigeningsprocedure kan worden ingezet. Daarbij is het wenselijk doch niet altijd noodzakelijk, dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden reeds een formeel bod is uitgebracht. Voldoende is, dat sprake is geweest van een redelijk doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Alsdan kan een verzoeker om onteigening – teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het betreffende plan van het werk over te kunnen gaan – in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het plan van het werk in eerste instantie moeten zijn ‘uitonderhandeld’. Het is, zoals hiervoor beschreven, voldoende als op dit tijdstip met de onderhandelingen een aanvang is gemaakt en genoegzaam is komen vast te staan, dat deze onderhandelingen voorlopig niet tot het gewenste resultaat zullen leiden.
Uit de door de verzoeker om onteigening overgelegde stukken is Ons gebleken, dat de onroerende zaak van reclamant op 20 mei 2009 is getaxeerd. De taxatie is vervolgens per e-mail aan de deskundige van reclamant gestuurd, waarop deze eveneens per e-mail heeft gewezen op het verschil in prijsstelling met de eerdere aankoop, waarop reclamant thans ook in zijn zienswijze wijst. De deskundige heeft de namens de verzoeker om onteigening optredende taxateur in verband daarmee om herziening van de prijsstelling verzocht. Per e-mail van 3 juli 2009 heeft de taxateur de deskundige van reclamant laten weten dat de onderhavige grond zich van de eerder aangekochte grond onderscheidt, omdat deze niet in de nabijheid van de boerderij ligt en hier geen sprake is van gedoogd gebruik voor het houden van paarden. Met betrekking tot dit laatste aspect bestaat volgens de taxateur ook niet de verwachting dat dit in de nabije toekomst wel zal mogen. De taxateur heeft de deskundige uitgenodigd om met gegevens te komen over recente transacties in de omgeving, die mogelijk aanleiding zouden kunnen geven tot een wijziging van de taxatie. Naar aanleiding hiervan heeft de deskundige de taxateur in een tweetal e-mailberichten van juli 2009 gewezen op een aantal transacties.
De verzoeker om onteigening heeft vervolgens bij brief van 10 augustus 2009 een bod aan reclamant uitgebracht. Deze brief heeft de verzoeker op 20 augustus 2009 van reclamant retour ontvangen met de aantekening dat hij niet met het bod akkoord gaat. Naar aanleiding hiervan heeft op 15 oktober 2009 overleg plaatsgevonden tussen reclamant en zijn adviseur enerzijds en een aantal vertegenwoordigers van de verzoeker om onteigening anderzijds. Uit het verslag van dit overleg blijkt dat één van de vertegenwoordigers van de verzoeker heeft opgemerkt, dat het verschil in prijsstelling tussen de eerdere aankoop en de aankoop die thans aan de orde is moeilijk uit te leggen is. De vertegenwoordiger heeft reclamant toegezegd dat hij het bestuur van de verzoeker een voorstel zou doen om met de door hem gewenste prijsstelling akkoord te gaan. Bij brief van 24 februari 2010 heeft de verzoeker om onteigening reclamant – overigens met excuses voor de late reactie – bericht dat dit voorstel onderwerp van bespreking is geweest, met het bestendig beleid ter zake van de verwerving van gronden voor dijkversterkingen als uitgangspunt. Dit beleid houdt in dat verwerving van de gronden plaatsvindt tegen taxatiewaarde, welke wordt bepaald door een beëdigd taxateur. Na ampele overwegingen is de verzoeker, zo blijkt uit de brief van 24 februari 2010, tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding bestaat om van dit beleid af te wijken. Wel heeft de verzoeker opgemerkt dat er vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat om bij wijze van ‘second opinion’ nogmaals een taxatie te laten uitvoeren en wel door een taxateur van buiten het beheersgebied.
Bedoelde taxatie heeft medio april 2010 plaatsgevonden. Aangezien de hoogte van de in tweede instantie getaxeerde grondprijs per vierkante meter niet bleek af te wijken van de in eerste instantie getaxeerde grondprijs, heeft de verzoeker om onteigening bij brief van 5 juli 2010 de aanbieding zoals die bij brief van 10 augustus 2009 werd gedaan herhaald. De verzoeker heeft reclamant gevraagd om binnen vier weken aan te geven of hij van deze bieding gebruik wilde maken. Hierop heeft reclamant echter niet gereageerd, in verband waarmee de verzoeker besloten heeft om over te gaan tot de indiening van een verzoek strekkende tot aanwijzing van de onroerende zaak van reclamant ter onteigening. De verzoeker heeft bij brief van 2 december 2010 reclamant bericht dat hij ondanks dit verzoek het minnelijk overleg over de verwerving van de grond voort wil zetten. Naar aanleiding daarvan heeft op 4 februari 2011 opnieuw een overleg plaatsgevonden tussen reclamant en zijn adviseur enerzijds en vertegenwoordigers van de verzoeker om onteigening anderzijds. De namens de verzoeker om onteigening optredende taxateur heeft hierin aangegeven dat er aanleiding bestaat om de eerder gedane aanbieding met € 1,00 per vierkante meter te verhogen, zulks gelet op een lopende procedure voor de onteigening van een onroerende zaak in de omgeving en de daarin door de rechtbankdeskundigen getaxeerde agrarische waarde. Partijen hebben echter ook op basis hiervan geen overeenstemming kunnen bereiken. In het overleg zijn nog wel oplossingen anderszins aan de orde gekomen in de zin van ruiling met of aan-/verkoop van andere gronden. Namens de verzoeker om onteigening is echter aangegeven dat deze oplossingen intern besproken moeten worden.
Het bovenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van mening dat door de verzoeker om onteigening voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende doch vruchteloos gebleken pogingen zijn ondernomen om de gronden van reclamant sub 1 in der minne te verwerven. Op het moment van de start van de procedure door middel van de terinzagelegging van de stukken stond naar Ons oordeel genoegzaam vast dat nog niet met reclamant, al dan niet in de door hem gewenste vorm, overeenstemming kon worden bereikt. In aanmerking nemend het belang dat de verzoeker om onteigening heeft bij de tijdige beschikbaarheid van de gronden die voor de realisering van het werk nodig zijn, mocht naar Ons oordeel worden overgegaan tot de start van de procedure. Het overleg met reclamant dient te worden voortgezet. Het overleg over de hoogte van de schadeloosstelling of over een oplossing in een andere vorm dan een schadeloosstelling in geld dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet vooraf dient te gaan aan de start van de gerechtelijke onteigeningsprocedure zal wellicht alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.
De zienswijze van reclamant ziet in de tweede plaats op de hoogte van de door de verzoeker om onteigening geboden schadeloosstelling. Naar aanleiding hiervan merken Wij op, dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. Wat er ook zij van het verschil in de prijs die reclamant in het kader van een eerdere transactie is geboden en de prijs die hem thans is geboden, de hoogte en wijze van berekening van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.
Reclamanten sub 2.
Reclamanten merken op, dat de verzoeker zich in het traject voorafgaand aan de indiening van het verzoek tot het starten van de onderhavige procedure laakbaar heeft opgesteld. De verzoeker heeft keer op keer veel tijd laten verstrijken met de beantwoording van vragen van reclamanten of heeft zelfs in het geheel geen antwoord gegeven. Toezeggingen zijn met gemak van tafel geveegd en na lange tijd vervangen door een bod dat in een eerder stadium al door reclamanten was afgewezen. De verenigde vergadering van de verzoeker is weliswaar akkoord gegaan met het voorstel tot het indienen van het verzoek tot het starten van de administratieve onteigeningsprocedure, maar enkele leden hebben daar wel degelijk moeite mee. De verzoeker gaat nu bezien of bepaalde handelingen in de toekomst beter, anders en sneller kunnen worden uitgevoerd, maar reclamanten beschouwen dit als een beleidswijziging. Door inconsistent handelen van de verzoeker worden zij in een nadelige positie geplaatst en zij beschouwen de onteigeningsprocedure als drukmiddel. Reclamanten voeren in het bijzonder aan, dat zij vanaf het begin van de onderhandelingen schriftelijk kenbaar hebben gemaakt onder welke voorwaarden en op basis van welke prijs zij tot overeenstemming wensen te komen. Op 8 oktober 2009 vond een overleg tussen reclamanten en vertegenwoordigers van de verzoeker plaats. Dit gesprek verliep dermate positief dat het reclamanten vertrouwen gaf op het bereiken van overeenstemming. Met name de aankoopprijs die de vertegenwoordigers namens de verzoeker in dit overleg hebben genoemd alsmede het voorstel tot het eventueel instellen van een arbitragecommissie hebben bij reclamanten de verwachting gewekt dat overeenstemming kon worden bereikt. Het genoemde overleg is echter het enige gesprek geweest waarbij is onderhandeld om tot overeenstemming te komen. Hierna heeft de verzoeker de zaak gefrustreerd en vertraagd. In het verslag dat de verzoeker van het overleg van 8 oktober 2009 heeft opgesteld staat een ander bod dan werkelijk gedaan in dit overleg. Reclamanten bestrijden het verslag dan ook op dat punt. Op vragen dienaangaande heeft de verzoeker nooit antwoord gegeven. Reclamanten hebben de verzoeker hierover op 24 juli 2010 een brief gestuurd maar de verzoeker weigert deze te beantwoorden. Reclamanten zijn van mening dat aan minnelijke verwerving van grond maatwerk vooraf moet gaan. Ieder aankoopobject staat op zich door specifieke plaatselijke omstandigheden. Daarvoor vindt nu eenmaal taxatie door een deskundige plaats. Van precedentwerking kan dan ook geen enkele sprake zijn. Bij minnelijke verwerving van eigendom is zowel een redelijk handelend koper als een redelijk handelend verkoper een voorwaarde om tot overeenstemming te komen. Reclamanten hebben niet kunnen vaststellen dat de verzoeker ook maar enig oog heeft gehad voor hun belangen.
Naar aanleiding van deze zienswijze merken Wij het volgende op.
De zienswijze van reclamanten ziet op het verloop van het minnelijk overleg. Naar aanleiding daarvan wijzen Wij vooreerst op hetgeen Wij reeds in het algemeen hebben opgemerkt over het voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1. Het daar gestelde in aanmerking nemend overwegen Wij naar aanleiding van de zienswijze van reclamanten sub 2 nu het volgende.
Uit de door de verzoeker om onteigening overgelegde stukken blijkt, dat de onroerende zaak van reclamanten in juni 2009 door een daartoe door de verzoeker ingeschakelde taxateur is getaxeerd. Deze taxeerde de te verwerven grond op € 3,50 per m2, in aanmerking nemend de verpachte staat en alle overige relevante factoren. Bij brief van 19 juni 2009 heeft de taxateur het concepttaxatierapport aan reclamanten toegezonden, waarop reclamanten bij brief van 22 juni 2009 reageerden met de mededeling dat zij zich met de waarde van het te verwerven object niet kunnen verenigen. Wordt het voorgestelde bedrag het aanbod van de verzoeker, dan zullen reclamanten dit bod afwijzen en zij verzoeken de taxateur dan ook om de taxatie op basis van een aantal nader aangegeven uitgangspunten te heroverwegen.
Naar aanleiding hiervan heeft de taxateur reclamanten op 28 juli 2009 telefonisch gevraagd om het standpunt ten aanzien van de verkoop van de grond nader te onderbouwen, zo mogelijk met een voorstel voor de verkoopprijs. Reclamanten hebben hierop bij brief van 7 augustus 2009 gereageerd. Op grond van nader aangegeven argumenten komen reclamanten uit op een prijs van € 15,00 per m2. Niettemin heeft de verzoeker om onteigening reclamanten bij brief van 10 augustus 2009 een bod gedaan gericht op de aankoop van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak, gebaseerd op de eerdere bedoelde taxatie. Namens reclamanten heeft reclamant J.M. Plaisier de verzoeker per e-mail van 11 augustus 2009 bericht dat zij niet met deze bieding akkoord kunnen gaan.
Naar aanleiding van de brief van reclamanten van 7 augustus 2009 heeft de namens de verzoeker om onteigening optredende taxateur reclamant J.M. Plaisier bij brief van 25 augustus 2009 een artikel uit het tijdschrift ‘Grondzaken in de praktijk’ van januari 2009 toegezonden, met de vraag of het daarin gestelde hem aanleiding zou geven tot herziening van de prijs van € 15,00 per m2. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft reclamant J.M. Plaisier de taxateur verzocht om de brief met het artikel ook aan de andere reclamanten toe te zenden. De taxateur heeft hierop zijn brief met eerdergenoemd artikel op 27 augustus 2000 per e-mail aan alle reclamanten gezonden, waarna reclamanten de taxateur bij brief van 29 augustus 2009 lieten weten dat zij geen aanleiding zien om de vraagprijs te herzien.
In vervolg hierop heeft de verzoeker om onteigening reclamanten bij brief van 30 september 2009 uitgenodigd voor een overleg op 8 oktober 2009. Bij brief van 28 oktober 2009 heeft de verzoeker reclamanten een verslag van dit overleg toegezonden. Daaruit blijkt, dat reclamanten in het overleg onder meer hebben aangegeven niet tevreden te zijn over de werkwijze van de taxateur. Ook hebben zij tijdens het overleg een kopie van hun brief van 7 augustus 2009 aan de taxateur overhandigd aan een vertegenwoordiger van de verzoeker om onteigening, waarop deze heeft toegezegd daarop terug te zullen komen. Blijkens het verslag heeft de vertegenwoordiger reclamanten in het overleg mondeling een bod uitgebracht van € 10,00 per m2, zulks inclusief de schadeloosstelling van de pachter voor wat betreft de grondkosten, maar exclusief de overige schadeloosstellingen voor deze pachter waarvoor de verzoeker separaat een regeling met de pachter zal treffen. Tot slot heeft de vertegenwoordiger een voorstel gedaan voor de uitvoering van een nieuwe, bindende taxatie, waarbij zowel de verzoeker als reclamanten een beëdigd taxateur aanwijzen en beide taxateurs vervolgens een derde taxateur bij de zaak betrekken.
Naar aanleiding van de toezending van het verslag van 8 oktober 2009 heeft reclamant A.J. Plaisier de verzoeker om onteigening er bij brief van 2 november 2009 in de eerste plaats op gewezen nog geen reactie te hebben vernomen op de brief van 7 augustus 2009 waarvan tijdens het overleg op 8 oktober 2009 een kopie aan de vertegenwoordiger van de verzoeker werd overhandigd en waarop deze nog zou reageren. In de tweede plaats wijst reclamant A.J. Plaisier op het feit dat in het verslag staat aangegeven dat het bod van € 10,00 per m2 inclusief de schadeloosstelling voor de pachter is, terwijl in het gesprek naar zijn mening tot twee keer toe, op een expliciete vraag daarover, door de vertegenwoordiger van de verzoeker is gesteld dat het hier om een bod exclusief de vergoeding voor de pachter zou gaan. In de derde plaats wijst reclamant A.J. Plaisier de verzoeker erop, dat in het overleg van 8 oktober 2009 ook het voorstel is gedaan tot het benoemen van een arbitragecommissie. Reclamant geeft aan met het nemen van een besluit ter zake te wachten tot er een reactie van de verzoeker is op de brief van 7 augustus 2009 waarin wordt ingegaan op de argumentatie van reclamanten en waarin antwoord wordt gegeven op de overige vragen die zij hebben gesteld.
Bij brief van 24 november 2009 reageert de door de verzoeker ingeschakelde taxateur richting reclamant J.M. Plaisier op de brief van 7 augustus 2009. Deze reclamant laat de taxateur hierop bij brief van 27 november 2009 onder meer weten dat reclamanten hadden verwacht dat de brief van 7 augustus 2009 zou worden voorgelegd aan de verzoeker om onteigening en dat deze daarop zou reageren. Reclamanten wijzen erop, dat zij nog in overleg met de verzoeker zijn en dat ze op een reactie wachten op de brief die ze op 2 november 2009 aan de verzoeker hebben gezonden.
Bij brief van 11 februari 2010 heeft reclamant A.J. Plaisier de verzoeker om onteigening er namens de andere reclamanten op gewezen, dat nog geen reactie is ontvangen op de brief van 7 augustus 2009 noch op de op 2 november 2009 gezonden reactie naar aanleiding van de toezending van het verslag van het overleg van 8 oktober 2009. Bij brief van 24 februari 2010 heeft de verzoeker om onteigening alsnog op de genoemde brieven gereageerd, zulks met excuses voor de late reactie. Volgens de verzoeker was uitkomst van het overleg van 8 oktober 2009, dat een nader voorstel aan hem zou worden voorgelegd inhoudende een aankoopprijs per m2 van € 10,00, dan wel het instellen van een commissie van drie taxateurs. Na ampele overwegingen is de verzoeker echter tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding bestaat om van het ter zake bestendige beleid af te wijken, te meer daar taxatie heeft plaatsgevonden op basis van objectieve maatstaven, waarmee naar de mening van de verzoeker recht is en wordt gedaan aan de belangen van de grondeigenaar. Wel heeft de verzoeker opgemerkt dat er vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding bestaat om bij wijze van ‘second opinion’ nogmaals een taxatie te laten uitvoeren en wel door een taxateur van buiten het beheersgebied.
Bij brief van 2 maart 2010 heeft de heer A.J. Plaisier de verzoeker namens de reclamanten bericht, dat zij met verbazing kennis hebben genomen van de brief van 24 februari 2010. Zij geven kort samengevat aan nog steeds niet te kunnen instemmen met het verslag van het overleg van 8 oktober 2009 en wijzen erop dat zij nog geen reactie hebben ontvangen op gestelde vragen. De verzoeker om onteigening reageert vervolgens bij brief van 7 april 2010 op de brieven van reclamanten van 7 augustus 2009, 2 november 2009 en 11 februari 2009. De verzoeker geeft onder meer aan om verschillende redenen de gewenste vergoeding van € 15,00 per m2 voor de aan te kopen grond niet redelijk te achten. In afwachting van de tweede taxatie wenst de verzoeker vast te houden aan het eerder gedane bod. Met betrekking tot de instelling van een taxatiecommissie wijst de verzoeker erop, dat hierop reeds in de brief van 24 februari 2010 is ingegaan. Zoals daarin gesteld, wenst de verzoeker niet af te wijken van zijn bestendig beleid op grond waarvan de instelling van een taxatiecommissie bestaande uit drie beëdigde taxateurs niet aan de orde is. Bij brief van 15 april 2010 laat reclamant A.J. Plaisier de verzoeker vervolgens weten dat reclamanten niet wensen in te gaan op de brief van 2 maart 2010 en de daarin gegeven antwoorden, onder meer omdat zij denken dat het daarin gestelde aan de orde zal komen als de onderhandelingen daadwerkelijk zullen plaatsvinden. Wel lichten reclamanten in deze brief nogmaals hun vraagprijs van € 15,00 per m2 toe. Op 11 mei 2010 voeren partijen overleg en bij brief van 5 juli 2010 deelt de verzoeker om onteigening reclamant J.M. Plaisier naar aanleiding van de tweede taxatie van april 2010 mede dat de hoogte van de in tweede instantie getaxeerde grondprijs per m2 niet afwijkt van de eerste taxatie die werd uitgevoerd. De verzoeker geeft aan dat hij daarom in zijn vergadering van 15 juni 2010 heeft besloten om de eerder gedane aanbieding te bestendigen en verzoekt reclamanten om binnen vier weken na dagtekening van de brief te laten weten of zij de bieding al dan niet accepteren. Bij brief van 24 juli 2010 bericht reclamant A.J. Plaisier de verzoeker dat reclamanten de bieding afwijzen. Reclamanten zijn van mening dat zij altijd hebben geprobeerd om op minnelijke wijze tot overeenstemming te komen en zij meenden ook in het overleg van 8 oktober 2009 met een zware delegatie van de verzoeker een eind in die richting gevorderd te zijn. In ieder geval zijn reclamanten van mening dat er in genoemd overleg verwachtingen van de kant van de verzoeker zijn gewekt om er minnelijk uit te komen. Reclamanten geven verder aan dat hun vertrouwen in de verzoeker is geschaad nu deze niet ingaat op hun opmerkingen ten aanzien van het verslag van het bedoelde overleg en op een arrogante en ongemotiveerde wijze de delegatie die bij dat overleg aanwezig is geweest heeft teruggefloten. De verzoeker heeft reclamanten hierop bij brief van 28 oktober 2010 in kennis gesteld van zijn advies richting de verenigde vergadering tot het indienen van een verzoek tot het starten van de administratieve onteigeningsprocedure.
Gelet op de hier geschetste gang van zaken zijn Wij van oordeel dat genoegzaam is vast komen te staan dat overeenstemming tussen partijen binnen redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort. Gelet hierop en in aanmerking nemend het belang dat de verzoeker om onteigening heeft bij de tijdige beschikbaarheid van de gronden die voor de realisering van het werk nodig zijn, mocht naar Ons oordeel worden overgegaan tot de start van de procedure. Wat er verder ook zij van het verloop van het minnelijk overleg en het door reclamanten gestelde omtrent het overleg van 8 oktober 2009 en de handelwijze van de verzoeker om onteigening, uit de geschetste gang van zaken moet naar Ons oordeel worden geconcludeerd dat het uitblijven van overeenstemming in essentie terug te voeren is op het verschil van mening over de waardering van de te verwerven grond. In dat verband is Ons gebleken dat ook verder overleg tussen partijen niet tot een oplossing heeft geleid, hetgeen blijkt uit een verslag van een overleg van 28 maart 2011. Reclamanten hebben in dit overleg wel medegedeeld dat zij thans bereid zijn om met de verzoeker zaken te doen tegen een prijs van € 10,00 per m2, exclusief pachtersvergoeding en de verzoeker om onteigening heeft op basis van de inmiddels definitief vastgestelde taxaties het bod per m2 verhoogd naar € 4,50 doch heeft daarbij ook aangegeven dat er, mede in het licht van een naar zijn oordeel vergelijkbare transactie in de omgeving, verder geen aanleiding bestaat om af te wijken van de getaxeerde prijsstelling. Partijen verschillen derhalve nog steeds fors van mening over de hoogte van de schadeloosstelling. Naar aanleiding hiervan merken Wij echter op, dat in de onderhavige procedure geen uitspraken over de hoogte van de schadeloosstelling kunnen worden gedaan. Zoals Wij in reactie op de zienswijze van reclamant sub 1 reeds hebben opgemerkt, vindt de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte van deze schadeloosstelling staat echter niet in onderhavige procedure ter beoordeling, maar komt bij het ontbreken van overeenstemming in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Het overleg met reclamanten dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet vooraf dient te gaan aan de start van de gerechtelijke onteigeningsprocedure zal wellicht alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.
Overige overwegingen
Bij besluit van 22 augustus 2008 kenmerk WG-SE20080665 heeft de Verenigde Vergadering van het waterschap Hollandse Delta het dijkversterkingsplan Oostmolendijk Ridderkerk vastgesteld. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben dit plan vervolgens bij besluit van 28 november 2008 goedgekeurd.
De Partiële herziening van het versterkingsplan Oostmolendijk 2009, kenmerk WG-SE20090414 van 29 juli 2009, werd vastgesteld in de Verenigde Vergadering van waterschap Hollandse Delta op 24 september 2009 en is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland bij besluit van 10 november 2009 nr. PZH-2009-140228235.
De werken zijn gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan Landelijk Gebied Oost, vastgesteld op 17 november 1986 door de Raad van de gemeente Ridderkerk, goedgekeurd door het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland d.d. 30 juni 1987 en onherroepelijk geworden op 2 mei 1990.
Volgens de bij de Wet op de waterkering van 21 december 1995 (Stb. 8) behorende bijlage I moet de Oostmolendijk te Ridderkerk (dijkringgebied 17) voldoen aan de overschrijdingskans van 1:4.000 per jaar, als bedoeld in art. 3, eerste lid, van de Wet op de waterkering. Per 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze wet strekt mede tot intrekking van de Wet op de waterkering. Ingevolge de bijlagen I en II van de Waterwet geldt voor de Oostmolendijk te Ridderkerk (ook op grond van deze wet dijkringgebied 17) eveneens dat deze moet voldoen aan een overschrijdingskans van 1:4.000 per jaar. Bij brief van 28 november 1988, kenmerk HW/CK 7603 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat het toenmalige waterschap IJsselmonde verzocht de nog resterende dijkvakken op IJsselmonde, waarvan de Oostmolendijk deel uitmaakt, onverwijld en op basis van een veiligheidsnorm van 1/10.000 per jaar te hervatten. De versterking van de Oostmolendijk is in het door de Staatsecretaris van Verkeer en Waterstaat vastgestelde Hoogwaterbeschermingsprogramma 2007–2012 opgenomen.
De Oostmolendijk is in 2004 in het kader van de tweede Veiligheidstoets op grond van de Wet op de waterkering afgekeurd op de stabiliteit van het binnentalud en moest daarom worden versterkt. Op grond van nieuwe geotechnische berekeningen, die werden uitgevoerd naar aanleiding van het in december 2008 uitgebrachte Ontwerpkader Rivierdijken (Rijkswaterstaat), bleek dat voor de dijkvakken 1, 2 en 5 aanpassing van het oorspronkelijke plan noodzakelijk was. Om de maatgevende waterstanden te kunnen keren dient bij de Oostmolendijk de stabiliteitsberm aan de binnenkant te worden verbreed.
Het moet in het belang van de bescherming van het land tegen hoogwater noodzakelijk worden geacht dat het Waterschap Hollandse Delta de eigendom verkrijgt van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.
De door reclamanten naar voren gebrachte zienswijzen worden niet van zodanig gewicht geacht dat op grond daarvan het verzoek om een koninklijk besluit ex artikel 62 van de onteigeningswet moet worden afgewezen.
Beslissing
Gelet op de onteigeningswet,
Gehoord de Afdeling advisering van de Raad van State, advies van 3 augustus 2011, nr. W14.11.0186/IV, en gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 13 september 2011, nr. RWSCD BJV 2011/910, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed;
Hebben Wij goedgevonden en verstaan:
Ten behoeve van de versterking van de Oostmolendijk, dijkvak 2, vanaf het Nieuwe Veer (hm. 496,5) tot 50 meter na het pand Oostmolendijk nr. 40 (hm 501,8), met bijkomende werken in de gemeente Ridderkerk, zullen ten algemenen nutte en ten name van het Waterschap Hollandse Delta worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeente Ridderkerk en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst ter inzage heeft gelegen als:
|
Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Ridderkerk |
|||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Grondplannr. |
Te onteigenen grootte |
Als |
Ter grootte van |
Sectie en nr. |
Ten name van |
||||
|
ha |
a |
ca |
ha |
a |
ca |
||||
|
1 |
0 |
10 |
92 |
Terrein (akkerbouw) |
4 |
76 |
87 |
C 5684 |
Pieter Plaisier, gehuwd met Harriëtte Aleide Mesland, Ridderkerk |
|
2 |
0 |
03 |
34 |
Terrein (akkerbouw) |
1 |
01 |
40 |
C 5235 |
Elk 1/5 eigendom: Hendrik Willem van den Hoek, Ridderkerk Willem van den Hoek, Ridderkerk Jacob van den Hoek, Ridderkerk Adriaan Jacob van den Hoek, Ridderkerk Leendert Willem van den Hoek, gehuwd met Mariette Agatha Theodora van Gerven, Ridderkerk Allen verkregen ten behoeve van maatschap: maatschap van den hoek |
|
3 |
0 |
15 |
03 |
Terrein (akkerbouw) |
8 |
23 |
86 |
C 6584 |
Elk 1/3 eigendom: Jan Marinus Plaisier, gehuwd met Maria Stehouwer, Ridderkerk Gerardina Elizabeth Plaisier, gehuwd met André Simon Bakker, Anna Paulowna Arie Jan Plaisier, gehuwd met Anneke Christine van Wijk, Oene |
Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden gezonden.
Den Haag, 19 september 2011
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-17689.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.