BIJLAGE 2
Bijlage B bij de Regeling leerresultaten PO
Normen voor beoordeling leerresultaten per toets
Voor elke toets waarmee een basisschool zich verantwoordt over de leerresultaten, bestaan eigen normen. Deze normen houden
rekening met de leerlingpopulatie op de basisschool (percentage gewogen leerlingen, schoolgroep). De norm geeft per toets
aan wanneer de gemiddelde schoolscore op de toets, oftewel de leerresultaten van de school, voldoende is.
Schoolgroepen
Bij de beoordeling van een aantal toetsen onderscheidt de inspectie schoolgroepen. Als de schoolgroep niet op de te analyseren
formulieren vermeld wordt, bepaalt de inspectie deze aan de hand van het percentage gewogen leerlingen op de hele school.
De inspectie raadpleegt eventueel de DUO-gegevens om de schoolgroep te bepalen. Vóór 2010 gaat het om de leerlinggewichten
in de betreffende groep.
1. Eindtoets Basisonderwijs van Cito
Met ingang van het schooljaar 2009–2010 zijn de schoolrapporten bij de Cito Eindtoets gewijzigd. De IC-tabel is vervangen
door het Schoolrapport correctie LG en het Schoolrapport B is vervangen door het Schoolrapport zonder correctie.
Het Schoolrapport correctie LG bevat de gecorrigeerde standaardscore (LG-score), de schoolscore die gecorrigeerd is voor het percentage gewogen leerlingen op de school. Het Schoolrapport zonder correctie bevat de ongecorrigeerde standaardscore.
Toetsen vóór het schooljaar 2009–2010: Het schoolrapport met de IC-tabel (tabel met instroomcorrectie) bevat de GLG-score,
de schoolscore die gecorrigeerd is voor het gemiddelde leerlinggewicht. Schoolrapport B bevat de gemiddelde standaardscore.
Groepsgrootte: Als het oordeel wordt gebaseerd op 10 of meer leerlingen kijkt de inspectie naar het Schoolrapport correctie
LG (met ingang van schooljaar 2009–2010) en de IC-tabel (vóór schooljaar 2009–2010). Bij minder dan 10 leerlingen wordt het
oordeel gebaseerd op de gegevens op het Schoolrapport zonder correctie (met ingang van schooljaar 2009–2010) en het Schoolrapport
B (vóór schooljaar 2009–2010), omdat de LG- en GLG-score voor kleine groepen minder betrouwbaar zijn.
Scholen besluiten soms leerlingen die het eindniveau van groep 8 niet halen, uit te sluiten van de Eindtoets omdat deze te
moeilijk zou zijn. Het Cito heeft voor deze groep leerlingen een aangepaste versie op een lager niveau ontwikkeld: de Niveautoets. Deze toets meet hetzelfde als de Eindtoets maar bevat meer eenvoudige opgaven. De scores op deze toets kunnen rechtstreeks
vergeleken worden met die op de Eindtoets, omdat het Cito zorgt dat de scores op dezelfde schaal worden geplaatst, en kunnen
dus zonder probleem meetellen in het schoolgemiddelde.
1.1. Beoordeling op basis van het Schoolrapport met correctie (≥ 10 leerlingen)
Op het Schoolrapport met correctie LG staat de gecorrigeerde standaardscore (LG-score) vermeld. Deze wordt vanaf het schooljaar
2009–2010 door de inspectie bij de beoordeling gebruikt.
Bij toetsen vóór het schooljaar 2009–2010 wordt de IC-tabel gebruikt. De inspectie beoordeelt de resultaten aan de hand van
de score gecorrigeerd voor GLG (Gemiddeld Leerling Gewicht).
In de volgende tabel staan de onder- en bovengrenzen voor de LG- en GLG-score. In de LG- en GLG-score zijn de kenmerken van
de leerlingenpopulatie (correctie voor het leerlinggewicht) verwerkt. Dat betekent dat er geen onderscheid in schoolgroepen
meer nodig is en dat voor alle scholen dezelfde ondergrens geldt.
Tabel 1. Normen gecorrigeerde standaardscore Cito Eindtoets
|
Cito Eindtoets LG / GLG
|
|
Schooljaar
|
Ondergrens
|
Landelijk gemiddelde
|
Bovengrens
|
|
2010–2011 (LG)
|
533,8
|
535,2
|
536,6
|
|
2009–2010 (LG)
|
533,8
|
535,2
|
536,6
|
|
2008–2009 (GLG)
|
533,8
|
535,2
|
536,6
|
|
2007–2008 (GLG)
|
533,7
|
534,9
|
536,1
|
|
2006–2007 (GLG)
|
533,6
|
534,8
|
536,0
|
Norm eindresultaten per schooljaar op basis van de LG / GLG-score
|
De eindresultaten van een bepaald schooljaar zijn
|
als de LG- of GLG-score:
|
|
goed
|
op of boven de bovengrens ligt;
|
|
voldoende
|
op of boven de ondergrens en onder de bovengrens ligt;
|
|
onvoldoende
|
onder de ondergrens ligt.
|
1.2. Beoordeling op basis van het Schoolrapport zonder correctie
De ongecorrigeerde standaardscore uit het Schoolrapport zonder correctie (met ingang van het schooljaar 2009–2010) of de gemiddelde
standaardscore uit het Schoolrapport B (vóór het schooljaar 2009–2010) wordt gebruikt voor de beoordeling van eindresultaten
in de volgende situaties:
-
1. De beoordeling van kleine groepen (minder dan 10 leerlingen die in de beoordeling worden betrokken).
-
2. De beoordeling van resultaten op het Drempelonderzoek 678 van 678 Onderwijs Advisering. De werkwijze voor het Drempelonderzoek
staat beschreven in paragraaf 3.
-
3. Als er geen Schoolrapport met correctie of IC-tabel beschikbaar is.
Tabel 2. Normen Cito Eindtoets ongecorrigeerde standaardscore
|
Cito Eindtoets
|
|
Schoolgroep
|
Ongecorrigeerde standaardscore
|
| |
Ondergrens
|
Landelijk gemiddelde
|
Bovengrens
|
|
Schooljaar 2010–2011
|
|
|
|
|
1
|
>88% 0,00 leerlingen
|
534,8
|
536,5
|
538,2
|
|
2
|
75–88% 0,00 leerlingen
|
532,9
|
534,8
|
536,6
|
|
3
|
≥25% gewogen leerlingen, aantal leerlingen 1,20 < 0,30
|
530,5
|
532,7
|
534,9
|
|
4
|
≥25% gewogen leerlingen, aantal leerlingen 1,20 ≥ 0,30
|
527,3
|
529,7
|
532,0
|
|
Schooljaar 2009–2010
|
|
|
|
|
1
|
>88% 0,00 leerlingen
|
534,8
|
536,5
|
538,2
|
|
2
|
75–88% 0,00 leerlingen
|
532,9
|
534,8
|
536,6
|
|
3
|
≥25% gewogen leerlingen, aantal leerlingen 1,20 < 0,30
|
530,5
|
532,7
|
534,9
|
|
4
|
≥25% gewogen leerlingen, aantal leerlingen 1,20 ≥ 0,30
|
527,3
|
529,7
|
532,0
|
|
Schooljaar 2008–2009
|
|
|
|
|
1
|
100% 1,00 leerlingen
|
535,2
|
537,2
|
539,2
|
|
2
|
76–99% 1,00 leerlingen
|
534,5
|
536,2
|
537,9
|
|
3
|
51–75% 1,00 leerlingen
|
532,6
|
534,4
|
536,3
|
|
4
|
0–50% 1.00 leerlingen
|
530,3
|
532,8
|
535,4
|
|
5
|
26–50% 1,90 leerlingen
|
530,9
|
532,9
|
534,8
|
|
6
|
51–75% 1,90 leerlingen
|
528,1
|
530,4
|
532,7
|
|
7
|
> 75% 1,90 leerlingen
|
526,6
|
528,9
|
531,2
|
|
Schooljaar 2007–2008
|
|
|
|
|
1
|
100% 1,00 leerlingen
|
535,1
|
537,3
|
539,5
|
|
2
|
76–99% 1,00 leerlingen
|
534,5
|
536,1
|
537,7
|
|
3
|
51–75% 1,00 leerlingen
|
532,6
|
534,5
|
536,4
|
|
4
|
0–50% 1.00 leerlingen
|
530.2
|
532,5
|
534,8
|
|
5
|
26–50% 1,90 leerlingen
|
530,3
|
532,5
|
534,7
|
|
6
|
51–75% 1,90 leerlingen
|
528,3
|
530,7
|
533,1
|
|
7
|
>75% 1,90 leerlingen
|
526,9
|
529,2
|
531,5
|
|
Schooljaar 2006–2007
|
|
|
|
|
1
|
100% 1,00 leerlingen
|
535,1
|
537,4
|
539,7
|
|
2
|
76–99% 1,00 leerlingen
|
533,8
|
536,1
|
538,4
|
|
3
|
51–75% 1,00 leerlingen
|
531,9
|
534,2
|
536,5
|
|
4
|
0–50% 1.00 leerlingen
|
529,5
|
531,8
|
534,1
|
|
5
|
26–50% 1,90 leerlingen
|
530,3
|
532,6
|
534,9
|
|
6
|
51–75% 1,90 leerlingen
|
527,3
|
529,6
|
531,9
|
|
7
|
>75% 1,90 leerlingen
|
526,1
|
528,4
|
530,7
|
Norm eindresultaten per schooljaar op basis van de ongecorrigeerde standaardscore
|
De eindresultaten van een bepaald schooljaar zijn
|
als de ongecorrigeerde standaardscore voor de betreffende schoolgroep:
|
|
goed
|
op of boven de bovengrens ligt;
|
|
voldoende
|
op of boven de ondergrens en onder de bovengrens ligt;
|
|
onvoldoende
|
onder de ondergrens ligt.
|
2. Schooleindonderzoek van de vier Landelijke Protestants Christelijke Schoolbegeleidingsdiensten
Op het overzicht van de schoolresultaten staan de gemiddelden van twee indexen: de schoolvorderingen (SV) en de intelligentie
(IQ). Wanneer de SV-index lager is dan de IQ-index is dat een indicatie voor een minder goed presterende school. Indien de
SV-index hoger is dan de IQ-index is dat een indicatie voor een beter presterende school. Op het overzichtsformulier van de
school staat ook een meerjarenoverzicht waar deze verschilscores zijn omgezet naar zogenaamde z-scores. In deze z-scores zijn de resultaten van alle deelnemende
scholen betrokken. De z-score geeft het aantal standaarddeviaties aan dat de schoolscore verschilt van de gemiddelde schoolscore
van de deelnemende scholen.
De z-scores staan op het formulier als ’afwijkingsscore t.o.v. gemiddelde SV-IQ’ vermeld. Op deze scores baseert de inspectie haar oordeel
over de school.
Tabel 3. Norm Schooleindonderzoek
|
Schooleindonderzoek
|
|
Ondergrens
|
Landelijk gemiddelde
|
Bovengrens
|
|
–0,5
|
0
|
0,5
|
Norm leerresultaten per schooljaar op basis van het Schooleindonderzoek
|
De leerresultaten van een bepaald schooljaar zijn
|
als de z-score:
|
|
goed
|
op of boven de bovengrens ligt;
|
|
voldoende
|
op of boven de ondergrens en onder de bovengrens ligt;
|
|
onvoldoende
|
onder de ondergrens ligt.
|
3. Drempelonderzoek 678 van 678 Onderwijs Advisering1
Scholen gebruiken het Drempelonderzoek 678 op drie manieren:
-
1. Alle leerlingen doen mee aan het Drempelonderzoek 678. In dit geval wordt de onderstaande procedure ‘Drempelonderzoek 678
bij alle leerlingen’ gevolgd.
-
2. De school neemt de Cito Eindtoets af bij een deel van de leerlingen en bij enkele leerlingen het Drempelonderzoek 678. Ook
komt het voor dat de school eerst alle leerlingen het Drempelonderzoek 678 laat doen en daarna alleen de betere leerlingen
de Cito Eindtoets laat maken. In deze gevallen worden de scores van het Drempelonderzoek 678 omgezet naar Cito-scores en wordt
de hieronder beschreven werkwijze ‘Drempelonderzoek 678 en Cito Eindtoets’ gevolgd.
-
3. De school neemt geen Cito Eindtoets af en enkele leerlingen doen het Drempelonderzoek 678. In dit geval is het niet mogelijk
gebruik te maken van de gegevens uit het Drempelonderzoek 678. Indien ook geen Entreetoetsen zijn afgenomen, baseert de inspectie
het oordeel over de leerresultaten op gegevens uit het leerlingvolgsysteem.
In de onderstaande tabellen wordt ervan uitgegaan dat de scores van het Drempelonderzoek 678 tot 60 lopen (DGM60). Er is echter
ook een score, waarbij deze doorloopt tot 66 (DGM66). Deze heeft een uitloop voor betere leerlingen om op individueel niveau
onderscheid te maken tussen een havo-advies en vwo-advies. De normering in deze paragraaf is echter gebaseerd op de DGM60.
Ad 1. Procedure Drempelonderzoek 678 bij alle leerlingen
Vanaf schooljaar 2009–2010 vermeldt het formulier ‘totaaloverzicht’ van het Drempelonderzoek 678 de gemiddelde Cito-score
van alle deelnemende leerlingen. Deze score wordt gehanteerd bij het bepalen van het oordeel over de eindopbrengsten. De inspectie
gebruikt hierbij de normen voor het Schoolrapport zonder correctie (Tabel 2). De schoolgroep wordt bepaald op basis van het
percentage gewogen leerlingen op de gehele school (DUO-gegevens). Het is in dit geval niet mogelijk de normen voor de gecorrigeerde
score (LG-score) te gebruiken.
Vóór schooljaar 2009–2010 worden de normen uit de onderstaande tabel gebruikt om het schoolgemiddelde van de DGM60 te vergelijken
met de ondergrens voor de betreffende schoolgroep.
Tabel 4. Normen Drempelonderzoek 678 vóór schooljaar 2009–20101
|
Drempelonderzoek 678
|
|
Schoolgroep
|
Gemiddelde DGM60 score
|
|
Ondergrens
|
Bovengrens
|
|
1
|
100% 1,00 leerlingen
|
53,1
|
56,2
|
|
2
|
76–99% 1,00 leerlingen
|
51,8
|
55,4
|
|
3
|
51–75% 1,00 leerlingen
|
49,9
|
54,5
|
|
4
|
0–50% 1.00 leerlingen
|
47,5
|
52,1
|
|
5
|
26–50% 1,90 leerlingen
|
48,3
|
52,9
|
|
6
|
51–75% 1,90 leerlingen
|
46,4
|
49,9
|
|
7
|
>75% 1,90 leerlingen
|
46,0
|
48,7
|
X Noot
1 De normen in deze tabel zijn toepasbaar op alle schooljaren vóór schooljaar 2009–2010, waarin het Drempelonderzoek is afgenomen.
Het gemiddelde van de DGM60 staat met ingang van het schooljaar 2008–2009 op de groepsoverzichten van het Drempelonderzoek
678 aangegeven. Voor voorgaande jaren moet dit handmatig berekend worden uit de individuele leerlingenscores.
Norm leerresultaten per schooljaar op basis van het Drempelonderzoek 678
|
De leerresultaten van een bepaald schooljaar zijn
|
als de gemiddelde DGM60 score of de gemiddelde Cito-score voor de betreffende schoolgroep:
|
|
goed
|
op of boven de bovengrens ligt;
|
|
voldoende
|
op of boven de ondergrens en onder de bovengrens ligt;
|
|
onvoldoende
|
onder de ondergrens ligt.
|
Ad 2. Procedure Cito Eindtoets én Drempelonderzoek 678
Als een deel van de leerlingen de Cito Eindtoets heeft gemaakt en een deel van de leerlingen het Drempelonderzoek 678, wordt
de onderstaande werkwijze toegepast. Het komt voor dat sommige leerlingen beide toetsen maken. In dat geval baseert de inspectie
haar oordeel op de Cito Eindtoetsscores.
Met ingang van schooljaar 2009–2010 wordt de Cito-score per leerling zoals vermeld op het ‘totaaloverzicht’ van het Drempelonderzoek
678 gebruikt. De inspectie berekent de gemiddelde Cito standaardscore van de hele groep door het gewogen gemiddelde van de
scores uit beide bronnen te nemen. Bij de beoordeling worden de normen voor het Schoolrapport zonder correctie gebruikt (Tabel
2). De schoolgroep wordt bepaald op basis van het percentage gewogen leerlingen op de gehele school (DUO-gegevens). Het is
in dit geval niet mogelijk de normen voor de gecorrigeerde score (LG-score) te gebruiken.
Vóór schooljaar 2009–2010 worden de individuele Drempelonderzoekscores van de leerlingen die niet aan de Cito Eindtoets hebben
deelgenomen, omgezet volgens de onderstaande conversietabel naar een Cito-score. Daarna wordt de werkwijze zoals beschreven
voor de periode vanaf schooljaar 2009–2010 toegepast (zie hierboven).
Tabel 5. Conversietabel op leerlingniveau van Drempelscore (DGM60) naar Cito Eindtoetsscore1
|
DGM60
|
Cito-score
|
DGM60
|
Cito-score
|
DGM60
|
Cito-score
|
|
14–20
|
502
|
37
|
517
|
50
|
531
|
|
21–23
|
503
|
38
|
518
|
51
|
532
|
|
24–26
|
504
|
39
|
519
|
52
|
533
|
|
27
|
505
|
40
|
520
|
53
|
534
|
|
28
|
506
|
41
|
521
|
54
|
536
|
|
29
|
507
|
42
|
522
|
55
|
537
|
|
30
|
509
|
43
|
523
|
56
|
539
|
|
31
|
511
|
44
|
524
|
57
|
540
|
|
32
|
512
|
45
|
525
|
58
|
541
|
|
33
|
513
|
46
|
526
|
59
|
543
|
|
34
|
514
|
47
|
527
|
60
|
546
|
|
35
|
515
|
48
|
528
|
|
|
|
36
|
516
|
49
|
530
|
|
|
X Noot
1De normen in deze tabel zijn toepasbaar op alle schooljaren vóór schooljaar 2009–2010 waarin het Drempelonderzoek is afgenomen.
Voorbeeld:
Stel dat vijftien leerlingen de Cito Eindtoets hebben gedaan en vijf leerlingen alleen aan het Drempelonderzoek 678 hebben
deelgenomen. Met behulp van de tabel kan de Drempelscore worden omgezet naar een Cito-score. Dat betekent, bijvoorbeeld, dat
een individuele leerling met een Drempelscore van 26 een Cito-score krijgt van 504, een leerling met een Drempelscore van
35 een Cito-score van 515, een Drempelscore van 60 wordt 546, etc.
Het nieuwe schoolgemiddelde voor twintig leerlingen wordt vervolgens berekend door 15 x de gemiddelde standaardscore van de
Cito Eindtoets te berekenen, daar de (uit conversie verkregen) Cito-scores van de vijf ‘drempelleerlingen’ bij op te tellen
en deze som te delen door twintig. De school behoort in 2007 bijvoorbeeld tot schoolgroep 3. De zojuist berekende uitkomst
moet worden vergeleken met de ondergrens van 531,9 die we in Tabel 2 vinden.
De normen in Tabel 4 zijn bepaald aan de hand van de gemiddelde scores die door scholen behorend tot de verschillende schoolgroepen
zijn behaald. De normen in Tabel 5 zijn daarentegen bepaald op basis van scores van individuele leerlingen. De beide tabellen
zijn daardoor niet rechtstreeks met elkaar te vergelijken.
4. Cito Entreetoets
De inspectie betrekt de Cito Entreetoets met ingang van het schooljaar 2011–2012 niet meer bij de beoordeling van de eindresultaten.
Indien de beoordeling van de leerresultaten niet gebaseerd kan worden op gegevens van de Cito Eindtoets, het Schooleindonderzoek
of het Drempelonderzoek 678, betrekt de inspectie de gegevens van de Cito Entreetoets van groep 7 tot en met schooljaar 2010–2011
nog wel bij de beoordeling.
Met ingang van het schooljaar 2009–2010 zijn de schoolrapporten bij de Cito Entreetoets gewijzigd. Het Schoolrapport correctie LG bevat het gecorrigeerd aantal goed, de schoolscore die gecorrigeerd is voor het percentage gewogen leerlingen op de school. Het Schoolrapport zonder correctie bevat het ongecorrigeerde aantal goed.
De normen in tabel 6a zijn van toepassing op de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011; de normen in tabel 6b en 6c zijn van toepassing
op eerdere schooljaren.
Tabel 6a. Normen Entreetoets schooljaar 2009–2010 en 2010–2011
|
Gecorrigeerd aantal goed
|
|
Ondergrens
|
Landelijk gemiddelde
|
Bovengrens
|
|
281,6
|
290,4
|
299,2
|
Voor leerresultaten aan de hand van de Entreetoets van groep 7 uit de periode vóór schooljaar 2009–2010 gaat de inspectie
bij de beoordeling uit van het gemiddelde percentage goed.
Tabel 6b. Normen Entreetoets groep 7 schooljaar 2008–2009
|
Entreetoets groep 7
|
|
Schoolgroep
|
Ondergrens gemiddeld % goed
|
|
<25% gewogen leerlingen
|
68
|
|
25%–50% gewogen leerlingen
|
65
|
|
≥50% gewogen leerlingen
|
55
|
De normen in de tabel worden toegepast op resultaten verkregen over het schooljaar 2008–2009. De resultaten van vóór 2008-2009
worden beoordeeld met de normen in tabel 6c.
Tabel 6c. Normen Entreetoets groep 7 vóór schooljaar 2008–2009
|
Schoolgroep
|
Ondergrens gemiddeld % goed (norm)
|
|
1
|
100% 1,00 leerlingen
|
67
|
|
2
|
76–99% 1,00 leerlingen
|
65
|
|
3
|
51–75% 1,00 leerlingen
|
61
|
|
4
|
0–50% 1.00 leerlingen
|
60
|
|
5
|
26–50% 1,90 leerlingen
|
59
|
|
6
|
51–75% 1,90 leerlingen
|
46
|
|
7
|
>75% 1,90 leerlingen
|
46
|
Norm leerresultaten per schooljaar op basis van de Cito Entreetoets
|
De leerresultaten van een bepaald schooljaar zijn
|
als het gecorrigeerd aantal goed of het percentage goed voor de betreffende schoolgroep:
|
|
voldoende
|
op of boven de ondergrens ligt;
|
|
onvoldoende
|
onder de ondergrens ligt.
|
5. Toetsen uit het leerlingvolgsysteem
Indien er geen resultaten van bovengenoemde toetsen beschikbaar zijn, worden de resultaten aan het eind van de basisschool
beoordeeld aan de hand van methodeonafhankelijke en landelijk genormeerde toetsen voor Rekenen en wiskunde en Begrijpend lezen
in de leerjaren 8 van de drie laatste schooljaren (cohorten).
Voor een positief oordeel over de resultaten aan het einde van de schoolperiode geldt dat ten minste één van de drie jaren
voor Rekenen en wiskunde én Begrijpend lezen positief moet scoren om tot een voldoende te komen.
Norm leerresultaten per schooljaar op basis van leerlingvolgsysteem
|
De leerresultaten van een bepaald schooljaar zijn
|
als de resultaten voor Rekenen en wiskunde én Begrijpend lezen aan het eind van de basisschool:
|
|
voldoende
|
beide voldoen aan de norm;
|
|
onvoldoende
|
niet beide voldoen aan de norm.
|
In de volgende paragrafen staan de procedures beschreven voor de beoordeling van de toetsen uit de leerlingvolgsystemen van
Cito en de oude DLE-toetsen van Boom test uitgevers (geldig tot en met schooljaar 2009–2010). Daarnaast zijn de normen voor
de begrijpend lezen toets van 678 Onderwijs Advisering opgenomen.
5.1. Cito leerlingvolgsysteem: Rekenen en wiskunde en Begrijpend lezen
Bij het beoordelen van de eindopbrengsten aan de hand van het Cito-leerlingvolgsysteem maakt de inspectie gebruik van de toetsgegevens
Begrijpend lezen en Rekenen en wiskunde van groep 8. Omdat in bepaalde gevallen bij de beoordeling van kleine scholen ook
de toetsgegevens van groep 7 kunnen worden betrokken, worden in de tabellen in deze paragraaf ook de normen voor groep 7 vermeld
(zie verder bijlage E).
Met ingang van het schooljaar 2011–2012 beoordeelt de inspectie de oude leerlingvolgsysteemtoetsen uit 2002 en eerder niet
meer.
Begin- en middentoetsen:
De nieuwe leerlingvolgsysteemtoetsen voor Begrijpend lezen en Rekenen en wiskunde in groep 8, kunnen in november of januari
worden afgenomen. Het gaat in beide gevallen om dezelfde toets. De inspectie adviseert scholen – in hun eigen belang – de
toetsen die zijn afgenomen in januari te gebruiken voor de verantwoording van de eindresultaten.
Nieuwe normen:
Op dit moment zijn er nog onvoldoende empirische gegevens beschikbaar om definitieve normen op schoolniveau te kunnen bepalen voor de toetsen van de groepen 7 en 8. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat de voorlopige normen voor
de groepen 7 en 8 niet adequaat zijn. Bij het bepalen van de definitieve normen op schoolniveau voor de toetsen van groep
3 tot en met 6, is namelijk al gebleken dat deze substantieel afwijken van de eerder geformuleerde voorlopige normen. In afwachting
van – door het Cito te berekenen – definitieve normen voor de groepen 7 en 8, hanteert de inspectie met ingang van 1 augustus 2011 de normen in de tabel 7a. Dit zijn dezelfde normen die zij vóór het intreden van de vaardigheidsscores ook heeft gehanteerd.
Scholen die vóór 1 augustus 2011 al met oude normen zijn beoordeeld, behouden dat oordeel.
Tabel 7a. Normen nieuwe Cito LVS-toetsen groepen 7 en 8 met ingang van 1 augustus 2011
|
Percentage leerlingen met een D- of E-score
|
|
Schoolgroep
|
Maximaal % D- en E-leerlingen
|
|
<15% gewogen leerlingen
|
25%
|
|
≥15% gewogen leerlingen
|
30%
|
Dit betekent dat de resultaten op de bovengenoemde toetsen voldoende zijn als het percentage leerlingen dat een D- of E-score
heeft op de betreffende toets gelijk of kleiner is aan het maximum in tabel 7a.
Tabel 7b geeft de normen weer voor de oude Cito toetsen voor schooljaar 2009–2010 en 2010–2011 voor de groepen 7 en 8. Tabel
7c en 7d bevatten de normen voor schooljaar 2008–2009 en 2007–2008 (en eerder) voor groep 8.
Tabel 7b. Normen oude Cito LVS-toetsen schooljaren 2009–2010 en 2010–2011
| |
Groep 7
|
Groep 8
|
|
Schoolgroep
|
Gemiddelde vaardigheidsscore
|
|
Ondergrens midden
|
Ondergrens eind
|
Ondergrens midden
|
|
Rekenen en wiskunde
|
Begrijpend lezen
|
Rekenen en wiskunde
|
Rekenen en wiskunde
|
Begrijpend lezen
|
|
<15% gewogen leerlingen
|
103
|
45
|
107
|
112
|
54
|
|
≥15% gewogen leerlingen
|
100
|
40
|
104
|
108
|
50
|
Tabel 7c. Normen Cito LVS-toetsen over schooljaar 2008–2009
|
Rekenen en wiskunde algemeen en Begrijpend Lezen
groep 8
|
|
Schoolgroep
|
Rekenen en wiskunde
|
Begrijpend lezen
|
|
Gemiddelde vaardigheidsscore
|
|
Ondergrens midden
|
Ondergrens midden
|
|
<25% gewogen leerlingen
|
112
|
54
|
|
25%–50% gewogen leerlingen
|
109
|
52
|
|
≥50% gewogen leerlingen
|
98
|
46
|
Tabel 7d. Normen Cito LVS-toetsen schooljaar vóór schooljaar 2008–2009
|
Rekenen en wiskunde algemeen en Begrijpend lezen
groep 8
|
|
Schoolgroep
|
Rekenen en wiskunde
|
Begrijpend lezen
|
|
Gemiddelde vaardigheidsscore
|
|
Ondergrens midden
|
Ondergrens midden
|
|
>50% 1.00 leerlingen
|
116
|
55
|
|
>50% gewogen leerlingen
|
112
|
48
|
|
>50% 1.90 leerlingen
|
111
|
42
|
Het oordeel op een toets is voldoende als de gemiddelde vaardigheidsscore op of boven de gegeven ondergrens ligt.
Als leerlingen toetsen maken op een lager niveau, tellen ze in principe mee in de gemiddelde vaardigheidsscore van de school.
Hiervoor is het wel van belang dat de toetsversies hetzelfde zijn, aangezien het noodzakelijk is dat de toetsscores op dezelfde
schaal liggen. Dit is niet het geval als gebruik wordt gemaakt van verschillende versies. In dat geval hanteert de inspectie
de normen in tabel 7a.
5.2. DLE-toetsen: Rekenen en wiskunde en Begrijpend lezen Boom test uitgevers
Met ingang van het schooljaar 2010–2011 beoordeelt de inspectie de DLE-toetsen met de oude normering niet meer. Voor scholen
die de verouderde toetsen gebruiken zijn er voor de verantwoording van de leerresultaten in de schooljaren 2010–2011 en 2011–2012
twee alternatieven:
-
• de school neemt eenmalig een eindtoets af waarmee de eindresultaten kunnen worden verantwoord (zie bijlage A);
-
• de school neemt deel aan het normeringsonderzoek voor de toetsen Begrijpend lezen en Rekenen en wiskunde in groep 8 van Boom
test uitgevers, waarin tevens voorzien is in de afname van een eindtoets.
In de tabellen 8a en 8b staat beschreven hoe de inspectie de resultaten op de oude DLE-toetsen beoordeelt tot en met schooljaar
2009–2010. Deze tabellen geven de normen weer voor het percentage zwakst presterende leerlingen.
Tabel 8a. Normen DLE-toetsen met ingang van schooljaar 2009–2010
|
Schoolgroep
|
Maximaal % zwakste leerlingen
|
|
<15% gewogen leerlingen
|
25
|
|
≥15% gewogen leerlingen
|
30
|
Tabel 8b. Normen DLE-toetsen vóór schooljaar 2009–2010
|
Schoolgroep
|
Maximaal % zwakste leerlingen
|
|
<25% gewogen leerlingen
|
25
|
|
25%–50% gewogen leerlingen
|
30
|
|
≥50% gewogen leerlingen
|
35
|
De resultaten voor een toets zijn voldoende als het percentage zwakst presterende leerlingen op of onder het maximum voor
de betreffende schoolgroep ligt.
In de volgende tabellen (9a en 9b) staan de normen voor het bepalen van het aantal zwakst presterende leerlingen in termen
van achterstanden in maanden (DLE-DL) (te vergelijken met Cito D- en E-niveau). Indien een leerling een achterstand heeft
die groter is dan de in de tabel vermelde norm, behoort deze tot de groep zwakst presterende leerlingen.
Tabel 9a. Normen achterstanden (DL-DLE) schooljaren 2008–2009 en 2009–2010
|
DLE-toetsen
|
| |
Achterstand in maanden (DLE-DL)
|
| |
Afnameperiode
|
Rekenen en wiskunde
|
Begrijpend lezen A
|
Begrijpend lezen B
|
|
Groep 7
|
September–januari
|
–3
|
–6
|
–7
|
| |
Februari–juli
|
–3
|
–8
|
–8
|
|
Groep 8
|
September–januari
|
–5
|
–11
|
–8
|
| |
Februari–juli
|
–7
|
–12
|
–10
|
Tabel 9b. Normen achterstanden (DL-DLE) vóór schooljaar 2008–2009
|
DLE-toetsen
|
| |
Achterstand in maanden (DLE-DL)
|
| |
Afnameperiode
|
Rekenen en wiskunde
|
Begrijpend lezen A
|
Begrijpend lezen B
|
|
Groep 8
|
September–januari
|
–6
|
–12
|
–10
|
| |
Februari–juli
|
–7
|
–12
|
–10
|
5.3. Begrijpend lezen toets van 678 Onderwijs Advisering
De volgende tabel geeft de normen weer voor het bepalen van het percentage zwakst presterende leerlingen bij Begrijpend lezen
op de toets van 678 Onderwijs Advisering.
Tabel 10. Normen begrijpend lezen toetsen 678 Onderwijs Advisering
|
Begrijpend lezen groep 8
|
|
Schoolgroep
|
Maximaal % zwakste leerlingen
|
|
<15% gewogen leerlingen
|
25
|
|
≥15% gewogen leerlingen
|
30
|
De resultaten voor een toets zijn voldoende als het percentage zwakst presterende leerlingen op of onder het maximum (voor
de betreffende schoolgroep) ligt.
Onderstaande tabel geeft de normen voor het bepalen van de zwakst presterende leerlingen bij begrijpend lezen. Indien een
leerling een score heeft die lager is dan de in de tabel vermelde norm, behoort deze tot de groep zwakst presterende leerlingen.
In de tabel zijn ook DLE’s opgenomen. Deze worden alleen gebruikt als geen leerlingenscores beschikbaar zijn, maar wel DLE’s.
Tabel 11. Normen zwakst presterende leerlingen begrijpend lezen toetsen 678 Onderwijs Advisering
| |
Begrijpend lezen 678 (versie 2006)
|
Begrijpend lezen 678 (versie 2006)
|
| |
Score
|
DLE
|
Score
|
DLE
|
|
M7 (december–maart)
|
<28
|
<33
|
<23
|
<32
|
|
E7 (april–juli)
|
<29
|
<35
|
<24
|
<35
|
|
M8 (december–maart)
|
<30
|
<38
|
<25
|
<38
|
BIJLAGE 3
Bijlage C bij de Regeling leerresultaten PO
Correctie op meting leerresultaten en bijzondere omstandigheden
In deze bijlage staat beschreven hoe en wanneer een correctie (zijnde een herberekening) van de leerresultaten plaatsvindt
voor bepaalde groepskenmerken of individuele kenmerken van leerlingen en voor enkele specifieke omstandigheden.
1. Leerlingen die uitstromen naar het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs
Leerlingen met een indicatie voor het voortgezet speciaal onderwijs (vso) of praktijkonderwijs (pro) houdt de inspectie buiten
de beoordeling van de eindresultaten. Dit doet zij ook als deze leerlingen de indicatie hebben, maar hier in de praktijk niet
daadwerkelijk naar uitstromen. Als leerlingen met een pro- of vso-indicatie wel hebben deelgenomen aan de toets, herberekent
de inspectie het schoolgemiddelde, waarbij de resultaten van deze leerlingen buiten beschouwing worden gelaten.
2. Leerlingen met een lgf-, so- of sbo-indicatie die als gevolg van beperktere capaciteiten geheel of gedeeltelijk zijn losgekoppeld
van het reguliere curriculum van de groep.
De inspectie verstaat hierbij onder het hebben van een indicatie het volgende:
-
• sbo-indicatie: De leerling heeft een beschikking van de Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL) van het samenwerkingsverband
voor het sbo.
-
• lgf, so-indicatie: De Commissie voor de Indicatiestelling (CvI) van het Regionaal expertisecentrum heeft geoordeeld dat de
leerling in aanmerking komt voor leerlinggebonden financiering.
De inspectie sluit de resultaten van deze leerlingen uit van de beoordeling als:
-
• de leerling een eigen leerlijn voor taal (één of meer van de vakgebieden technisch lezen, spelling, begrijpend lezen) én voor
rekenen heeft, en
-
• de school voor deze leerling einddoelen (een ontwikkelingsperspectief) heeft bepaald die voldoende onderbouwd en realistisch
zijn, en
-
• van deze einddoelen tussendoelen zijn afgeleid, en
-
• de school kan aantonen op basis van ten minste twee evaluaties dat de leerling zich op beide vakgebieden naar verwachting
ontwikkelt (dus volgens de gestelde doelen).
Het gaat hier dus om uitzonderingsgevallen.
3. Leerlingen die kort in Nederland verblijven èn om die reden het Nederlands minder goed beheersen
Bij de beoordeling van de eindresultaten mogen de resultaten van leerlingen die sinds kort in Nederland verblijven én het Nederlands onvoldoende beheersen in sommige gevallen buiten beschouwing worden gelaten. De richtlijn is dat de leerlingen
aan het begin van het schooljaar korter dan vier jaar in Nederland verblijven én om die reden het Nederlands minder goed beheersen.
De resultaten van leerlingen die al langer in Nederland verblijven en het Nederlands nog steeds onvoldoende beheersen, worden
wel bij de beoordeling van de toetsen betrokken. Dit geldt ook voor de resultaten van leerlingen die korter in Nederland verblijven,
maar het Nederlands wel goed beheersen.
4. Leerlingen die in groep 7 of 8 zijn ingestroomd
De inspectie kan de resultaten van leerlingen die in groep 7 of 8 zijn ingestroomd buiten beschouwing laten bij de beoordeling
van de eindresultaten. Als de inspectie dit doet, corrigeert zij voor alle leerlingen die dit betreft en niet alleen voor
de zwakst scorende leerlingen.
5. Leerlingen die ten onrechte niet aan de toets hebben deelgenomen
De inspectie baseert haar oordeel over de eindresultaten in principe op de leerresultaten van alle leerlingen in groep 8.
Het is mogelijk dat er geen resultaten beschikbaar zijn voor leerlingen, die de inspectie echter niet buiten beschouwing wenst
te laten. Dit betreft bijvoorbeeld leerlingen die naar het lwoo uitstromen en niet hebben deelgenomen aan de eindtoets.
In dit geval kent de inspectie een fictieve score toe (bij Cito Eindtoets: 517; bij Drempelonderzoek 678: 517 vanaf het schooljaar
2009–2010 of 37 vóór het schooljaar 2009–2010) aan de leerlingen die niet hebben deelgenomen aan de toets. Als de leerresultaten
op basis van leerlingvolgsysteemtoetsen worden beoordeeld, dan wordt deze leerling als D/E scorende leerling beschouwd bij
het Cito leerlingvolgsysteem en de begrijpend lezen toets van 678 Onderwijs Advisering.
Het komt voor dat op scholen die zich met het Schooleindonderzoek verantwoorden of die daarvoor voorheen de Entreetoets van
groep 7 hebben gebruikt, leerlingen de toets niet of gedeeltelijk hebben gemaakt. Het is niet mogelijk in dit geval een fictieve
score toe te kennen aan deze leerlingen. In dat geval beoordeelt de inspectie de leerresultaten niet, tenzij de resultaten
ook zonder dat deze leerlingen aan de toets hebben deelgenomen, van onvoldoende niveau zijn. In dat geval beoordeelt de inspectie
de leerresultaten als onvoldoende.
Als een school zich over haar eindresultaten verantwoordt met het leerlingvolgsysteem, komt het voor dat sommige leerlingen
niet deelnemen aan de toets die de rest van de groep maakt. Andere leerlingen maken een toets op een lager niveau (ander leerjaar
of afnamemoment). Het komt ook voor dat leerlingen in het geheel geen toets maken.
Als leerlingen een Cito toets op een ander niveau hebben gemaakt, voegt de inspectie de score van deze leerlingen toe aan
het groepsgemiddelde. Als leerlingen niet zijn getoetst, beschouwt de inspectie hen als leerlingen die onder de norm presteren.
Bij het gebruik van Cito toetsen zijn dit leerlingen met D- en E-scores; dan gelden de volgende grenzen: