Regeling van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nr. DMO-OHW-U-3065710, houdende regels omtrent de bekostiging van de uitvoering van de taken van de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank, genoemd inde Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Bekostigingsregeling Wuvo)

22 juni 2011

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 9, tweede lid, van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen en de artikelen 14, tweede lid, en 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. wet:

de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen;

b. minister:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

c. Raad:

de Pensioen- en Uitkeringsraad, bedoeld in artikel 3 van de wet;

d. Sociale verzekeringsbank:

de Sociale verzekeringsbank, genoemd in hoofdstuk 6 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

e. casuïstieksectie:

een sectie van de Raad waarin beslissingen op de aanvragen, bedoeld in artikel 4, onderdeel a, alsmede de adviezen, bedoeld in artikel 4, onderdeel d, van de wet worden voorbereid;

f. bestuurssectie:

een sectie van de Raad waarin onderwerpen die niet direct samenhangen met beleid of casuïstiek worden voorbereid.

Artikel 2

De Raad zendt de minister jaarlijks vóór 1 oktober een begroting voor het daaropvolgende jaar en een meerjarenraming voor de vier jaren daarna.

Artikel 3

In de begroting en de meerjarenraming van de Raad worden de volgende onderdelen onderscheiden:

  • a. bestuurskosten, te onderscheiden naar:

    • 1. kosten bezoldiging en schadeloosstelling leden van de Raad;

    • 2. overige bestuurskosten;

    • 3. accountantskosten;

  • b. afbouwkosten, te onderscheiden naar:

    • 1. kosten wachtgeldverplichtingen;

    • 2. kosten mobiliteitsbevordering;

    • 3. kosten loon herplaatsers.

Artikel 4

  • 1. De bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 3, onderdeel a en onderdeel b, onder 2, bestaat voor de onderscheiden kosten uit de werkelijk gemaakte kosten tot een door de minister jaarlijks te bepalen maximum.

  • 2. De bijdrage in de kosten, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, onder 1 en 3, bestaat uit de werkelijk gemaakte kosten.

Artikel 5

  • 1. De voorzitter van de Raad wordt naar rato bezoldigd volgens het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 17 als vermeld in Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, uitgaande van een gemiddelde arbeidsduur van 20 uur per week.

  • 2. De plaatsvervangend voorzitter van de Raad wordt naar rato bezoldigd volgens het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 16 als vermeld in Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, uitgaande van een gemiddelde arbeidsduur van 12 uur per week.

  • 3. De leden van de Raad, niet zijnde de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter, ontvangen voor hun werkzaamheden voor de Raad een schadeloosstelling. Gebaseerd op een uurloon dat is afgeleid van het hoogste salarisnummer behorende bij schaal 14, als vermeld in Bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, bedraagt deze voor:

    • a. de werkzaamheden verbonden aan een plenaire vergadering € 393,68;

    • b. de werkzaamheden verbonden aan een vergadering van de casuïstieksectie waarin minder dan vijftien zaken worden behandeld € 255,89;

    • c. de werkzaamheden verbonden aan een vergadering van de casuïstieksectie waarin meer dan vijftien zaken worden behandeld € 393,68;

    • d. de werkzaamheden verbonden aan een vergadering van de bestuurssectie € 255,89;

    • e. de werkzaamheden verbonden aan een hoorzitting € 131,27;

    • f. andere dan de onder a tot en met e genoemde werkzaamheden € 39,37 per uur.

  • 4. Indien een van de in het derde lid bedoelde leden de voorzitter vervangt bij:

    • a. een plenaire vergadering, wordt het in dat lid onder a genoemde bedrag verhoogd met een toeslag van 30 procent;

    • b. een vergadering van de casuïstieksectie, wordt het in dat lid onder b of c genoemde bedrag verhoogd met een toeslag van 10 procent.

  • 5. De bedragen genoemd in het derde lid worden aangepast overeenkomstig de aanpassing van de salarissen van de rijksambtenaren.

  • 6. De leden van de Raad hebben recht op een vergoeding voor reiskosten overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland.

Artikel 6

  • 1. De controle door de accountant, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, van de jaarrekening van de Raad, geschiedt overeenkomstig een door de Minister vastgesteld protocol.

  • 2. De Raad en de accountant, bedoeld in het eerste lid, werken mee aan de door de Rijksauditdienst in te stellen onderzoeken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van die dienst.

Artikel 7

De Sociale verzekeringsbank zendt de minister jaarlijks vóór 1 oktober een begroting voor het daaropvolgende jaar en een meerjarenraming voor de vier jaren daarna betreffende:

  • a. de kosten verbonden aan de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet;

  • b. de kosten genoemd in artikel 9, eerste lid, van de wet, verbijzonderd naar de specifiekewet waarop die kosten betrekking hebben.

Artikel 8

In de begroting en de meerjarenraming van de Sociale verzekeringsbank genoemd in artikel 7, onder a, worden de volgende onderdelen onderscheiden:

  • a. de reguliere kosten;

  • b. de overige kosten, te onderscheiden naar:

    • 1. kosten verbonden aan de vergoeding voor het opstellen van sociale rapportages en verzetsrapportages door de Stichting 1940–1945, de Stichting Pelita en de Stichting Joods Maatschappelijk Werk;

    • 2. kosten verbonden aan de vergoeding voor verificatiewerkzaamheden door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen en het Nederlandse Rode Kruis;

    • 3. kosten verbonden aan keuringen door medisch specialisten en het opvragen van medische informatie;

    • 4. kosten projecten.

Artikel 9

  • 1. De Sociale verzekeringsbank ontvangt voor de kosten genoemd in artikel 8, onderdelen a, en b, onder 4, een door de minister jaarlijks voor 1 december vastgesteld bedrag.

  • 2. De Sociale verzekeringsbank ontvangt voor de kosten genoemd in artikel 8, onderdeel b, onder 1 tot en met 3, een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.

Artikel 10

  • 1. De controle door de accountant, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, van de jaarrekening van de Sociale verzekeringsbank betreffende de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet, geschiedt overeenkomstig een door de Minister vastgesteld protocol.

  • 2. De accountant die de verklaring, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen afgeeft, rapporteert binnen drie maanden na afloop van het boekjaar aan de minister omtrent de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet en de naleving van het bij of krachtens wet bepaalde.

  • 3. De Sociale verzekeringsbank en de in het eerste lid bedoelde accountant werken mee aan de door de Rijksauditdienst in te stellen onderzoeken betreffende de uitvoering van de taken, genoemd in artikel 6 van de wet, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak van die dienst.

Artikel 11

  • 1. Ten behoeve van de opbouw van de egalisatiereserve ontvangt de Sociale verzekeringsbank in 2011 een bijdrage van € 500 000. Indien uit de jaarrekening 2011 blijkt dat de egalisatiereserve per 31 december 2011 hoger is dan 10% van de vergoeding, bedoeld in artikel 9, eerste lid, stort de Sociale verzekeringsbank het meerdere in 2012 terug.

  • 2. Indien de egalisatiereserve per 31 december 2011 gelijk is aan 10% van de vergoeding bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt er in 2012 geen bijdrage aan de opbouw van de egalisatiereserve uitgekeerd. Indien de egalisatiereserve per 31 december 2011 lager is dan 10% van de vergoeding bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt een bijdrage uitgekeerd die de egalisatiereserve per 31 december 2011 aanvult tot maximaal 10% van de vergoeding, bedoeld in artikel 9, eerste lid, met dien verstande dat de bijdrage aan de egalisatiereserve in 2012 maximaal € 500 000 bedraagt.

Artikel 12

De Sociale verzekeringsbank verschaft de minister periodiek de volgende informatie:

  • a. verbijzonderd naar de specifiekewet voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen waarop de aanvraag is gebaseerd dan wel waaraan het recht wordt ontleend, waarbij wordt aangegeven of de aanvrager of de pensioen- of uitkeringsgerechtigde in het binnen- of buitenland woonachtig is:

    • 1. het aantal ingediende aanvragen, verbijzonderd naar categorie, waarbij wordt aangegeven hoeveel daarvan tot een toekenning of afwijzing hebben geleid, dan wel nog niet zijn afgehandeld;

    • 2. het aantal ingediende bezwaarschriften, waarbij wordt aangegeven hoeveel daarvan gegrond zijn verklaard, dan wel nog niet zijn afgehandeld;

    • 3. het aantal ingediende beroepschriften;

    • 4. het aantal nieuwe vaststellingen verbijzonderd naar ‘ambtshalve’ en ‘op verzoek cliënt’;

    • 5. bestand pensioen- en uitkeringsgerechtigden in beheer, verbijzonderd naar betaalbare en niet betaalbare pensioenen en uitkeringen;

    • 6. anciënniteit van de voorraad nog niet afgehandelde eerste en vervolgaanvragen en bezwaarschriften;

    • 7. het percentage beslissingen dat binnen de termijn, binnen de verlengde termijn en buiten de termijn is genomen, verbijzonderd naar een beslissing op een eerste aanvraag, een vervolgaanvraag of een bezwaarschrift.

  • b. het aantal ingediende aanvragen op basis van de Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie, waarbij wordt aangegeven hoeveel daarvan tot een toekenning of afwijzing hebben geleid, al dan niet gevolgd door een bezwaarschrift, dan wel nog niet zijn afgehandeld;

  • c. het aantal vastgestelde fouten;

  • d. het aantal ingediende klachten;

  • e. de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek;

  • f. het aantal adviesaanvragen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de wet;

  • g. de inhoud van nieuwe en gewijzigde beleidsregels voor beschikkingen van de Raad en de Sociale verzekeringsbank als bedoeld in de artikelen 4 en 6, onderdelen a en b, van de wet.

Artikel 13

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner.

TOELICHTING

Op 1 januari 2011 is de wet van 15 april 2010, houdende regeling van de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen door de Pensioen- en Uitkeringsraad en de Sociale verzekeringsbank (Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen: Wuvo) in werking getreden. In deze wet is geregeld dat de uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (verder te noemen de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen) door zowel de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) als de Sociale verzekeringsbank (SVB) plaatsvindt.

In deze regeling wordt invulling gegeven aan artikel 9, tweede lid, van de Wuvo, en de artikelen 14, tweede lid en 26 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet).

In artikel 9, tweede lid, van de Wuvo, is bepaald dat de kosten, gemoeid met de uitvoering van deze wet, ten laste komen van ’s Rijks kas, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels. De bepalingen van de Kaderwet betreffende het jaarverslag (artikel 18) en de verantwoording daarin over de kwaliteit van de dienstverlening (artikel 19), het inlichtingenrecht (artikel 20), de (ontwerp)begroting (artikelen 26 tot en met 30), de egalisatiereserve (artikel 33) en de jaarrekening (artikelen 34 en 35) gelden voor zowel de SVB als de PUR (op basis van de artikelen 2, eerste lid, respectievelijk 3, vierde lid, van de Wuvo). Hierdoor is het overbodig dergelijke bepalingen in deze regeling op te nemen.

In de artikelen 3 en 8 van deze regeling worden de verschillende in de begroting van de PUR, respectievelijk de SVB te onderscheiden onderdelen genoemd. In de begroting van de PUR worden de onderdelen bestuurskosten en afbouwkosten opgenomen. De onder de post bestuurskosten genoemde ‘overige bestuurskosten’ heeft onder meer betrekking op de reis- en representatiekosten van de leden van de PUR. De afbouwkosten betreffen de kosten die voortvloeien uit reeds bestaande wachtgeldverplichtingen (ontstaan als gevolg van de inkrimping van de personeelsformatie van de PUR vooruitlopend op de overdracht van taken aan de SVB) en verplichtingen van de PUR ten aanzien van het personeel dat op 1 januari 2011 niet is overgegaan naar de SVB en voor wie de PUR nog werkgever is. Door de afslanking van de PUR en de overdracht van taken aan de SVB per 1 januari 2011 zijn er medewerkers boventallig geworden. Op deze boventallige medewerkers is het Sociaal flankerend beleid van de sector Rijk 2008–2012 van toepassing. Hierdoor zal de PUR de komende jaren kosten verbonden aan mobiliteitsbevordering en kosten verbonden aan salarisdoorbetaling gedurende de herplaatsingsperiode moeten maken.

In de memorie van toelichting van de Wuvo is in de artikelsgewijze toelichting op artikel 9 (Kamerstukken II 2009–2010, 32 310, nr. 3, blz. 12) aangegeven dat voor de kosten van de uitvoering door de SVB in overleg met deze organisatie aan de hand van kengetallen een budgetteringsmodel zal worden ontwikkeld. In afwachting van dit model is in deze regeling in artikel 9, eerste lid, bepaald dat de SVB voor de reguliere kosten verbonden aan de uitvoering van zijn taken een door de minister vastgesteld bedrag ontvangt.

De SVB ontvangt, naast een vergoeding voor de reguliere uitvoeringskosten, een vergoeding voor een aantal categorieën uitgaven die niet tot de reguliere uitvoeringskosten worden gerekend. Ten eerste betreft dit de kosten verbonden aan de vergoeding voor het opstellen van sociale rapportages en verzetsrapportages door de Stichting 1940–1945, de Stichting Pelita en de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de zogenoemde begeleidende instellingen (artikel 8, onderdeel b, onder 1). In 2010 heeft mijn ministerie voor de komende jaren afspraken met de begeleidende instellingen gemaakt over de hoogte van de vergoeding van de kosten verbonden aan het uitvoeren van deze in de onderscheiden wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen geregelde taak. Vóór 1 januari 2011 zorgde de PUR op basis van het Bekostigingsbesluit Pensioen- en Uitkeringsraad 1996 voor de betaling van deze kosten aan de begeleidende instellingen. In de onderhavige regeling wordt op dezelfde wijze (via in de begroting op te nemen posten) geregeld dat de SVB dit voortaan doet. Dit sluit aan bij de verantwoordelijkheid van de SVB voor de integrale uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen, inclusief de voortgangscontrole op en kwaliteitsbeoordeling van de rapportages die door de begeleidende instellingen worden opgesteld. Naast de in artikel 8, onderdeel b, onder 2 en 3 genoemde kostenposten die geen nadere uitleg behoeven, wordt in onderdeel b, onder 4, de post ‘kosten projecten’ genoemd. Het gaat hier om kostenposten met een incidenteel karakter. Mijn ministerie en de SVB zullen per project financiële afspraken maken. Vooralsnog gaat het alleen nog om de post wachtgelden SVB. Naar verwachting zullen na verloop van tijd de aan de Tweede Wereldoorlog gerelateerde werkzaamheden van de SVB afnemen, waardoor de personeelsformatie te ruim zal worden. Voor zover de hierdoor noodzakelijke inkrimping van de formatie niet kan worden opgevangen door natuurlijk verloop of herplaatsing binnen de SVB, en ontslag aantoonbaar onvermijdelijk is, zal VWS jaarlijks de werkelijk betaalde wachtgelden voor deze medewerkers vergoeden.

In artikel 24, derde tot met vijfde lid, van de Wet op de Pensioen- en Uitkeringsraad (Wet PUR, ingetrokken in de Wuvo) was een aantal bepalingen opgenomen betreffende de accountantscontrole van de jaarrekening van de PUR. Omdat er geen met deze bepalingen overeenkomende bepalingen in de Kaderwet staan en ik eraan hecht dat deze bepalingen ook in de nieuwe situatie gelden, is de inhoud daarvan (voor zover aan de orde) in de artikelen 6 (voor de PUR) en 10 (voor de SVB) opgenomen. De in artikel 24, vierde lid, van de Wet PUR, neergelegde bevoegdheid om regels te stellen omtrent de controle door de accountant, heeft geleid tot een controleprotocol. In de artikelen 6 en 10, eerste lid, van de onderhavige regeling is ten aanzien van de PUR en de SVB bepaald dat de accountantscontrole van de betreffende jaarrekeningen moet geschieden overeenkomstig een door de Minister opgesteld protocol. Het protocol dat tot 1 januari 2011 op de PUR van toepassing was wordt hiertoe aan de nieuwe situatie (uitvoering door de SVB en rekeninghoudende met de kostenposten van de PUR) aangepast.

Artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet stelt dat de minister de bezoldiging of de schadeloosstelling van de leden van een zelfstandig bestuursorgaan vaststelt. Op basis van artikel 14, derde lid, van de Kaderwet kan ook een regeling voor de vergoeding van bijzondere kosten in verband met de functie als lid van een zelfstandig bestuursorgaan worden vastgesteld. Hieraan is in artikel 5 van deze regeling invulling gegeven. Hetgeen in artikel 5 is geregeld, is de uitwerking van een voorstel van de PUR. Daar waar mogelijk is de PUR uitgegaan van de tijdsbelasting verbonden aan de werkzaamheden van het tot 1 januari 2011 functionerende college van raadskamers. Voor een aantal werkzaamheden heeft de PUR echter een globale inschatting moeten maken. De PUR heeft aangegeven voornemens te zijn in september 2011 de verschillende aannames, die aan de hoogte van de bezoldiging en schadeloosstelling ten grondslag liggen, te evalueren. Indien nodig zal artikel 5 op basis van de uitkomst van deze evaluatie worden gewijzigd. De PUR heeft voorgesteld om, gezien de omvang van de werkzaamheden, voor de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, net als voor de bestuursleden van de PUR vóór 1 januari 2011, te kiezen voor een bezoldiging. De bezoldiging is wel lager dan van die bestuursleden gezien de gewijzigde zwaarte van de verantwoordelijkheden. Voor de overige leden heeft de PUR een schadeloosstelling voorgesteld die zoveel mogelijk aansluit bij het vergoedingsmodel dat werd gehanteerd voor de schadeloosstelling van de leden van het college van raadskamers. Het voorstel van de PUR om de leden van de PUR verschillend te belonen is overgenomen. Artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet staat hieraan niet in de weg omdat niet is bepaald dat alle leden van een zelfstandig bestuursorgaan dezelfde vorm van vergoeding dienen te krijgen. In memorie van toelichting op de Kaderwet (Kamerstukken II 2000–2001, 27 426 nr. 3, blz. 24) wordt betreffende de keuze tussen een bezoldiging en een schadeloosstelling gesteld dat de omvang van de werkzaamheden leidend is. Een bezoldiging ligt voor de hand indien er sprake is van werkzaamheden die substantieel van omvang zijn of een frequent karakter hebben, bijvoorbeeld indien de werkzaamheden met grote regelmaat een of meer dagdelen in beslag nemen zodat er kan worden gesproken van een tijdsbeslag dat overeenkomt met een volwaardige (deeltijd)betrekking. Een schadeloosstelling heeft in beginsel de functie van vacatiegeld (vergoeding) per dienstverrichting, vergadering of andere incidentele prestatie. Het voorstel van de PUR sluit hier goed bij aan.

Artikel 26 van de Kaderwet impliceert dat de minister een datum moet vaststellen voor welke het zelfstandige bestuursorgaan hem een begroting voor het daarop volgende jaar moet zenden. In deze regeling is dat voor de PUR in artikel 2 en voor de SVB in artikel 7 bepaald.

Bij het voorbereiden van de voorstellen die uiteindelijk tot de Wuvo hebben geleid zijn er vanuit mijn ministerie veel gesprekken gevoerd met belangenorganisaties voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen en met de toenmalige cliëntenraad van de PUR. Tijdens deze gesprekken is gebleken dat men zich vooral zorgen maakte over de kwaliteit van de zorg en de cliëntgerichtheid wanneer de uitvoering van de wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen door de SVB zou plaatsvinden. Om deze verontrusting weg te nemen heeft het proces van overgang van taken van de PUR naar de SVB in nauwe samenspraak met de belangenorganisaties en de PUR-cliëntenraad plaatsgevonden. Daartoe is een Klankbordgroep geformeerd, met vertegenwoordigers vanuit de cliëntenraad van de PUR, belangengroepen en organisaties van verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen uit binnen- en buitenland. Hiermee werd verzekerd dat de doelgroepen zeer nauw betrokken waren bij de uitwerking van het overgangsproces. Tijdens de vele overleggen met de Klankbordgroep is van die zijde aangegeven dat er groot belang werd gehecht aan een vorm van kwaliteitsborging. Aan deze wens van de Klankbordgroep is op twee manieren invulling gegeven.

Zo is in artikel 2, eerste lid, van de Wuvo artikel 19 van de Kaderwet, waarin de zorgplicht voor de kwaliteit van de dienstverlening van een zelfstandig bestuursorgaan is vastgelegd, op de SVB van toepassing verklaard. De SVB is verplicht zich over de invulling van deze zorgplicht in het jaarverslag te verantwoorden.

Aan de Klankbordgroep is toegezegd dat in de op grond van de Wuvo op te stellen ministeriële regeling een aantal kwaliteitsindicatoren zou worden opgenomen op basis waarvan de SVB periodiek informatie aan VWS dient aan te leveren. Deze indicatoren zijn in artikel 12 opgenomen. In dit artikel wordt in onderdeel a, onder 1, aangegeven dat het aantal aanvragen moet worden verbijzonderd naar categorie. Dit betekent dat moet worden aangegeven of de beslissing op de aanvraag is genomen door de PUR of door de SVB. Vervolgens moet worden aangegeven om wat voor soort aanvraag het gaat, bijvoorbeeld een aanvraag van een weduwe, een herzieningsaanvraag, een aanvraag om een vergoeding of om een tegemoetkoming.

Voor de informatie die de SVB op basis van de Kaderwet in het jaarverslag moet geven, staat vast in welke vorm en met welke frequentie de SVB deze informatie moet aanleveren. Betreffende het aanleveren van de overige informatie zal nog nader overleg met de SVB plaatsvinden. Daaromzijn in de onderhavige regeling geen vaste termijnen en geen voorschriften betreffende de vorm waarin de informatie moet worden aangeleverdopgenomen. In dit kader wil ik erop wijzendat de SVB al sinds jaar en dag de kwaliteit van haar werkprocessen en dienstverlening hoog in het vaandel heeft staan. Er is een intern kwaliteitsmodel ontwikkeld waarmee de kwaliteit van deze processen aan de hand van een aantal indicatoren wordt gemeten, waarbij de cliënten van de SVB leidend zijn. Per tertaal wordt een externe verantwoordingsrapportage opgesteld, waarin op het gebied van de kwaliteit onder meer wordt gerapporteerd over tijdigheid, klachtafhandeling, rechtmatigheid en de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek. De komende tijd zal blijken of voor de specifiek aan mijn ministerie te leveren informatie bij de vorengenoemde periodiciteit kan worden aangesloten.

Per 1 januari 2010 is de systematiek van Vaste Verandermomenten (VVM) uitgebreid naar ministeriële regelingen (brief van de Minister van Justitie en de Staatssecretarissen van Economische Zaken, Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 11 december 2009, Kamerstukken II 2009–2010, 29 515, nr. 309). Uitgangspunt van VVM is dat er een invoeringstermijn van twee maanden vereist is tussen de publicatie van de regeling en de inwerkingtreding ervan. Voor de onderhavige regeling is hiervan afgezien. De wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen worden met het inwerkingtreden van de Wuvo vanaf 1 januari 2011 uitgevoerd door de PUR en de SVB. De kosten, gemoeid met de door deze organisaties te verrichten werkzaamheden, dienen vanaf deze datum vergoed te worden. De PUR en de SVB ontvangen daartoe, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de onderhavige regeling, vanaf 1 januari 2011 voorschotten. Om deze situatie zo kort als maar mogelijk is te laten duren, is het niet wenselijk de in het kader van VVM gehanteerde invoeringstermijn van twee maanden te hanteren.

Teneinde de aan de PUR en de SVB tot aan de inwerkingtreding van de regeling verrichte betalingen te sauveren, is in artikel 13 geregeld dat de regeling in werking treedt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011.

De onderhavige regeling is afgestemd met de PUR, de SVB en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

M.L.L.E. Veldhuijzen van Zanten-Hyllner.

Naar boven