TOELICHTING
Algemeen
Het primair onderwijs kent lumpsumbekostiging. De schoolbesturen ontvangen voor het onderwijs op hun scholen een budget personele
bekostiging, een budget materiële bekostiging en een budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. De budgetten zijn niet
geoormerkt, er zijn geen schotten tussen de budgetten. In de praktijk is er dus sprake van één budget in geld met bestedingsvrijheid.
Daarnaast ontvangen schoolbesturen regelmatig subsidies op grond van aparte subsidieregelingen. Deze middelen kunnen wel geoormerkt
worden verstrekt.
Met deze regeling kan van schoolbesturen worden gevraagd gegevens aan de minister te verstrekken over de besteding van middelen
voor bepaalde beleidsdoelen. Op die manier kan worden bezien in hoeverre die middelen in overeenstemming met het doel zijn
besteed. Dit instrument wordt ‘bestemmingsbox’ genoemd.
In artikel 173 van de WPO is bepaald dat het bevoegd gezag gegevens beschikbaar moet hebben ten behoeve van het beleid van
de minister. Het Besluit informatievoorziening WPO/WEC geeft aan dat bij ministeriële regeling een nadere invulling kan worden
gegeven van de gegevens bedoeld in artikel 173 WPO en de gegevens die betrekking hebben op verstrekte aanvullende bekostiging
en de wijze waarop deze worden verstrekt.
In de Regeling structurele gegevenslevering WPO/WEC is een nadere invulling gegeven van gegevens op grond van artikel 4 van
het Besluit informatievoorziening WPO/WEC. Die regeling is echter niet geschikt om de gegevenslevering bedoeld in de onderhavige
regeling in op te nemen omdat de Regeling structurele gegevenslevering WPO/WEC uitgaat van een geautomatiseerde structurele
aanlevering van standaardgegevens. Aangezien een schoolbestuur bij het opgeven van de gegevens over de besteding van de middelen
opgenomen in de bestemmingsbox niet gebonden is aan een vast format, zijn die gegevens niet geschikt voor geautomatiseerde
aanlevering. Bovendien is de gegevenslevering van de middelen opgenomen in de bestemmingsbox niet structureel maar tijdelijk
van aard. Om die reden is besloten tot een afzonderlijke regeling.
Met deze regeling wordt de informatievoorziening over bepaalde beleidsdoelen geregeld in verband met de verstrekking van middelen
daarvoor.
Aan de toekenning van de middelen zelf verandert deze regeling niets. Er vindt evenmin verrekening van de middelen plaats.
Er verandert dus niets aan de voorwaarden waarmee de aanvullende bekostiging wordt verstrekt of aan het recht op die middelen.
Voor de verstrekte middelen gelden de gewone verantwoordings- en bestedingsvoorschriften die voor de hele lumpsumbekostiging
gelden.
De bedoeling van de bestemmingsbox is tweeledig. In de eerste plaats vermindering van het aantal subsidieregelingen door vaker
te kiezen voor lumpsumbekostiging in combinatie met de bijzondere informatieverplichtingen bedoeld in deze regeling. Het streven
is om ook bestaande subsidies zoveel mogelijk mee te nemen in de bekostiging in combinatie met de plicht tot het verstrekken
van de bijzondere gegevens. Het andere doel is meer richting geven aan de aanvullende of bijzondere bekostiging zonder afbreuk
te doen aan het uitgangspunt van bestedingsvrijheid.
Of doelen worden gerealiseerd, wordt op tal van manieren gemeten. De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit. Er worden internationale
vergelijkingen van de onderwijsprestaties gemaakt en er vinden onderzoeken plaats. Scholen leggen hun beleid vast in schoolplannen
en presenteren hun resultaten bijvoorbeeld in de schoolgids. De (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad heeft instemmingsrecht
bij het wijzigen van het schoolplan en adviesrecht over de inzet van middelen. Het inzicht in de besteding van de middelen
uit de bestemmingsbox is daar een aanvulling op. Met de bestemmingsbox wordt de relatie tussen de realisatie van doelen en
de bekostiging die wordt verstrekt om bepaalde doelen te bereiken zichtbaar gemaakt.
Het verstrekken van gegevens op grond van deze regeling is een verplichting. In een uiterst geval kan dat betekenen dat de
minister besluit de bekostiging op te schorten als een schoolbestuur niet voldoet aan die verplichting.
Welke beleidsdoelen worden opgenomen in de regeling, is onderwerp van bestuurlijk overleg tussen OCW, de PO-raad en de vakorganisaties.
Dat overleg vindt jaarlijks in december plaats. De minister van onderwijs stelt vervolgens, indien dat overleg wijzigingen
in de regeling met zich meebrengt, de regeling vast in april.
Over de invoering van de regeling zal een communicatietraject richting scholen van start gaan.
Administratieve lasten
De administratieve last van gegevenslevering via de bestemmingsbox is als volgt te benaderen. Per school wordt aangegeven
hoeveel geld aan de betreffende doelen is uitgegeven. Deze bedragen hoeven niet door de accountant te worden gecontroleerd.
Als dat eenvoudiger is, kunnen de bedragen door middel van een schattende calculatie buiten de administratie om worden bepaald.
Het is immers beleidsinformatie, geen administratieve verantwoording waarop ook wordt afgerekend.
De inschatting van de tijd voor het opnemen van de besteding ten behoeve van beide aanspraken (taal en rekenen en onderwijsachterstanden),
is drie kwartier per school op jaarbasis. De totale administratieve last van de informatieverstrekking voor rekenen en taal
en voor de achterstandsmiddelen komt dan op ca. € 470.000,–.
De middelen voor kwaliteit taal en rekenen worden tot nu toe verstrekt op aanvraag in de vorm van subsidie. Als de bestemmingsbox
niet wordt gehanteerd, maar als het beschikbare geld voor de verduurzaming van het kwaliteitsbeleid (taal en rekenen) subsidie
blijft, dan wordt de administratieve last voor alleen het onderdeel verduurzaming van de kwaliteit naar schatting ruim € 1,2 miljoen.
Bij deze berekening is het uitgangspunt dat alle scholen de subsidie aanvragen. Gemiddeld is een bestuur alleen voor de subsidies
ter verduurzaming van de kwaliteit naar schatting iets meer dan 21 uur kwijt. De totale administratieve last is via de bestemmingsbox
naar schatting ca. € 235.000,– (20% van de last van een subsidieverstrekking). De gemiddelde administratieve last van de verduurzaming
van taal en rekenen is via de bestemmingsbox 4 uur per bestuur.
Artikelsgewijs
Artikel 2
In het jaarverslag geeft het bestuur op grond van deze regeling aan hoeveel aan de genoemde doelen is uitgegeven. Er hoeft
dus geen nieuw document te worden gemaakt Er worden in beperkte mate gegevens gevraagd over de besteding van de middelen voor
de beleidsdoelen die in de regeling worden genoemd. Op grond van deze regeling wordt gevraagd om in een bijlage bij het jaarverslag
aan te geven hoe het geld is besteed om de genoemde doelen te bereiken. Dat laatste hoeft geen uitgebreid verhaal te zijn.
Het kan een project zijn, of een extra begeleider. Het kan zijn dat het geld wordt ingezet om in kleinere groepen te werken
om meer aandacht te kunnen geven aan individuele problemen van kinderen. Om de schoolbesturen behulpzaam te zijn, zal de minister
een format vaststellen.
Gevraagd wordt het bedrag en de korte beschrijving van de besteding op te nemen in een bijlage bij het jaarverslag. Het is
niet de bedoeling dat de administratie hierop wordt aangepast. Het is de bedoeling dat bestuurders, schoolleider en leraren
zich tevoren bewust zijn hoe het geld wordt ingezet en achteraf bedenken of dat zo is gebeurd. Daarmee wordt een bewuste op
onderwijskundige argumenten gebaseerde financiële prioriteitenafweging gestimuleerd. Die korte evaluatie wordt dan opgenomen
in het jaarverslag. Dat kan buiten de boekhouding blijven en er vindt dan ook geen accountantscontrole plaats. Het gaat in
casu om informatie als bedoeld in artikel 3, onder j, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.
De informatie is nuttig om vast te stellen welke activiteiten schoolbesturen in gang hebben gezet om doelen te realiseren.
In combinatie met andere onderzoeken, de uitkomsten van reguliere onderzoeken etc., kan dat meer richting geven aan toekomstig
beleid.
De verplichting voor schoolbesturen om gegevens te leveren over de besteding van middelen voor een bepaald in de regeling
opgenomen doel geldt voor maximaal 4 jaar. Het uitgangspunt daarbij is dat de minister binnen die 4 jaar voldoende informatie
heeft verzameld om te kunnen beoordelen wat het effect is geweest van de desbetreffende bekostigingsstroom. Afhankelijk van
de uitkomsten kan de minister bijvoorbeeld besluiten dat de middelen voortaan als geoormerkte subsidie worden verstrekt, dat
er moet worden ingezet op voorlichting over het beleidsdoel of dat er scholing nodig is in verband met het te voeren beleid
en de inzet van middelen door schoolbesturen. De inzet van de bestemmingsbox is succesvol als deze richting heeft gegeven
aan het beleid van de minister en de middelen inderdaad aan het bestedingsdoel zijn besteed.
Artikel 3
Taal en rekenen
Goede beheersing van taal en rekenen vormt voor alle leerlingen de basis van een succesvolle schoolcarrière, en daarmee hun
verdere loopbaanontwikkeling. De basisvaardigheden taal, rekenen en de daarop aansluitende werkwijze van opbrengstgericht
werken staan dan ook centraal in de Kwaliteitsagenda PO. Uit internationale vergelijkingen van onderwijsresultaten blijkt
dat taal- en rekenprestaties in Nederland achterblijven bij prestaties in andere landen. Om scholen in staat te stellen de
leerprestaties voor taal, rekenen en de daarop aansluitende werkwijze van opbrengstgericht werken te verbeteren zijn extra
middelen beschikbaar. Deze impuls moet er toe leiden dat scholen meer dan nu opbrengstgericht leren werken op het terrein
van taal en rekenen.
Onderwijsachterstanden
Sinds jaar en dag ontvangen scholen middelen ter bestrijding van onderwijsachterstanden via de lumpsum op basis van de gewichtenregeling
(artikelen 28 en 28a van het Besluit bekostiging WPO). Maar omdat er geen verantwoording wordt gevraagd, blijft onduidelijk
hoeveel wordt besteed aan onderwijsachterstand. Deze onzichtbare uitkomst van zichtbare middelen kan contraproductief werken.
Daarom wordt met deze regeling van het bevoegd gezag gevraagd gegevens beschikbaar te stellen over de besteding van de onderwijsachterstandsmiddelen.
Bij de uitgaven voor bestrijding onderwijsachterstanden kunnen bijvoorbeeld als aparte onderdelen worden opgenomen: kleinere
groepen, individuele begeleiding van leerlingen, meer onderwijstijd voor groepen, inzet van niet-onderwijzend personeel, extra
materiële uitgaven. Voor alle onderdelen is het voldoende om de geschatte uitgaven te geven.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
A. Rouvoet.