TOELICHTING
Algemeen
In de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (Uhw) is bepaald dat het bestuur een bestuursreglement vaststelt, gehoord hebbende
de zittingsvoorzitters (artikel 3f, eerste lid, Uhw). Dit reglement behoeft, conform artikel 11, eerste lid, van de Kaderwet
zelfstandige bestuursorganen de goedkeuring van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Artikel 11, tweede lid van de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is tevens van toepassing. Daarin wordt bepaald dat de goedkeuring van de minister kan
worden onthouden wegens strijd met het recht of op de grond dat het bestuursreglement naar het oordeel van de minister een
goede taakuitoefening door het zelfstandige bestuursorgaan kan belemmeren. In het bestuursreglement dienen de hoofdlijnen
van de inrichting en de werkwijze van de organisatie van de Huurcommissie, alsmede de zittingslocaties te worden vastgelegd
(artikel 3f, tweede lid, Uhw). Ten slotte bepaalt artikel 3g, vijfde lid van de Uhw dat in het bestuursreglement nadere regels
worden gesteld omtrent de uitoefening van de taken en de bevoegdheden van de Raad van Advies en de wijze waarop het bestuur
met de Raad van Advies overleg voert. Deze bepalingen vormen de kaders waarbinnen het bestuursreglement tot stand is gekomen.
Dit bestuursreglement is in overleg met de verschillende belanghebbenden tot stand gekomen. Er is op meerdere momenten overleg
gevoerd met een delegatie van de voormalige Huurcommissies. Er is veel waarde aan gehecht aan de inbreng van deze delegatie
gezien de noodzaak tot een goed werkbaar bestuursreglement, dat past bij de praktijk van de Huurcommissie. Tevens is bij de
totstandkoming meerdere malen overleg gevoerd met het Landelijk Overleg Huurders en Verhuurders (LOHV). Deze partijen zijn
met name betrokken vanwege de bepalingen over de Raad van Advies die in het bestuursreglement zijn opgenomen. Ten slotte is
veelvuldig overleg gevoerd met een begeleidingscommissie die bestond uit een voormalig voorzitter, voormalige Huurcommissieleden,
afgevaardigden van het secretariaat van de Huurcommissie en van het Ministerie van VROM. Hun betrokkenheid bij de totstandkoming
zag zowel op een correcte inhoud van het bestuursreglement als op het tot stand brengen van een goed leesbaar en praktisch
werkbaar document.
Artikelsgewijs
Hoofdstuk 2. De zittingscommissies
Dit hoofdstuk behandelt de samenstelling van de zittingscommissies en de zittingslocaties.
§ 1. Zittingscommissies
Artikel 2
De Uhw bepaalt dat het bestuur voor de behandeling van zaken ter zitting, bij bestuursreglement, zittingscommissies vormt
(artikel 21, eerste lid, Uhw). Artikel 2 van het bestuursreglement voldoet hieraan. Het eerste lid stelt de zittingscommissies
in. Er is gekozen voor de formulering ‘de Huurcommissie houdt zitting door middel van een zittingscommissie’, omdat elke zittingscommissie,
als onderdeel van de Huurcommissie, uitspraak doet namens het zelfstandig bestuursorgaan Huurcommissie. Tevens komt in dit
eerste lid tot uitdrukking dat een zittingscommissie een steeds wisselende samenstelling kan hebben, onder meer doordat de
zittingsvoorzitters en zittingsleden landelijk worden benoemd. Deze landelijke benoeming maakt een flexibeler en bedrijfsmatiger
inzet van de zittingsvoorzitters en zittingsleden mogelijk.
Artikel 3f van de Uhw bepaalt dat ook de werkwijze van de Huurcommissie in het bestuursreglement wordt vastgesteld. Artikel 2,
derde lid van het bestuursreglement vormt een onderdeel van het vastleggen van deze werkwijze. Een zittingsreglement regelt
tot in detail de gang van zaken tijdens de zittingen van de Huurcommissie. Een voorbeeld is de wijze waarop een zittingscommissie
dient om te gaan met stukken die tijdens de zitting door partijen worden ingebracht. Onder meer vanwege het gedetailleerde
karakter, is ervoor gekozen deze regels niet in het bestuursreglement zelf vast te leggen, maar de mogelijkheid te scheppen
dit bij zittingsreglement te doen. Het zittingsreglement komt tot stand in een beleidsvergadering. De procedures die ten behoeve
van die vergaderingen gelden zijn ook van toepassing op de totstandkoming van het zittingsreglement. Voor een toelichting
hierop zij verwezen naar de toelichting op de bepalingen in hoofdstuk 4 van dit bestuursreglement.
Artikel 3
De zittingsvoorzitters en de zittingsleden worden landelijk benoemd. Ten behoeve van een zitting wordt een zittingscommissie
samengesteld, bestaande uit een zittingsvoorzitter en twee zittingsleden, waarvan één van de kant van de huurders en één van
de kant van de verhuurders. De landelijke benoeming maakt een flexibeler en bedrijfsmatiger inzet van de zittingsvoorzitters
en zittingsleden mogelijk. Tevens biedt deze landelijke inzetbaarheid de mogelijkheid de expertise van zittingsvoorzitters
en zittingsleden optimaal te benutten.
Artikel 3, eerste lid, formuleert het streven van het bestuur bij het samenstellen van de zittingscommissies. Hierbij gaat
het om een evenwicht tussen reisafstand, een regelmatige wisseling van de samenstelling van een zittingscommissie, een evenredige
verdeling van de werklast over zittingsvoorzitters en zittingsleden en het benutten van de kennis en ervaring van zittingsvoorzitters
en zittingsleden. Dit laatste geldt onverminderd het principe van lekenrechtspraak. Zodoende wordt met deze bepaling niet
beoogd specialismen te creëren, maar wordt de aanwezige kennis van de zittingsvoorzitters en zittingsleden zo adequaat mogelijk
ingezet.
Aan alle uitgangspunten wordt hetzelfde belang gehecht. De uitgangspunten worden zodoende in samenhang met elkaar bekeken.
Tegen een voorzittersuitspraak kan in verzet worden gegaan (artikel 20 Uhw). Deze voorzittersuitspraken kunnen in plaatsvervanging
door een zittingsvoorzitter worden gedaan (artikel 6, tweede lid, Uhw). Het is niet toegestaan dat dit verzet door een zittingscommissie
wordt behandeld waarin dezelfde zittingsvoorzitter plaatsneemt, die ook de voorzittersuitspraak heeft afgehandeld. In dat
geval kan niet worden gesproken van een onafhankelijke heroverweging. Artikel 3, tweede lid legt dit vast.
§ 2. Zittingslocaties
Artikel 4
Dit artikel voldoet aan de bepaling in de Uhw over zittingslocaties, namelijk dat deze in het bestuursreglement worden vastgesteld
(artikel 3f Uhw). Een zittingslocatie is in artikel 1, onder j, gedefinieerd als ‘een gemeente waar een zittingscommissie
zittingen houdt’. In de bijlage bij dit bestuursreglement zijn alle gemeenten waar de Huurcommissie zitting houdt opgenomen.
Aan de beginselen van laagdrempeligheid en zekerheid wordt tegemoet gekomen doordat de gemeenten waar de Huurcommissie zitting
houdt, aldus zijn vermeld. De Huurcommissie behoudt flexibiliteit doordat weliswaar wel de gemeente waar de Huurcommissie
zitting houdt vastligt, maar zij wel kan variëren in het adres van de zittingslocaties. De adressen kunnen veranderen omdat
gebruik wordt gemaakt van gehuurde dan wel om niet beschikbaar gestelde locaties.
Ten behoeve van deze flexibiliteit is tevens de mogelijkheid opgenomen naast permanente zittingslocaties ook tijdelijke zittingslocaties
aan te wijzen (artikel 4, tweede lid). Dit maakt het mogelijk om, als daartoe de wens dan wel noodzaak bestaat, in een extra
gemeente een zittingslocatie aan te wijzen. Vanwege hun aard kunnen de tijdelijke zittingslocaties niet als bijlage bij het
bestuursreglement worden opgenomen, zoals de permanente zittingslocaties. Om die reden wordt de minister daarover schriftelijk
geïnformeerd. Tevens worden de tijdelijke zittingslocaties in de Staatscourant gepubliceerd.
De bezoekadressen moeten dusdanig worden gepubliceerd, naast de bekendmaking die volgt uit de wet, dat de partijen in een
geschil zich op de hoogte kunnen stellen van deze adressen. Het derde lid legt hiertoe vast dat de bezoekadressen worden gepubliceerd
op een door het bestuur geschikt bevonden wijze. Hierbij valt onder meer te denken aan publicatie op de website van de Huurcommissie.
Hoofdstuk 3. Vergaderingen van het bestuur
Dit hoofdstuk regelt de vergaderingen van het bestuur. Naast de portefeuilleverdeling geven deze bepalingen een nadere invulling
aan de wijze van vergaderingen van het bestuur.
§ 1. Portefeuilleverdeling
Artikel 5
Het bestuur van de Huurcommissie krijgt in de Uhw het overgrote merendeel van de taken en bevoegdheden gezamenlijk toebedeeld.
Zo geeft het bestuur leiding aan de werkzaamheden van de Huurcommissie en de administratieve ondersteuning (artikel 3c, Uhw).
Daarnaast krijgt de voorzitter in de Uhw zelfstandig een aantal taken toebedeeld. Dit betreft bijvoorbeeld het doen van voorzittersuitspraken
en het kunnen optreden als zittingsvoorzitter.
Gelet op een efficiënte werkverdeling tussen de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, is het wenselijk dat het bestuur
zijn gezamenlijke taken onderverdeelt in portefeuilles. Deze portefeuilleverdeling kan ook wenselijk zijn in verband met de
specifieke expertise van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter, waarbij de plaatsvervangend voorzitter onder meer
over bedrijfseconomische expertise en competenties beschikt. De voorzitter beschikt onder meer over juridische kennis, conform
artikel 3b, tweede lid van de Uhw. Er is voor gekozen om deze portefeuilleverdeling niet vast te leggen in dit bestuursreglement
om redenen van flexibiliteit.
§ 2. Besluitvorming bestuur
Artikel 6
De Uhw kent het bestuur van de Huurcommissie gezamenlijk een aantal bevoegdheden toe. De Uhw bepaalt echter niet op welke
wijze de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter tot besluiten komen. Artikel 6 legt vast dat het uitgangspunt van besluitvorming
consensus is. Mochten zij echter niet tot consensus kunnen komen, dan is de voorzitter bevoegd te beslissen.
Hoofdstuk 4. Vergaderingen van het bestuur en de zittingsvoorzitters
Het bestuur en de zittingsvoorzitters komen tezamen om onder meer te besluiten over de uniforme regels, bedoeld in artikel 3a,
derde lid van de Uhw. Dit is het uitvoeringsbeleid van de Huurcommissie. Hiertoe komen zij in een beleidsvergadering bijeen.
In de artikelen van dit hoofdstuk wordt de werkwijze bij het opstellen van de regels, de vergaderingen en besluitvorming
in een beleidsvergadering vastgelegd.
§ 1. Werkwijze opstellen van regels
Artikel 7
De uitspraken, adviezen en verklaringen van de Huurcommissie, die bedoeld worden in artikel 3, derde lid, van de Uhw zijn
als zodanig geen besluiten in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het bestuur en de zittingsvoorzitters hebben overeenkomstig artikel 3, derde lid, van de Uhw tot taak om binnen de Huurcommissie
de eenheid en de kwaliteit van de uitspraken, adviezen en verklaringen te bevorderen. Hiertoe kunnen zij regels stellen. Artikel 7
richt zich op het opstellen van die regels.
Artikel 7, tweede lid, formuleert de hoofddoelen waartoe de regels tot stand worden gebracht. Dit betreft een uniforme interpretatie
van bepalingen en termen in wetgeving en regelgeving en een gelijke beoordeling van gelijke dan wel nagenoeg gelijke gevallen.
Er is bewust gekozen voor het formuleren van deze doelen van de uniforme regels, omdat het van belang is dat de Huurcommissie,
die in steeds wisselende samenstelling in zittingscommissies bijeenkomt, met één mond spreekt.
Veel van de uniforme regels die in de beleidsvergadering door het bestuur en de zittingsvoorzitters worden vastgesteld, zijn
te kwalificeren als beleidsregels, conform artikel 1:3, vierde lid, Awb.
Artikel 1:3, vierde lid, Awb bepaalt dat onder beleidsregel wordt verstaan
‘een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen,
de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.’
Het is alleen mogelijk van deze beleidsregels af te wijken indien handelen overeenkomstig de beleidsregel ‘voor een of meer
belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel
te dienen doelen’(artikel 4:84 Awb). Gezien het belang van het naleven van het uitvoeringsbeleid van de Huurcommissie door
de zittingscommissie (tenzij afwijking dus noodzakelijk moet worden geacht), is dit beginsel, zowel voor beleidsregels als
voor overige regels, in het bestuursreglement verankerd (artikel 7, derde lid). Verder is het van belang dat, indien afwijking
noodzakelijk is, dit wordt gesignaleerd. Dit kan namelijk mogelijk betekenen dat het uitvoeringsbeleid dient te worden bijgesteld.
Ook deze signalering is verankerd in het bestuursreglement (artikel 7, vierde lid).
§ 2. Beleidsvergaderingen en besluitvorming
Artikel 8
Artikel 3a, derde, lid van de Uhw, bepaalt dat het bestuur en de zittingsvoorzitters samen de regels vaststellen om de eenheid
en kwaliteit van de uitspraken, adviezen en verklaringen te bevorderen. Artikel 8 legt de hoofdlijnen van de vergaderprocedure
vast om tot deze regels te komen. Daartoe gaat dit artikel in op de frequentie van vergaderen, het leiden van de vergaderingen,
het indienen van agendavoorstellen en de vaststelling van de agenda, de verslaglegging van de vergaderingen en de verspreiding
van een besluitenlijst na afloop van elke vergadering.
Artikel 9
De eerste twee leden van dit artikel zien op de besluitvorming wanneer bestuur en zittingsvoorzitters bijeenkomen in een beleidsvergadering.
Daarmee is dit artikel een nadere uitwerking van artikel 3a, vierde lid van de Uhw, waarin staat bepaald dat indien ten aanzien
van het stellen van regels tussen het bestuur enerzijds en de zittingsvoorzitters anderzijds een verschil van mening bestaat,
het bestuur beslist. Indien binnen het bestuur een verschil van mening bestaat, beslist de voorzitter. Indien binnen de kring
van zittingsvoorzitters een verschil van mening bestaat, wordt onderling bij meerderheid van stemmen beslist, waarbij bij
een staking van de stemmen binnen die kring het bestuur beslist.
In het eerste lid is vastgelegd dat ten minste de helft van de vergadergerechtigden aanwezig dient te zijn, om tot besluitvorming
over regels zoals bedoeld in artikel 7 eerste lid over te kunnen gaan. Tevens is bepaald dat, gezien de wijze van besluitvorming
als vastgelegd in artikel 3a, derde lid, Uhw, dat altijd ten minste de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter aanwezig
dient te zijn.. Met deze bepaling is gewaarborgd dat te allen tijde door een voldoende representatief aantal vergadergerechtigden
tot besluitvorming over wordt gegaan.
Het tweede lid van dit artikel formaliseert het streven naar consensus in de beleidsvergadering. Dit laat onverlet dat indien
niet tot consensus kan worden gekomen, de procedure zoals hiervoor geschetst, geldt.
Het derde lid van dit artikel biedt de mogelijkheid om een nadere uitwerking van de orde van de beleidsvergadering, vast te
leggen in een vergaderstatuut. Onder meer om redenen van flexibiliteit en het feit dat in het bestuursreglement alleen de
hoofdlijnen van de organisatie van de Huurcommissie worden geformaliseerd, is ervoor gekozen hiertoe de mogelijkheid te bieden
in een ander document. Er is gekozen voor een tweederde meerderheid om een voldoende representatief besluit over het vergaderstatuut
te kunnen nemen. Gezien het feit dat een vergaderstatuut doorgaans zelden aanpassing behoeft, staat de besluitvorming bij
tweederde meerderheid van stemmen een efficiënte besluitvorming in de praktijk niet in de weg.
Hoofdstuk 5. De vergaderingen van de huurcommissie
Dit hoofdstuk regelt op hoofdlijnen de orde rondom een vergadering van de Huurcommissie. Een vergadering van de Huurcommissie
is niet in de Uhw opgenomen. Daarmee is het geen orgaan van de Huurcommissie en kent zodoende geen wettelijke bevoegdheden.
Al in het oude stelsel van de Huurcommissie bestonden er vergaderingen van de Huurcommissie. Het bestuur heeft ervoor gekozen
deze vergaderingen in stand te houden. Aan het bestaan van deze vergaderingen ligt de wens ten grondslag dat zittingsleden
en zittingsvoorzitters een adviserende rol de hebben op die terreinen waar zij niet over bevoegdheden beschikken.
§ 1. Advisering tijdens vergaderingen van de huurcommissie
Artikel 10
Het eerste lid van dit artikel bepaalt wie deelnemers aan de vergaderingen van de Huurcommissie kunnen zijn. Dit zijn het
bestuur, de zittingsvoorzitters en de zittingsleden. Er is gekozen voor de formulering ‘kunnen adviseren’ om advisering niet
verplicht te stellen, maar daar wel de mogelijkheid toe te geven.
Het tweede, derde en vierde lid bepalen over welke onderwerpen adviezen kunnen worden uitgebracht en welke rol respectievelijk
het bestuur, de zittingsvoorzitters en zittingsleden hebben in deze vergaderingen.
Het tweede en derde lid leggen vast dat de zittingsvoorzitters en de zittingsleden aan het bestuur adviezen uit kunnen brengen
over de evaluatie van dit bestuursreglement en over de concept versies van de ontwerpbegroting, van het jaarplan, van de jaarrekening
en van het jaarverslag. Het zijn in dit geval de zittingsvoorzitters en de zittingsleden die aan het bestuur adviezen uit
kunnen brengen, omdat het bestuur de bevoegdheden heeft om voornoemde stukken (in concept) vast te stellen. Daarmee is het
bestuur van de Huurcommissie het gremium om advies aan uit te brengen. De begrotings- en jaarrekeningencyclus van het ZBO
Huurcommissie kent een strakke planning, conform de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Om de advisering door de zittingsvoorzitters
en zittingsleden mogelijk te maken zonder dat dit interfereert met de planning, legt het derde lid van artikel 10 het proces
van advisering over de stukken, genoemd in het tweede lid, vast.
Het vierde lid bepaalt dat zittingsleden gezamenlijk dan wel individueel of met een gedeelte van de zittingsleden aan het
bestuur en aan de zittingsvoorzitters advies uit kunnen brengen over de uniforme regels die het bestuur en de zittingsvoorzitters
in een beleidsvergadering vast kunnen stellen. Aangezien de zittingsvoorzitters, gezamenlijk met het bestuur, over bevoegdheden
beschikken ten aanzien van deze uniforme regels, zijn het de zittingsleden die advies uit kunnen brengen. Vanuit een oogpunt
van praktische werkbaarheid is advisering daarover door de zittingsleden wenselijk.
In het vijfde lid is de ondersteuning van de vergaderingen van de Huurcommissie door het bestuur gecodificeerd. Om hun adviserende
taken naar behoren uit te kunnen voeren is het van belang dat de zittingsvoorzitters en de zittingsleden onder meer tijdig
over voldoende informatie beschikken. Naast informatie waar de zittingsvoorzitters of zittingsleden om hebben gevraagd betreft
het hier ook overige, ongevraagde, informatie, die van belang kan zijn voor hun taakuitoefening.
§ 2. Wijze van vergadering
Artikel 11
Dit artikel legt op hoofdlijnen de vergaderwijze van de vergaderingen van de Huurcommissie vast. Het bestuur zorgt voor voldoende
ondersteuning van de vergaderingen van de Huurcommissie. Dit is vastgelegd in artikel 10, vijfde lid. Enkele leden van dit
artikel zijn een nadere uitwerking daarvan. Zo bepaalt bijvoorbeeld het tweede lid dat de voorzitter de vergaderingen bijeen
roept en een vergaderschema bekend maakt en is in het vijfde lid vastgelegd dat de voorzitter van de vergadering zorg draagt
voor een goede verslaglegging.
Aangezien dit artikel op hoofdlijnen de vergaderprocedure van de vergaderingen van de Huurcommissie vastlegt, worden nadere
bepalingen aangaande de orde van de vergaderingen vastgelegd in een vergaderstatuut (artikel 11, zesde lid). Het gaat hier
bijvoorbeeld om de wijze van woordvoering tijdens de vergadering. Het zevende lid legt de wijze van besluitvorming over dit
vergaderstatuut vast. Tot besluitvorming over het vergaderstatuut kan worden overgegaan indien tweederde meerderheid van de
vergadergerechtigden ter vergadering aanwezig is. Er is gekozen voor een tweederde meerderheid om een voldoende representatief
besluit te kunnen nemen. Gezien het feit dat een vergaderstatuut doorgaans zelden aanpassing behoeft, staat de besluitvorming
bij tweederde meerderheid van stemmen een efficiënte besluitvorming in de praktijk niet in de weg. Het is niet noodzakelijk
geacht tevens vast te leggen dat er binnen die tweederde meerderheid een evenredig aantal zittingsleden afkomstig uit de kring
van huurders dan wel verhuurders aanwezig dient te zijn. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat het vergaderstatuut
met name een technisch document is over de orde tijdens vergaderingen van de Huurcommissie. Er worden geen beleidsinhoudelijke
dan wel politiek getinte onderwerpen in vastgelegd, waarover zittingsleden afkomstig uit de kring van huurders dan wel verhuurders
met elkaar van mening zouden kunnen verschillen.
Hoofdstuk 6. De Raad van Advies
De Uhw bepaalt dat de Huurcommissie een Raad van Advies kent die het bestuur adviseert over algemene aspecten van de huurgeschillenbeslechting
en dat de Raad van Advies het bestuur op verzoek dan wel uit eigen beweging in kennis kan stellen van de binnen de Raad levende
standpunten (artikel 3g Uhw). De Raad van Advies wordt gehoord over de benoeming, herbenoeming en het ontslag (met uitzondering
van ontslag als gevolg van bereiken pensioengerechtigde leeftijd) van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter. Artikel 3g,
vierde lid, van de Uhw bepaalt verder dat in het bestuursreglement nadere regels worden gesteld omtrent de uitoefening van
de taken en de bevoegdheden van de Raad van Advies en de wijze waarop het bestuur met de Raad van Advies overleg voert. In
dit hoofdstuk van het bestuursreglement wordt hieraan uitvoering gegeven.
§ 1. Verkiezing voorzitter Raad van Advies
Artikel 12
De Raad van Advies bestaat uit leden die in gelijke mate afkomstig zijn uit organisaties die de belangen van de huurders
kunnen behartigen, organisaties die de belangen van de verhuurders kunnen behartigen en daarnaast uit leden die afkomstig
zijn uit onafhankelijke organisaties of op persoonlijke titel. Met deze laatste categorie wordt gedoeld op personen of organisaties
die noch de belangen van de huurders, noch de belangen van de verhuurders vertegenwoordigen. Het eerste lid bepaalt dat de
voorzitter van de Raad van Advies afkomstig is uit de categorie van onafhankelijke organisaties of personen. Het tweede lid
legt vast dat van de twee plaatsvervangende voorzitters er een afkomstig is uit de organisaties van huurders en een uit de
organisaties van verhuurders. Hiermee is een evenwichtige samenstelling van het voorzitterschap van de Raad van Advies geborgd.
§ 2. Advisering en vergadering
Artikel 13
Dit artikel stelt nadere regels over de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de Raad van Advies en de wijze waarop
het bestuur met de Raad van Advies overleg voert.
Het eerste lid specificeert wat in artikel 3g, vijfde lid van de Uhw, als taak van de Raad van Advies wordt genoemd, namelijk
het adviseren over algemene aspecten van de Huurcommissie. Dit eerste lid specificeert die door vast te leggen dat de Raad
van Advies adviseert over de wettelijke taken van de Huurcommissie en daarbij in het bijzonder aandacht besteedt aan de laagdrempeligheid,
de toegankelijkheid, waaronder de digitale toegankelijkheid en de kwaliteit van de huurgeschillenbeslechting.
In het tweede wordt geregeld dat de Raad van Advies van informatie wordt voorzien om zich inhoudelijk een mening te kunnen
vormen over (het voornemen tot het vaststellen van) regels voor uitvoeringsbeleid. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht
dat het bestuur veel waarde hecht aan advisering door de Raad van Advies over deze regels en specifiek de effecten van het
uitvoeringsbeleid.
Het derde lid legt een aantal onderwerpen vast die van dusdanig belang zijn in verband met de laagdrempeligheid, de toegankelijkheid
en de kwaliteit van de huurgeschillenbeslechting dat het wenselijk is dat de Raad van Advies hierover adviezen verstrekt.
Bij de laagdrempeligheid kan het dan bijvoorbeeld gaan om de permanente zittingslocaties. Bij de meerjarenbeleidsstrategie
kan het gaan om stukken als de meerjarenbeleidsplanning en de jaarrekening. Daarnaast kan de Raad van Advies ook over andere
zaken adviseren, zoals bijvoorbeeld de integriteitscode en de klokkenluidersregeling.
Het vierde, vijfde en zesde lid bevatten procedurele regels ten aanzien van de advisering door de Raad van Advies. Ook het
zevende en achtste lid leggen de procedure rondom advisering vast. Om haar adviserende taken naar behoren uit te kunnen voeren,
is het van belang dat de Raad van Advies onder meer tijdig over voldoende informatie beschikt. Naast informatie waar de Raad
van Advies om heeft gevraagd betreft het hier ook overige, ongevraagde, informatie, die van belang kan zijn voor haar taakuitoefening
en ook verdere ondersteuning.
Artikel 14
In het licht van de zelfstandige positie van de Raad van Advies, is het niet wenselijk in dit bestuursreglement de gehele
orde van vergadering van de Raad van Advies tot in detail vast te leggen. Om een effectieve en efficiënte Raad van Advies
te organiseren, is het echter wel wenselijk dat de procedures nader worden bepaald. Om die reden legt artikel 14 de Raad van
Advies de verplichting op een vergaderstatuut op te stellen waarin in ieder geval oproeping tot vergaderingen en vergaderfrequentie,
besluitvorming tijdens vergaderingen en quorum, regels van orde voor vergaderingen en verslaglegging van de vergadering in
aan de orde komen.
Hoofdstuk 7. Organisatie en beheer
Dit hoofdstuk behandelt in grote lijnen de wijze waarop de Huurcommissie de planning & control-cyclus doorloopt.
§ 1. Begroting, jaarrekening, meerjarenbeleidsplanning en jaarverslag
Artikel 15
De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen stelt regels omtrent de planning & control-cyclus van zelfstandige bestuursorganen
met eigen rechtspersoonlijkheid en zelfstandige bestuursorganen die voor wat betreft hun rechtspersoonlijkheid deel uitmaken
van de Staat (hoofdstuk 4 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen). Dit laatste is het geval voor de Huurcommissie. Dit
betekent dat de Huurcommissie voor wat betreft de begrotingscyclus deel uitmaakt van de WWI-begroting. Zodoende legt het
eerste lid van artikel 15 vast dat het bestuur een ontwerpbegroting vaststelt..
Conform het voornoemde, gelden voor de Huurcommissie de termijnen die binnen het Ministerie van VROM gelden. Om tot goede
afspraken te komen over het opstellen en aanleveren van de stukken uit de planning & control-cyclus, stellen de Directeur-Generaal
Wonen, Wijken en Integratie en de (plaatsvervangend) Secretaris-Generaal, namens de minister, en het bestuur, namens de Huurcommissie
gezamenlijk een managementprotocol vast.
Hoofdstuk 8. Transparantie, openbaarheid en overige bepalingen
Dit hoofdstuk gaat in op verplichtingen en overige regels die volgen uit de Wet openbaarheid van bestuur en de Wet bescherming
persoonsgegevens. Voor het overige is dit hoofdstuk gewijd aan de integriteitscode, klokkenluidersregeling en het de behandeling
van klachten en bezwaar.
§ 1. Openbaarheid stukken en besluitvorming
Artikel 16
De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geeft regels voor de openbaarheid van door de overheid opgestelde stukken. De Wob gaat
uit van het algemeen belang van de openbaarheid van informatie en geeft kaders in welke gevallen informatie al dan niet openbaar
is. Artikel 3, eerste lid van de Wob bepaalt dat ‘een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke
aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan (in dit geval de Huurcommissie) of een onder verantwoordelijkheid van een
bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.’ Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de besluitenlijst van de besluiten
genomen door het bestuur en de zittingsvoorzitters tijdens een beleidsvergadering of een beleidsnotitie, maar in feite om
bijna alle documenten. Het Wob-verzoek dient aan bepaalde vereisten te voldoen. Het bestuursorgaan, de Huurcommissie, neemt
vervolgens een besluit of de gevraagde informatie al dan niet openbaar is en dus of deze informatie wordt verstrekt. Dit besluit
dat het bestuursorgaan neemt, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht waartegen bezwaar
en beroep open staat.
In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat het bestuur besluit op binnengekomen Wob-verzoeken. Om een goede behandeling
van deze zogenaamde Wob-verzoeken te garanderen bepaalt artikel 16 dat het bestuur nadere regels stelt voor de afhandeling
van deze verzoeken.
§ 2. Wet Bescherming Persoonsgegevens en integraal veiligheidsbeleid
Artikel 17
De Wet bescherming persoonsgegevens geeft een raamwerk voor de verwerking van persoonsgegevens. Onder persoonsgegevens verstaat
de Wet bescherming persoonsgegevens in artikel 1, onder a: ‘elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare
natuurlijke persoon.’ Het uitgangspunt hierbij is dat verwerking van persoonsgegevens niet mogelijk is, tenzij er toestemming
voor is gegeven in de zin van een melding bij of voorafgaand onderzoek door het College Bescherming Persoonsgegevens. Het
is van groot belang zorgvuldig met persoonsgegevens om te gaan. Het Ministerie van VROM heeft hiertoe een regeling opgesteld.
Aangezien de administratieve ondersteuning van de Huurcommissie onderdeel uitmaakt van het Ministerie van VROM, is deze regeling
ook op haar van toepassing.
§ 3. Integriteitscode en klokkenluidersregeling
Artikel 18
Van de overheid, en zodoende ook van de Huurcommissie, mag worden verwacht dat zij integer handelt. Duidelijkheid en zekerheid
omtrent het integriteitsbeleid van de Huurcommissie is van belang en verhoogt de kans op integer gedrag. Om die reden stelt
artikel 18, eerste lid, dat het bestuur een Integriteitscode Huurcommissie vaststelt. Deze geldt voor de leden van de Huurcommissie.
Artikel 19
In geval van (vermeende) misstanden is het belangrijk dat er volgens een correcte procedure ten opzichte van de Huurcommissie
wordt gehandeld. Om die reden stelt artikel 19, eerste lid dat het bestuur een klokkenluidersregeling Huurcommissie vaststelt.
Deze geldt voor de leden van de Huurcommissie.
§ 3. Klachten en bezwaar
Artikel 20
Dit artikel betreft de behandeling van klachten. Artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat ‘een ieder
het recht heeft om over de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft
gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan (in dit geval de Huurcommissie). Een gedraging van een persoon, werkzaam
onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, wordt aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan.’ Dit artikel
is van toepassing op de Huurcommissie en betekent dat het dus zowel klachten over een gedraging van bestuur, zittingsvoorzitters
en zittingsleden kan betreffen als klachten over gedragingen van functionarissen van de administratieve ondersteuning. Artikel 9:2
van de Awb verplicht vervolgens het bestuursorgaan, en in dit geval de Huurcommissie, zorg te dragen voor een behoorlijke
behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over zijn gedragingen en over gedragingen van bestuursorganen die onder
zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Tegen een besluit inzake de behandeling van een klacht over een gedraging van een
bestuursorgaan kan geen beroep worden ingesteld (artikel 9:3 Awb). Dientengevolge bestaat tevens geen mogelijkheid tot het
maken van bezwaar. Vanwege het belang van een zorgvuldige afhandeling van klachten is vastgelegd dat het bestuur besluit op
klachten. Tevens stelt het bestuur regels voor de wijze van behandeling van de klachten. Er is gekozen voor een afzonderlijke
regeling vanwege het gedetailleerde karakter van een dergelijke regeling.
Artikel 21
Dit artikel betreft de behandeling van bezwaar. De Awb staat ten aanzien van de bevoegdheid tot beslissen op bezwaar (artikel 7:11
Awb) in beginsel de verlening van mandaat toe. Een van de uitzonderingen op deze regel is dat niet is toegestaan mandaat ten
aanzien van het beslissen op bezwaar te verlenen aan diegene, die ook de beslissing in eerste aanleg op basis van mandaat
heeft genomen (artikel 10:3, derde lid Awb).Tevens mag degene die de beslissing op bezwaar neemt hiërarchisch niet ondergeschikt
zijn aan degene die het besluit in primo heeft genomen. Artikel 21 legt vast dat de voorzitter nadere regels vaststelt volgens
de lijnen die onder a tot en met c staan genoemd, om een procedure voor de afhandeling van bezwaarschriften te garanderen
die aan voornoemde regels uit de Awb voldoet. Ook in dit geval is er vanwege het gedetailleerde karakter van een dergelijke
regeling ervoor gekozen deze niet vast te leggen in dit bestuursreglement, maar in een aparte regeling.
Het bestuur van de huurcommissie,
Voorzitter van de huurcommissie,
A.A. van Heur.
Plaatsvervangend voorzitter van de huurcommissie,
T. Knoester.