Besluit van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 23 april 2010, nr. BVE/BMO/206252, houdende instelling van de Commissie Onderwijs en Besturing BVE (Instellingsbesluit Commissie Onderwijs en Besturing BVE)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

b. commissie:

commissie als bedoeld in artikel 2.

Artikel 2. Instelling en taak

  • 1. Er is een Commissie Onderwijs en Besturing BVE.

  • 2. De commissie is onafhankelijk en kan zonder last en ruggespraak onderzoek en analyses uitvoeren, conclusies trekken en aanbevelingen doen.

  • 3. De commissie heeft tot taak:

    • a) Het analyseren van de wijze waarop de brede opdracht aan de BVE-sector (initieel onderwijs, een leven lang leren en educatie) wordt uitgevoerd, welke problemen zich daarbij voordoen of hebben voorgedaan en of de afzonderlijke (beleids)maatregelen die de laatste jaren getroffen zijn in samenhang voldoende zijn om de brede opdracht te ondersteunen;

    • b) het onderzoeken van de feitelijke en ervaren belemmerende en bevorderende factoren voor de organisatie van het onderwijs en de besturing in de BVE-sector;

    • c) het op basis van de onderdelen a en b doen van aanbevelingen voor maatregelen op de korte en op de langere termijn op het niveau van de overheid, op het niveau van werknemers en werkgevers en op lokaal en instellingsniveau;

    • d) bij deze aanbevelingen expliciet aandacht te besteden aan de verdeling van verantwoordelijkheden in en rondom de sector (governance) en aan de macrodoelmatigheid van het aanbod aan opleidingen en kwalificaties;

    • e) het inzetten op breed draagvlak voor de in onderdeel c en d genoemde aanbevelingen.

  • 4. Voor de aanbevelingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdelen c en d, gelden de volgende uitgangspunten:

    • a) de kwaliteit van het onderwijsprogramma moet goed zijn;

    • b) de financiële ruimte is bepaald door het thans beschikbare budget;

    • c) het mbo kwalificeert drievoudig, te weten voor samenleving, arbeidsmarkt en doorstroom naar hogere opleidingen.

Artikel 3. Instellingsduur

De commissie wordt ingesteld met ingang van 1 mei 2010 en wordt opgeheven per 1 december 2010.

Artikel 4. Informatieplicht

De commissie verstrekt aan de minister desgevraagd de door hem gewenste inlichtingen.

Artikel 5. Leden

  • 1. Tot leden van de commissie worden benoemd:

    • De heer S. Dekker

    • De heer H.W. Geursen

    • De heer B. Kamphuis

    • Mevrouw M.J. Oudeman (tevens voorzitter)

    • Mevrouw W. Wind

    • De heer M.J.G Wintels

  • 2. De commissie wordt bijgestaan door een secretariaat. Het secretariaat maakt geen deel uit van de commissie.

  • 3. De benoeming geschiedt voor de duur van de commissie.

  • 4. Bij tussentijds vertrek van een lid kan de minister een ander lid benoemen.

Artikel 6. Werkwijze

  • 1. De commissie stelt haar eigen werkwijze vast.

  • 2. De commissie kan zich door andere personen doen bijstaan voor zover dat voor de vervulling van haar taak nodig is, onder wie, op persoonlijke titel, ambtelijke deskundigen.

Artikel 7. Eindrapport

De commissie brengt vóór 30 september 2010 haar eindrapport uit aan de minister.

Artikel 8. Vergoeding

  • 1. De voorzitter en andere leden van de commissie, voor zover niet vallend onder de uitzondering van artikel 2, derde lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies, ontvangen per vergadering een vergoeding.

  • 2. De vergoeding per vergadering van de leden van de commissie bedraagt 3% van het maximum van salarisschaal 17 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984.

  • 3. De vergoeding per vergadering van de voorzitter van de commissie bedraagt 130% van de hoogte van de vergoeding per vergadering die aan de andere leden van de commissie is toegekend.

  • 4. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag worden als één vergadering aangemerkt.

Artikel 9. Kosten van de commissie

  • 1. De kosten van de commissie komen, voor zover goedgekeurd, voor rekening van de Minister. Onder kosten worden in ieder geval verstaan:

    • a) de kosten voor vergaderingen en voor secretariële ondersteuning,

    • b) de kosten voor het inschakelen van externe deskundigen en het laten verrichten van onderzoek, en

    • c) de kosten voor publicatie van rapportages.

  • 2. De commissie biedt zo spoedig mogelijk na haar instelling een begroting en een planning aan de minister aan.

Artikel 10. Verantwoording

De commissie biedt na oplevering van het eindrapport de Minister een verslag aan waarin verantwoording wordt gedaan over haar activiteiten.

Artikel 11. Geheimhouding

Een ieder die betrokken is geweest bij de werkzaamheden van de commissie en daarbij de beschikking krijgt over de gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak op grond van dit besluit, de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 12. Openbaarmaking

Rapporten, notities, verslagen en andere producten welke door of namens de commissie worden vervaardigd, worden niet dan na akkoord van de Minister door de commissie openbaar gemaakt.

Artikel 13. Archiefbescheiden

De commissie draagt zo spoedig mogelijk na beëindiging van haar werkzaamheden of, zo de omstandigheden daartoe aanleiding geven, zoveel eerder, de bescheiden betreffende die werkzaamheden over aan het archief van de directie BVE van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Artikel 14. Inwerkingtreding

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2010.

  • 2. Dit besluit vervalt met ingang van 1 december 2010.

Artikel 15. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Instellingsbesluit Commissie Onderwijs en Besturing Middelbaar Beroepsonderwijs.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

TOELICHTING

Algemeen

De instelling van de commissie Onderwijs en Besturing BVE vloeit voort uit de politieke en maatschappelijke discussie naar aanleiding van negatieve publiciteit over het mbo. Deze publiciteitsstroom is op gang gekomen naar aanleiding van:

  • klachten van studenten over de hoeveelheid en de kwaliteit van lessen en over de bekwaamheid van leraren;

  • klachten van leraren en andere stakeholders van het mbo over de organisatie en besturing van mbo-instellingen;

  • de publicatie van de inspectie over klachtenafhandeling door mbo-instellingen en

  • de publicatie van de inspectie over zeer zwakke opleidingen.

Uit deze klachten en publicaties blijkt dat de basiskwaliteit van het mbo nog onvoldoende op orde is, terwijl het mbo uitermate van belang is voor onze kenniseconomie; het mbo is tenslotte hoofdleverancier voor de Nederlandse arbeidsmarkt.

Al jaren staat het imago van het mbo onder druk. Gesignaleerde problemen in de afgelopen jaren betroffen onder andere het grote aantal uitvallers, te weinig aansluiting met de arbeidsmarkt, didactiek die onvoldoende evidence-based is en te weinig zou aansluiten bij de doelgroep, te weinig onderwijstijd, een te ingewikkelde en omvangrijke kwalificatiestructuur, onvoldoende kwaliteit van examens, drempelloze instroom en een interne bedrijfsvoering die te weinig gericht is op het primaire onderwijsproces. Kortom, een hoeveelheid aan deels reële en deels vermeende knelpunten van verschillende aard en omvang.

In het veld is hard gewerkt aan het oplossen van bovenstaande problemen. Op veel instellingen is inmiddels een aanpak ontwikkeld om knelpunten te ondervangen of te verminderen. Maar de sector kent een grote complexiteit. Alleen al het aantal niveaus, leerwegen, opleidingen, kwalificaties en de heterogeniteit van deelnemers maken een brede analyse van het onderwijs en de besturing in het BVE-veld noodzakelijk. De aanhoudende negatieve publiciteit - voor wat zij waard is - geeft aan dat het tijd geworden is om meer te doen dan het ontwikkelen van nieuwe (beleids)instrumenten om aparte knelpunten aan te pakken.

Daar komt bij dat demografische ontwikkelingen in delen van het land ook een herbezinning vragen op de strategische keuzes en organisatieprincipes van mbo-instellingen. Door dit alles rijst de vraag of deze organisatieprincipes in de toekomst hanteerbaar blijven. Er zijn grenzen aan de organiseerbaarheid en daarmee ook de bestuurbaarheid van het mbo. Het is van belang dat de commissie kijkt naar de governancestructuur en de macrodoelmatigheid in het BVE-veld. We moeten de overschrijding van grenzen voor zijn, door een visie op het toekomstig mbo te ontwikkelen. Daarbij hoeft niet per se te worden gedacht in termen van nieuwe blauwdrukken, maar kunnen ook allerlei ‘best practices’ die er zijn, worden geïdentificeerd en bekeken. Waarom lukt op de ene plaats wel wat elders niet lukt?

Dit alles is voor mij aanleiding geweest om in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de commissie Onderwijs en Besturing BVE onder voorzitterschap van mevrouw Oudeman in te stellen. Ik stel de commissie per 1 mei 2010 in. Om goede voorwaarden te bieden voor een breed gedragen resultaat heb ik de commissie gevraagd om tenminste ook aan het begin en aan het einde de volgende partijen te horen: MBO-raad, AOC-Raad, Paepon, COLO, AOb, CNV, JOB, VNO-NCW, MKB, BON, gemeenten, SZW, EZ, LNV en de ouderorganisaties. Daarnaast wordt een kleine klankbordgroep van direct betrokkenen ingesteld.

Parallel aan het installeren van de commissie Onderwijs en Besturing BVE vraag ik de Stichting Platform Beroepsonderwijs en Bedrijfsleven i.o. om zich te buigen over de vraag op welke wijze de kwalificatiestructuur vereenvoudigd kan worden en ook ‘onrendabele opleidingen’ afgebouwd kunnen worden (macrodoelmatigheid). Dit kan in termen van ‘minder’, maar ook in termen van ‘minder specifiek’. Ik vraag de stichting ook om JOB en sociale partners daarbij goed te betrekken.

Ik zie graag dat de resultaten van dit advies in augustus 2010 voorliggen, zodat de commissie Onderwijs en Besturing BVE deze kan meewegen in haar totale bevindingen en aanbevelingen. Immers: de kwalificatiestructuur en het aantal opleidingen in het mbo maken deel uit van de (vermeende) complexiteit van het mbo.

Voor 30 september a.s. verwacht ik het advies van de commissie te ontvangen. Het advies zal vervolgens met een beleidsreactie aan de Tweede Kamer gestuurd worden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

Naar boven