Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 20 mei 2010, nr. DK/210082, tot wijziging van de Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen in verband met de verlenging van de termijn voor indiening van verantwoordingsbescheiden en van de Subsidieregeling innovatie cultuuruitingen in verband met het schrappen van het maximale aantal leden van de Adviescommissie Innovatie cultuuruitingen

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 5 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen;

Besluit:

ARTIKEL I

In artikel 2a van de Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen wordt ‘later dan één maand na de termijn, genoemd in die artikelen’ vervangen door: later dan 30 juli 2010.

ARTIKEL II

In artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling innovatie cultuuruitingen vervalt de zinsnede ‘en ten hoogste 6’.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

TOELICHTING

1. Algemeen

Deze regeling voorziet in aanpassing van de Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen en van de Subsidieregeling innovatie cultuuruitingen. In beide regelingen is een technische wijziging aangebracht. Naar haar aard heeft deze wijzigingsregeling geen gevolgen voor de administratieve lasten.

2. Wijziging Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen

Artikel 2a van de Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen bevat een weigeringsgrond voor het ambtshalve verlenen van subsidie op grond van die regeling. Een instelling komt niet in aanmerking voor subsidie, indien deze niet tijdig de verantwoordingsbescheiden voor haar reguliere subsidie indient. Voor de toepassing van de Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen in 2010 was geregeld dat de verantwoordingsbescheiden niet later dan in mei van dat jaar mochten worden ingediend.

Bij de intake van de verantwoordingsbescheiden over 2009 is gebleken dat een substantieel aantal instellingen in verzuim is gebleven een prestatieverantwoording, een rapport van feitelijke bevindingen of, in voorkomend geval, een rapport van bevindingen in te dienen. Niet onaannemelijk is, dat dit het gevolg is van onduidelijkheid over het aantal en de aard van de in te dienen bescheiden door invoering van nieuwe regelgeving terzake met ingang van 1 juli 2010, te weten het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en de Regeling op het specifiek cultuurbeleid. In dat licht is besloten de instellingen die in verzuim zijn, een aanvullende termijn te stellen voor het indienen van hun verantwoordingsbescheiden. Zij dienen dit alsnog voor 31 juli 2010 te doen. Gekozen is voor een termijn waarbinnen het voor die instellingen mogelijk moet zijn om van hun accountant de ontbrekende producten te verkrijgen.

Tegen deze achtergrond kan redelijkerwijs niet van de in verzuim zijnde instellingen worden verwacht dat zij, willen zij in aanmerking kunnen komen voor subsidie op grond van de Tijdelijke regeling aanvulling eigen inkomsten cultuurinstellingen, hun verantwoordingsbescheiden alsnog in dienen voor 1 juni 2010, terwijl een langere termijn van toepassing is voor de indiening daarvan in het kader van hun reguliere subsidierelatie met het ministerie. Aldus is besloten de termijn van artikel 2a overeenkomstig aan te passen.

3. Wijziging Subsidieregeling innovatie cultuuruitingen

In het licht van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2010 in zaak nr. 200909482/1/H2 is de maximering van het aantal leden van de Adviescommissie Innovatie cultuuruitingen komen te vervallen. Deze wijziging maakt het mogelijk om, mocht het in voorkomend geval nodig zijn dat een of meer leden van de commissie zich onthouden van advisering over subsidieverlening, te putten uit meer leden dan voorheen beschikbaar waren, of op ad hocbasis vervangende leden te benoemen.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J.M. van Bijsterveldt-Vliegenthart.

Naar boven