Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2010, 7948 | Onteigeningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer | Staatscourant 2010, 7948 | Onteigeningen |
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 februari 2010, nr. BJZ 2010005299,
Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Gelezen de brieven van het college van burgemeester en wethouders van Beek van 23 juli 2009, kenmerk 09uit04033, van 13 oktober 2009, kenmerk 09uit05221 en van 12 maart 2010, kenmerk 10uit01155.
Gelet op Titel IV van de onteigeningswet, Titel V van de Gemeentewet, Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.4 van de Crisis- en herstelwet.
De Raad van State gehoord (advies van 14 april 2010, no. W08.10.0058/IV).
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 26 april 2010, nr. BJZ 2010012380, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van de gemeente Beek van 25 juni 2009, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van het bij dat besluit aangewezen percelen, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nos. 554, 561, 566, 567, 902, 903, 1299, 1458, 1598, 1626, 1763, 1806, 1807, 1810, 1811, 1812, 1814, 1832, 1833, 1896, 1897, 2242, 2245, 2246, 250, 2258 en 2262, alsmede sectie L, nos. 46 en 76 (ged.), onderscheidenlijk de grondplannummers 1 tot en met 29.
Overwegingen
Het raadsbesluit tot onteigening
Op grond van artikel 77 van de onteigeningswet kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. De ter onteigening aangewezen gronden zijn begrepen in het door de raad van de gemeente Beek op 12 oktober 2006 vastgestelde, en door Gedeputeerde Staten van Limburg op 6 februari 2007 onherroepelijk goedgekeurde bestemmingsplan ‘Maastricht Aachen Airport’, verder te noemen: het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan sluit aan op en vormt een geheel met het gelijknamige bestemmingsplan van de gemeente Meerssen.
Noodzaak en urgentie
Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een aan de luchthaven Maastricht Aachen Airport B.V. (MAA) verbonden bedrijventerrein. Het bestemmingsplan is geënt op en in overeenstemming met het provinciaal beleid met betrekking tot bedrijventerreinen. Dit beleid komt onder andere tot uiting in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en de daarop gebaseerde en uit 2003 daterende aanvulling ‘Bedrijventerreinen Zuid-Limburg’. Ook daarna zijn nog enkele vervolgonderzoeken gedaan naar de actuele behoefte aan bedrijventerreinen, zoals het recent in 2008 opgestelde ‘Programma Werklocaties 2020’ en het rapport ‘Ibis Werklocaties 2008’. In deze vervolgonderzoeken wordt voor de toekomstige ruimtelijke en economische ontwikkeling tot 2015 uitgegaan van een netto-behoefte van 35 ha aan nieuwe bedrijventerreinen in de Regio Westelijke Mijnstreek. Het bedrijventerrein MAA is hier ook in begrepen. Ondanks de sedert september 2001 en de mede tengevolge van de financiële en economische crises van 2009/2010 versterkt verminderde economische activiteiten, wordt door de lokale overheden ter plaatse geen leegstand verwacht, gelet op de concrete belangstelling voor het bedrijventerrein MAA en gelet op een blijvend hoge bezettingsgraad van de Zuid-Limburgse bedrijventerreinen ter grootte van 90%. Ten behoeve van de realisatie van het bedrijventerrein hebben Maastricht Aachen Airport B.V., de gemeenten Beek en Meerssen, LIOF Bedrijventerrein B.V. en Businesspark MAA B.V. in 2006 een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarbij laatstgenoemde vennootschap tot taak had de daarvoor noodzakelijke gronden te verwerven.
In 2009 is deze structuur gewijzigd. De rechten en verplichtingen van Businesspark MAA B.V. zijn daarbij overgegaan op de Land Development Aviation Valley Maastricht C.V. (LDAVM). De gemeenten nemen niet meer deel in de LDAVM. Wel bezit de Provincie Limburg daarvan 40% van de aandelen.
Zoals uit het bestemmingsplan blijkt, rusten op de in de onteigening begrepen gronden de bestemmingen ‘Bedrijfsdoeleinden’, ‘Verkeersdoeleinden’, ‘Groendoeleinden’, ‘Natuurgebied’ en de dubbelbestemming ‘Brandstofleiding ’. Een aantal percelen heeft de voorlopige bestemming ‘Agrarisch gebied’. Deze voorlopige bestemming zal uit kracht van artikel 9a., onder ten tweede, van de planvoorschriften, tussen 1 januari 2011 en 1 januari 2015, afhankelijk van de ligging binnen het plangebied, gefaseerd wijzigen in de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’.
In de door de gemeente Beek voorgestane wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door het bestemmingsplan met de daarbij behorende voorschriften, kaarten en toelichting, alsmede uit het Masterplan Businesspark MAA met bijbehorend beeldkwaliteitsplan van september 2005,
dat ingevolge artikel 4.2.3., onderdeel b, onder 1, van de planvoorschriften behoort bij het bestemmingsplan.
Uit het raadsbesluit blijkt dat de in de onteigening begrepen gronden bezwaarlijk kunnen worden gemist bij de uitvoering van het bestemmingsplan.
De start van de ontwikkeling van het bedrijventerrein is voorzien in 2010 en de verwezenlijking van het bedrijventerrein overeenkomstig het bestemmingsplan is voorzien vóór de afloop van de gemeenlijk te stellen termijn van vijf jaar na de datum van dit goedkeuringsbesluit. De wijzigingen van de voorlopige naar de definitieve bestemming zullen eveneens, zoals uit het bestemmingsplan blijkt, plaatsvinden binnen vorenbedoelde termijn.
Bedenkingen
Het raadsbesluit tot onteigening van 25 juni 2009 heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet, met ingang van 16 juli 2009 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen binnen de gemeente Beek. De algemene kennisgeving van het raadsbesluit heeft op 15 juli 2009 plaatsgevonden in de lokaal verschijnende ‘Maas- en Geleenbode’. Belanghebbenden zijn over de terinzagelegging van het raadsbesluit ingelicht bij brief van 8 juli 2009. Tegen het raadsbesluit tot onteigening zijn bij Ons tijdig schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht door:
1) mr. C.M.E. Verhaegh namens J.J.E.M. Spee te Voorschoten, Y.M.G. Westrik-Spee te Geleen en M.V.M. Boink-Spee te Lelystad, zijnde de erven van M.C.T . Spee verderte noemen: de reclamanten onder 1);
2) mr. J.J. van der Gouw namens BAM NBM Vastgoed B.V. te Bunnik, verder te noemen: de reclamante onder 2) en BAM;
3) mr. E.U.H. van de Schepop namens A.J.P. Cerfontein, C.J.M.H. Cerfontein-Duisings en P.M.H. Duisings, allen te Ulestraten, verder te noemen: de reclamanten onder 3;
4) ing. J.V.M. Aelmans namens W.H.M. Frenken te Ulestraten, verder te noemen: de reclamant onder 4, en
5) ing. J.V.M. Aelmans namens I.E.J.M. Coumans te Schimmert, verder te noemen: de reclamant onder 5).
Overeenkomstig artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de reclamanten in de gelegenheid gesteld zich te doen horen. De reclamanten onder 2) tot en met 5) hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De reclamanten onder 1) hebben laten weten van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken.
Overwegingen naar aanleiding van de bedenkingen
De reclamanten onder 1) zijn gezamenlijk eigenaar van het mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D., no. 1814 (grondplannummer 17). Zij voeren in hun bedenkingen in de eerste plaats aan dat de gemeente haar onteigeningsbevoegdheid misbruikt omdat de onteigening uitsluitend het private belang dient van ‘Businesspark MAA B.V.’
In de tweede plaats voeren zij aan, dat er onvoldoende minnelijk overleg heeft plaatsgevonden. Er wordt hen al jaren een niet- marktconforme prijs geboden. Niettemin zo stellen de reclamanten, was er uiteindelijk overeenstemming, maar waren de wijzigingen in de concept-overeenkomst door de gemeente voor hen onaanvaardbaar.
In de derde plaats voeren de reclamanten onder 1) aan, dat er niets gedaan is met hun in de eerdere stopgezette onteigeningsprocedure aangevoerde zienswijzen en dat er sprake is van een onjuiste mandatering van de voorbereidingsprocedure aan het college van burgemeester en wethouders. Deze hebben het onteigeningsbesluit met vooringenomenheid voorbereid en aan de raad voorgelegd.
De bedenkingen van de reclamanten onder 1) geven Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.
Ten aanzien van het bezwaar dat de onteigening niet dienstig is aan het publiek belang, maar uitsluitend strekt tot behartiging van het particuliere belang van de ontwikkelaar van het bedrijventerrein MAA, merken Wij op dat bij een onteigening krachtens artikel 77, eerste lid, onder ten eerste, van de onteigeningswet, een bestemmingsplan voor die onteigening de basis vormt.
In het bestemmingsplan wordt een regeling gegeven voor de bestemming en het gebruik van de in dat plan begrepen gronden. Voor de ontwikkeling van de binnen de bestemmingsregeling vallende functies kan worden onteigend. De bevoegdheid daartoe berust bij de gemeenteraad. De onteigeningswet dwingt er evenwel niet toe, dat de gemeente na onteigening ook daadwerkelijk zelf overgaat tot uitvoering van het bestemmingsplan. In veel gevallen zal de gemeente de via onteigening verkregen gronden dan ook weer van de hand doen aan een partij die de beoogde werken en werkzaamheden zal gaan realiseren. Aangezien het gaat om uitvoering van een door de raad vastgesteld bestemmingsplan is het publiek belang van de onteigening daarmee voldoende gegeven. In zoverre geven de bedenkingen van de reclamanten onder 1) Ons geen aanleiding om aan het raadsbesluit geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamanten onder 1) die betrekking hebben op het gevoerde minnelijk overleg, overwegen Wij allereerst in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst bij minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de maatstaven waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet in beginsel voldaan, indien vóór de terinzagelegging van het ontwerp-onteigeningsbesluit is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en op het moment van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kan een gemeente tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het bestemmingsplan zeker te stellen.
In het bijzonder overwegen Wij dat uit de Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat sedert 2003 met de reclamanten overleg is gevoerd. Het daarbij gebleken struikelblok is de hoogte van de geboden prijs voor de gronden. De gemeente wenst daarbij uit te gaan van hetgeen binnen de geraamde exploitatie naar haar oordeel maximaal mogelijk is en hetgeen ook aan andere eigenaren is geboden. Bij deze biedingen is de verkeerswaarde uitgangspunt geweest. Gelet hierop kan dit onderdeel van de bedenkingen van de reclamanten onder 1) naar Ons oordeel niet leiden tot de gehele of gedeeltelijke onthouding van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening. De vaststelling van de hoogte van de schadeloosstelling staat op grond van artikel 40 van de onteigeningswet immers bij uitsluiting ter beoordeling van de burgerlijke rechter in de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Dit onderdeel van de bedenkingen van de reclamanten onder 1) geeft Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
Wat de door de reclamanten veronderstelde procedurele gebreken betreft overwegen Wij dat voor zover deze betrekking hebben op de eerdere, stopgezette onteigeningsprocedure, deze nu niet meer ter beoordeling kunnen staan omdat de huidige, herhaalde onteigeningsprocedure in volle omvang aan Ons ter beoordeling is voorgedragen. In dat verband is Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek niet gebleken van een onvoldoende behandeling van de tegen de huidige onteigening naar voren gebrachte zienswijzen van de reclamanten onder 1). Voorzover de reclamanten onder 1) – overigens zonder nadere onderbouwing – bezwaren aanvoeren tegen de door burgemeester en wethouders van Beek gevolgde voorbereidingsprocedure, overwegen Wij dat voor zover de reclamanten hier mogelijk duiden op een gebrekkige voorbereiding van het raadsbesluit, Ons daarvan uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek niet is gebleken.
Alles overziende geven de bedenkingen van de reclamanten onder 1) Ons dan ook geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
De reclamante onder 2) is aannemer-projectontwikkelaar en eigenaar van de mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nos. 561, 566, 567, 902, 903, 1299, 1458, 1832, 1896 en 1897 (grondplannummers 2 tot en met 8 en 18, 20 en 21).
De reclamante onder 2) voert als belangrijkste bedenking aan, dat zij in staat en bereid is de op haar gronden rustende bestemmingen zelf te realiseren, althans voor zover deze niet strekken tot infrastructurele werken. Het bestemmingsplan biedt naar het oordeel van de reclamante voldoende basis voor zelfrealisatie waar het gaat om de globale, niet nader uit te werken bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. De gemeente heeft terzake geen verder inzicht verschaft in de door haar voorgestane wijze van planuitvoering. Er heeft geen stedebouwkundig plan en/of verkavelingsplan ter inzage gelegen. Het Masterplan Businesspark MAA van mei 2005 waarnaar de gemeente verwijst heeft evenmin ter inzage gelegen.Daarentegen heeft BAM al in mei 2008 een met dit Masterplan in overeenstemming zijnd verkavelingsplan voor haar eigendommen opgesteld, dat in september 2008 met de gemeente is besproken. Vervolgens, aldus reclamante, is zij doorverwezen naar Businesspark MAA B.V.
Zij voert in haar bedenkingen daarnaast nog aan, dat de onteigening niet plaatsvindt in het publiek belang. Zij heeft altijd begrepen dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein MAA voor rekening en risico van marktpartij Businesspark MAA B.V. geschiedt en dat de aanleg van het bedrijventerrein niet door de gemeente zou zijn aanbesteed. Het feit dat in 2009 de rechten en plichten van bedoelde B.V. zijn overgegaan op LDAVM C.V. noopt de reclamante onder 2) er toe om in haar bedenkingen op te merken dat laatstbedoelde onderneming is geselecteerd zonder een wettelijk voorgeschreven aanbestedingsprocedure.
Tot slot stelt de reclamante onder 2) dat er onvoldoende minnelijk overleg is gevoerd. Zij plaatst dit bezwaar in het licht van de onderhandelingen over de door haar gewenste zelfrealisatie met betrekking tot de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’. In haar laatst uitgebrachte bod heeft de gemeente ten onrechte deze wens miskend en een eerder uitgebracht bod klakkeloos herhaald.
Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamante onder 2) die zien op het beroep op zelfrealisatie voor zover op hun gronden de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ rust, overwegen Wij in het algemeen dat de gemeente bij een voorgenomen onteigening moet aantonen dat het doel waarvoor onteigend wordt niet op een andere manier te bereiken is. Van belang hierbij is dat wanneer een grondeigenaar aangeeft bereid en in staat te zijn om de aan zijn grond gegeven bestemming zelf te realiseren, onteigening in beginsel niet noodzakelijk is. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien de gemeente een andere vorm van planuitvoering wenst dan de grondeigenaar. Onteigening is dan pas gerechtvaardigd indien de gemeente aantoont dat in het publieke belang dringend behoefte bestaat aan de door haar gewenste vorm van planuitvoering. Welke vorm van planuitvoering in het publieke belang is staat in eerste instantie ter beoordeling van het gemeentebestuur. Of de grondeigenaar zelf tot planuitvoering in staat is hangt af van de door de gemeente gekozen vorm van planuitvoering. In verband daarmee moet de grondeigenaar zich op de hoogte kunnen stellen van die door de gemeente gewenste vorm. Over het algemeen kan deze worden gevonden in de toelichting op het bestemmingsplan of de bijbehorende voorschriften en/of de beschrijving in hoofdlijnen bij het bestemmingsplan. Andere mogelijke uitzonderingen kunnen zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming zelf op doelmatige wijze te kunnen realiseren of als de te onteigenen grond geen afzonderlijk deel van het te realiseren complex kan vormen. Wanneer er sprake is van een bestemmingsplan dat integraal moet worden uitgevoerd kan de grondeigenaar eveneens geen beroep op zelfrealisatie doen, indien hij daarvoor onvoldoende grond bezit.
In het bijzonder overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek niet is gebleken van een eenduidige presentatie met betrekking tot de door de gemeente concreet voorgestane wijze van uitvoering van het bestemmingsplan. Weliswaar beroept de gemeente zich op tekeningen die gebaseerd zouden zijn op de foto’s van maquettes in het ‘Masterplan Businesspark MAA 2005’, maar deze tekeningen in combinatie met bedoelde foto,s bieden geen duidelijke aanknopingspunten voor een onderbouwing van het gemeentelijk uitvoeringsbeleid. Wij overwegen dat Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek althans voorshands niet is gebleken dat zonder onteigening het bestemmingsplan niet op de door de gemeente gewenste wijze zou kunnen worden uitgevoerd. In zoverre achten Wij de onteigening dan ook voorbarig. Daarbij komt, wat er zij van het voorgaande, dat de gemeente zoals uit het ingestelde onderzoek blijkt, inmiddels de aan het eigendom van BAM grenzende gronden heeft verkocht aan een derde die op die gronden bebouwing laat oprichten die weliswaar in overeenstemming met het bestemmingsplan moet worden geacht, maar die naar Ons oordeel niet overeenkomt met de door de gemeente beweerdelijk gewenste verkaveling van het bedrijventerrein. De gemeente heeft onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat zelfrealisatie in de weg zou staan aan een dringend publiek belang bij de door de gemeente gewenste wijze van uitvoering van het bestemmingsplan. Voor zover beschikkend over voldoende grond om aan de bepalingen van het bestemmingsplan te kunnen voldoen kan BAM in staat en bereid worden geacht de op haar gronden rustende bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden’ zelf te verwezenlijken. Gelet hierop zullen Wij dan ook aan het raadsbesluit tot onteigening in zoverre de goedkeuring onthouden.
Gelet op het vorenstaande behoeven de overige bedenkingen van de reclamante onder 2) thans geen verdere bespreking.
Van de reclamanten onder 3) zijn A.J.P. Cerfontein en C.J.M.H. Cerfontein-Duisings, gezamenlijk eigenaar van het mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, no. 2258 (grondplannummer 26). Reclamant Cerfontein pacht in de gemeente Beek de percelen kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nos. 1833 en 2250 (grondplannummers 19 en 25). De gronden zijn in gebruik voor akkerbouw.
De reclamanten onder 3) betwisten in hun bedenkingen de noodzaak en urgentie van de onteigening. De onderhandelingen over een minnelijke oplossing zijn nog niet afgerond. Afspraken over compensatiegronden worden niet nagekomen. Het ontgaat de reclamanten waarom het bestemmingsplan zo snel moet worden uitgevoerd. De gemeente heeft de noodzaak daarvan niet aangetoond.
De bedenkingen van de reclamanten onder 3) geven Ons geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden. Uit het bestemmingsplan c.a. en uit de overgelegde stukken blijkt naar Ons oordeel dat een spoedige verwezenlijking daarvan aan de orde is. Ten aanzien van het gevoerde minnelijk overleg verwijzen Wij naar hetgeen Wij hierover in het algemeen hierover hebben overwogen bij de bespreking van de bedenkingen van de reclamanten onder 1). Ons is uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek in het bijzonder gebleken dat met de reclamanten onder 3) regelmatig minnelijk overleg is gevoerd. In dat verband verplicht de onteigeningswet overigens niet tot het aanbieden van vervangende gronden. Niettemin is blijkens het ingestelde onderzoek het zo mogelijk kunnen aanbieden van compensatiegronden wel aan de orde geweest in het kader van het minnelijk overleg. Dit heeft evenwel niet tot resultaat geleid, zo min als overeenstemming kon worden bereikt over schadeloosstelling bij verkoop van de grond van reclamanten en het tenietgaan van de pacht. Nu het ten tijde van het raadsbesluit niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn tot resultaat zou leiden, heeft de raad naar Ons oordeel in zoverre tot onteigening kunnen besluiten.
De reclamant onder 4) is voor één twaalfde gedeelte gerechtigd in de eigendom van de mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nos. 1810, 1811, 1812, 2242, 2245 en 2246, alsmede sectie L, no. 46 (grondplannummers 14 tot en met 16, 22 tot en met 24 en 28).
In zijn bedenkingen voert de reclamant onder 4) ten eerste aan dat hij in het minnelijk overleg gelijk wil worden behandeld als andere boeren in het plangebied. Dat betekent dat ook hij graag gecompenseerd wil worden in de vorm van vervangende grond. Daarnaast betwist hij de noodzaak van de onteigening in het licht van de afnemende vraag naar bedrijventerreinen. Omdat gemeente(n) en provincie deelnemen in de ontwikkeling van het bedrijventerrein betwist hij de objectiviteit van de overheidsproducties die de noodzaak van het bedrijventerrein moeten onderbouwen. In het bijzonder wijst hij daarbij op de voorlopige bestemmingen die in de loop der tijd ‘automatisch’ wijzigen en op een bouwbelemmering tengevolge van een stankcirkel rond een agrarisch bedrijf. De verwezenlijking van het plan staat dus nog niet vast en daarom is onteigening voorbarig.
Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamant onder 4) die zien op het minnelijk overleg en op zijn wens om in dat kader ook compensatiegrond aangeboden te krijgen, overwegen Wij dat, zoals hiervoor bij de behandeling van de bedenkingen van de reclamanten onder 3) al is aangegeven, het aanbieden van compensatiegrond geen wettelijke verplichting is. Derhalve kan dit onderdeel van de bedenkingen van de reclamant onder 4) niet leiden tot het geheel of gedeeltelijk onthouden van goedkeuring aan het raadsbesluit tot onteigening.
Voor zover de voorlopige bestemmingen in de weg zouden kunnen staan aan onteigening ten behoeve van de definitieve bestemming bedrijfsdoeleinden overwegen Wij dat deze zelfstandige omzetting, zoals blijkt uit het bestemmingsplan, uiterlijk zal plaatsvinden vóór 1 januari 2015 en derhalve binnen een termijn van vijf jaren na de datum van Ons goedkeuringsbesluit. Uit dien hoofde bestaat er geen belemmering voor het binnen vorenbedoelde termijn kunnen verwezenlijken van de bestemmingen waarvoor wordt onteigend. Zoals hierboven onder ‘noodzaak en urgentie’ is aangegeven gaan Wij er van uit dat de gemeente tijdig de ontwikkeling van het bedrijventerreinen ter hand zal nemen, zodat er voor ons geen aanleiding is om te twijfelen aan de urgentie van de onteigening.
Wat betreft de bouwbelemmering die zou voortvloeien uit een stankcirkel rond een agrarisch bedrijf ten zuiden van het plangebied, merken Wij op dat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat deze milieucirkel niet langer bestaat omdat het desbetreffende bedrijf is gestaakt en de opstallen zullen worden gesloopt.
Alles overziende geven de bedenkingen van de reclamant onder 4) Ons geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
De reclamant onder 5) is eigenaar van de mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nos. 1626 en 2262 (grondplannummers 10 en 27).
In zijn bedenkingen voert de reclamant onder 5) nagenoeg dezelfde bezwaren tegen de onteigening aan als de reclamant onder 4). Ook de reclamant onder 5) wenst in beginsel door middel van grondruil gecompenseerd te worden voor het verlies van zijn eigendom en om zijn melkveebedrijf te kunnen voortzetten. Probleem daarbij is dat hij vervangende gronden zou kunnen verkrijgen, grenzend aan zijn buiten het plangebied gelegen huiskavel, maar dat op deze gronden natuurcompenserende maatregelen moeten worden genomen (heggen, fruitbomenopstand enz.) Deze vorm van grondgebruik belemmert de reclamant evenwel in de door hem gewenste voortzetting van zijn melkvee-bedrijf.
Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamant onder 5) overwegen Wij allereerst dat in het algemeen kan worden verwezen naar hetgeen Wij hiervoor hebben opgemerkt bij de bespreking van de bedenkingen van de reclamant onder 4) en de andere reclamanten. In het bijzonder overwegen Wij dat als met instemming van het departement van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) elders de bovenbedoelde natuurcompensatie kan worden gevonden, de door de reclamant gewenste grondruil ten behoeve van het voortbestaan van zijn melkveebedrijf een voor alle partijen bevredigende oplossing kan bieden.
Dit is evenwel van de instemming van LNV afhankelijk. Nu het ten tijde van het raadsbesluit nog niet aannemelijk was dat het minnelijk overleg op afzienbare termijn tot bovenbedoeld resultaat zou leiden, heeft de raad naar Ons oordeel in zoverre tot onteigening kunnen besluiten. Wellicht dat het voort te zetten minnelijk overleg, dan wel het overleg dat alsnog vooraf dient te gaan aan de dagvaarding alsnog zal leiden tot een voor partijen bevredigende oplossing. Vooralsnog geven de bedenkingen van de reclamant onder 5) Ons geen aanleiding om aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring te onthouden.
Overige overwegingen
Op 13 oktober 2009 en op 12 maart 2010 hebben burgemeester en wethouders van Beek Ons schriftelijk te kennen gegeven wegens tussentijdse minnelijke verwerving niet langer prijs te stellen op het voortzetten van de onteigeningsprocedure voor de percelen met de grondplannummers 1, 9, 10, 11, 12, 13 en 27. Wij zullen aan het raadsbesluit dan ook in zoverre de goedkeuring onthouden.
Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Beek worden geacht, dat de gemeente de eigendom verkrijgt van de overige in het raadsbesluit tot onteigening aangewezen gronden.
Beslissing
Wij hebben goedgevonden en verstaan:
Met inachtneming van de onteigeningswet zoals deze luidde vóór 31 maart 2010, het besluit van de raad van de gemeente Beek van 25 juni 2009, goed te keuren, behalve voor zover dat besluit ziet op de percelen, kadastraal bekend gemeente Beek, sectie D, nos. 554, 566, 567, 902, 903, 1598, 1626, 1763, 1806, 1807 en 2262, alsmede aan de gedeelten van de percelen sectie D, nos. 651, 1299, 1458, 1896 en 1897, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende tekening en lijst, aan welke onderdelen van het raadsbesluit Wij eveneens de goedkeuring onthouden.
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat door toezending daarvan aan de gemeente zal worden bekendgemaakt. Dit besluit zal tevens met het raadsbesluit in de Staatscourant worden geplaatst (www.officielebekendmakingen.nl).
Den Haag, 29 april 2010
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J.C. Huizinga-Heringa.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
E.M.H. Hirsch Ballin.
De raad van de gemeente Beek;
Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 mei 2009, alsmede 16 juni 2009;
gelet op het bepaalde in artikel 77 lid 1 en overige van de Onteigeningswet, alsmede gelet op het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport;
gehoord de commissie GGZ;
Overwegende:
− Dat bij besluit van de raad van de gemeente Beek van 12 oktober 2006 het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport, voorzover het plangebied is gelegen in deze gemeente, is vastgesteld en dat op diezelfde datum door de raad van de gemeente Meerssen het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport is vastgesteld voorzover het betreft het binnen die gemeente gelegen deel van het plangebied;
− Dat het doel van het bestemmingsplan is om te voorzien in een adequate juridisch planologische regeling voor de ontwikkelingen op de luchthaven en de ontwikkeling van een bedrijventerrein nabij Maastricht Aachen Airport, waaraan hoge eisen worden gesteld op het gebied van stedenbouwkundige kwaliteit, landschappelijke inpassing en duurzaamheid;
− Dat de uitvoering en realisering van het bestemmingsplan past binnen het door de Provincie Limburg vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) met name gelet op de op 21 februari 2003 door Provinciale Staten van Limburg vastgestelde POL-aanvulling bedrijventerreinen Zuid-Limburg;
− Dat Gedeputeerde Staten van Limburg in hun besluit van 6 februari 2007, nummer 2007/4970 het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport hebben goedgekeurd en dat dit bestemmingsplan inmiddels onherroepelijk is;
− Dat het noodzakelijk wordt geacht dat de gemeente ten behoeve van de door haar voorgestane wijze van uitvoering van meergenoemd bestemmingsplan spoedig kan beschikken over de in het plangebied gelegen percelen/perceelsgedeelten teneinde tot de realisatie van de bestemmingen te kunnen overgaan;
− Dat onteigening noodzakelijk is met het oog op een tijdige uitvoering van het bestemmingsplan en om verdere vertraging in de planuitvoering te voorkomen;
− Dat met de eigenaren van de op bijlage 1 (lijst van te onteigenen percelen/perceelsgedeelten gemeente Beek) genoemde percelen/perceelsgedeelten tot dusver geen overeenstemming is bereikt over de minnelijke aankoop van de benodigde gronden, waardoor de in het onherroepelijk goedgekeurde bestemmingsplan genoemde bestemmingen niet volledig kunnen worden gerealiseerd overeenkomstig de door de gemeente voorgestane wijze;
− Dat door de raad van de gemeente Beek op 25 september 2008 een onteigeningsbesluit is genomen teneinde de hierboven bedoelde gronden middels onteigening te verwerven doch dat nadien is gebleken dat de openbare kennisgevingen voor dat besluit niet voldoen aan de maatstaven die daarvoor gelden zodat ernstig rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheid dat de Kroon goedkeuring aan het onteigeningsbesluit zal onthouden;
− Dat teneinde tijdverlies bij de verwerving van de bedoelde gronden zoveel mogelijk te vermijden dient te worden besloten om het op 25 september 2008 genomen onteigeningsbesluit in te trekken en zo spoedig mogelijk een nieuw onteigeningsbesluit te nemen teneinde de bedoelde gronden alsnog te verwerven;
− Dat de betrokken eigenaren van de percelen/perceelsgedeelten en onze raad een vooraankondiging hebben gehad over het in gang zetten van een nieuwe onteigeningsprocedure;
− Dat het ontwerp onteigeningsbesluit samen met het onteigeningsplan conform artikel 80 Onteigeningswet en artikel 3:11 Algemene Wet Bestuursrecht met ingang van 16 maart 2009 voor een periode van zes weken en derhalve tot en met 27 april 2009 ter inzage heeft gelegen ter gemeentesecretarie;
− Dat van de ter visie legging op de voorgeschreven wijze kennis is gegeven;
− Dat gedurende de voormelde periode van zes weken belanghebbenden in de gelegenheid zijn geweest om hun zienswijzen schriftelijk of mondeling in te dienen;
− Dat gedurende deze ter inzage legging zes zienswijzen zijn ontvangen;
− Dat voor de behandeling en standpuntbepaling van burgemeester en wethouders met betrekking tot deze zienswijzen wordt verwezen naar het gelijknamige rapport ‘Behandeling en standpuntbepaling inzake ingebrachte zienswijzen met betrekking tot het ontwerp onteigeningsplan voor de percelen in het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport‘, alsmede de aanvullende nota ‘zienswijzen onteigening terrein BPMAA‘, die als gewaarmerkte bijlagen behoren bij dit besluit;
− Dat burgemeester en wethouders naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen geen aanleiding zien om het onteigeningsplan aan te passen;
− Dat de in genoemd rapport en nota vervatte overwegingen aangaande de ingediende zienswijzen te dezen geheel worden overgenomen;
− Dat burgemeester en wethouders er tot op heden niet in zijn geslaagd om langs minnelijke weg tegen een aannemelijke prijs de eigendom van de percelen te verwerven;
− Dat hierdoor de mogelijkheid bestaat dat diverse in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen/projecten niet tijdig kunnen worden gerealiseerd;
− Dat de ontwikkeling van deze bestemmingen/projecten aldus ernstig stagneert met alle economische gevolgen vandien;
− Dat uit dien hoofde met toepassing van het bepaalde in artikel 77 lid 1 van de Onteigeningswet onteigening derhalve noodzakelijk is;
Gelet op de Onteigeningswet en op het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport,
Besluit:
I I hierbij het door de raad op 25 september 2008 genomen onteigeningsbesluit in te trekken;
II II met overneming van de in het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 mei 2009 en 16 juni 2009 weergegeven overwegingen, waarvan de gewaarmerkte bijlagen ‘Behandelingen standpuntbepaling inzake ingediende zienswijzen met betrekking tot het ontwerp onteigeningsplan voor de percelen in het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport’, alsmede de aanvullende nota ‘zienswijzen onteigening terrein BPMAA‘ onlosmakelijk deel uitmaken en welke beide worden geacht van dit besluit deel uit te maken:
a. de tegen het ontwerp onteigeningsplan ingediende zienswijzen van reclamanten ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
b. ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan Maastricht Aachen Airport ten name van de gemeente Beek en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling aanstonds te onteigenen die percelen die op de bij dit besluit behorende grondtekening nader zijn voorzien van een rasteraanduiding en op de bij dit besluit behorende lijst van de te onteigenen percelen zijn vermeld;
c. Het raadsbesluit tot onteigening met de bijbehorende bijlagen overeenkomstig het bepaalde in artikel 84 van de Onteigeningswet te publiceren in de Staatscourant en in de Maas- en Geleenbode en tegelijkertijd met de ter visie legging van het onteigeningsplan ter goedkeuring aan te bieden aan de Kroon.
Aldus besloten door de raad in zijn openbare vergadering van de gemeente Beek, 25 juni 2009
De raadsgriffier,
G.H.M. Erven.
De voorzitter,
A.M.J. Cremers.
Grondplan nr | te onteigenen grootte (m2) | van het perceel, kadastraal bekend gemeente Beek | |||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
omschrijving | ter grootte van (m2) | sectie | nummer | Ten name van | Recht | ||||||
2 | 2.875 | terrein (akkerbouw) | 2.875 | D | 561 |
| BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom |
3 | 1.310 | terrein (akkerbouw) | 1.310 | D | 566 |
| BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom |
4 | 1.275 | terrein (akkerbouw) | 1.275 | D | 567 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom | |
5 | 6.170 | terrein (akkerbouw) | 6.170 | D | 902 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom | |
6 | 3.675 | terrein (akkerbouw) | 3.675 | D | 903 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom | |
7 | 3.000 | terrein (akkerbouw) | 3.000 | D | 1299 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom | |
8 | 8.350 | terrein (akkerbouw) | 8.350 | D | 1458 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom | |
14 | 1.920 | terrein (akkerbouw) | 1.920 | D | 1810 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik-Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen-Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
15 | 1.165 | terrein (akkerbouw) | 1.165 | D | 1811 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik-Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen-Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
16 | 500 | terrein (akkerbouw) | 500 | D | 1812 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik-Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen-Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
17 | 10.240 | terrein (akkerbouw) | 10.240 | D | 1814 | Mevr. Y.M.G. | Westrik-Spee | Mauritslaan 17 | 6161 HN | Geleen | 1/4 eigendom |
Mevr. M.C.T. | Boelens-Spee † 18-5-1995 | Parklaan 7 | 6131 KE | Sittard | 1/4 eigendom | ||||||
Dhr. J.J.E.M. | Spee | Swagermanweg 9 | 2252 BC | Voorschoten | 1/4 eigendom | ||||||
Mevr. M.V.M. | Boink-Spee | Punter 3205 | 8242 EG | Lelystad | 1/4 eigendom | ||||||
18 | 11.495 | terrein (teelt-kweek) | 11.495 | D | 1832 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom | |
19 | 8.165 | terrein (akkerbouw) | 8.165 | D | 1833 | Dhr. J.H.M.R. | Duisings | Kap. Wijnensingel 154 | 6191 WN | Beek Lb | 1/2 eigendom |
Dhr. P.M.H. | Duisings | Langs de Gewannen 77 | 6235 NV | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
20 | 10.340 | terrein (akkerbouw) | 10.340 | D | 1896 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom, belast met BP tbv Domeinen | |
De Staat (Financien, Domeinen) | Postbus 2222 | 4800 CE | Breda | Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemm. Wet privaatrecht | |||||||
21 | 9.365 | terrein (akkerbouw) | 9.365 | D | 1897 | BAM NBM Vastgoed bv | Runnenburg 17 | 3981 AZ | Bunnik | 1/1 eigendom, belast met BP tbv Domeinen | |
De Staat (Financien, Domeinen) | Postbus 2222 | 4800 CE | Breda | Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemm. Wet privaatrecht | |||||||
22 | 1.648 | terrein (akkerbouw) | 1.648 | D | 2242 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik - Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen - Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
23 | 735 | terrein (akkerbouw) | 735 | D | 2245 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik-Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen-Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
24 | 625 | terrein (akkerbouw) | 625 | D | 2246 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik-Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen-Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
25 | 1.215 | terrein (akkerbouw) | 1.215 | D | 2250 | Mevr. L.M.J.H. | Duisings | Hei Carisborgweg 5 A | 6414 NL | Heerlen | 1/1 eigendom belast met vruchtgebruik |
De Staat (Financien, Domeinen) | Postbus 2222 | 4800 CE | Breda | Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemm. Wet privaatr op ged. van perceel | |||||||
26 | 8.990 | terrein (akkerbouw) | 8.990 | D | 2258 | Dhr. A.J.P. | Cerfontein | Langs de Gewannen 77 | 6235 NV | Ulestraten | 1/2 eigendom |
Mevr. C.J.M.H. | Cerfontein-Duisings | Langs de Gewannen 77 | 6235 NV | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
28 | 10.700 | terrein (akkerbouw) | 10.700 | L | 46 | Mevr. G.M.T. | Van Woezik-Frenken | Brouwersstraat 9 | 6651 AH | Druten | 1/12 eigendom |
Dhr. J.P.G. | Frenken | Churchillstraat 14 | 6235 CE | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. M.J.J. | Henssen-Frenken | Molenstraat 38 | 6191 KR | Beek Lb | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. P.J.J. | Frenken | Wilhelminastraat 129 | 6431 XV | Hoensbroek | 1/12 eigendom | ||||||
Dhr. W.H.M. | Frenken | Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/12 eigendom | ||||||
Mevr. J.H. | Frenken-Voncken † 8-7-1990 | p/a Burg. Visschersstraat 98 | 6235 ED | Ulestraten | 1/2 eigendom | ||||||
Mevr. J.J.M.H. | Horsmans-Dohmen | Windmolenweg 7 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
Dhr. D.J.H. | Dohmen | Windmolenweg 9 | 6447 EE | Merkelbeek | 1/24 eigendom | ||||||
29 | 1.760 | terrein (akkerbouw) | 1.840 | L | 76 | Klinkers Holding BV | Burg. Visschersstraat 141 | 6235 EB | Ulestraten | 1/1 eigendom | |
Heeft ter inzage gelegen vanaf 16 maart 2009.
Behorende bij besluit van de raad van de gemeente Beek d.d. 25 juni 2009.
De secretaris,
De griffier,
De voorzitter,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2010-7948.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.