Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2010
Nr. 5470

Gepubliceerd op 12 april 2010 09:00



Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 30 maart 2010, nr. BJZ2010008985, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, houdende de stimulering van inburgering op de werkvloer (Tijdelijke stimuleringsregeling inburgering op de werkvloer)

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

Gelet op artikel 48s van de Wet Justitie-subsidies;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. agentschap:

Agentschap SZW;

b. duale inburgeringsvoorziening met werk:

inburgeringsvoorziening als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, onder o, van het Besluit inburgering, waarbij de vaardigheden, bedoeld in de artikelen 2.9 en 2.10 van dat besluit, worden verworven in combinatie met het verrichten van arbeid;

c. minister:

Minister voor Wonen, Wijken en Integratie;

d. taalkennisvoorziening:

voorziening als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet inburgering;

e. werkgever:
  • 1°. degene jegens wie een ander krachtens arbeidsovereenkomst of publiekrechtelijke aanstelling gehouden is tot het verrichten van arbeid, of

  • 2°. degene in wiens opdracht een zelfstandige zonder personeel arbeid verricht;

f. werknemer:

de ander, bedoeld in onderdeel e, onder 1°.

Artikel 2

Deze regeling heeft tot doel de deelname van werknemers en zelfstandigen zonder personeel aan een duale inburgeringsvoorziening met werk of een taalkennisvoorziening te bevorderen.

Artikel 3

De minister kan subsidie verstrekken aan een werkgever voor activiteiten die de werkgever verricht voor en gedurende de deelname van zijn werknemer of de in zijn opdracht werkende zelfstandige zonder personeel aan de duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening.

Artikel 4

De subsidie, bedoeld in artikel 3, bedraagt € 1.000,– per werknemer of zelfstandige zonder personeel tot een maximum van € 25.000,– per aanvrager.

Artikel 5

Het subsidieplafond bedraagt voor het jaar 2010 € 7 miljoen.

Artikel 6

  • 1. De aanvraag tot subsidievaststelling wordt door de werkgever ingediend bij het agentschap.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een bij het agentschap verkrijgbaar formulier.

  • 3. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens overgelegd:

    • a. de naam en het adres van de aanvrager en het nummer waaronder de aanvrager is geregistreerd bij de kamer van koophandel en fabrieken;

    • b. de naam, het adres, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de werknemer of de zelfstandige zonder personeel op wie de aanvraag betrekking heeft;

    • c. een omschrijving van de door de aanvrager te verrichten activiteiten die strekken tot:

      • 1°. het bevorderen van een duale inburgeringsvoorziening met werk, of

      • 2°. het bevorderen van een taalkennisvoorziening;

    • d. een verklaring ondertekend door de aanvrager waaruit blijkt dat de werknemer of de zelfstandige zonder personeel op wie de aanvraag betrekking heeft op grond van een arbeidsovereenkomst, een publieke aanstelling of een opdracht gehouden is arbeid te verrichten voor de aanvrager ten minste gedurende de periode waarbinnen de duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening wordt uitgevoerd;

    • e. een kopie van de beschikking, bedoeld in artikel 22 van de Wet inburgering, een kopie van de beschikking krachtens de verordening, bedoeld in artikel 19A, eerste lid, van de Wet inburgering of een kopie van de overeenkomst, bedoeld in artikel 24d, tweede lid, van de Wet inburgering, die in 2010 is genomen of is gesloten, waaruit blijkt dat de werknemer of de zelfstandige zonder personeel deelneemt dan wel zal gaan deelnemen aan een duale inburgeringsvoorziening met werk of een taalkennisvoorziening, en

    • f. schriftelijke toestemming van de werknemer of zelfstandige zonder personeel op wie de aanvraag betrekking heeft om bij de aanvraag de gegevens, bedoeld in onderdeel b, te verstrekken en de bescheiden, bedoeld in de onderdelen d en e, over te leggen.

  • 4. Indien de werkgever zich voor de aanvraag tot subsidievaststelling laat vertegenwoordigen door een gemachtigde, legt de gemachtigde een schriftelijke machtiging bij die aanvraag over.

Artikel 7

  • 1. Op de aanvragen tot subsidievaststelling wordt beslist in volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat, indien de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

  • 2. Indien toekenning van aanvragen die op dezelfde datum zijn binnengekomen, leidt tot overschrijding van het subsidieplafond, wordt, in afwijking van het eerste lid, met betrekking tot die aanvragen de volgorde van ontvangst door loting vastgesteld.

  • 3. Een aanvraag tot subsidievaststelling kan worden ingediend tot en met 31 oktober 2010.

Artikel 8

De minister beslist binnen zes weken op de aanvraag, bedoeld in artikel 6. De minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste zes weken.

Artikel 9

  • 1. Indien wordt voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens de ‘Verordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de minimis-steun’ (PbEU 2006, L 379) dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving, legt de aanvrager bij de aanvraag tot subsidievaststelling een verklaring omtrent de minimis-steun over.

  • 2. De verklaring omtrent de minimis-steun, bedoeld in het eerste lid, wordt opgesteld overeenkomstig het in de bijlage bij deze regeling opgenomen model.

  • 3. De subsidievaststelling wordt geweigerd indien de werkgever een onderneming in Europeesrechtelijke zin is en niet is voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens de ‘Verordening van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de minimissteun’ (PbEU 2006, L 379), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving.

Artikel 10

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 februari 2011.

Artikel 11

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke stimuleringsregeling inburgering op de werkvloer.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 30 maart 2010

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

E. van Middelkoop.

BIJLAGE

Modelverklaring de minimis-steun

Verklaring in het kader van het verlenen van de-minimis steunbedragen als bedoeld in de de-minimis verordening (PbEU 2006, L 379).

Aanbevolen wordt om voor het invullen van deze verklaring eerst de toelichting in de bijlage bij de modelverklaring te lezen.

Deze verklaring bestaat uit twee pagina’s. De bijlage bestaat uit drie pagina’s. Aanbevolen wordt om zorgvuldig te controleren of alle pagina’s aanwezig zijn.

Verklaring

Hierbij verklaart ondergetekende, dat aan de hierna genoemde onderneming, evenals aan het eventuele gehele moederconcern waartoe de onderneming behoort,

  • geen de-minimissteun is verleend.

    • Over de periode van het huidige belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren heeft uw onderneming niet eerder de-minimissteun ontvangen.

  • wel de-minimissteun is verleend maar voor andere kosten dan die waarvoor u nu steun vraagt.

    • Over de periode van het huidige belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren heeft uw onderneming eerder de-minimissteun ontvangen voor andere kosten tot een totaal bedrag van € ......

      Indien deze optie op u van toepassing is dient u een kopie waaruit het verlenen van de steun blijkt mee te sturen.

  • wel de-minimissteun is verleend voor dezelfde kosten als die waarvoor u nu steun vraagt.

    • Over de periode van het huidige belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren heeft uw onderneming eerder de-minimissteun ontvangen voor dezelfde kosten tot een totaal bedrag van € ......

      Indien deze optie op u van toepassing is dient u een kopie waaruit het verlenen van de steun blijkt mee te sturen.

  • eerder andere steun is verleend voor dezelfde kosten als die waarvoor u nu steun vraagt.

    • Voor dezelfde in aanmerking komende kosten is reeds staatssteun verleend tot een totaal bedrag van € ......

      Deze staatssteun is verleend op grond van een vrijstellingsverordening, kaderregeling, beschikking of besluit van de Europese Commissie op ..........

      Indien deze optie op u van toepassing is dient u een kopie waaruit het verlenen van de steun blijkt mee te sturen.

Aldus volledig en naar waarheid ingevuld door:

   

.....

 

(Bedrijfsnaam)

   

.....

 

(Inschrijfnummer KvK)

   

.....

 

(Naam functionaris en functie)

   

.....

 

(Adres onderneming)

   

.....

 

(Postcode en plaatsnaam)

   

.....

(datum) .....

(Handtekening)

Toelichting verklaring de-minimissteun

Deze toelichting dient als hulpmiddel bij het invullen van de de-minimisverklaring. Aan de toelichting kunnen geen rechten worden ontleend. De ‘Verordening betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun’ (PbEU 2006, L 379) is bepalend1.

1. De de-minimisverordening en staatssteun

Wanneer overheden2 steun aan ondernemingen3 willen verlenen kan deze steun ervoor zorgen dat de concurrentieverhoudingen worden verstoord. Omdat dit ongunstig kan zijn voor het handelsverkeer stelt het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) beperkingen aan de mogelijkheden om steun te geven (artikel 107 en 108 VWEU).

In de de-minimisverordening heeft de Europese Commissie verklaard dat steunmaatregelen (zoals subsidieverlening) tot een bepaalde drempel het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en de mededinging niet vervalsen en daarom niet beschouwd worden als staatssteun in de zin van het VWEU. Deze drempel is gesteld op een bedrag van € 200.000,– (€ 100.000,– voor ondernemingen in de sector wegvervoer). Voor de visserijsector geldt een drempel van € 30.000,–. Voor de landbouwproductiesector is de drempel gesteld op € 7.500,–. Dit bedrag geldt per onderneming over een periode van drie belastingjaren. Steun die genoemde drempelbedragen niet overschrijdt, wordt aangemerkt als ‘de-minimissteun’.

Deze verklaring is nodig voor de overheden om na te gaan of bij de steunverlening aan uw onderneming aan de eisen van de de-minimisverordening is voldaan. Door middel van deze verklaring geeft u aan dat met de huidige subsidieverlening aan uw onderneming de steundrempels niet worden overschreden.

2. Op wie is de regeling van toepassing

De de-minimisverordening kan gebruikt worden voor kleine, middelgrote of grote ondernemingen in alle sectoren in heel Nederland. De de-minimisverordening mag echter niet worden toegepast indien de steun in één van de volgende sectoren valt:

  • Steun aan ondernemingen die in moeilijkheden verkeren

  • Steun aan ondernemingen die actief zijn in de visserijsector

  • Steun aan ondernemingen die actief zijn in de kolenindustrie

  • Steun aan ondernemingen die landbouwproducten produceren.4

  • Exportsteun of steun waarbij binnenlandse producten worden bevoordeeld ten opzichte van ingevoerde producten

  • Steun aan ondernemingen voor de aanschaf van vrachtwagens.

3. Toelichting bij de verklaring

Het formulier heeft betrekking op vier situaties:

  • uw onderneming, evenals het gehele eventuele moederconcern, heeft gedurende het huidige en de twee voorafgaande belastingjaren in het geheel geen de-minimissteun ontvangen,

  • uw onderneming, evenals het gehele eventuele moederconcern, heeft gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren de-minimissteun ontvangen voor andere kosten dan waarvoor u op dit moment steun vraagt. Opgeteld bij het bedrag van de huidige subsidieverlening wordt echter het bedrag van € 200.000,– niet overschreden (respectievelijk € 100.000,–/ € 30.000,–/ € 7.500,–),

  • uw onderneming, evenals het gehele eventuele moederconcern, heeft gedurende het lopende en de twee voorafgaande belastingjaren de-minimissteun ontvangen voor dezelfde kosten als waarvoor u op dit moment steun vraagt, of

  • uw onderneming, evenals het gehele eventuele moederconcern, heeft voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de huidige subsidie andere vormen van staatssteun ontvangen.

Een onderneming wordt als ‘zelfstandig’ beschouwd indien deze niet voor 25% of meer van het kapitaal of van de stemrechten in handen is van één onderneming of van verscheidene verbonden ondernemingen gezamenlijk.5 Als uw onderneming niet als een zelfstandige onderneming kan worden aangemerkt dan dient voor de bepaling van de hoeveelheid ontvangen steun ook rekening te worden gehouden met de steun verstrekt aan het gehele moederconcern waartoe uw onderneming behoort.

Wat zijn andere vormen van steun

Mogelijk heeft uw onderneming voor dezelfde kosten die in aanmerking komen voor de huidige de-minimissteun reeds andere steun ontvangen. Hierbij kan gedacht worden aan steun die door de Europese Commissie is goedgekeurd of binnen het toepassingsgebied van een groepsvrijstellingsverordening valt.

Het totaalbedrag van deze staatssteun en de andere ontvangen staatssteun mag de maxima niet overschrijden die op basis van het relevante besluit van de Europese Commissie of groepsvrijstellingsverordening zijn toegestaan.

Als u twijfelt of bepaalde steun die u hebt ontvangen goedgekeurde of vrijgestelde steun is, kunt u hierover contact opnemen met de overheid of uitvoeringsinstantie van wie u de steun heeft ontvangen.

4. Invullen

Vul de vragen in die van toepassing zijn. Vul alle bedragen in euro’s in. Rond de bedragen af op hele euro’s.

Het is niet relevant in welke vorm of voor welk doel de steun is verleend. Evenmin is van belang of de steun wel of niet daadwerkelijk is uitbetaald. Alle bedragen die dienen te worden gebruikt bij het invullen van de verklaring, zijn brutobedragen vóór aftrek van belastingen. Behalve om subsidieverlening kan het daarbij gaan om leningen tegen gunstige voorwaarden, de verkoop van grond tegen een lagere prijs dan de marktwaarde, vrijstellingen, verlagingen of kwijtschelding van directe of indirecte belastingen, garant- of borgstelling etcetera. Het gaat daarbij niet alleen om steun die u hebt ontvangen van het Rijk, maar ook om steun die u heeft ontvangen van andere overheidsinstanties. Europese subsidies dienen ook te worden meegerekend.

Het tijdstip waarop de steun aan uw onderneming wordt geacht verleend te zijn is het tijdstip waarop uw onderneming een wettelijke aanspraak op de steun verwerft. Dit betekent concreet de datum waarop voor uw onderneming de juridische aanspraak op het voordeel is ontstaan, zoals de beschikking tot subsidievaststelling of het aangaan van een lening of borgstelling).

5. Het bewaren van gegevens

De Europese Commissie kan onrechtmatige steun nog gedurende tien jaar na de verlening terugvorderen. De mogelijkheid bestaat dan ook dat de Europese Commissie naderhand bij (de) Nederland(se overheidsinstantie) nog informatie opvraagt over hoe de steun is besteed om na te kunnen gaan of er wellicht sprake is van onrechtmatige steun. De overheidsinstantie van wie u de steun heeft ontvangen kan – indien zij zelf niet over die informatie beschikt – in een dergelijk geval aan u vragen om documenten waarmee kan worden aangetoond dat de steun besteed is aan die activiteiten waarvoor deze is verleend. Het gaat daarbij dan om documenten die u op grond van de algemene administratie- en bewaarverplichting voor ondernemers moet bewaren.6

Let op!

Het is belangrijk om zorgvuldig na te gaan of in uw geval de steundrempel niet wordt overschreden. Immers bij overschrijding van de drempel kan geen beroep meer worden gedaan op de de-minimis verordening. Handelen in strijd met de staatssteunregels uit het VWEU kan in het ergste geval leiden tot terugvordering van de verleende steun!

Uiteraard vult u alléén de rubriek(en) in die op uw situatie van toepassing is/zijn. Vergeet u vooral niet om de bijlage(n) bij te sluiten!

TOELICHTING

I Algemeen

Meedoen in de samenleving is voor iedereen van belang. Om mee te kunnen doen moeten burgers met elkaar kunnen communiceren. Daarom hecht de regering sterk aan inburgering. Meedoen in de maatschappij kan op verschillende manieren, maar meedoen door middel van werk is voor de regering de belangrijkste manier van participatie.

Werkgevers hebben belang bij goed ingeburgerde werknemers. Zij hebben belang bij werknemers die hun werkinstructies begrijpen. Ook draagt inburgering bijvoorbeeld bij aan een goede dienstverlening aan de klant, aan een betere interne bedrijfsvoering, aan een betere naleving van veiligheidsinstructies op de werkvloer en aan meer gemotiveerde medewerkers. Met het oog op de toekomst, wanneer krapte op de arbeidsmarkt wordt verwacht, is het van belang om zoveel mogelijk goed inzetbare medewerkers beschikbaar te hebben en te houden.

Werknemers hebben baat bij een goede beheersing van de Nederlandse taal, omdat dat hen in staat stelt te communiceren met hun collega’s, hun werkgever en klanten, hen beter in staat stelt veiligheidsinstructies te begrijpen en na te leven en aan hen meer kansen kan bieden om aan het werk te blijven en op doorgroeimogelijkheden. Werknemers kunnen zo meer plezier in hun werk krijgen, gemotiveerder zijn en daardoor betere prestaties leveren.

Gemeenten hebben binnen het inburgeringsstelsel een belangrijke spilfunctie en beschikken over de middelen om (duale) inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen aan te bieden. Werkenden vormen één van de doelgroepen waar gemeenten zich op kunnen richten. Om inburgering op de werkvloer te laten slagen is samenwerking tussen gemeenten en werkgevers een noodzakelijke voorwaarde.

De Tijdelijke stimuleringsregeling inburgering op de werkvloer is in het leven geroepen om werkgevers te stimuleren samen met hun werknemers of zelfstandigen zonder personeel en de gemeente de inburgering in hun eigen bedrijf mede vorm te geven en te faciliteren. Uit de praktijk blijkt dat werkgevers over de streep getrokken kunnen worden om actief bezig te gaan met de inburgering van de eigen werknemers. De subsidie faciliteert werkgevers om actief mee te werken aan de ontwikkeling van een op maat gesneden duale inburgeringsvoorziening met werk of taalkennisvoorziening, en draagt bovendien bij aan een succesvolle inburgering.

De regeling is gericht op het bevorderen van de duale vorm van inburgeren gecombineerd met werkgerelateerde activiteiten en op taalonderwijs gericht op het behalen van een MBO-opleiding niveau 1 of 2 (taalkennisvoorziening).

Bij een duale inburgeringsvoorziening worden de inburgeringscomponent en de participatiecomponent, in dit geval de werkgerelateerde activiteiten, (tenminste voor een deel) gelijktijdig en in samenhang uitgevoerd en is de inhoud van beide componenten zowel passend als relevant voor de deelnemer. Met een duale voorziening wordt dus tegelijkertijd zowel in het leslokaal als in de praktijk gewerkt aan vergroting van taalvaardigheid en kennis. Daarbij is de taalverwerving gericht op de vaktaal die gebruikt wordt in de betreffende (werk)omgeving. In de praktijk leert de deelnemer zo het geleerde in de klas toe te passen bij het functioneren in een dagelijkse (werk-)omgeving. Vice versa heeft de participatiecomponent een expliciete rol in het stimuleren, ondersteunen en faciliteren van het taalverwervingsproces.

Het grote voordeel van een duale inburgeringsvoorziening met werk is dus dat het leren van de taal direct wordt gekoppeld aan de activiteiten die in het kader van het werk worden uitgevoerd. Het leren van een taal in een contextrijke omgeving levert doorgaans betere resultaten op: mensen die de taal veel gebruiken in contact met hun omgeving verwerven de taal sneller en bereiken een hoger niveau. Duale inburgeringsvoorzieningen zijn zo een bewezen effectiever en efficiënter middel om in te burgeren dan inburgeringsvoorzieningen in een geïsoleerde omgeving.

De taalkennisvoorziening is op soortgelijke wijze als de duale inburgeringsvoorziening een efficiënter en effectiever middel voor inburgering. De taalkennisvoorziening is een voorziening gericht op de verwerving van de kennis van de Nederlandse taal die noodzakelijk is voor het kunnen afronden van een MBO-opleiding niveau 1 of 2. De taalkennisvoorziening kan worden aangeboden aan diegenen die een MBO-opleiding niveau 1 of 2 volgen of binnenkort gaan volgen.In de afgelopen jaren is er in het MBO geïnvesteerd in het ontwikkelen van zogenoemde trajecten waarbij het leren van de Nederlandse taal gecombineerd wordt met het volgen van een beroepsopleiding. In deze programma’s wordt de taal functioneel, contextueel en inhoudsgericht geleerd. Een ander groot voordeel van een taalkennisvoorziening gericht op een MBO-opleiding niveau 2 is dat deze leidt tot een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt.

De regeling stimuleert werkgevers tot een actieve bevordering van de inburgering. De gesubsidieerde activiteiten zullen voor de werknemer en de werkgever naar verwachting een duurzaam effect opleveren. De activiteiten zijn immers bedoeld om de inburgering van de werknemer tot een succes te maken zodat deze beter zijn werk kan verrichten en meer kansen creëert voor zijn loopbaan en zelfontplooiing. De werkgever kan beter communiceren met de eigen medewerkers en kan profiteren van hun verbeterde communicatiemogelijkheden in de Nederlandse taal op het werk. De bijdrage aan inburgering op de werkvloer, die de werkgever levert, kan in het ene geval de aanschaf van leermiddelen of computers betreffen waarmee de werknemers hun taal kunnen oefenen, maar ook het bijdragen aan de ontwikkeling van branchespecifiek lesmateriaal waarmee die werkgever of andere werkgevers in dezelfde branche in de toekomst inburgeraars kunnen blijven opleiden. Werkgevers die, om welke reden dan ook, niet hebben kunnen profiteren van deze tijdelijke stimuleringsregeling, maar wel de inburgering van hun mensen actief willen bevorderen, kunnen profiteren van goede praktijkvoorbeelden. Tenslotte kunnen gemeenten en het Rijk leren van de inbreng van werkgevers om de dualiteit van de inburgeringsvoorzieningen te vergroten en deze meer toe te spitsen op de behoeften van werknemers en werkgevers.

II Artikelsgewijs

Artikel 1

Bij de definities van werkgever en werknemer is uitgegaan van de definities van de Arbeidsomstandighedenwet, maar de definitie van werkgever is op verschillende punten afwijkend geformuleerd. Onder is de zinsnede ‘behalve indien die ander aan een derde ter beschikking wordt gesteld voor het verrichten van arbeid, welke die derde gewoonlijk doet verrichten’ niet opgenomen opdat ook uitzendbureaus onder de regeling vallen. Inlenende instanties zijn uitgesloten van de regeling, zodat voor een uitzendkracht of een gedetacheerde slechts eenmaal door de uitlenende instantie zelf subsidie kan worden aangevraagd De zelfstandigen zonder personeel die in opdracht van de werkgever arbeid verrichten, zijn toegevoegd. Hiermee wordt het aantal werkgevers dat faciliteiten aan inburgeraars kan bieden voor de duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening zo groot mogelijk, maar worden meerdere aanvragen betreffende dezelfde werknemer uitgesloten.

De subsidieaanvraag kan alleen betrekking hebben op activiteiten die ondersteunend zijn aan de uitvoering van een duale inburgeringsvoorziening met werk richting inburgeringsexamen of Staatsexamen Nederlands als Tweede Taal I of II (hierna: Staatsexamen NT2) of aan een taalkennisvoorziening.

Artikel 2

De subsidie is bedoeld om de deelname van werknemers en zelfstandigen zonder personeel aan de duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening te stimuleren. Indien de werkgever de deelname aan voornoemde voorzieningen ondersteunt, zullen werknemers sneller en makkelijker kunnen inburgeren.

Artikel 3

Alleen werkgevers komen in aanmerking voor de subsidie. De subsidie betreft een bijdrage in de kosten van de ondersteunende activiteiten die de werkgever verricht om de inburgering van personen die arbeid voor hen verrichten, te faciliteren en om de duale component van de inburgeringsvoorziening of de taalkennisvoorziening te versterken. De beoordeling van activiteiten die worden verricht geschiedt door de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie. De activiteiten dienen aan te sluiten bij een door de gemeente verstrekte beschikking of overeenkomst betreffende de duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening. Voorbeelden van ondersteunende activiteiten zijn het stimuleren van het gebruik van de Nederlandse taal op de werkvloer, het beschikbaar stellen van computers of een ruimte voor de lessen zodat betrokkenen niet hoeven te reizen tussen hun werk en de inburgeringsles, het aanpassen van lesmateriaal op de bedrijfsspecifieke of branchespecifieke situatie, begeleiding van betrokkenen bij de inburgering om zo de voortgang te bewaken en betrokkenen te stimuleren de voorziening ook daadwerkelijk af te ronden. Bovendien kunnen hieronder vallen het aanpassen van werkroosters op de lestijden of andersom, het werken met taalcoaches, een deel van de werktijd beschikbaar stellen voor lestijd en het leveren van input voor de ontwikkeling van de duale component van een traject toegespitst op de werkzaamheden binnen de eigen branche.

Artikel 4

Het bedrag van de subsidie bedraagt € 1.000,– per werknemer of zelfstandige zonder personeel die in dienst respectievelijk in opdracht van de werkgever arbeid verricht. De werkgever kan tot een maximumbedrag van € 25.000,– subsidie ontvangen. Dit houdt in dat een of meerdere aanvragen betrekking kunnen hebben op in totaal maximaal 25 werknemers en zelfstandigen zonder personeel.

Artikel 6

De werkgever dient de aanvraag in bij het agentschap met behulp van een bij het agentschap verkrijgbaar formulier. De werkgever heeft de keuze de aanvraag op papier of elektronisch in te dienen. De elektronische aanvraag wordt ingediend op de door het agentschap op de website van het agentschap aangegeven wijze.

De aanvraag bevat in ieder geval de naam, het adres en het nummer van de kamer van koophandel en fabrieken van de werkgever; de naam, het adres, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de werknemer of de zelfstandige zonder personeel op wie de aanvraag betrekking heeft, en een omschrijving van de door de aanvrager (werkgever) te verrichten activiteiten. Die activiteiten moeten strekken tot het bevorderen van een duale inburgeringsvoorziening met werk of het bevorderen van een taalkennisvoorziening voor werknemers die in dienst zijn van de aanvrager of zelfstandigen zonder personeel die in opdracht van de aanvrager arbeid verrichten.

Verder moet bij de aanvraag worden gevoegd een kopie van de beschikking tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of – indien het een vrijwillige inburgeraar betreft – een kopie van de overeenkomst tussen de gemeente en de inburgeraar, die in 2010 is genomen dan wel is gesloten. Voor de volledigheid zij vermeld dat de volledige doelgroep van de Wet participatiebudget in aanmerking kan komen, mits zij een beschikking hebben ontvangen of een overeenkomst hebben afgesloten met de gemeente. Ook moet de aanvrager een verklaring overleggen bij de aanvraag waarin de werknemer of de zelfstandige zonder personeel toestemming geeft zijn gegevens over te leggen.

Indien de werkgever de aanvraag namens hem door een ander, bijv. een andere werkgever, wil laten indienen, dient die ander een schriftelijke machtiging bij de aanvraag over te leggen. Als de aanvraag elektronisch wordt ingediend zullen bovengenoemde stukken ingescand moeten worden. Aan de hand van de genoemde stukken en gegevens zal het agentschap toetsen of de aanvraag volledig is en of voldaan is aan de voorwaarden voor subsidie, genoemd in de artikelen 3 en 4.

Belangrijke elementen van de toets zijn:

  • a. de aanvraag moet zijn ingediend door de werkgever voor zijn werknemer of de in zijn opdracht werkende zelfstandige zonder personeel die tenminste gedurende de periode waarbinnen de duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening wordt uitgevoerd gehouden is arbeid voor hem te verrichten;

  • b. er moet sprake zijn van een in 2010 vastgestelde of overeengekomen duale inburgeringsvoorziening met werk of taalkennisvoorziening voor de werknemer of de zelfstandige zonder personeel, bedoeld in onderdeel a;

  • c. uit de omschrijving van activiteiten die de werkgever uitvoert of zal uitvoeren moet blijken dat deze bijdragen aan de vastgestelde of overeengekomen duale inburgeringsvoorziening met werk of de taalkennisvoorziening, bedoeld in onderdeel c, en

  • d. het subsidiebedrag mag per aanvraag of verspreid over meerdere aanvragen het bedrag van € 25.000,– per werkgever niet te boven gaan.

Ad b. De subsidie wordt alleen verstrekt ter bevordering van de inburgering van werknemers of zelfstandigen zonder personeel die in 2010 een beschikking hebben ontvangen van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) of een overeenkomst hebben afgesloten met het college, waarbij een duale inburgeringsvoorziening met werk of een taalkennisvoorziening is vastgesteld of overeengekomen. Hiermee wordt geborgd dat er niet slechts sprake is van een intentie tot inburgering, maar van een beschikking of een overeenkomst op grond waarvan de inburgering ook daadwerkelijk kan aanvangen. De werkgerelateerde activiteiten van een duale inburgeringsvoorziening moeten, ingevolge artikel 1.1, eerste lid, onder o, van het Besluit inburgering in samenhang en ten minste voor een deel gelijktijdig met de taalverwerving worden uitgevoerd. De werkgever mag erop vertrouwen dat het college in de beschikking of overeenkomst uitvoering geeft aan dit wettelijke criterium en kan dus afgaan op de inhoud van die beschikkingen of overeenkomsten, mits hieruit blijkt dat sprake is van een duale inburgeringsvoorziening met werk of taalkennisvoorziening.

Ad c. De werkgever is vrij om te bepalen welke activiteiten worden uitgevoerd, mits de hierboven beschreven relatie met de inburgering blijkt uit de omschrijving van de activiteiten. Enkele voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn vermeld in de toelichting bij artikel 3.

Artikel 7

Op de aanvragen tot subsidievaststelling wordt op volgorde van binnenkomst beslist. Het gaat daarbij alleen om volledige aanvragen. Het agentschap stelt de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Daarbij geldt de dag waarop de aanvraag is aangevuld als de datum van ontvangst van de aanvraag. Indien de toekenning van aanvragen die op dezelfde datum zijn binnengekomen leidt tot een overschrijding van het subsidieplafond van € 7 miljoen, dan wordt de volgorde van ontvangst door loting bepaald. Alleen volledige aanvragen worden meegenomen in die loting. De aanvraag tot subsidievaststelling kan worden ingediend tot en met 31 oktober 2010; aanvragen die na die datum door het agentschap worden ontvangen, worden niet in behandeling genomen.

Artikel 8

De beslistermijn bedraagt zes weken. Het agentschap, dat de regeling in mandaat voor de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie uitvoert, kan deze termijn eenmalig met ten hoogste zes weken verlengen. In dat geval stelt het agentschap de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte.

Artikel 9

Het is niet op voorhand uit te sluiten dat het verstrekken van subsidie op basis van dit besluit moet worden aangemerkt als staatssteun in de zin van de artikelen 87 en 88 EG. Het bedrag van de subsidie (€ 1.000,–) is dermate laag dat de aanvraag of meerdere aanvragen tot een maximum van € 25.000,– voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening. Omdat niet valt uit te sluiten dat een werkgever eerder voor economische activiteiten steun heeft ontvangen, is het van belang dat er een verklaring omtrent de minimis-steun wordt afgegeven door de werkgever. De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie moet bij het nemen van zijn besluit omtrent de subsidievaststelling weten of de subsidieaanvrager in de voorafgaande drie jaar reeds eerder de minimis-steun heeft ontvangen. Dat is onder meer van belang voor de vaststelling van de hoogte van de te verlenen subsidie. De modelverklaring de minimis-steun is opgenomen in de bijlage bij de regeling.

Indien de ingediende verklaring achteraf onjuist blijkt te zijn, zal de verstrekte subsidie, met toepassing van artikel 4:49, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, achteraf kunnen worden ingetrokken of lager worden vastgesteld.

Het derde lid van artikel 9 betreft een weigeringsgrond, indien bij de aanvraag blijkt dat de werkgever een onderneming in Europeesrechtelijke zin is:

  • a. en die werkgever geen de-minimisverklaring heeft afgegeven, of

  • b. die eerder steun heeft ontvangen waardoor de drempel voor de minimis-steun over de afgelopen drie jaren (€ 200.000) wordt of al is overschreden.

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

E. van Middelkoop.


XNoot
1

Voor de sector van de primaire productie van landbouwproducten is Verordening. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector bepalend. Voor de sector visserij is het de-minimisplafond vastgesteld bij Verordening 875/2007 van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening 1860/2004.

XNoot
2

Een overheidsinstantie kan zowel de centrale overheid, de provincie, de gemeente of een waterschap betreffen.

XNoot
3

Een onderneming in Europeesrechtelijke zin is een eenheid die een economische activiteit uitoefent. Een economische activiteit is het aanbieden van goederen en diensten op de markt. De rechtsvorm van deze eenheid of de wijze waarop zij wordt gefinancierd is hierbij niet van belang. Daarbij kunnen zowel privaatrechtelijke als publiekrechtelijke rechtspersonen een onderneming vormen. Dat er geen winstoogmerk is (zoals bij een stichting) is niet relevant. 

XNoot
4

Voor bedrijven die actief zijn op het gebied van verwerking en afzet van landbouwproducten geldt de de-minimisregeling alleen als:

  • de steun niet is vastgesteld op basis van de prijs of hoeveelheid van de landbouwproducten die van primaire producenten worden gekocht of die door de betrokken ondernemer op de markt worden gebracht of

  • wanneer de steun afhankelijk wordt gesteld van de verplichting deze steun geheel of ten dele aan primaire producenten door te geven.

XNoot
5

Zie ook de Aanbeveling van de Europese Commissie van 6 mei 2003 PbEU L 124 van 20 mei 2003.

XNoot
6

Artikel 2:10, lid 1, BW (rechtspersonen) en artikel 3:15i BW (ondernemingen en vrije beroepsbeoefenaren).


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl