Regeling tot vervanging van bijlage 3 bij de Regeling vakbekwaamheid bestuurders

29 maart 2010

Nr. CEND/HDJZ-2009/479 sector AWW

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 151d van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 156i en 156o van het Reglement rijbewijzen;

Besluit:

ARTIKEL I

Bijlage 3 bij de Regeling vakbekwaamheid bestuurders wordt vervangen door de bijlage zoals opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2010.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C.M.P.S. Eurlings.

BIJLAGE BEHORENDE BIJ ARTIKEL I

BIJLAGE 3: TOETSMATRIJS THEORIE-EXAMEN RIJBEWIJS/VAKBEKWAAMHEID VOOR CATEGORIE D (R2/V2-V3)

EIND- EN TOETSTERMEN VOOR HET THEORIE-EXAMEN RIJBEWIJS/VAKBEKWAAMHEID VOOR CATEGORIE D (R2/V2-3D)

Overzicht eindtermen
  • 1. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengen.

  • 2. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij het gebruik van het motorvoertuig.

  • 3. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de milieuaspecten die het gevolg zijn van het gebruik van het motorvoertuig.

  • 4. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen in de vervoerswetgeving.

  • 5. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

  • 6. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop personen en bijbehorende lading veilig vervoerd moeten worden.

  • 7. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij de beroepsuitoefening.

  • 8. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop de beroepschauffeur kan bijdragen aan het goede imago van de door hem vertegenwoordigende branche.

  • 9. De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de markt van het personenvervoer.

In de kolom ‘R2’ staan met ‘**’ de toetstermen aangeduid die betrekking hebben op het examen Rijbewijs 2 voor categorie D.

De vermelde taxonomiecode heeft betrekking op het beheersingsniveau van de examens Rijbewijs 2 en Vakbekwaamheid 2. Voor het examen Vakbekwaamheid 3 is geen taxonomiecode vermeld.

  

Opgesteld door:

CCV

Examenonderdeel

Rijbewijs/Vakbekwaamheid

Code:

Nnb

Naam:

R2/V2-V3-D

Toetsvorm:

Schriftelijk

R2

Nummer

Eindtermen/toetstermen

Afbakening

Taxonomie code

 

1

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengen.

  
     

**

1.1

Kan uitleggen welke factoren van invloed zijn op het menselijke gedrag bij het besturen van het motorvoertuig en wat het belang is van oplettendheid en houding ten opzichte van andere verkeersdeelnemers.

Het gaat hierbij om de invloed van vermoeidheid, lichamelijke en geestelijke gesteldheid, rijervaring en van het gebruik van alcohol, drugs en medicijnen op:

het waarnemingsvermogen

het concentratievermogen

de reactietijd

het evenwichtsgevoel

het inschatten van afstand en snelheid

de algemene lichamelijke conditie en

de ongevalskans.

B

     
   

Tevens betreft het zaken als:

de afbraaktijd van alcohol in het lichaam

het effect van het gebruik van alcohol, drugs en medicijnen

het effect van een combinatie van alcohol, drugs en medicijnen

de betekenis van stickers en bijsluiters bij medicijnen.

 
     
 

2

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij het gebruik van het motorvoertuig.

  
     

**

2.1

Kan uitleggen welke maatregelen in geval van een (verkeers)ongeval, pech of onwel worden van passagiers genomen moeten worden.

Hierbij komen zaken aan de orde als:

persoonlijke veiligheid

andermans veiligheid

markeren

alarmeren van de hulpdiensten en belanghebbenden

noodzakelijke maatregelen nemen waaronder het kennen van de grondbeginselen van eerste hulp.

B

     

**

2.2

Kan benoemen wanneer en op welke wijze gebruik moet worden gemaakt van de veiligheidsvoorzieningen.

Hierbij komen zaken aan de orde als:

aansprakelijkheid voor het (juiste) gebruik van veiligheidsvoorzieningen

autogordel

eisen zitplaats

hoofdsteun

veiligheidshamer.

F

     
 

3

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de milieuaspecten die het gevolg zijn van het gebruik van het motorvoertuig.

  
     

**

3.1

Kan uitleggen op welke wijze milieuaspecten een rol spelen bij het gebruik van een gemotoriseerd voertuig.

Aan de orde komen hier aspecten die betrekking hebben op het milieubewuste gebruik van het motorvoertuig en het energiezuinig rijden, zoals:

aangepast en besluitvaardig rijden

acceleratie

accessoires op of aan het voertuig

afvoer van accu

anticiperen

bandenspanning

controle in en buiten het voertuig

defensief rijden

filerijden

gas geven, (ont)koppelen en schakelen

gebruik van de toerenteller

gebruik van cruisecontrol

geluidshinder

bagage

langdurige stops in het verkeer

reiniging voertuig

remmen en stoppen

ritvoorbereiding

soort brandstof bij voertuig met katalysator

starten en wegrijden

stroomverbruikers

volgafstand.

B

     
 

4

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen in de vervoerswetgeving.

  
     

**

4.1

Kan de werkingssfeer van de Wet personenvervoer 2000 benoemen.

Het doel van de wet en de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen.

F

     
   

Het uitvoeringsbesluit en de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen.

 
     
   

De soorten vervoer:

openbaar vervoer

besloten busvervoer

taxivervoer.

 
     
   

De communautaire vergunning.

 
     
   

De geldigheidsduur van de vergunningen/vergunningsbewijzen.

 
     
   

De vrijstellingen:

bepaalde diensten

bepaalde soorten vervoer.

 
     
   

De verbodsbepalingen.

 
     
   

Toezicht en handhaving:

controlerende instanties

bevoegdheden.

 
     

**

4.2

Kan de verschillende vormen van personenvervoer interpreteren.

De vormen van nationaal vervoer:

openbaar vervoer

besloten busvervoer

B

     
   

De vormen van internationaal vervoer:

geregeld

bijzonder geregeld

ongeregeld

cabotage

vervoer voor eigen rekening.

 
     

**

4.3

Kan de vervoersvoorwaarden in het openbaar en besloten busvervoer interpreteren.

De algemene voorwaarden voor openbaar stads- en streekvervoer.

B

     
   

De inhoud van het dienstregelingen boekje.

 
     
   

De bepalingen voor de reiziger in het openbaar vervoer.

 
     
   

De KNV Busvervoer voorwaarden.

De ANVR-reisvoorwaarden.

 
     
   

De inhoud van de ritopdracht.

 
     

**

4.4

Kan de voor het personenvervoer vereiste documenten noemen.

De persoonlijke documenten:

rijbewijs

geneeskundige verklaring

paspoort / identiteitsbewijs

registratiebladen tachograaf

bestuurderskaart

print-outs.

F

     
   

De voertuigdocumenten:

kentekenbewijs

groene kaart

STEK-verklaring

 
     

**

4.5

Kan de soorten en de toepassing van nationale en internationale transportvergunningen uitleggen.

De vereiste documenten, toepassing:

communautaire vergunning

vergunning geregeld vervoer

vergunning voor bijzonder geregeld vervoer

contract

EU/EER reisblad

attest

dienstregeling

tarievenlijst

ASOR-reisblad

B

     
   

Het toepassingsgebied: landen behorend tot:

Europese Unie landen (inclusief Noorwegen en Zwitserland)

Interbus-landen

Overige landen

 
     
 

5

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer

  
     

**

5.1

Kan de werkingssfeer en de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer uitleggen.

Het doel van de ATW(Arbeidstijdenwet).

B

    
  

De relatie ATW / ATB (Arbeidstijdenbesluit) vervoer.

De werkingssfeer ATB vervoer.

De extra -territoriale werking ATB vervoer.

 
     
   

De definities:

arbeid

arbeidstijd

werknemer

werkgever

bus

bestuurder

bijrijder

rijtijd

rusttijd

week

pauze

nachtdienst

 
     
   

Het verschil tussen standaard- en overlegregeling.

Het collectief overleg.

 
     
   

De bepalingen rusttijd, rijtijd, pauzes, nachtarbeid, arbeid op zondag.

 
     
   

Afwijkende bepalingen voor het openbaar vervoer.

 
     
   

De controlemiddelen:

tachograaf

dienstrooster.

 
     
   

De verantwoordelijkheden bij overtredingen.

 
     
   

Toezicht en handhaving:

controlerende instanties

bevoegdheden.

 
     
 

5.2

Kan de voor de beroepsuitoefening belangrijke bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer toepassen.

Aan de hand van gegeven situaties de dagelijkse rijtijd, wekelijkse rijtijd, onderbrekingen, dagelijkse rusttijd en wekelijkse rusttijd bepalen.

R

     

**

5.3

Kan de werkingssfeer van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en 3821/85 (EG) uitleggen.

De relatie met de ATW en ATB vervoer.

B

     
 

5.4

Kan benoemen wanneer de AETR van toepassing is.

Andere landen dan de EU (Europese Unie), EER (Europese Economische Ruimte) en Zwitserland.

F

     
 

5.5

Kan benoemen op welke punten de verordening (EG) nr. 561/2006 en de AETR-regeling verschillen.

De verschillen

Wekelijkse rijtijd

Wekelijkse rusttijd

Onderbreking rijtijd

Dagelijkse rusttijd.

F

     

**

5.6

Kan uiteenzetten hoe een analoge en een digitale tachograaf gebruikt moeten worden.

De functie van een tachograaf.

B

    
   

De symbolen op het apparaat.

 
     
   

Het E-keurmerk, de verzegeling, het installatieplaatje.

 
     
   

De verboden handelingen van de chauffeur.

 
     
   

De analoge tachograaf:

elektronische of mechanische aandrijving

één of twee bemanningsleden

registratie van gegevens

uitvoering.

 
     
   

De aanduidingen op de tachograafschijf.

 
     
   

De digitale tachograaf:

voorzieningen

controle

soorten tachograafkaarten

registratie op de bestuurderskaart

werking van de digitale tachograaf.

 
     
   

Het gebruik van de bestuurderskaart, tachograafschijf/print.

 
     
 

5.7

Kan uiteenzetten welke verplichtingen er zijn indien een tachograaf niet meer werkt en/of de bestuurderskaart niet gebruikt kan worden.

De handelwijze bij het disfunctioneren van de tachograaf.

B

    
   

De handelwijze bij het zoekraken en/of beschadigd/defect raken van de bestuurderskaart.

 
     
 

5.8

Kan de wettelijke bepalingen inzake de basiskwalificatie en nascholing noemen.

De verplichting tot 35 uur nascholing per 5 jaar.

F

     
 

5.9

Kan de werkingssfeer van de C.A.O. uitleggen.

De rechten en plichten van werkgever/werknemer.

B

     
   

De arbeidsvoorwaarden.

 
     
 

6

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop personen en bijbehorende lading vervoerd moeten worden.

  
     
 

6.1

Kan de krachten en de weerstanden die tijdens het rijden in beladen toestand optreden, verklaren.

De krachten die op een voertuig en/of passagiers werken.

B

    
   

De gewichtsverdeling.

 
     
   

Het zwaartepunt, de stabiliteit, het kantelmoment.

 
     
   

De risico’s bij optrekken en remmen.

 
     
 

6.2

Kan de gevolgen van overbelading noemen.

De gevolgen:

ongunstig brandstofverbruik

versnelde slijtage

invloed op wegligging

schade aan wegen

verkeersveiligheid

sancties

invloed op rijeigenschappen

invloed op passagiers.

F

     
 

6.3

Kan de factoren die de rijeigenschappen van de autobus beïnvloeden, noemen.

De factoren:

het aantal passagiers

de aanhangwagen

het type voertuig

F

     

**

6.4

Kan uitleggen hoe de veiligheid en het comfort van de passagiers en de bagage gewaarborgd kan worden.

De bedrijfszekerheid van het voertuig.

B

    
  

Correct en veilig rijgedrag.

 
     
   

De ritvoorbereiding.

 
     
   

De rijklaarcontrole:

Inspectie van de passagiersruimte

Aanwezigheid van veiligheidsvoorzieningen

Foerage (bij besloten busvervoer)

Inspectie voertuig.

 
     
   

De maatregelen ter voorkoming van diefstal.

 
     
   

Het documentenbeheer.

 
     
   

De bagagecontrole.

 
     
   

De passagiersvoorzieningen.

 
     

**

6.5

Kan de aandachtspunten bij het vervoer van specifieke personen of groepen personen uitleggen.

Onder andere vervoer van personen met een geestelijke en/of lichamelijke beperking, vervoer van kinderen en ouderen.

B

     
 

7

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij de beroepsuitoefening.

  
     
 

7.1

Kan de werkingssfeer van de Arbo-wet en het Arbobesluit uitleggen.

De bevordering van gezondheid, veiligheid en welzijn.

B

    
   

Geldt voor alle werknemers en zelfstandigen.

 
     
   

De gezamenlijke verantwoordelijkheid werkgevers en -nemers.

 
     
 

7.2

Kan de verplichtingen van werkgever en werknemer in het kader van de Arbo-wet noemen.

De bepalingen in art. 8 en 11.

F

     
 

7.3

Kan de meest voorkomende ongevallen in de vervoerssector en de oorzaken noemen.

Verkeersongevallen.

Arbeidsongevallen.

F

     
 

7.4

Kan uiteenzetten hoe arbeidsongevallen en fysieke risico’s voorkomen kunnen worden en hoe de gevolgen ervan beperkt kunnen worden.

Het gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen.

De juiste hulpmiddelen (o.a. een lift voor rolstoelen).

Het vermijden van belastende factoren.

B

     
 

7.5

Kan de oorzaken van verkeersongevallen en de betrokkenheid van autobussen daarbij uitleggen.

De aard:

soorten verkeersongevallen

bij bijzondere manoeuvres.

B

     
   

De oorzaken:

fysieke gesteldheid

psychische gesteldheid, concentratie

(rij)gedrag

weersomstandigheden

verkeersovertredingen

verkeersdrukte

bekendheid met de omgeving

bedrijfszekerheid van het voertuig.

belading.

 
     
 

7.6

Kan de gevolgen van verkeersongevallen op menselijk, materieel en financieel vlak uitleggen.

Menselijk:

verwondingen, blijvende invaliditeit, dood

psychische klachten

uitval.

B

     
   

Materieel:

uitval

stilstand

capaciteitsgebrek.

 
     
   

Financieel:

reparatiekosten

vervangingskosten

waardevermindering van het voertuig

kosten t.g.v. filevorming.

 
     
 

7.7

Kan uitleggen welke factoren leiden tot vermoeidheid en stress, kan de symptomen herkennen en kan in dit verband het belang van een juiste basiscyclus werk/rust en goede voeding uitleggen.

Factoren waardoor vermoeidheid en stress kunnen ontstaan:

veel zitten tijdens lange ritten

zware lichamelijke inspanningen bagagehandling

rijverboden

storingen

vertragingen

verkeersstremmingen

slechte weersomstandigheden

gedrag van passagiers

dienstrooster/regeling

ritopdracht/ritplanning

B

     
   

Symptomen:

lichamelijke klachten

gedragsveranderingen

 
     
   

Voorkomen van vermoeidheid en stress.

 
     
 

8

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop de beroepschauffeur kan bijdragen aan het goede imago van de door hem vertegenwoordigende branche.

  
     
 

8.1

Kan de taken van de chauffeur noemen.

Vervoert personen dat leidt tot de volgende werkprocessen:

voert ritvoorbereiding uit

neemt professioneel deel aan het verkeer

voert rijklaarcontroles uit

voert kleine reparaties uit

plant en berekent rij- en rusttijden

beoordeelt de staat en hoeveelheid lading en bagage

de bagagehandling

draagt zorg voor documenten

handelt bij incidenten en ongevallen

onderhoudt professioneel contact met passagiers

houdt zich aan de werkinstructies van de leidinggevende

draagt zorg voor het chemisch toilet.

F

     
 

8.2

Kan omschrijven hoe professioneel om te gaan met personen in relatie tot de onderneming.

Onder andere:

B

    
   

de opdrachtgevers, de klanten.

de passagiers.

bij de reis betrokken personen (hotel-, restaurantpersoneel e.d.).

de opsporingsambtenaren.

 
     
 

8.3

Kan uitleggen wat de relatie is tussen de organisatie en uitvoering van het werk en de kwaliteit van de dienstverlening en kan uitleggen wat zijn bijdrage hierin kan zijn.

De kwaliteit van de dienstverlening.

B

    
  

Professioneel gedrag medewerkers.

 
    
  

De procedure klachtenbehandeling.

 
     
 

9

De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de markt van het personenvervoer.

  
     
 

9.1

Kan de verschillende modaliteiten en hun relatieve aandeel in de personenvervoersstroom noemen.

Het aandeel in nationaal personenvervoer van:

openbaarvervoer

besloten busvervoer

spoorvervoer

taxivervoer

personenauto

F

     
 

9.2

Kan de belangrijkste werkgeversorganisaties in het personenvervoer noemen.

Voornaamste organisaties in het personenvervoer:

KNV Busvervoer

KNV Taxivervoer

Stichting Medibus

Stichting Keurmerk Touringcarbedrijf

F

     
 

9.3

Kan onderscheid maken tussen vervoersspecialiteiten en hun toepassing en de verschillende soorten dienstverlening in de vervoersbranche.

De soorten vervoer:

pendelvervoer

rondreizen

dagtochten

haal- en brengritten

schoolvervoer

doelgroepenvervoer.

B

Dekkingsgraad

 

Dekkingsgraad toetstermen:

100%

Geaccordeerd door:

CCV Raad

Vastgesteld door:

Directeur CCV

Datum vaststelling:

15-01-2010

Ingangsdatum:

01-04-2010

TOELICHTING

Met de onderhavige regeling wordt bijlage 3 vervangen bij de Regeling vakbekwaamheid bestuurders. Artikel I wijzigt de toetsmatrijs theorie-examen rijbewijs/vakbekwaamheid voor categorie D (R2/V2-V3). Deze wijziging is nodig omdat de vergunning voor collectief personenvervoer uit de Wet personenvervoer is komen te vervallen en wordt vervangen door de communautaire vergunning.

Twee toetstermen zijn gewijzigd. Ten eerste is in toetsterm 4.1 is de vergunning Collectief Personenvervoer vervangen door communautaire vergunning. Ten tweede is in toetsterm 4.5 is de vergunning Collectief Personenvervoer verwijderd uit de lijst met vereiste documenten waarvan de toepassing moet kunnen worden uitgelegd. Met ingang van 1 april 2010 zullen de examens volgens de nieuwe toetsmatrijs worden afgenomen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C.M.P.S. Eurlings.

Naar boven