Rectificatie Onderlinge regeling detentiecapaciteit

In de Staatsourant van 8 maart 2010, nr. 3440, is de toelichting van de Onderlinge regeling detentiecapaciteit niet opgenomen. Deze toelichting luidt als volgt:

Toelichting Onderlinge regeling detentie

1. Inleiding

Deze regeling is een regeling als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Op basis daarvan kunnen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba onderlinge regelingen treffen. Deze onderlinge regeling strekt tot uitvoering van onderdeel D van de Slotverklaring van het bestuurlijk overleg over de toekomstige staatkundige positie van Curaçao en Sint Maarten van 2 november 2006. In onderdeel D is overeengekomen dat Curaçao, Sint Maarten en Nederland op basis van een onderlinge regeling met elkaar zullen samenwerken om te voorzien in het tijdelijk beschikbaar stellen van detentiecapaciteit ten behoeve van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ten behoeve van elkaar.

2. Betrokken partijen

De regeling beperkt zich tot partijen in de Slotverklaring. Gekozen is er voor om niet buiten de Slotverklaring te werken en derhalve in eerste instantie te voorzien in de onderlinge regeling, die tot stand moet worden gebracht in het kader van de staatkundige hervormingen. Dat betekent niet dat de regeling op een later moment niet een ruimere reikwijdte kan krijgen.

3. Uitgangspunten regeling

Onder detentiecapaciteit wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de capaciteit (beschikbare verblijfsruimte) in de door de landen krachtens hun wetgeving aangewezen inrichtingen voor het onderbrengen van gedetineerden. Bij gedetineerden gaat het om personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond een bevel tot voorlopige hechtenis of een veroordeling tot vrijheidsstraf. Dat kunnen in uitzonderlijke gevallen ook minderjarigen zijn. Onder uitzonderlijke gevallen moet in ieder geval collusiegevaar worden verstaan. De regeling ziet niet op vreemdelingen die in bewaring zijn genomen.

Het uitgangspunt is dat elk der landen zorg draagt voor voldoende detentiecapaciteit op eigen grondgebied die voldoet aan de daaraan gestelde nationale en internationale normen. De tenuitvoerlegging van strafvonnissen of rechterlijke bevelen tot vrijheidsbeneming in een ander land dan het land waarin het strafvonnis is gewezen dan wel het bevel is uitgevaardigd, vormt dan ook een uitzondering op dit uitgangspunt. Dat vonnissen en door de rechter gegeven bevelen in het gehele Koninkrijk kunnen worden ten uitvoer gelegd, volgt uit artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

De kosten die voortvloeien uit het onderbrengen van gedetineerden in een ander land worden vergoed door het verzoekende land. De kosten worden door het land waar de gedetineerde wordt ondergebracht gespecificeerd. De kosten voor de heen- en terugreis komen ook voor rekening van het verzoekende land.

De landen verlenen elkaar alle medewerking om de uitoefening van de wettelijke verantwoordelijkheden van het verzoekende land jegens de gedetineerde te kunnen verzekeren. Met het oog daarop worden schriftelijke afspraken gemaakt over tussentijdse berichtgeving betreffende het gedrag en de toestand van de gedetineerde.

In het belang van een goede resocialisatie keert de gedetineerde in ieder geval binnen een redelijke termijn vóór het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van de straf eindigt, terug. Resocialisatie is de herintegratie in de eigen omgeving. Van belang voor een goede herintegratie zijn in ieder geval een goede huisvesting en (uitzicht op) de mogelijkheid om te voorzien in eigen levensonderhoud. De resocialisatie van de gedetineerde vindt plaats in het land waar de gedetineerde ook zijn domicilie heeft. De gedetineerde dient daarom tijdig teruggeplaatst te worden teneinde herintegratie in de eigen omgeving mogelijk te maken. Voordat de feitelijke onderbrenging haar beslag krijgt, moeten tussen de verantwoordelijke openbaar ministeries en de gevangenisautoriteiten schriftelijk afspraken zijn gemaakt over de terugkeer van de gedetineerde voor het moment waarop de tenuitvoerlegging van de straf eindigt. Een ander belang dat kan nopen tot terugkeer binnen een redelijke termijn is de behandeling ter terechtzitting bij een voorlopig in hechtenis gestelde.

4. Bereik regeling

Op dit moment kunnen de betrokken partijen niet beschikken over voorzieningen voor de tenuitvoerlegging van bijzondere sanctiemodaliteiten. Daarom beperken de afspraken die zijn neergelegd in deze onderlinge regeling zich vooralsnog tot personen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen op grond van een bevel tot voorlopige hechtenis of een veroordeling tot vrijheidsstraf.

5. Procedure

Verzoeken tot het beschikbaar stellen van detentiecapaciteit geschieden door en bij het openbaar ministerie van de landen en door tussenkomst van de procureur-generaal van het Caribische deel van het Koninkrijk. Bij het verzoek worden gevoegd het advies van de hoofdofficier van justitie van het verzoekende land, het extract van het vonnis dan wel een afschrift van het bevel tot voorlopige hechtenis en de beschikbare rapportages over de veroordeelde alsmede overige relevante gegevens die van belang zijn voor het toetsen van het verzoek. Deze gegevens kunnen tevens als informatiebron dienen voor de penitentiaire inrichting waar de gedetineerde na aankomst wordt geplaatst. De uiteindelijke beslissing op het verzoek wordt genomen door de Minister van Justitie.

De openbare ministeries van de landen plegen onder voorzitterschap van de procureur-generaal periodiek overleg over de uitvoering van de onderlinge regeling. Bij dit overleg worden de directeuren van de detentie-inrichtingen van de landen betrokken.

6. Criteria

Artikel 3 van de regeling geeft een limitatieve opsomming van de gevallen die reden kunnen vormen voor een verzoek om beschikbaarstelling van detentiecapaciteit. Dit is in de eerste plaats mogelijk indien onderbrenging van een gedetineerde in een ander land dan het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd noodzakelijk is doordat vanwege bijzondere omstandigheden of een grootschalige actie van de politie de eigen detentiecapaciteit onvoldoende is. Zowel bij bijzondere omstandigheden als een grootschalige actie wordt gekeken naar individuele belangen. De noodzaak tot onderbrenging van een gedetineerde in een ander land kan in de tweede plaats ontstaan om redenen die verband houden met de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting. Hierbij moet onder inrichting worden verstaan een instelling waar verdachten tijdens de voorlopige hechtenis worden opgesloten dan wel veroordeelden zijn gehuisvest om hun straf uit te zitten. De bescherming van de openbare orde of de nationale veiligheid kan eveneens ten grondslag liggen aan een verzoek om beschikbaarstelling van detentiecapaciteit en ten slotte kan een dergelijk verzoek ook worden gedaan met het oog op het voorkomen of opsporen van strafbare feiten.

Indien de noodzaak tot onderbrenging komt te vervallen, keert de gedetineerde terug naar het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidsstraf is opgelegd. In dat geval stelt het openbaar ministerie van het land waarin het bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven of de vrijheidstraf is opgelegd, door de tussenkomst van de procureur-generaal, het openbaar ministerie van het land waarin de gedetineerde is ondergebracht op de hoogte van de mogelijkheid van terugkeer van gedetineerde.

De gronden waarop de Minister van Justitie van het aangezochte land het verzoek om het tijdelijk onderbrengen van een gedetineerde kan afwijzen, zijn limitatief opgesomd in artikel 4. De Minister kan het verzoek afwijzen indien de gevraagde capaciteit niet beschikbaar is, de onderbrenging onverenigbaar is met de orde of de veiligheid in de inrichting, dit noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde of nationale veiligheid, wanneer het belang van de voorkoming of opsporing van strafbare feiten zich tegen de onderbrenging verzet of indien een dichterbij de woonplaats van gedetineerde gelegen land capaciteit ter beschikking kan stellen. Een verzoek wordt schriftelijk en gemotiveerd afgewezen.

7. Verhouding tot het scenario overdracht strafvonnissen

Het scenario overdracht strafvonnissen is complementair aan de onderlinge regeling detentie.

De onderhavige regeling ziet op het tijdelijk feitelijk onderbrengen van gedetineerden in een ander land. De gedetineerde wordt tijdelijk in een ander land ondergebracht. Zodra de reden van onderbrenging is komen te vervallen, wordt de gedetineerde weer teruggeplaatst. Bij het scenario gaat het om de overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen aan één ander land, namelijk aan Nederland. De feitelijke tenuitvoerlegging van de opgelegde straf wordt, als voldaan is aan bepaalde voorwaarden die zijn neergelegd in de circulaire, aan Nederland overgedragen voor in beginsel de gehele detentieperiode. Onderhavige onderlinge regeling ziet alleen op Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het Europese deel van het Koninkrijk is expliciet uitgesloten van deze regeling.

De Minister van Justitie van Nederland,

E.H.M. Hirsch Ballin.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van Nederland,

A.Th.B. Bijleveld-Schouten.

Z.A.M. Jesus-Leito.

W. Marlin.

Naar boven