Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatscourant 2010, 32Besluiten van algemene strekking

Wijziging van de Regeling eisen geschiktheid 2000 met betrekking tot de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen bij dementie en aanpassing van de definitie van specialistisch rapport

21 december 2009

Nr. CEND/HDJZ-2009/1226 sector AWW

Hoofddirectie Juridische Zaken

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 111, vierde lid, en 134, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

ARTIKEL I

De bijlage bij de Regeling eisen geschiktheid 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In hoofdstuk 2 wordt de laatste volzin vervangen door: Waar hierna sprake is van een specialistisch rapport, is daarmee bedoeld het rapport dat het CBR ontvangt van de onafhankelijke specialist naar wie een persoon door het CBR is verwezen. Hieronder wordt tevens verstaan het rapport van een keuring in de eigen-verklaringsprocedure of onderzoek in de vorderingsprocedure, uitgevoerd door een arts onder supervisie en verantwoordelijkheid van een specialist naar wie de persoon is verwezen.

B

Paragraaf 7.4. komt te luiden:

7.4. Min of meer progressieve, al of niet intermitterend verlopende ziektebeelden

Het betreft hier aandoeningen van de hersenen of het ruggenmerg, zoals de ziekte van Parkinson, multiple sclerose, cervicale myelopathie, en ziekten van perifere zenuwen en skeletspieren. De betrokkenen komen in de regel niet in aanmerking voor rijbewijzen van groep 2.

Voor de beoordeling van de geschiktheid is een specialistisch rapport nodig, opgesteld door een neuroloog en eventueel een neuropsycholoog. Bij cervicale myelopathie kan echter volstaan worden met de aantekening van de keurend arts.

Voor een juiste oordeelsvorming dient ook een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van de desbetreffende afdeling van het CBR te worden geraadpleegd. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

De duur van de geschiktheidstermijn hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar.

Bij cognitieve stoornissen geldt tevens paragraaf 8.6.

C

Paragraaf 8.6. komt te luiden:

8.6. Cognitieve stoornissen

8.6.1. Dementie

  • A. Groep 1: Bij een vermoeden van dementie is een specialistisch rapport (opgesteld door bijvoorbeeld een neuroloog, psychiater of geriater) vereist. Het rapport moet het CBR informatie verschaffen over de ernst van de dementie. Voor het indelen van de ernst van de dementie wordt daarbij gebruik gemaakt van de internationaal aanvaarde Clinical Dementia Rating (CDR).

    Personen met een zeer lichte (CDR 0,5) of lichte vorm (CDR 1) van dementie kunnen geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van groep 1, met een beperking van de rijbevoegdheid tot privé gebruik. Personen met een matige (CDR 2) of ernstige (CDR 3) vorm van dementie zijn altijd ongeschikt.

    Voor de bepaling van de geschiktheid van personen met zeer lichte of lichte dementie dient een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van de desbetreffende afdeling van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

    De geschiktheidstermijn is één jaar.

    In uitzonderingsgevallen kunnen personen met een zeer lichte vorm van dementie (CDR 0,5) geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal drie jaar. Voorwaarde is dat de positieve rijtest wordt aangevuld met een positief neuropsychologisch onderzoek.

  • B. Groep 2: Personen bij wie de diagnose dementie is gesteld zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

8.6.2. Overige cognitieve stoornissen, anders dan dementie

Personen bij wie het cognitief functioneren gestoord is geraakt (zoals een gestoord oordeel- en kritiekvermogen, gestoorde oriëntatie, geheugenstoornissen) zijn meestal ongeschikt voor groep 1 en altijd ongeschikt voor groep 2 rijbewijzen.

Eventuele tijdelijke geschiktheid voor groep 1 – zulks ter beoordeling door middel van een specialistisch onderzoek – hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar. Voor de bepaling van de geschiktheid dient een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van de desbetreffende afdeling van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

Organische aandoeningen die gepaard gaan met regelmatig terugkerende episoden van verwardheid en desoriëntatie maken de betrokkene ongeschikt voor het rijbewijs, tenzij deze verschijnselen alleen optreden bij intercurrente lichamelijke ziekten. Wat dit laatste betreft is in gunstige gevallen, na herstel van de bijkomende ziekte, goedkeuring mogelijk zo nodig met een beperkte geschiktheidstermijn. Bij reversibele oorzaken van psycho-organische stoornissen kan de betrokkene psychisch herstellen en weer geschikt worden verklaard.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C. Eurlings.

TOELICHTING

Onderhavige wijziging van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de regeling) strekt er toe de eisen met betrekking tot de tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen, zoals die worden gehanteerd in het kader van de beoordeling van de geschiktheid van aanvragers van een verklaring van geschiktheid en in het kader van gevorderde onderzoeken naar de geschiktheid, bedoeld in de artikelen 130 tot en met 134 van de Wegenverkeerswet 1994, voor personen met dementie opnieuw vast te stellen.

Door het bestuur van de Stichting Alzheimer Nederland is mij verzocht de eisen ten aanzien van autorijden bij dementie zo mogelijk te herformuleren in het licht van nieuwe wetenschappelijke en medische ontwikkelingen.

Onder dementie wordt verstaan een progressieve aandoening zich uitend in een combinatie van verschillende cognitieve functiebeperkingen, van een zodanige ernst dat daardoor een significante verstoring van het normale sociale of beroepsmatige functioneren optreedt en er een duidelijke verlaging is in vergelijking met het vroegere functieniveau. Dementie heeft meerdere oorzaken, waarvan de ziekte van Alzheimer de meest voorkomende is (60–70%). Tot op heden waren personen met dementie, ongeacht de ernst, ongeschikt voor alle rijbewijzen. Doordat de diagnose dementie in een steeds vroeger stadium gesteld kan worden, rees de vraag of personen met beginnende dementie en met geringe klachten mogelijk toch nog tijdelijk rijgeschikt kunnen zijn.

Gelet op voorgaande is het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) gevraagd een commissie te installeren om deze vraag te onderzoeken. Het CBR heeft vervolgens prof. dr. W.H. Brouwer, bijzonder hoogleraar Verkeersgeneeskunde en -neuropsychologie, benaderd met het verzoek een commissie van deskundigen te vormen met als doel te adviseren over de huidige stand van zaken in de wetenschap ten aanzien van autorijden van personen met dementie. Op 7 februari 2008 heeft de commissie een advies uitgebracht1. De commissie stelt voor om bij lichte en zeer lichte vormen van dementie de rijgeschiktheid niet langer volledig uit te sluiten voor rijbewijzen van groep 1. Voor rijbewijzen van groep 2 stelt de commissie voor ongeschiktheid in alle gevallen van dementie te handhaven, evenals voor het beroepsmatig gebruik van rijbewijzen van groep 1. Ter uniformering van de manier om de ernst van de dementie vast te stellen stelt de commissie de Clinical Dementia Rating (CDR) voor, die een onderscheid maakt tussen ernstige (CDR 3), matige (CDR 2), lichte (CDR 1) en zeer lichte dementie (CDR 0,5). Voor het definitieve oordeel over de geschiktheid voor groep 1 rijbewijzen adviseert de commissie het afnemen van een rijtest op de openbare weg door een deskundige op het gebied van de praktische rijgeschiktheid van de desbetreffende afdeling van het CBR. Het advies van de Commissie Brouwer is door mij overgenomen en de regeling is op bovengenoemde punten aangepast (artikel I, onderdelen B en C).

Daarnaast is de regeling aangepast met betrekking tot de definitie van een specialistisch rapport. Deze wijziging is doorgevoerd als gevolg van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State2. De Afdeling heeft daarin overwogen dat van een specialistisch rapport als bedoeld in paragraaf 8.8 van de bijlage van de regeling geen sprake is indien de betreffende specialist, de psychiater, de betrokkene niet zelf heeft gezien en aldus niet zelf direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest.

Op dit moment worden veel van de keuringen uitgevoerd door artsen onder verantwoordelijkheid van een psychiater. Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is van oordeel dat de werkwijze waarbij psychiatrische keuringen zijn uitgevoerd onder supervisie van een psychiater een in de gezondheidszorg geaccepteerde manier van werken is3.

Indien alle keuringen niet langer door artsen onder supervisie van een psychiater kunnen worden uitgevoerd, dan zou dit grote gevolgen hebben voor de capaciteit en de doorlooptijden van de onderzoeken. Dit is mijns inziens onwenselijk.

Gezien het standpunt van het Centraal Tuchtcollege is besloten de regeling zodanig te wijzigen dat onder een specialistisch rapport tevens wordt verstaan het rapport van een keuring die door een arts is uitgevoerd in het kader van een eigen-verklaringsprocedure of een vorderingsprocedure onder supervisie en verantwoordelijkheid van de onafhankelijke specialist naar wie de persoon is verwezen (artikel I, onderdeel A).

Administratieve lasten en bedrijfseffecten

Tot heden zijn mensen met zeer lichte of lichte dementie niet rijgeschikt. Daar brengt deze regeling verandering in. Onder voorwaarde dat een rijtest bij het CBR goed doorstaan wordt, is men rijgeschikt. Inclusief reistijd is met de rijtest gemiddeld circa 2 uur gemoeid. Jaarlijks zullen ongeveer 1.000 mensen van deze mogelijkheid gebruik maken. Dat betekent een administratieve last van 2.000 uur per jaar. De reiskosten bedragen gemiddeld circa € 10. Dat is een administratieve last van circa € 10.000 per jaar.

Deze regeling is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Administratieve Lasten (Actal). Het college heeft besloten de regeling niet te selecteren voor toetsing.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

C. Eurlings.


XNoot
1

Commissie Brouwer: Rijgeschiktheid van personen met dementie. Groningen, 2008 (www.cbr.nl).

XNoot
2

Uitspraak van 31 december 2008 (LJN: BG8655).

XNoot
3

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 4 juni 2009 (2008/235).