Regeling van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 19 februari 2010, nr. BJZ2010004657, tot vaststelling van de minimumbijdrage, bedoeld in de artikelen 220 lid 6 en 275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Regeling minimum-bijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie)

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

Gelet op de artikelen 220 lid 6 en 275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

Besluit:

Artikel 1

De minimumbijdrage, bedoeld in de artikelen 220 lid 6 en 275 lid 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is € 5264.

Artikel 2

Met ingang van 1 maart 2010 wordt in artikel 1 ‘€ 5264’ vervangen door: € 5327.

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking met ingang van de datum waarop de wet van 4 februari 2010 (Stb. 90) tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek (opneming verhuiskostenvergoeding bij renovatie) in werking treedt.

Artikel 4

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling minimumbijdrage verhuis- en inrichtingskosten bij renovatie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 19 februari 2010

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

E.E. van der Laan.

TOELICHTING

Met de inwerkingtreding van de wet van 4 februari 2010 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek (BW) (opneming verhuiskostenvergoeding bij renovatie) op 26 februari 2010 is de regeling met betrekking tot verhuiskostenvergoeding zoals die voorheen op grond van het Besluit beheer sociale-huursector voor woningcorporaties gold, op alle verhuurders van toepassing geworden.

In het BW is opgenomen dat bij een noodzakelijke verhuizing als gevolg van renovatie of sloop de verhuurder verplicht is aan de huurder een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten te verstrekken.

Voor zelfstandige woningen, woonwagens en standplaatsen bedraagt die bijdrage ten minste het bedrag dat door middel van deze regeling is vastgesteld. Dit bedrag is bepaald op € 5.264.

  • 1. Deze regeling geldt zowel bij renovatie waarbij de huurovereenkomst in stand blijft (art. 7:220 lid 2 BW) als bij renovatie of sloop waarbij de huurovereenkomst wordt opgezegd op grond van dringend eigen gebruik voor renovatie (of sloop) (art. 7:274 lid 1 sub c jo. lid 3 sub a BW) of ter verwezenlijking van een krachtens een geldend bestemmingsplan op het verhuurde liggende bestemming (art. 7:274 lid 1 sub e BW).

De regeling in het BW is van toepassing op verhuizingen waarvan de datum op of na de datum van inwerkingtreding van de eerdergenoemde wijzigingswet ligt.

Op grond van de artikelen 7:220 lid 6 en 7:275 lid 4 van het BW wordt de minimumbijdrage jaarlijks voor 1 maart gewijzigd voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Met deze regeling wordt de hoogte van deze minimumbijdrage dan ook tevens per 1 maart 2010 aangepast met het inflatiecijfer over het voorafgaande kalenderjaar, i.c. 2009, zoals het CBS dat op 14 januari 2010 heeft gepubliceerd in zijn Statistisch Bulletin, hetgeen 1,2% bedroeg. Derhalve wordt de minimumbijdrage vastgesteld op € 5.327. Om deze reden kon deze regeling niet op het eerstvolgende vaste verandermoment, 1 april 2010, in werking treden.

De aangepaste verhuiskostenvergoeding is van toepassing op huurders die op of na 1 maart 2010 verhuizen.

De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

E.E. van der Laan.

Naar boven